Meditations on Ephesians — Part VI
Wanneer wij nadenken over de eeuwige en onveranderlijke voornemens van God, zoals die ons in het hoofdstuk dat voor ons ligt worden voorgesteld, vallen ons vier dingen vooral op als het meest onze aandachtige overweging waard:
1. Het uiteindelijke doel dat het geheel bekroont: de lof van de heerlijkheid van Gods genade.
2. De tussenliggende oorzaak die het hart van God bewoog en aanspoorde: de rijkdom van Zijn liefde en gunst.
3. De leidende raad die al Zijn voornemens van begin tot einde heeft ontworpen en nog steeds bestuurt tot hun volle en uiteindelijke vervulling: Zijn oneindige wijsheid.
4. De doeltreffende uitvoering van Zijn voornemens: door Zijn almachtige kracht.
Deze vier dingen bewegen zich in verenigde harmonie en werken samen in onderlinge medewerking. Elke zegen die genade kon geven, elke wijze om liefde en gunst te tonen die wijsheid kon bedenken en elke daad waardoor de voornemens van de genade doeltreffend konden worden volbracht, gaan in de meest gezegende en harmonische overeenstemming voorwaarts naar de grote bekroning van het geheel. Dan zal uit ontelbare myriaden één algemene lofzang opklinken.
Dan klinkt het: Alles, wat adem heeft, love den HEERE! (Psalm 150:6). En dan zal men alle schepsel, dat in den hemel is, en op de aarde, en onder de aarde, en die in de zee zijn, en alles, wat in dezelve is horen zeggen: Hem, Die op den troon zit, en het Lam, zij de dankzegging, en de eer, en de heerlijkheid, en de kracht in alle eeuwigheid (Openbaring 5:13).
Het vierde punt waarop wij zo de aandacht vestigen is de doeltreffende UITVOERING van de voornemens van Gods genade door Zijn almachtige kracht. Dat hebben wij in ons vorige stuk kort aangeroerd in onze uitleg van Efeze 1:11. Wij merkten toen op dat de woorden Die alle dingen werkt naar den raad van Zijn wil weliswaar Gods universele macht omvatten, maar hier betrekking hebben op de uitvoering van de voornemens van Zijn genade. Met deze woorden houdt de apostel ons dus Gods almachtige kracht voor ogen. Zij brengt de raad van Zijn wil doeltreffend ten uitvoer voor de voorwerpen van Zijn onderscheidende gunst.
Hierin ligt een bijzondere zegen verborgen. Na een gelovige blik op de voornemens van Gods genade en een zoete overtuiging van ons aandeel daarin is niets zo versterkend en bemoedigend als een besef van Gods kracht om ze volledig uit te voeren. Wij voelen onze eigen ellendige hulpeloosheid.
Wij zinken weg onder de druk van onze dagelijkse zwakheid, treuren over voortdurend falen en kermen om aanhoudende afval. Wij zijn omringd door vijanden en benauwd door vrees. Dan geeft het ons tot het uiterste beproefde geloof enorme sterkte om te geloven dat Hij Die het heeft voorgenomen ook de macht heeft om het te volbrengen.
Deze overtuiging van de almachtige kracht van God was de steun en sterkte van Abrahams geloof. Zij hield hem staande tegenover schijnbare onmogelijkheden, zodat hij God de eer gaf (Romeinen 4:18-21). Wandelen wij in de voetstappen van het geloof van Abraham, dan kunnen wij gelovig opzien tot de God en Vader van de Heere Jezus Christus.
Wij zien de soevereine genade in Zijn hart en de oneindige wijsheid in Zijn gedachte. Zo zien wij ook de almachtige sterkte in Zijn arm. Dan raken wij er zoet van overtuigd dat alles wat Zijn liefhebbende hart voelt, door Zijn oneindige wijsheid wordt gericht en door Zijn almachtige kracht kan worden uitgevoerd.
Maar let op hoe de apostel deze rijke vertoning van de genade, de wijsheid en de kracht van God op de persoonlijke bevinding toepast: Opdat wij zouden zijn tot prijs Zijner heerlijkheid, wij, die eerst in Christus gehoopt hebben (Efeze 1:12). In de Engelse bijbel staat hier „die eerst op Christus vertrouwd hebben”.
Sommige uitleggers van deze plaats hebben de betekenis van de woorden van de apostel jammerlijk verkeerd begrepen, naar wij menen ook de goede oude dr. Hawker. Zij kenden het oorspronkelijke Grieks niet of letten er niet op. En wij mogen eraan toevoegen: zij hebben de analogie van het geloof en de samenhangende harmonie van de bedeling van de genade niet goed overwogen.
Zij zagen dat de woorden onmiddellijk naast het voorgaande woord „Zijner” staan en dus schijnbaar nauw daarmee samenhangen. Zij wisten niet of herinnerden zich niet dat die woorden in het Grieks in het meervoud staan en in wat men de vierde naamval noemt. Die bepaalt noodzakelijkerwijs over welke personen de apostel spreekt. Toch hebben die uitleggers, en ongetwijfeld ook veel predikers die hun spoor volgden, de woorden „die eerst op Christus vertrouwd hebben” betrokken op God Zelf, alsof Hij, en niet wij, het eerst op Christus had vertrouwd. Zij hebben het zo uitgelegd dat God van tevoren op Christus vertrouwde dat Hij Zijn verbondsverplichtingen zou nakomen. En dat Hij Hem daarom, vóór Hij in de wereld kwam, als het ware krediet gaf voor Zijn hele voleindigde werk, in het geloof dat Hij alles zou terugbetalen wat Hem aldus tevoren was geleend.
Dit alles lijkt misschien heel aardig en aannemelijk. Naar voren gebracht door een populaire of geliefde prediker met grote stelligheid, zoals de meeste van die fantasievolle uitleggingen, kan zo’n uitleg bij veel hoorders overkomen als een van die wonderbaar diepe verklaringen die bijna alleen hun predikant mag zien en geven. Maar het oorspronkelijke wuift zo’n uitleg weg. Want volgens alle wetten van de taal koppelt het de personen die „eerst op Christus vertrouwd hebben” grammaticaal aan het voorgaande „wij”.
Maar in dit geval, zoals bijna in elk geval van een gekunstelde of fantasievolle uitleg, hoeft men geen Grieks te kennen om de valsheid ervan te ontdekken. Naar ons gevoel is er iets zeer weerzinwekkends in de uitleg zelf. Christus vertrouwde als Knecht van de Vader en als mens op God. Hij vertrouwde Hem in het leven en in de dood, want in Zijn handen beval Hij Zijn stervende geest. En zo duidelijk was Zijn vertrouwen op God dat Zijn bittere vijanden Hem erom bespotten, evenals om de schijnbare vruchteloosheid ervan: Hij heeft op God betrouwd (Psalm 22:9; Mattheüs 27:43).
