Of het nu geld was of macht, achting van mensen, fatsoen, wereldlijk gemak of geleerdheid: er werd in het geheim het ZELF opgericht in een of andere gedaante. En men boog zich ervoor neer als voor een afgod.
De zakenman maakt van geld zijn god.
De genotzoeker maakt van de lust van het vlees zijn god.
De hoogmoedige maakt van zijn aanbeden ZELF zijn god.
De farizeeër maakt van eigengerechtigheid zijn god.
De Arminiaan maakt van de vrije wil zijn god.
De calvinist maakt van dorre leer zijn god.
Zij verschillen in het voorwerp van hun afgodische aanbidding. Toch komen ze allemaal hierin overeen: in hun achting en liefde geven zij aan hun eigen afgod de voorkeur boven de enige ware God.
En elkeen der afgoden zal ganselijk vergaan. (Jesaja 2:18)
Er komt dus een tijd om deze afgoden neer te halen die onze gevallen natuur heeft opgericht.
En hebben wij dat neerhalen niet in zekere mate ervaren, zowel uitwendig als inwendig?
Zijn onze afgoden niet gedeeltelijk voor onze ogen verbrijzeld? Onze toekomstplannen in stukken gesneden en vernield. Onze luchtkastelen van aards geluk en onze romantische paradijzen opgelost in rook. Onze hoop op schepselen de bodem ingeslagen. Onze jeugdige genegenheid verwelkt. En alles waarvan wij hadden gehoopt een blijvende oogst van vreugde te plukken, uit onze ogen weggenomen.
Zo ging het ook met onze godsdienst. Onze goede dunk van onszelf, onze vroomheid en heiligheid, onze wijsheid en kennis, ons inzicht en ons kunnen, onze standvastigheid en oprechtheid: is dat alles niet voor onze ogen neergehaald en tot een puinhoop gemaakt?
Dat monsterlijke wezen in ons!
Ik heb een gruwel van Jakobs hovaardij. (Amos 6:8)
O vervloekte hoogmoed, die in onze harten steeds het hoofd opsteekt! De hoogmoed zou God Zelf neerhalen om op Zijn troon te zitten. De hoogmoed zou het heiligste met voeten treden om zichzelf te verheffen!
De hoogmoed is dat monsterlijke wezen in ons met zo’n roofzuchtige en onverschillige vraatzucht dat hij steeds méér verlangt naarmate hij méér verslindt!
De hoogmoed is die kameleon die elke kleur aanneemt. Die toneelspeler die elke rol kan spelen. En die toch aan geen enkel doel trouw is behalve aan het verheffen en verheerlijken van het ZELF!
en zal den hoogmoed der sterken doen ophouden en Hij zal hun hoogmoed vernederen. (Ezechiël 7:24; Jesaja 25:11)
God is van plan de hoogmoed van de mens te doden! En o, met wat een snijdende wapens bedient de Heere Zich soms om iemands hoogmoed te doden!
Hoe brengt Hij hem soms in de diepten van aardse armoede om zijn wereldse hoogmoed te treffen!
Hoe brengt Hij de ongerechtigheden van zijn jeugd aan het licht om zijn eigengerechtige hoogmoed te doden!
Hoe laat Hij de zonde losbarsten. Zo niet openlijk dan toch zo krachtig van binnen dat doordringende overtuigingen zijn geestelijke hoogmoed doden!
En met wat een diepe ontdekkingen van innerlijk verderf werkt de Heere soms om tot op de wortel door te graven en de kern van die giftige boom af te snijden: de hoogmoed!
De Hartenkenner ontleedt en snijdt dit aangeboren kwaad open. Hij snijdt er dwars door het trillende en bloedende vlees naartoe en volgt met Zijn scherpe mes al zijn talloze kronkels en vertakkingen.
De hoge ogen de mensen zullen vernederd worden, en de hoogheid der mannen zal nedergebogen worden; en de HEERE alleen zal in dien dag verheven zijn. (Jesaja 2:11)
En de hoogheid der mensen zal gebogen, en de hoogheid der mannen zal vernederd worden; en de HEERE alleen zal in die dag verheven zijn. (Jesaja 2:17)
De HEERE der heirscharen heeft het beraadslaagd, opdat Hij ontheilige de hovaardij van alle sieraad, om al de heerlijksten der aarde verachtelijk te maken. (Jesaja 23:9)
Zaligheid
En zij riepen met een machtige roep: De zaligheid zij onzen God, Die op den troon zit, en het Lam. (Openbaring 7:10)
Het zoetste lied dat de hemel ooit liet horen en de gezegendste toon die ooit een ziel deed smelten is: zaligheid.
Gered VAN dood en hel. Van de worm die niet sterft en het vuur dat niet geblust wordt. Van de zwavelvlammen van de bodemloze put. Van het gezelschap van folterende duivels en al het vuile gespuis waaronder de aarde gekreund heeft. Van het lasteren van God in onuitsprekelijke ellende. Van een eeuwigheid van rampspoed zonder einde of hoop!
Gered IN de hemel. In het zien van Jezus zoals Hij is. In volmaakte heiligheid en gelukzaligheid. In het zalige gezelschap van heilige engelen en verheerlijkte heiligen. En dit alles gedurende de talloze eeuwen van een zalige eeuwigheid!
Welke tong van mensen of engelen kan het miljoenste deel beschrijven van wat in het woord zaligheid besloten ligt?
Het natuurlijke element van de ziel
Voordat de ziel iets van zaligheid kan weten moet zij diep en bevindelijk de aard van de zonde leren kennen. En ook van zichzelf als door de zonde bevlekt en verontreinigd.
Zij is hoogmoedig en moet vernederd worden.
Zij is achteloos en moet wakker worden geschud.
Zij is levend en moet gedood worden.
Zij is vol en moet leeggemaakt worden.
Zij is gezond en moet gewond worden.
Zij is gekleed en moet ontkleed worden.
De ziel is van nature eigengerechtig en zelfzuchtig. Diep weggezonken in wereldsgezindheid en vleselijkheid. Volkomen blind en onwetend. Vol aanmatiging, verwaandheid, eigendunk en vijandschap. En vol haat tegen alles wat hemels en geestelijk is.
De zonde in al haar gedaanten is het natuurlijke element van de ziel.
Enkele kenmerken van de onwedergeboren natuur van de mens zijn: begeerlijkheid, wellust, wereldse genoegens, verlangen naar lof van mensen, een onverzadigbare dorst naar eigen vooruitgang, een volledige overgave aan alles wat elke nieuwe begeerte van het hart kan behagen en bevredigen, en een volkomen minachting en afkeer van alles wat zijn dolle jacht op het geliefde tegenhoudt of dwarsboomt.
Opvoeding, zedelijke remmen of de kracht van de gewoonte kunnen het uitbreken van het innerlijke verderf weerhouden. Zij kunnen de machtige stroom van de inwonende zonde indammen zodat die niet alle grenzen overschrijdt en het land verwoest. Maar geen enkele zedelijke rem kan de menselijke natuur veranderen.
Een tijger aan de ketting blijft een tijger.
Zal ook een Moorman zijn huid veranderen? of een luipaard zijn vlekken?
De mens moet het volstrekte tegendeel worden van wat hij oorspronkelijk is. Hij moet God liefhebben in plaats van Hem te haten. God vrezen in plaats van Hem te bespotten. God gehoorzamen in plaats van tegen Hem in opstand te komen. Dat machtige werk en die wonderlijke verandering vragen om het inplanten van een nieuwe natuur door de onmiddellijke hand van God Zelf.
Natuurlijk licht, natuurlijke liefde, natuurlijk geloof, natuurlijke gehoorzaamheid, kortom alle natuurlijke godsdienst is hier nutteloos en machteloos.
Droefheid naar God
Droefheid naar God komt voort uit het zien van een lijdende Zaligmaker. Zij openbaart zich in haat tegen het eigen ik, afschuw van de zonde, kreunen over onze afvalligheid en zielsverdriet omdat wij zo vaak verstrikt raken door onze lusten en driften. Zij gaat vergezeld van zachtheid, een smeltend hart, uitvloeiende liefde tot de Verlosser, verontwaardiging tegen onszelf en een oprecht verlangen om nooit meer te zondigen.
Maar ons laffe vlees deinst ervoor terug!
Ziet, Ik heb u gelouterd, doch niet als zilver, Ik heb u gekeurd in den smeltkroes der ellende. (Jesaja 48:10)
Welk voordeel hebben de benauwdheden?
Zendt God ze zonder doel?
Komen ze maar toevallig, zoals de mensen van de wereld denken? Nee! Er wordt een voordeel mee bedoeld.
De rank kan geen vrucht dragen tenzij ze gesnoeid wordt.
De liefde tot de zonde kan niet uitgedreven worden. De ziel kan niet zachtmoedig, nederig, week en verbroken worden. De wereld kan niet bitter worden gemaakt. De dingen van tijd en zintuigen kunnen hun valse glans en betoverende schijn niet verliezen. Dat gebeurt alleen door verdrukking.
Onze grootste zegeningen komen meestal voort uit onze grootste benauwdheden. Zij bereiden het hart voor om ze te ontvangen. Zij maken het vat leeg van de giftige bestanddelen waarmee het gevuld was en maken het geschikt voor de wijn en de melk van het evangelie.
Zonder deze benauwdheden, smarten, beproevingen en verzoekingen te zijn betekent dat wij onszelf als genadeloos aanmerken.
Maar ons laffe vlees deinst ervoor terug!