Maar nergens lezen wij dat God op Christus vertrouwde op een manier die lijkt op die waarop een schuldeiser vooraf een schuldenaar vertrouwt, in volle verwachting van betaling op een vastgesteld tijdstip. De Vader zond de Zoon (Johannes 10:36). Hij ondersteunde Hem (Jesaja 42:1). Hij had een welbehagen in Hem (Mattheüs 3:17). Hij verheerlijkte Hem (Johannes 17:1).
Maar te zeggen dat Hij op Hem vertrouwde, en dat vóór Zijn menswording, is een ijdel en dwaas denkbeeld. Het is in strijd met de harmonie van de huishouding van de genade. Die handhaaft altijd de juiste verhouding tussen de Vader en de Zoon en schrijft nooit de Zender toe wat in het bijzonder aan de Gezondene toebehoort.
Maar er is nog een reden waarom zo’n dwaze uitleg niet kan standhouden, en die vraagt geen kennis van het Grieks om te zien en te begrijpen. Kijkt u naar de kanttekening in de Engelse bijbel, die vaak letterlijker is en dichter bij het oorspronkelijke staat dan de tekst, dan vindt u de woorden „of gehoopt”. In feite betekent het Griekse woord eerder „gehoopt” dan „vertrouwd”. Het hele vers moet dus zo worden vertaald: wij, die eerst in Christus gehoopt hebben.
Maar wat is de betekenis van de uitdrukking „wij die eerst in Christus gehoopt hebben”? Het betekent dat zij over wie de apostel spreekt, hijzelf inbegrepen, behoorden tot de eerstelingen van de uitstorting van de Geest na de hemelvaart en verheerlijking van Christus. Paulus zag zichzelf en de heiligen van zijn dagen met een soort heilige triomf als de eerste trofeeën van de overwinning van Christus op zonde, dood en hel. Hij zag vooruit naar hen die later door Gods onderscheidende genade zouden worden geroepen. Deze eerstelingen schijnen op bijzondere wijze gewijd te zijn aan de lof van de heerlijkheid van Gods genade.
De eerstelingen onder de wet werden op het Pesachfeest voor het aangezicht van de Heere geofferd. Het was een schoof koren, afgesneden van het veld, als onderpand en waarborg van de hele oogst. Zo was het met deze eerste gelovigen. Deze eerste rijke vertoning van de voornemens van Gods genade vervulde het hart van de apostel met heilige blijdschap.
Hijzelf was een bloeddorstige vervolger die de gemeente had verwoest. De blinde afgodendienaars te Efeze waren eens dood in overtredingen en zonden. Dat zij nu waren uitverkoren om als eersten op Christus te hopen en zo als eersten een kroon van heerlijkheid op het hoofd van de Verlosser te plaatsen, vervulde hem met heilige bewondering en vreugde.
Hij voelde de zaligheid van een persoonlijke godsdienst, van een bevindelijk en genoten aandeel in een eeuwig erfdeel. Hij en zij aan wie hij schreef waren niet louter toeschouwers van de triomfen van het verlossende bloed. Zij waren ook niet, zoals duizenden, onbewogen hoorders van het evangelie dat zaligheid door genade verkondigde.
Zij waren voorbeschikt naar het voornemen van Hem Die alle dingen werkt naar de raad van Zijn wil, en hadden een erfdeel in Christus verkregen. En wat was hun bewijs van dit persoonlijke aandeel en dat zij Izaks waren en geen Ismaëls, Jakobs en geen Ezaüs, Davids en geen Sauls? Het was dat zij de „eersten waren die op Christus hoopten”.
Let erop hoe een hoop op Christus, dat wil zeggen natuurlijk een goede hoop door genade, ons persoonlijk aandeel in Christus aantoont en bewijst dat wij in Hem een erfdeel hebben verkregen. Als zij werkelijk wordt gevoeld en beleefd, stelt zij de ziel in staat de Heere te loven voor Zijn onderscheidende genade. En omdat ieder die lof brengt God verheerlijkt, zijn zij die op Christus hopen „tot prijs van de heerlijkheid van Zijn genade”. Deze lofprijs hebben de eerst geroepenen als eersten gebracht.
En zoals de eerstelingen onder de levitische bedeling een onderpand waren van de komende oogst, zo was het met deze eerste gelovigen. Hun roeping door genade en het werk van de Geest in hun hart waren een waarborg voor een hele oogst die nog moest worden binnengehaald en opgeslagen. Zo worden Epenetus en Stefanas genoemd als de eersteling van Achaje (Romeinen 16:5; 1 Korinthe 16:15). Dat betekent dat zij behoorden tot de allereersten die werden geroepen in dat deel van Griekenland waarvan Korinthe de hoofdstad was (2 Korinthe 1:1).
Deze Efeziërs behoorden dus tot de eerste trofeeën van de dood, opstanding en hemelvaart van Christus. Zij waren onder de eersten die, levend gemaakt uit een dood in zonde, waren opgewekt tot een hoop op Christus. Zij waren gezegend met alle geestelijke zegeningen in Christus, uitverkoren in Hem vóór de grondlegging van de wereld en aanvaard in den Geliefde.
Zij waren levend gemaakt voor God door wedergeboortegenade en hadden zo in hun eigen geweten bewezen dat zij een erfdeel in Christus hadden verkregen. Dat was niet door enige goedheid van henzelf, maar omdat zij ertoe waren voorbeschikt naar het voornemen van Hem Die alle dingen werkt naar de raad van Zijn wil.
Hadden de uitleggers die wij al hebben genoemd deze punten naar behoren overwogen, dan zouden zij de betekenis van de woorden „die eerst op Christus vertrouwd hebben” niet zo volkomen hebben misverstaan. Zelfs als zij hadden gelet op de kanttekening „gehoopt”, zouden zij voor zo’n uitleg zijn teruggeschrokken. Want zij konden niet beweren dat God „eerst op Christus gehoopt” heeft.
Geloof en hoop aan God toeschrijven is tienduizend keer erger dan de dwaling die de heer Huntington zo scherp geselt bij Onesimus, die geloof en hoop toeschreef aan de heiligen in de hemel. Maar genoeg over deze fantasievolle uitleg, die zoals de meeste van haar soort slechts een bedekking van dwaling is.