Wij willen wel naar de hemel lopen maar niet op Gods wijze. Wij zien in de Schrift dat de weg naar de heerlijkheid een ruwe en hobbelige weg is. Toch deinzen wij terug wanneer onze voeten op dat pijnlijke en zware pad zijn gezet. Ons laffe vlees weigert die weg te gaan.
God brengt daarom als Soeverein die benauwdheden over ons die Hij het meest geschikt acht voor onze baat en Zijn eer. Hij raadpleegt ons nooit en laat ons nooit zelf kiezen.
Meestal laat Hij onze benauwdheden uit de meest onverwachte hoek komen en op een manier die ons gevoel het diepst snijdt. Op de manier die wij van alle het minst zouden hebben gekozen en die toch van alle het meest voor onze baat is.
God handelt met ons als een chirurg met een ziek orgaan. Wat een pijnlijke ingreep!
Wat snijdt het mes diep!
Hoe lang kan het duren voordat de wond genezen is!
Toch is elke snede van het mes onmisbaar! Een bekwame en trouwe chirurg zou zijn plicht niet doen als hij niet tot op de bodem sneed.
Zoals pijn vóór de genezing noodzakelijk is en door het mes teweeggebracht moet worden, zo moeten wij geestelijk in onze ziel gewond en gesneden worden. Zo lang en zo diep als God het nodig acht, zodat wij op Zijn tijd de vertroosting ontvangen.
Maken de benauwdheden die wij doormaken ons nederig?
Doven ze de liefde tot de wereld in ons hart?
Zuiveren ze de huichelarij weg?
Brengen ze ons ernstiger tot de troon der genade?
Ontdekken ze ons zonden die wij eerder niet zagen?
Dringen ze door tot in ons hart?
Leggen ze de verdorven bron bloot die wij in ons meedragen?
Doorzoeken en toetsen ze ons voor het aangezicht van een hartenkennende God?
Maken ze onze geest week en zacht?
Ziet, Ik heb u gelouterd, doch niet als zilver, Ik heb u gekeurd in den smeltkroes der ellende. (Jesaja 48:10)
De vuile gaten en poelen waarin zij zich wentelt
Arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja, dodelijk is het, wie zal het kennen? (Jeremia 17:9)
De zonde van onze gevallen natuur is iets zeer geheimzinnigs. Wij lezen van de verborgenheid der ongerechtigheid. De zonde heeft diepten die geen menselijk peillood ooit gepeild heeft en lengten die geen sterfelijke meetlat ooit heeft uitgemeten.
Zo geldt het voor de manier waarop de zonde soms lijkt te slapen en op andere tijden met nieuwe kracht ontwaakt. Haar bedrijvige, prikkelbare, ongeduldige en rusteloze aard. De vele gedaanten en kleuren die zij aanneemt. De vuile gaten en poelen waarin zij zich wentelt. De hoeken waarin zij wegkruipt. Haar bedrieglijkheid, haar huichelarij, haar sluwheid en haar overredingskracht. Haar uiterste zelfzucht, haar totale roekeloosheid, haar wanhopige razernij en haar onverzadigbare hebzucht. Dat zijn geheimen, pijnlijke geheimen, die men alleen uit bittere bevinding leert kennen.
Arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja, dodelijk is het, wie zal het kennen? (Jeremia 17:9)
De geheime kracht van de Heere in onze ziel?
Hij geeft den moeden kracht, en Hij vermenigvuldigt de sterkte dien, die geen krachten heeft. (Jesaja 40:29)
Het volk van de Heere verkeert vaak in een toestand waarin het geen kracht meer heeft. Al hun kracht lijkt uitgeput en volkomen weggevloeid. De zonde lijkt de overhand over hen te hebben gekregen. Zij voelen zich alsof zij noch wil noch vermogen hebben om de wedloop te lopen die voor hen ligt of in de weg van de Heere te volharden.
Wat heeft ons tot op deze dag behouden? Sommigen van u leggen al tien, twintig, dertig of veertig jaar belijdenis af.
Wat heeft ons behouden?
Toen er krachtige verzoekingen voor onze voeten werden uitgespreid: wat heeft ons behoed om er niet halsoverkop in te vallen?
Toen wij de werking van sterke lusten voelden: wat heeft ons ervan weerhouden er helemaal door gevangen te worden weggevoerd?
Wanneer wij zien hoe moeilijk de weg is, welke verlegenheden onze ziel te verwerken kreeg en welke vervolgingen en harde slagen van zondaars en heiligen wij moesten doorstaan: wat heeft dan toch in ons het verlangen levend gehouden om God te vrezen, en een hart dat voor Hem enigszins week bleef?
Wanneer wij zien hoe onze gevallen natuur is: ongelovig, wantrouwend, vleselijk, werelds gezind, huichelachtig, hoogmoedig en aanmatigend. Wat heeft ons dan toch doen volhouden in geloven, hopen, liefhebben, verlangen en opzien naar de Heere?
Wanneer wij denken aan onze doodsheid, koude, verstijving, weerspannigheid, dwarsheid, liefde tot het kwade, afkeer van het goede en alle overvloedige verdorvenheid van onze natuur: wat heeft ons ervan weerhouden zelfs de belijdenis van de godsdienst op te geven? En wat heeft ons ervan weerhouden mee te drijven op de machtige stroom die ons zo lang en zo vaak dreigde weg te slepen van de Heere? Is het niet het uitgaan van de geheime kracht van de Heere in onze ziel?
Kunnen wij niet terugkijken en ons onze eerste godsdienstige metgezellen te binnen brengen? Degenen met wie wij aan de wedloop begonnen. Degenen die wij misschien benijdden om hun grotere vroomheid, ijver, heiligheid en ernst. Met wie wij onze eigen traagheid en vleselijkheid pijnlijk vergeleken, terwijl wij hen bewonderden en onszelf veroordeelden.
Waar zijn ze allemaal, of het merendeel van hen? Sommigen hebben zielsverwoestende dwalingen omarmd. Anderen zijn verstrikt in een wereldse kerkelijke gang van zaken. Weer anderen zijn omhuld door misleiding en vleselijk vertrouwen.
Terwijl de meesten dus in de strikken van de duivel zijn gevallen, houdt God Zijn vreze levend in hun ziel door Zijn geheime kracht te laten uitgaan in de harten van Zijn bezwijkende kinderen. Hij ondersteunt hun gangen op Zijn paden zodat hun voetstappen niet slippen. Hij brengt hen uit al hun verzoekingen en moeilijkheden. Hij verlost hen van elk boos werk en bewaart hen voor Zijn hemels koninkrijk. Zo verzekert Hij de zaligheid van Zijn volk door Zijn eigen vrije genade.
Hoe zoet en kostbaar is het om onze kracht vernieuwd te krijgen. Om verse genade in het hart te ontvangen. Om de geheimvolle gewaarwordingen van vernieuwd leven te voelen. Om de eeuwige armen onder de ziel te voelen. Om te merken dat Hij onze strijd voor ons strijdt, onze vijanden overwint, onze lusten bedwingt, onze strikken verbreekt en ons uit onze verzoekingen verlost!
Gods huis?
In de geschriften van het Nieuwe Testament vinden wij op verscheidene plaatsen melding van het huis van God. Het Nieuwe Testament bedoelt met het huis van God nergens en nooit een stoffelijk gebouw.
Door de overleveringen van de vaderen is het zo gekomen dat gebouwen die door mensen zijn opgetrokken, hopen bakstenen en kalk en stapels gehouwen en gemetselde stenen, vaak het huis van God worden genoemd.
In de oude pauselijke tijd gaf men een gewijd gebouw de titel Gods huis. Zo probeerde men de indruk te wekken dat het een heilige plaats was waar God in het bijzonder woonde. Zo trok men de gedachten van het volk weg van elke innerlijke gemeenschap met God en vulde men hen met het idee dat Hij alleen te vinden was op een heilige plek die door riten en plechtigheden was gewijd en geheiligd.
Hetzelfde zuurdeeg van de farizeeën heeft de Kerk van Engeland aangetast. Zo noemt zij haar gewijde gebouwen, haar stapels steen en kalk, “kerken” en “huizen van God”.
En zelfs zij die een zuiverder geloof belijden en die de onschriftuurlijke vormen van die kerk afwijzen, hebben dezelfde vleselijke taal overgenomen. Ook zij noemen een gebouw als het onze waarin wij vanmorgen bijeen zijn het huis van God, omdat zij verkeerd begrijpen wat het huis van God werkelijk is.
Hoe vaak valt die uitdrukking van de kansel en hoe voortdurend hoort men haar op de gebedssamenkomst: “opgaan naar het huis van God“. Alsof een gebouw dat nu door mensenhanden wordt opgetrokken het huis van de levende God zou kunnen heten.
Het komt voort uit een verkeerd begrip van de Schrift. En het wordt sterk in de hand gewerkt door die priesterlijke aard die in het menselijk hart zit en ons doet geloven dat God alleen te vinden is in bepaalde gebouwen die voor Zijn dienst zijn afgezonderd.
Wanneer de Heilige Geest het evangelie predikt
Vaak kennen wij de theorie van het evangelie voordat wij de bevinding van het evangelie kennen.
Vaak aanvaarden wij de leer van de genade in ons verstand voordat wij de genade van de leer in onze ziel ontvangen.
Wij moeten daarom neergebracht, vernederd en beproefd worden en van elke steun beroofd. Zodat het evangelie voor ons meer wordt dan een klank, meer dan een naam, meer dan een theorie, meer dan een leer, meer dan een stelsel, meer dan een belijdenisgeschrift. Zodat het zielsgenot, zielszegen en zielszaligheid wordt.