De apostel volgt zijn goddelijke thema en laat verder zien hoe de heiligen te Efeze verder werden geleid in het goddelijk leven, zodat zij hun persoonlijk aandeel in deze hemelse zegeningen kenden: In Welken ook gij zijt, nadat gij het woord der waarheid, namelijk het Evangelie uwer zaligheid gehoord hebt; in Welken gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte (Efeze 1:13).
Men zal opmerken dat het woord „vertrouwd” in de Engelse bijbel cursief staat. Dat toont dat het niet in het oorspronkelijke staat maar door de vertalers is ingevuld om, naar zij meenden, de zin te voltooien. Naar ons oordeel hadden zij het weggelaten woord, zo noemt men het een ellips, echter helemaal verkeerd ingevuld met „vertrouwd”. Als zij het al hadden moeten invullen, wat niet nodig was, hadden zij „geloofd” moeten plaatsen.
Want de woorden „nadat u het woord van de waarheid, het evangelie van uw zaligheid, hebt gehoord” komen binnen als een soort tussenzin. Het hele vers had dan zo moeten worden vertaald: „In Wie ook u, nadat u het woord van de waarheid, het evangelie van uw zaligheid, hebt gehoord.” Hier keert de apostel terug naar waar hij begon: „in Wie ook u, nadat u geloofd hebt, werd verzegeld”, enzovoort.
Er is geen sprake van dat zij eerst op Christus hadden vertrouwd, zoals uit de vertaling zou blijken. De apostel gaat over naar een ander punt: van hun hoop op Christus naar hun geloof in Christus, en naar wat daarop volgde als getuigenis van de waarheid en werkelijkheid van hun geloof. Het is dus alsof hij zegt: „Wij allen aan wie het evangelie eerst met kracht kwam. Wij allen die als eerstelingen van de overwinning van Christus genade hebben ontvangen vóór de rest van de oogst die na ons zal worden binnengehaald. Wij allen waren voorbeschikt tot prijs van de heerlijkheid van Gods genade.
Maar onder de eerstelingen zijn ook u, heiligen te Efeze. U hebt het woord van de waarheid gehoord, het evangelie van onze zaligheid, en u hebt geloofd in Hem van Wie dat evangelie getuigt. God is daarin overvloedig over u geweest in alle wijsheid en voorzichtigheid. Het kwam tot u niet in woord alleen, maar in kracht, in de Heilige Geest en in grote verzekerdheid. En wat was het gevolg? U hebt geloofd in Hem van Wie het evangelie getuigde. En wat volgde op het geloven? U bent verzegeld met die Heilige Geest der belofte.”
De apostel verbindt dus drie dingen die elkaar in gezegende opeenvolging volgen: 1. Horen. 2. Geloven. 3. Verzegeld worden.
Het horen van het woord van de waarheid, het evangelie van hun zaligheid, was het eerste. Drie jaar lang hadden zij het evangelie uit de mond van Paulus gehoord. Er werd door hem een machtig werk gewrocht te Efeze, want Alzo wies het Woord des Heeren met macht, en nam de overhand (Handelingen 19:20). Wij lezen: Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods (Romeinen 10:17).
Zo was het ook met deze Efezische heiligen. Zij hoorden en zij geloofden. Paulus predikte hun Christus, en wel de Gekruisigde. De Heilige Geest gaf hun oren om te horen en harten om te voelen. Door Zijn krachtige en doeltreffende werking werd geloof in de Zoon van God in hun ziel opgewekt. Zij ontvingen Hem als Hem Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing (1 Korinthe 1:30).
En wat volgde? De verzegeling. „Zij werden verzegeld met die Heilige Geest der belofte.” Dat is de Heilige Geest Die de Heere had beloofd te zenden (Johannes 16:7). En deze Heilige Geest, want het woord „die” verwijst niet naar de verzegeling maar naar de Verzegelaar, was een onderpand van hun erfenis tot de verlossing van het verkregen bezit.
Verschillende dingen vragen hier onze overweging, vooral deze vier:
1. De Verzegelaar.
2. De verzegeling.
3. Het onderpand van de erfenis.
4. De verlossing van het verkregen bezit.
1. De Verzegelaar. Dit is de Heilige Geest. Hij drukt Zijn bevestigend zegel op twee dingen, twee machtige en krachtige werken. 1. Het voleindigde werk van de Zoon van God, waarmee Hij de zonde heeft weggedaan door het offer van Zichzelf. 2. Zijn eigen genadewerk in het hart van hen die geloven. Eerst overtuigt deze gezegende Leraar en Heilige Trooster ons doeltreffend van zonde. Daarna opent Hij onze ogen om te zien en onze harten om te geloven in de heerlijke Persoon van de Zoon van God, en om te rusten en te hopen op Zijn bloed en gerechtigheid.
Daarna verzegelt Hij op verschillende wijzen en op verschillende tijden in ons hart en geweten de werkelijkheid en zaligheid van wat Hij ons zo heeft geleerd. Daarbij neemt Hij van de dingen van Christus en toont ze ons. Hij verheerlijkt Christus door Hem in ons te openbaren. Hij maakt Hem dierbaar, nabij en kostbaar. Zo verzegelt Hij in ons hart wie en wat Hij in Zichzelf is als de Zoon van God en wat Hij door het geloof voor ons is.
Zo bevestigt en versterkt Hij ons geloof in Hem. Hij moedigt onze hoop aan en doet haar herleven, en Hij trekt onze liefde naar boven. Wat wij in Christus hebben gezien, van Christus hebben gehoord en van Christus hebben ontvangen, drukt Hij met bevestigende kracht op het hart. Zo vinden en voelen wij dat wij geen kunstelijk verdichte fabelen zijn nagevolgd (2 Petrus 1:16) bij het geloven van wat de Schriften over Jezus verklaren. Hij is alles en meer dan alles wat wij Hem hebben gesmaakt en ervaren te zijn.
2. En nu de verzegeling. Dit is in het bijzonder de getuigenis van de gezegende Geest aan Zijn eigen werk: de innerlijke getuigenis van de Geest waardoor Hij Zijn eigen getuigenis geeft van Zijn vroegere onderwijzingen en werkingen. Maar verzegelen houdt meerdere dingen in.
1. Het volgt op het geloven: „In Wie u, nadat u geloofd hebt, bent verzegeld.” In wettelijke stukken gaat het schrijven altijd aan het verzegelen vooraf. Het zegel is de laatste handeling en volgt zelfs op het ondertekenen. Het drukt een bevestigend stempel op het hele stuk, van het eerste woord tot de laatste handtekening.