Wanneer de Heilige Geest het evangelie predikt aan de armen van geest, aan de vernederden, de ontblote en beproefde mensen, dan is het werkelijk een evangelie van goede tijding voor het verbroken hart van de zondaar.
Wij raken verstrikt in een of andere afgod
Waar de genade van God is, dringt zij haar deelgenoot om te willen leven tot Zijn eer en heerlijkheid.
Maar al spoedig ontdekt hij hoe moeilijk dat is. Zo groot is de zwakheid van het vlees, de macht van de zonde, de list van Satan, de kracht van de verzoeking en zijn de strikken die aan alle kanten voor onze voeten zijn gespannen, dat wij noch kunnen doen wat wij willen noch kunnen zijn wat wij willen. Voordat wij het goed beseffen raken wij verstrikt in een of andere afgod of laten wij ons meeslepen in een of andere toegeeflijkheid aan het vlees. Dat brengt duisternis in het gemoed en kan ons voor de rest van onze dagen bitter werk bezorgen.
Maar zo leren wij niet alleen de zwakheid van het vlees maar ook waar en in Wie al onze kracht ligt.
En naarmate de genade van de Heere Jezus in haar geschiktheid, haar toereikendheid en haar overvloed openbaar wordt in en door de zwakheid van het vlees, dringt het besef van Zijn wonderbare liefde en zorg ons met een heilige verplichting. Namelijk dat Hij ons zo draagt, zo medelijden heeft met onze toestand en barmhartigheid bewijst waar wij terecht toorn zouden verwachten. Zo worden wij gedrongen om in Zijn vreze te wandelen en te leven tot Zijn lof.
De zonden en misstappen van de heiligen?
De Schrift vermeldt getrouw de val van gelovigen. De dronkenschap van Noach, de bloedschande van Lot, het ongeloof van Abraham, de prikkelbaarheid van Mozes, het overspel van David, de afgoderij van Salomo, de hoogmoed van Hizkia, de lafheid van Markus en het vloeken en zweren van Petrus.
Maar waarom heeft de Heilige Geest de zonden en misstappen van de heiligen laten optekenen?
Ten eerste om ons te leren dat zij als arme, verloren en verdorven zondaars door genade zijn zalig geworden. Op dezelfde manier als wij hopen zalig te worden.
Ten tweede opdat hun misstappen en vallen zoveel bakens en waarschuwingen zouden zijn om het volk van God ervoor te behoeden door dezelfde zonden te worden overvallen. Zoals de apostel zegt: En deze dingen alle zijn hunlieden overkomen tot voorbeelden; en zijn beschreven tot waarschuwing van ons.
En ten derde opdat het volk van God niet in wanhoop wordt gestort als het door de zonde wordt overvallen. Maar dat het door het zien van de optekening in de Schrift van de misstappen en tekortkomingen van de heiligen van vroeger uit zijn moedeloosheid wordt opgebeurd en weer op de Heere leert hopen.
Kaïn, Ezau, Saul, Achab, Judas
Want de droefheid naar God werkt een onberouwelijke bekering tot zaligheid; maar de droefheid der wereld werkt den dood. (2 Korinthe 7:10)
Deze twee soorten berouw moeten zorgvuldig van elkaar onderscheiden worden. Toch worden zij helaas vaak met elkaar verward. Kaïn, Ezau, Saul, Achab en Judas hadden allen berouw. Maar hun berouw was de wroeging van het natuurlijke geweten en niet de droefheid naar God van een verbroken hart en een verslagen geest. Zij beefden voor God als voor een toornige Rechter maar werden niet tot boetvaardigheid doorsmolten voor Hem als een vergevende Vader.
Zij haatten hun zonden niet en verlieten ze ook niet.
Zij hadden de heiligheid niet lief en zochten haar niet.
Kaïn ging weg van het aangezicht van de Heere.
Ezau beraamde de dood van Jakob.
Saul raadpleegde de waarzegster van Endor.
Achab zette de oprechte Micha gevangen.
Judas verhing zichzelf.
Wat een verschil met dit afgedwongen en valse berouw van een verworpene is het berouw van een kind van God! Dat ware berouw over de zonde, die droefheid naar God, die heilige rouw die voortvloeit uit de genadige werkingen van de Geest!
De droefheid naar God komt niet voort uit het besef van Gods toorn in een gebroken wet maar uit Zijn barmhartigheid in een gezegend evangelie. Zij komt voort uit het zien door het geloof van het lijden van Christus in de hof en aan het kruis en uit een openbaring van vergevende liefde. Zij gaat altijd vergezeld van walging van zichzelf en afschuw van het eigen ik, van een diepe en ongereserveerde belijdenis van de zonde en het verlaten ervan, van de hartelijkste, oprechtste en vurigste smeking om voor alle kwaad bewaard te blijven en van een heilig verlangen om te leven tot lof en heerlijkheid van God.
Hier, en hier alleen
Als wij dan staan bij het kruis van onze aanbiddelijke Heere kunnen wij zien: de wet volkomen vervuld, haar vloek volledig gedragen, haar straffen geheel weggenomen, de zonde eeuwig weggedaan, de gerechtigheid van God ruimschoots voldaan, al Zijn eigenschappen heerlijk in overeenstemming gebracht, de verzoening volkomen tot stand gebracht, de verlossing genadig volbracht en de gemeente voor eeuwig behouden.
Hier, en hier alleen, zien wij de zonde in haar zwartste kleuren en de heiligheid in haar aantrekkelijkste schoonheid.
Hier, en hier alleen, zien wij de liefde van God in haar tederste vorm en de toorn van God in haar diepste uitdrukking.
Hier, en hier alleen, zien wij het eeuwige en onveranderlijke mishagen van de Almachtige tegen de zonde en de strenge eisen van Zijn onbuigzame gerechtigheid. En toch ook het tedere medelijden en de grenzeloze liefde van Zijn hart voor de uitverkiezing van de genade.
Hier, en hier alleen, worden vergeving en vrede verkregen.
Hier, en hier alleen, vloeien boetvaardig leed en droefheid naar God uit hart en ogen.
Hier, en hier alleen, wordt de zonde bedwongen en gedood, heiligheid medegedeeld, de dood overwonnen, Satan op de vlucht gejaagd en geluk en hemel in de ziel begonnen.
Wat een heilige ontmoetingsplaats voor berouwvolle zondaars en een zondevergevende God! Wat een geneesplaats voor schuldige maar berouwvolle en terugkerende afvalligen! Wat een deur der hope in het dal Achor voor wie zichzelf veroordelen en verfoeien! Wat een veilige plek voor zoekende zielen! En wat een gezegende toevluchtsoord voor het hele gezin van de genade in dit dal van verdriet en droefheid.
Bevindelijke kennis
En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den enigen waarachtigen God, en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt. (Johannes 17:3)
Een bevindelijke kennis van Christus in de ziel is het enige middel tegen de armoede, schuld, melaatsheid, bankroet en verdoemenis van de zonde.
Dit is de ware wijze om de gekruisigde Christus te prediken: niet louter de leer van het kruis maar een gekruisigde Jezus die de ziel bevindelijk kent.
Ik ben mij diep bewust van mijn eigen laagheid, onwetendheid, blindheid en dwaasheid. Maar mijn kwaal zit te diep om genezen te worden door dorre leerstellingen en speculatieve theologische meningen.
Het bloed van het Lam, geestelijk en bovennatuurlijk besprenkeld en toegepast, is de enige heelzame balsem voor een zondezieke ziel.
Vriend, kunt u mijn raadsel begrijpen?
Ik merk dat de zonde zo’n macht over mij heeft dat ik, hoewel ik de Heere telkens weer om verlossing aanroep, even zwak lijk als altijd wanneer de verzoeking komt.
Als er een venster in mijn borst zat, wat een vuiligheid en laagheid zou iedereen dan zien.
O afschuwelijk monster van een zonde! Wat een vloek hebt u binnengebracht!
Ik heb haar lief en ik haat haar.
Ik wil van haar macht verlost worden en toch ben ik niet tevreden zonder haar vergiftigde zoetigheden naar binnen te slurpen.
De zonde is mijn uurlijkse gezellin en mijn dagelijkse vloek.
De zonde is de adem van mijn mond en de oorzaak van mijn gekreun.
De zonde is mijn prikkel tot bidden en mijn belemmering daarbij.
De zonde deed mijn Zaligmaker lijden en maakt mijn Zaligmaker kostbaar.
De zonde bederft elk genot en zet een angel in elke pijn.
De zonde maakt een ziel geschikt voor de hemel en rijpt een ziel voor de hel.
Vriend, kunt u mijn raadsel begrijpen?
Is uw hart als mijn hart?
Helaas! Helaas! Wij voelen de macht van de zonde dagelijks en uurlijks. Soms zuchten en kreunen wij om verlost te worden van de reuzenkracht van ons verderf, dat ons naar zijn believen gevangen lijkt te voeren. Hoewel de zonde een zoete hap is voor onze vleselijke gezindheid, doet zij onze ziel verdriet.
Ik weet zeker dat ik een gedenkteken van genade en barmhartigheid moet zijn als ik van de schuld, de vloek en de macht van de zonde word gered!
Mijn grootste vijand?
Ik heb mijzelf altijd als mijn grootste vijand ervaren. Ik heb nooit een vijand gehad die mij zoveel last bezorgde als mijn eigen hart. Niemand heeft mij ook maar half zoveel kwaad gedaan of mij half zoveel plagen bezorgd als wat ik van binnen heb gevoeld en gekend. En juist het dagelijkse besef daarvan maakt dat ik mijzelf meer vrees dan wie ook die op de aardbodem rondloopt!