Zo is het ook in de genade. De Geest begint het werk. Hij schrijft de eerste regels van goddelijke waarheid op de ziel. Hij maakt de eerste indruk op het hart van steen, dat onder Zijn werking een hart van vlees wordt (Ezechiël 36:26). Elke waarheid die Hij zo bekend maakt, schrijft Hij op de vlezen tafelen des harten (2 Korinthe 3:3).
Zo geeft Hij geloof en hoop. Dan komt Hij met Zijn bijzondere innerlijke getuigenis en verzegelt Hij de waarheid en werkelijkheid van Zijn eigen werk. Zo maakt Hij het niet alleen duidelijk en helder, maar bekrachtigt en bevestigt Hij het ook boven alle twijfel en vrees, vraag en betwisting, door onszelf of door anderen.
Het werk van God aan de ziel lijkt soms als dood en slapend te liggen. Er gaat weinig gebed op en er komt weinig antwoord neer. Dan rijzen twijfels en vrees op of het werk wel echt is. En veel gebondenheid en duisternis trekken zich voelbaar samen over het gemoed als een donkere, sombere wolk, die het handschrift van de goddelijke vinger sterk verduistert.
Dan doet de gezegende Geest Zijn werk herleven door een krachtige toepassing van het woord. Hij verzacht en doet smelten het harde hart door Zijn goddelijke invloed. Hij schenkt een geest van gebed, een ontdekking van de genadige Heere, een versterking van het geloof, een herleving van de hoop en een opwelling van liefde. Zo drukt Hij het zegel op Zijn eigen werk en stempelt het als echt.
Onder de zoetheid en gezegendheid van dit bevestigende zegel kan menig arm kind van God terugkijken op deze en gene getuigenis, op deze en gene Eben-Haezer, deze en gene heuvel Mizar. Op deze en gene verlossing, zegen, openbaring, gebedsverhoring en bijzondere tijd onder het woord of op de knieën, die bijna verloren en begraven waren in ongeloof en verwarring.
Maar vooral wanneer Hij met hun geest getuigt dat zij kinderen van God zijn (Romeinen 8:16) en de liefde van God in hun hart uitstort (Romeinen 5:5), wordt Hij in hen de Geest der aanneming tot kinderen, door Welken wij roepen: Abba, Vader! (Romeinen 8:15). Dan is Zijn verzegeling openbaar en volkomen.
2. Maar zegel betekent soms ook bewijs: Die Zijn getuigenis aangenomen heeft, die heeft verzegeld, dat God waarachtig is (Johannes 3:33). Daar betekent het dat wie door het geloof de getuigenis heeft aangenomen die God over Christus heeft gegeven, zo’n innerlijk bewijs en zo’n innerlijke getuigenis heeft dat Hij de Zoon van God is, dat hij zijn persoonlijke bevestiging kan zetten onder de waarheid en werkelijkheid van Zijn Zoonschap. En dat de woorden die Hij sprak waar zijn.
Zo verklaart de apostel ook dat de Korinthiërs het zegel mijns apostelschaps zijn (1 Korinthe 9:2). Dat betekent het bevestigende kenmerk of bewijs van zijn apostelschap. De Heilige Geest had hem geroepen, bekwaam gemaakt, gemachtigd en uitgezonden om het evangelie te prediken. Daarom was elke heilige die onder zijn bediening levend werd gemaakt en geroepen een zegel of een openlijk zichtbaar bewijs voor de apostel, voor hemzelf en voor allen dat het apostelschap van Paulus van God was.
3. Het betekent dus in het bijzonder een goedkeurende getuigenis. Verzegelen is een algemene term voor een bijzondere bevestiging. Maar wanneer wij van onze gezegende Heere lezen: Dezen heeft God de Vader verzegeld (Johannes 6:27), dan betekent dat het goedkeurende zegel dat de Vader zette op de Persoon, het werk, de wonderen en de getuigenis van Zijn dierbare Zoon. Daardoor beveelt Hij Hem in het bijzonder aan ons geloof en onze aanvaarding aan.
Maar wij hoeven niet verder stil te staan bij de verzegeling van de Geest. Ons doel is eerder de algemene betekenis en samenhang van het hoofdstuk voor ons uit te leggen dan een reeks preken erover te houden of alles erover te zeggen wat bevindelijk en nuttig gezegd zou kunnen worden. Wij gaan daarom verder en laten zien hoe de Heilige Geest der belofte het onderpand is van onze erfenis (Efeze 1:14), tot de verlossing van het verkregen bezit.
Een onderpand is een deel van de overeengekomen som dat vooraf wordt betaald als bindende waarborg voor de betaling van het geheel op het afgesproken tijdstip. Zo wordt bij het aannemen van een dienstbode een klein bedrag als onderpand betaald om de overeenkomst geldig en bindend te maken voor beide partijen. Bij de koop van een huis of landgoed wordt een bepaald bedrag, de aanbetaling, betaald als waarborg voor de betaling van de hele prijs op het vastgestelde tijdstip.
In deze zin is de gezegende Geest Zelf het onderpand van onze erfenis, want het woord „die” verwijst grammaticaal naar Hem. Zijn gaven en genaden zijn evenzovele waarborgen van de waarheid en werkelijkheid van de erfenis en dat zij van ons is. Dat geldt ook voor Zijn onderwijzingen, invloeden en werkingen, Zijn levendmakingen, herlevingen en vernieuwingen, Zijn zalvingen en inwoningen en vooral Zijn verzegelingen.
En let erop dat het onderpand niet alleen een waarborg is voor de ontvangst van de hele som, maar zelf van dezelfde soort en aard is. De eerstelingen onder de wet waren niet alleen een waarborg van de hele oogst, maar waren als tarwe of gerst van dezelfde werkelijke soort als de hele oogst. Het geld dat bij het aannemen wordt betaald, of de aanbetaling bij de koop van grond, is in dezelfde munt als de rest van de som. Anders zou het geen gedeeltelijke betaling zijn.
Zo zijn het onderpand van de erfenis en de erfenis zelf van dezelfde soort en aard. Beide zijn Christus: eerst Christus in genade, dan Christus in heerlijkheid. Christus hier geopenbaard, Christus hierna van aangezicht tot aangezicht gezien. Christus in Zijn bezoeken, Zijn tegenwoordigheid, Zijn liefde en Zijn kracht op aarde. Christus, dezelfde gezegende Christus, in alle volheid van Zijn tegenwoordigheid en liefde in de hemel.
De hemel is een bereide plaats voor een bereid volk. Heilig zijn haar bewoners, heilig haar bezigheden, heilig haar genietingen. De Heilige Geest is daarom in Zijn verzegelende, heiligmakende werking en in de mededeling van een heilige, geestelijke en goddelijke natuur (2 Petrus 1:4) het onderpand van Zijn heilige en hemelse erfenis. Zo maakt Hij ons, in de woorden van de apostel, bekwaam, namelijk om deel te hebben in de erve der heiligen in het licht (Kolossenzen 1:12).
Dit is een zeer belangrijke overweging, want zij toont duidelijk dat wij geen waarborg hebben voor ons aandeel in de erfenis van de heiligen in de heerlijkheid, tenzij wij hier iets kennen van het onderwijs, het werk en de getuigenis van de Heilige Geest. Wij moeten ook deelgenoot zijn gemaakt van een nieuwe, heilige, geestelijke en hemelse natuur. Een vleselijk, ongeheiligd, onheilig en onvernieuwd hart is volstrekt niet in staat de erfenis te begrijpen, binnen te gaan, te verlangen en lief te hebben. Zij is immers een onverderfelijke, en onbevlekkelijke, en onverwelkelijke erfenis.
Maar elk heilig verlangen, elke hemelse genegenheid en elk genadig smachten zijn evenzovele waarborgen van een aandeel in de heerlijke erfenis van de heiligen in het licht. Dat geldt ook voor elk geestelijk genot en elk geloven, hopen en liefhebben. En evenzo voor elk opzien naar en aanhangen van de Heere des levens en der heerlijkheid door de kracht van de Heilige Geest.
Ook de liefde, de vreugde, de vrede, de kalme rust en de heilige gelatenheid in de wil van God zijn zulke waarborgen. Hetzelfde geldt voor de verrukkelijke blikken op de heerlijkheid van Christus, waardoor wij naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd worden, van heerlijkheid tot heerlijkheid (2 Korinthe 3:18). En ook voor het genot dat men in Hem voelt en de volledige overgave van het hart en de genegenheden aan de gezegende Heere als de banier boven tien duizend (Hooglied 5:10) en als Hem Die gans begeerlijk is (Hooglied 5:16). Dit alles zijn evenzovele waarborgen van de erfenis boven, omdat het de hemel is die hier beneden is begonnen.
Maar wat is de betekenis van „de verlossing van het verkregen bezit”, waartoe de Geest het onderpand van onze erfenis is? Twee dingen vragen hier onze overweging: 1. Wat wordt bedoeld met de uitdrukking „verkregen bezit”. 2. Wat wij moeten verstaan onder de „verlossing” van dit verkregen bezit.
1. Wat is dan de betekenis van de uitdrukking „verkregen bezit”? In het oorspronkelijke is het maar één woord en het betekent letterlijk verwerving, of het verkrijgen en in bezit nemen van een voorwerp. Het wordt in die zin gebruikt in 1 Thessalonicenzen 5:9, waar onze vertaling het weergeeft met „verkrijgen”: Want God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot verkrijging der zaligheid, door onzen Heere Jezus Christus. Vandaar wordt het gebruikt voor „zaligheid”, zoals in Hebreeën 10:39, waar onze vertaling het woord weergeeft met behouding der ziel.
Maar onze vertalers hebben het woord in de passage die nu voor ons ligt goed en verstandig weergegeven met „het verkregen bezit”. Het zelfstandig naamwoord ontleent het begrip aankoop aan het werkwoord waarvan het is afgeleid en dat die betekenis heeft. Zo is het ook in Handelingen 20:28, waar het terecht is vertaald met „verkregen”. Onder dit verkregen bezit moeten wij dus de gemeente verstaan, die de Heere met Zijn eigen bloed heeft gekocht. Zij is Zijn bezit, Zijn verwerving, Zijn erfdeel. En omdat zij met een prijs is gekocht (1 Korinthe 6:20), is zij Zijn verkregen bezit.
Petrus schrijft daarom aan de uitverkoren vreemdelingen: Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk (1 Petrus 2:9). Daar is het woord „verkregen” hetzelfde als hier, en het kan, zoals in de kanttekening, worden weergegeven met „een gekocht volk”.
Wij houden niet van „gekochte zegeningen”, omdat wij geloven dat God de gemeente met alle geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten in Christus Jezus heeft gezegend als de zuivere gave van Zijn genade. Allen zullen toegeven dat de liefde van God, uitgestort in het hart, de beste en grootste van de geestelijke zegeningen is. En toch, wie die de waarheid kent, zal durven zeggen dat deze liefde door het bloed van Christus is gekocht? Het was juist deze eeuwige liefde van God die Hem bewoog Zijn eniggeboren Zoon te zenden (Johannes 3:16; 1 Johannes 4:9-10).
Maar hoewel wij niet geloven in gekochte zegeningen, geloven wij volledig in een gekocht volk. En wij geloven ook dat geen zegen tot dat gekochte volk komt dan door het kruis van Christus. Dat is als het ware het gewijde kanaal waardoor elke gunst komt en waardoor alleen de verzoening is bewerkt. Wij maken daarom geen bezwaar tegen uitdrukkingen als „bloedgekochte vergeving”. Want hoewel ze strikt genomen niet gekocht is, is vergeving van zonde zo uit Christus’ smarten en lijden geperst dat zij in zekere zin daardoor gekocht mag heten.
De gemeente van Christus, in haar geheel gezien als het lichaam waarvan Hij het heerlijke Hoofd is, de vrouw waarvan Hij de Man is en de erfenis waarvan Hij de Heere en erfgenaam is (Markus 12:7), is dus het verkregen bezit waarvan de apostel hier spreekt.
2. Maar in verband hiermee rijst nu de vraag wat de betekenis is van de uitdrukking „verlossing” van dit verkregen bezit. Wat is deze verlossing en waarom wordt zij als nog toekomstig voorgesteld? Verlossing betekent in de Schrift, in haar wijdste zin genomen, bevrijding. En wel voornamelijk en in de eerste plaats door de betaling van een losgeld. Zo kan een gevangene uit zijn gevangenschap worden bevrijd doordat een bloedverwant of vriend het losgeld betaalt dat zijn gevangenhouder heeft vastgesteld.
De Heere zei daarom van Kores dat hij Mijn gevangenen zou loslaten, niet voor prijs, noch voor geschenk. Dat was de gebruikelijke manier van hun bevrijding, maar nu geschiedde het om niet. Dat deed hij toen hij hen uit de Babylonische gevangenschap liet terugkeren zonder hun losgeld, belasting of schatting op te leggen (Jesaja 45:13). Evenzo kon een vrijgeboren Israëliet die zich door armoede als slaaf aan een vreemdeling had verkocht, door een van zijn broeders worden vrijgekocht. Als hij dat kon, mocht hij zichzelf vrijkopen (Leviticus 25:47-52). Ook hier was een losprijs nodig voor de verlossing, berekend naar het aantal jaren tot het jubeljaar.