Houd een waakzaam oog op elke vijand in uw binnenste. En als u strijdt, strijd dan tegen de vijand die in uw eigen borst op de loer ligt en werkt!
Er zijn veel gedachten in het hart van een mens
In het hart des mans zijn veel gedachten; maar de raad des HEEREN, die zal bestaan. (Spreuken 19:21)
De overleggingen van ons hart gaan er meestal om een gemakkelijk, effen en bloemrijk pad te vinden. Wat voordeel wij ook uit de benauwdheid hebben getrokken en welke barmhartigheden wij ook in de verdrukking hebben ervaren: het vlees haat zo’n pad en deinst er volkomen walgend voor terug.
Daarom is er in het hart van een mens altijd een heimelijk beraamd plan om het kruis te ontlopen, de benauwdheid te vermijden en in een bloemrijke weide te wandelen, weg van de ruwe weg die zijn voeten openhaalt en zijn leden vermoeit.
Een ander overleg in het hart van een mens is dat hij wereldse voorspoed zal hebben. Dat zijn kinderen om hem heen zullen opgroeien en dat hij hen later kan voorzien op een manier die het best past bij hun stand. Dat zij gezond en sterk zullen zijn en succes zullen hebben. En dat er in zijn gezin geen snijdende benauwdheid zal zijn en geen vurige beproeving te doorstaan.
Nu, die overleggingen verijdelt de Heere. Wat een verdriet, wat een benauwdheid en wat een moeite brengt de Heere voortdurend in sommige gezinnen! Hun dierbaarste voorwerpen van liefde worden van hen weggenomen op het moment dat zij het dichtst om hun hart gesloten leken.
En wie gespaard blijven groeien misschien op met zo’n afgestompt geweten en zo’n verharding van hart en misschien zo’n losbandig leven dat zelfs hun aanwezigheid voor hun ouders vaak een last is in plaats van een zegen. En juist de kinderen die hun tot troost moesten zijn, worden doornen en distels in hun zij!
O, hoe werpt de Heere de gedachten om van wie hier op aarde een paradijs willen maken, en hoe brengt Hij ze tot niets.
Wanneer iemand op de juiste plek is gebracht en in de juiste stemming om de wegen van de Heere met hem van het begin af na te gaan, ziet hij dat het een vriendelijke hand was die zijn wonderbomen deed verdorren en neerlegde. Dat het een vriendelijke hand was die zijn wereldse vooruitzichten wegveegde. Die hem tot natuurlijke en tot geestelijke armoede bracht. Die hem leidde in oefeningen, beproevingen, smarten, verdriet en benauwdheden. Want in die beproevingen heeft hij de Heere meer of minder bevindelijk kostbaar gevonden.
In het hart des mans zijn veel gedachten.
U hebt nu allemaal uw eigen overleggingen. Die bedrijvige werkplaats brengt voortdurend een nieuw patroon voort. Voortdurend schiet er een nieuwe mode op uit de diepten van die vernuftige fabriek die u met u meedraagt. U wilt dit en verwacht dat. U bouwt luchtkastelen en kijkt uit naar wat nooit zal gebeuren. Want In het hart des mans zijn veel gedachten; maar de raad des HEEREN, die zal bestaan.
En voor zover u kinderen van God bent, is die raad een raad van wijsheid en barmhartigheid. De plannen van Gods hart met u zijn plannen van liefde en genegenheid. U kunt God daarom zegenen en prijzen dat alle overleggingen van uw hart tegen Gods raad zullen worden verijdeld, zodat Hij Zijn wil doet en al Zijn welbehagen volbrengt.
Allen zijn er min of meer diep door aangetast
En zoudt gij u grote dingen zoeken? Zoek ze niet. (Jeremia 45:5)
Wanneer wij door de krachtige werkingen van onze verdorven natuur worden meegesleept, zoeken wij vaak grote dingen voor onszelf.
Rijkdom, wereldse gemakken, aanzien en het geëerd, bewonderd en geacht worden door mensen zijn de dingen die de wereld het hartstochtelijkst najaagt. En voor zover Gods kinderen onder de invloed van een wereldse gezindheid staan, verlangen zij in het geheim naar soortgelijke dingen.
Die eerzucht hangt ook niet af van iemands maatschappelijke positie. Allen zijn er min of meer diep door aangetast totdat zij door de genade van God worden bevrijd. De armste man in deze steden heeft in zijn ziel een heimelijk verlangen naar grote dingen en smeedt in zijn gedachten in het geheim plannen om ze te verkrijgen.
Maar de Heere is vastbesloten dat Zijn volk geen grote dingen zal hebben. Hij heeft besloten alle hoogmoed van de mens te vernederen. Daarom knijpt Hij al hun hoop in de knop af, vermorzelt hun vleiende vooruitzichten en maakt hen voor het grootste deel arm, behoeftig en veracht in deze wereld.