Een derde geval is dat van een stuk land zoals dat van Elimelech, dat verpand was geraakt maar kon worden teruggekocht door de goël, of de naaste bloedverwant,* (Ruth 4:3), die de hypotheek aflost.
* De reden waarom de naaste bloedverwant weigerde het stuk land te lossen, was dat hij de weduwe zou moeten huwen, en de zoon uit dat huwelijk zou niet als de zijne zijn beschouwd maar als die van Elimelech. Hij zou dus zijn zelfstandige positie hebben verloren door als het ware op te gaan in een tweede Elimelech. Zo zou hij zijn eigen erfenis als hoofd van een afzonderlijk geslacht hebben bedorven of verloren.
Al deze gevallen, waarbij wij niet verder hoeven stil te staan, zijn voorbeelden van verlossing door een prijs, door betaling van een losgeld. En dit is de eerste betekenis van het woord „verlossen”. Maar er is ook een verlossing door kracht, zoals in de passage: Dat zulks de bevrijden des HEEREN zeggen, die Hij van de hand der wederpartijders bevrijd heeft (Psalm 107:2). In deze zin wordt van God vaak gezegd dat Hij Zijn volk heeft verlost uit het diensthuis. Het woord betekent daar bevrijding zonder dat uitdrukkelijk een prijs wordt neergelegd of een losgeld wordt betaald (Deuteronomium 7:8; Deuteronomium 13:5; Deuteronomium 15:15).
Maar men zal opmerken dat verlossing door een prijs de weg baant voor verlossing door kracht. Het een gaat zozeer aan het ander vooraf en sluit het in, dat er geen verlossing door kracht had kunnen zijn zonder eerst een verlossing door een prijs. Wet en gerechtigheid zouden luid roepen tegen het met geweld wegnemen van iemand die zich vrijwillig als dienaar had verkocht, tenzij zijn waarde was betaald.
Of tegen het opnieuw in bezit nemen van een verpand stuk land zonder de hypotheek af te lossen. Maar wanneer de prijs volledig en naar behoren was betaald, en dat tot tevredenheid van de eigenaar van de dienaar of van de hypotheekhouder, dan kon rechtmatig kracht worden gebruikt om de dienaar te bevrijden of het land weer in bezit te nemen als een van beide onrechtmatig werd vastgehouden.
Deze opmerkingen werpen licht op de uitdrukking „tot de verlossing van het verkregen bezit”. De gemeente is verlost door een prijs, maar nog niet volledig door kracht. Christus heeft met Zijn dierbare bloed zowel de zielen als de lichamen van Zijn volk gekocht, maar Hij heeft hen nog niet openlijk verlost. Deze verlossing ligt nog in de toekomst. Zij zal niet worden volbracht tot de heerlijke opstandingsmorgen. Dan worden de lichamen van de gestorven heiligen opgewekt en de lichamen van de levende heiligen veranderd in een ogenblik, in een oogwenk, bij de laatste bazuin (1 Korinthe 15:52).
Dit is dus „de verlossing van het verkregen bezit”. En omdat zij nog toekomstig is, moeten wij erop wachten, zoals de apostel zegt: Maar indien wij hopen, hetgeen wij niet zien, zo verwachten wij het met lijdzaamheid (Romeinen 8:25). Ons lichaam is nog niet verlost van zijn aangeboren verderfelijkheid. Maar op de opstandingsmorgen, wanneer de doden onverderfelijk worden opgewekt, zal de verlossing van het lichaam volledig zijn.
Dan zal de erfenis volledig worden binnengegaan. De opgewekte en verheerlijkte heiligen zullen Christus beërven en Christus zal hen beërven. En Zijn verkregen bezit zal voor eeuwig worden bevrijd van elke vijand en elke vrees, van elke zonde en elk verdriet, van elk verderf van lichaam of ziel. En het zal worden gekroond met een uitnemend eeuwig gewicht van heerlijkheid.
Tot deze dag van verlossing verzegelt de Heilige Geest heel de levende familie van God (Efeze 4:30). Hij doet dat niet alleen door hen te verzekeren van hun aandeel in de erfenis en door Zelf het onderpand ervan te zijn. Hij verzekert hun daarmee ook het zekerste bezit ervan.
Zo zien wij hier het onderscheiden werk van elke Persoon van de gezegende Drie-eenheid. De Vader kiest de gemeente in Christus en zegent haar met alle geestelijke zegeningen in Hem. De Zoon aanvaardt haar als Zijn Bruid en erfdeel en verlost haar, als zij gevallen is, door Zijn dierbare bloed. De Heilige Geest maakt de zielen levend die zo zijn uitverkoren, gezegend en verlost. Hij maakt hen bekwaam voor de erfenis en verzegelt hen voor het tegenwoordige genot ervan in de genade en het toekomstige genot ervan in de heerlijkheid.
En waartoe leidt dit alles anders dan „tot prijs van Gods heerlijkheid”? Lof voor de Vader, lof voor de Zoon en lof voor de Heilige Geest. Lof voor de Vader Die de gemeente liefhad en haar uitkoos. Lof voor de Zoon Die de gemeente liefhad en Zichzelf voor haar gaf. En lof voor de Heilige Geest Die de gemeente liefhad en haar verzegelt tot die heerlijke dag waarop de voornemens van Gods genade volledig zullen zijn vervuld. En de gemeente zal met haar verbondshoofd regeren in heerlijkheid, in alle eeuwigheid!
In meditating on the eternal and unchangeable purposes of God, as unfolded to our view in the chapter now before us, four things seem mainly to strike our mind as worthy of our most attentive consideration—
1. The ultimate end that is to crown the whole—which is the praise of the glory of God’s grace.
2. The intermediate cause that moved and prompted the heart of God—which was the riches of his love and favor.
3. The directing counsel that planned and still guides all his purposes from first to last to their full and final accomplishment—which is his infinite wisdom.
4. The effectual execution of his purposes—which is by his omnipotent power.
These four things move together in united harmony, and work together in mutual co-operation, so that every blessing which grace could give, every way of manifesting love and favor which wisdom could devise, every act by which the purposes of grace could be effectually accomplished, all move forward in the most blessed and harmonious concord towards the grand crowning consummation of the whole, when there will be heard rising up from innumerable myriads one universal anthem of praise; when “everything which has breath will praise the Lord;” when “every creature which is in heaven, and on the earth, and under the earth, and such as are in the sea, and all that are in them, will be heard saying, Blessing, and honor, and glory, and power, be unto him who sits upon the throne, and unto the Lamb forever and ever.” (Rev. 5:13.)
The fourth point to which we thus draw attention, that is, the effectual EXECUTIONof the purposes of God’s grace by his omnipotent power, we briefly noticed in our last paper in our exposition of verse 11. We then took occasion to remark that the words, “Who works all things after the counsel of his own will,” though they included God’s universal power, yet here had reference to the execution of the purposes of his grace. By these words, therefore, the Apostle brings before our eyes God’s omnipotent power as carrying into effectual performance the counsel of his own will towards the objects of his distinguishing favor. An especial blessing is couched in this. Next to a believing view of the purposes of God’s grace, and a sweet persuasion of our interest in them—nothing is more strengthening and encouraging than a realizing apprehension of the power of God to carry them into full execution.
Feeling, as we do, our own miserable helplessness, sinking under the pressure of our daily weakness, mourning over continual failures, and grieving on account of perpetual backslidings, encompassed by foes, and distressed by fears, how strengthening it is to our faith, thus tried to the utmost, to believe that he who has purposed—has power to perform. This persuasion of the almighty power of God was the support and strength of Abraham’s faith, which bore him up in the face of seeming impossibilities, and whereby he gave glory to God. (Rom. 4:18-21.) When, then, as walking in the steps of the faith of Abraham, we can look up believingly to the God and Father of the Lord Jesus Christ—as we behold sovereign grace in his heart—and infinite wisdom in his mind—so we see almighty strength in his arm—and thus become sweetly persuaded that all which his loving heart feels, his infinite wisdom directs, and his omnipotent power can execute.
But observe how the Apostle brings all this rich display of the grace, the wisdom, and the power of God to bear on personal experience—“That we should be to the praise of his glory, who first trusted in Christ.” (Eph. 1:12.) From not knowing or not attending to the original Greek, and, we may add—not properly considering the analogy of faith, and the consistent harmony of the dispensation of grace, some commentators on the passage, and, we rather think, good old Dr. Hawker among them, have sadly misinterpreted the meaning of the Apostle’s words, “Who first trusted in Christ.” Observing that the words stand in immediate juxtaposition, and therefore seemingly in close connection with the previous word, “his,” and not knowing or not remembering that in the Greek they are in the plural number, and what is called the accusative case, which necessarily defines the persons of whom the Apostle speaks, the commentators to whom we have alluded, and many preachers, doubtless, following in their track, have referred the words, “who first trusted in Christ,” to God himself, as if it were he, not we, who first trusted in Christ; and they have explained it as if God beforehand trusted in Christ, that he would perform his covenant engagements; and therefore, before he came into the world, gave him credit, so to speak, for the whole of his finished work, as believing he would repay all that was thus previously lent him.
Now all this may seem very pretty and very plausible, and when put forward by a popular or favorite preacher with great confidence, as most of those fanciful interpretations are, such an interpretation may fall on the ears of many of the hearers as one of those wonderfully deep explanations which scarcely anyone but their minister is favored to see and give. But such an interpretation the original scatters to the winds; for, by all the laws of language, it fixes the persons who “first trusted in Christ” as grammatically connected with the preceding “we.” But in this, as in almost every other case of a strained or fanciful interpretation, a man need not know Greek to detect its falsehood; for to our mind there is something very repulsive in the interpretation itself. Christ as the Father’s servant, Christ as man, trusted in God. He trusted him in life, and he trusted him in death, for into his hands he committed his expiring spirit; and so evident was his trust in God that his bitter enemies taunted him with it; and its apparent fruitlessness. (Psalm 22:8; Matt. 27:43.) But we never read that God trusted in Christ in any way analogous to the manner in which a creditor trusts beforehand a debtor, in full expectation of payment at a time specified. The Father sent the Son; (John 10:36;) he upheld him; (Isa. 42:1;) he delighted in, and was well pleased with him; (Matt. 3:17;) he glorified him; (John 17:1;) but to say that he trusted in him, and that before his incarnation, is a vain and foolish idea, and inconsistent with the harmony of the economy of grace, which always maintains the due relationship of the Father and the Son, and never attributes to the Sender that which especially belongs to the Sent.
But there is another reason why so foolish an interpretation cannot stand, and which needs no knowledge of Greek to see and understand. If you look at the marginal reading, which is often more literal and nearer the original than the text, you will find the words, “or hoped.” In fact the Greek word means “hoped” rather than “trusted;” and the whole verse should be thus translated—“that we should be to the praise of his glory—we who first hoped in Christ.”
But what is the meaning of the expression, “we who first hoped in Christ?” It means that those of whom the Apostle speaks, he himself included, were among the first fruits of the outpouring of the Spirit after the ascension and glorification of Christ. Looking forward therefore to those who should be hereafter called by God’s distinguishing grace, Paul viewed himself and the saints of his day with a kind of holy triumph as the first trophies of Christ’s victory over sin, death, and hell. These first fruits would seem to be in an especial manner dedicated to the praise of the glory of God’s grace. As the first fruits under the law were offered at the feast of the Passover before the Lord, being a sheaf of corn cut from the field as a pledge and earnest of the whole harvest, so was it with these first believers. This first rich display of the purposes of God’s grace filled the Apostle’s heart with holy joy. That he himself—a bloodthirsty persecutor, who had made havoc of the Church—that the blind idolaters at Ephesus, once dead in trespasses and sins—should have been chosen to be the first to hope in Christ, and thus be the foremost to place a crown of glory on the Redeemer’s head—this made him rejoice with holy admiration. He felt the blessedness of a personal religion, of an experimental and enjoyed interest in an eternal inheritance; and that he and those to whom he wrote did not merely look on as spectators of the triumphs of redeeming blood, or were, like thousands, unconcerned hearers of the gospel which proclaimed salvation by grace—but, being predestinated according to the purpose of him who works all things after the counsel of his own will, had obtained an inheritance in Christ. And what was their evidence of this personal interest, and that they were Isaacs, not Ishmaels; Jacobs, not Esaus; Davids, not Sauls? It was that they were the “first who hoped in Christ.”’