Welke plannen of ontwerpen het volk van de Heere ook bedenkt om te slagen en vooruit te komen in de wereld: zelden laat Hij hun plannen gedijen. Hij weet goed waartoe dat zou leiden. Dat deze klimop die om de stam kruipt als het ware de boom zou verstikken en wurgen.
Hoe meer de wereldse goederen toenemen, hoe meer het hart eraan vastzit, hoe meer de genegenheid op afgoden gericht is en hoe meer het hart van de Heere wordt weggetrokken. Hij wil niet dat Zijn volk hier beneden zijn deel heeft. Hij heeft voor hen een betere stad weggelegd, namelijk een hemelse. Daarom staat Hij niet toe dat zij onder de hemel bouwen en planten.
Een kind van God kan in het geheim naar grote dingen streven, zoals aanzien, verbetering van zijn positie en stap voor stap stijgen op de maatschappelijke ladder. Maar de Heere zal meestal die plannen teleurstellen, die ontwerpen verijdelen, die wonderbomen doen verdorren en die vooruitzichten doen vergaan.
Hij kan hem tot armoede brengen zoals Hij Job deed, hem met ziekte slaan zoals Hij Lazarus en Hizkia deed, vrouw en kinderen wegnemen zoals bij Ezechiël en Jakob. Of Hij kan benauwdheid en nood in zijn gemoed brengen door een pijl uit Zijn onfeilbare boog in het geweten te schieten.
God heeft met het zenden van deze benauwdheid een bepaald doel. Namelijk om hem neer te halen van het “grote dingen zoeken”. Want wat is de geheime wortel van deze eerzucht? Is het niet de hoogmoed van het hart? Wanneer de Heere dan die eerzucht wil neerleggen, treft Hij de wortel. Hij rukt ingebeelde verwachtingen weg en breekt rotte steunsels af. De grote dingen die men uit onwetendheid zo hoog achtte, waarnaar men eerder zocht en misschien ook kreeg, vallen uiteen.
En zoudt gij u grote dingen zoeken? Zoek ze niet. (Jeremia 45:5)
Predikanten verlangen vaak naar . . .
En zoudt gij u grote dingen zoeken? Zoek ze niet. (Jeremia 45:5)
Predikanten verlangen vaak naar een grotere gave van prediking, een vlottere uitspraak, een rijkere afwisseling en een treffender voordracht dan zij bezitten. En dat niet voor de eer van God maar voor de eer van het schepsel. Niet opdat God geprezen wordt maar opdat de hoogmoed, de vervloekte hoogmoed, bevredigd wordt en zij door mensen bewonderd worden.
Mijn verlangen en doel is niet zielen te misleiden met vleierij. Niet een of andere partij te behagen. Niet de hoogmoed of aanmatiging van wie dan ook te dienen. Maar eenvoudig en oprecht, met het oog op Gods eer en met Zijn vreze werkend in mijn hart, te spreken tot opbouw van Zijn volk.
Een predikant die opstaat met andere beweegredenen en met een ander doel dan de eer van God en de opbouw van Zijn volk, draagt geen Schriftuurlijke kenmerken dat hij door God Zelf in de wijngaard is gezonden.
Hebben wij niets aan Christus te geven?
Jawel! Onze zonden, onze smarten, onze lasten, onze beproevingen en bovenal de zaligheid en heiliging van onze zielen.
En wat heeft Hij ons te geven? Wat? Wel, alles wat de moeite waard is! Alles wat een ogenblik van bezorgde gedachten waard is! Alles voor tijd en eeuwigheid!
O ZELF! ZELF!
O, bewaard te worden voor mijzelf, mijn laag, hoogmoedig, wellustig, huichelachtig, werelds, hebzuchtig, aanmatigend en obsceen ZELF.
O ZELF! ZELF! Uw wanhopige goddeloosheid, uw verdorvenheid, uw liefde tot de zonde, uw verfoeilijke bezoedelingen, uw monsterlijke hartverdorvenheid, uw ellendige doodsheid, hardheid, blindheid en onverschilligheid.
U bent een verraderlijke schurk en, ik vrees, u zult dat altijd blijven!
Voortdurende zaligheid?
Ik heb U aangeroepen, verlos mij, en ik zal Uw getuigenissen onderhouden. (Psalm 119:146)
Als u uit eigen ervaring iets weet, inwendig en bevindelijk, van het kwaad van uw hart, de macht van de zonde, de kracht van de verzoeking, de sluwheid van uw onvermoeibare vijand en de dagelijkse strijd tussen natuur en genade, vlees en geest, die het eigen kenmerk is van het levende gezin van de hemel: dan zult u uw behoefte aan zaligheid als een dagelijkse werkelijkheid vinden en voelen. Er is tegenwoordige zaligheid: een inwendige, bevindelijke en voortdurende zaligheid, medegedeeld uit de volheid van Christus als een opgestane Middelaar.