Observe how a hope in Christ, that is, of course, a good hope through grace—manifests our personal interest in Christ, and proves that in him we have obtained an inheritance. How this, as realized and felt, enables the soul to praise the Lord for his distinguishing grace; and as whoever offers praise glorifies God, those who hope in Christ are “to the praise of the glory of his grace.” This tribute of praise, the first who were called by grace were the first to bring. And as the first fruits under the Levitical dispensation were a pledge of the future harvest, so was it with these first believers. Their call by grace and the work of the Spirit on their hearts were a pledge of a whole harvest to be reaped and garnered. Thus Epenetus and Stephanas are spoken of as being “the first fruits of Achaia,” (Rom. 16:5; 1 Cor. 16:15) meaning that they were among the very first called in that part of Greece of which Corinth was the capital. (2 Cor. 1:1.)
These Ephesians were, therefore, among the earliest trophies of the death, resurrection, and ascension of Christ, as being among the first who as quickened from a death in sin had been raised up to a hope in Christ. Having been blessed with all spiritual blessings in Christ, having been chosen in him before the foundation of the world, and accepted in the Beloved, they had been made alive to God by regenerating grace, and had thus proved in their own consciences that they had obtained an inheritance in Christ, and this not for any goodness of their own, but because they had been predestinated to it according to the purpose of him who works all things after the counsel of his own will.
If the interpreters to whom we have already alluded had duly considered these points they would not have so thoroughly mistaken the meaning of the words “who first trusted in Christ.” Even had they paid attention to the marginal reading, “hoped,” they must have shrunk from such an interpretation, for they could not have asserted that God “first hoped in Christ.” To ascribe faith and hope to God is ten thousand times worse than the error which Mr. Huntington so severely lashes of Onesimus, who ascribed faith and hope to the saints in heaven. But enough of this fanciful interpretation, which like most of its class, is but a cloak for error.
Following his divine theme, the Apostle goes on to show how the Ephesian saints were farther led on in the divine life so as to know their personal interest in these heavenly blessings—“In whom you also trusted, after that you heard the word of truth, the gospel of your salvation, in whom also after that you believed, you were sealed with that Holy Spirit of promise.” (Eph. 1:13.) It will be observed that the word “trusted” is in italics, showing, that it is not in the original, but was supplied by our translators to complete, as they considered, the sense. But, in our judgment, they were altogether wrong in supplying the ellipsis, as the omission of a word is termed, by the expression “trusted.” If they had supplied the ellipsis at all, which was not necessary, they should have put “believed;” for the words “after you heard the word of truth, the gospel of your salvation” come in as if in a kind of parenthesis, and the whole verse should have been rendered thus—“In whom you also, having heard the word of truth, the gospel of your salvation,” (here the Apostle goes back to where he began) “in whom also having believed, you were sealed,” etc. There is no reference to their having first trusted in Christ, as would appear from the translation, but the Apostle passes on to another point—their faith in Christ from their hope in Christ, and to what followed as a testimony to the truth and reality of their faith. It is therefore as if he said—“All we to whom the gospel first came with power; all we who as first fruits of Christ’s victory have had grace given to us before all the rest of the crop who are to be gathered in after us; all we were predestinated to the praise of the glory of God’s grace. But among the first fruits are you also, you saints at Ephesus, you who have heard the word of truth, the gospel of our salvation, and have believed in him of whom that gospel testifies. God has abounded in it towards you in all wisdom and prudence; it came to you not in word only, but in power, and in the Holy Spirit and in much assurance. And what was the consequence? You believed in him of whom the gospel testified. And what followed upon believing? “You were sealed with that Holy Spirit of promise.” The Apostle thus joins together three things as following each other in gracious succession—1. Hearing; 2. Believing; 3. Sealing.
Hearing the word of truth, the gospel of their salvation, was the first. For three years had they heard the gospel from the mouth of Paul. A mighty work was wrought through him at Ephesus, for the word of God mightily grew there and prevailed. (Acts 19:20.) “Faith,” we read, “comes by hearing, and hearing by the word of God.” So was it with these Ephesian saints. They heard, they believed. Paul preached to them Christ and him crucified. The Holy Spirit gave them ears to hear and hearts to feel. By his mighty and efficacious operation faith in the Son of God was raised up in their souls, and they received him, as of God made unto them wisdom, and righteousness, and sanctification, and redemption.
And what followed? Sealing. “They were sealed with that Holy Spirit of promise;” that is, that Holy Spirit whom the Lord had promised to send; (John 16:7;) and this Holy Spirit, for the word “which” refers, not to the sealing, but to the Sealer, was a pledge of their inheritance until the redemption of the purchased possession.
Several things claim our consideration here, and mainly these four—
1. The Sealer.
2. The sealing.
3. The pledge of the inheritance.
4. The redemption of the purchased possession.
1. The Sealer—This is the Holy Spirit. He it is who puts his attesting seal upon two things—two mighty and efficacious works—1. The finished work of the Son of God, whereby he put away sin by the sacrifice of himself; and 2, upon his own gracious work on the heart of those who believe. Having first effectually convinced us of sin, this blessed Teacher and Holy Comforter next opens our eyes to see, and our hearts to believe in the glorious Person of the Son of God, and to rest upon and hope in his blood and righteousness. He then afterwards, in various ways and at different seasons, seals upon our heart and conscience the reality and blessedness of what he has thus taught us. In doing this he takes of the things of Christ and shows them unto us—glorifies Christ by revealing him in us—makes him dear, near, and precious—and thus seals upon our heart who and what he is in himself as the Son of God, and what he is to us by faith. He thus confirms and strengthens our faith in him—encourages and reanimates our hope—and draws forth our love. What we have seen in Christ, heard of Christ, and received from Christ he sets home upon the heart with an attesting power, so that we find and feel we have not followed cunningly devised fables in believing what the Scriptures declare of Jesus but that he is all, and more than all, we have tasted and experienced him to be.
2. And now the sealing—This is in an especial manner the blessed Spirit’s attestation to his own work—the inward witness of the Spirit whereby he bears his peculiar testimony to his own previous teachings and operations.
But sealing implies several things. 1. It is subsequent to believing—“In whom after you believed, you were sealed.” In legal documents the writing always precedes the sealing. That is the last act, and follows even the signing, putting an attesting stamp on the whole document, from the first word to the last signature. So in grace. The Spirit begins the work. He writes the first lines of divine truth on the soul; he makes the first impression on the heart of stone, which under his operation becomes a heart of flesh; he writes every truth that he thus makes known on the fleshy tables of the heart. He thus gives faith and hope, and then he comes with his special inward witness, and seals the truth and reality of his own work, so as not only to make it plain and clear—but to ratify and confirm it beyond all doubt and fear, questioning or dispute, either by our self or others.
The work of God on the soul sometimes seems to lie as if dead and dormant—little prayer goes up, little answer comes down. Then doubts and fears arise whether the work is genuine, and much bondage and darkness sensibly gather over the mind like a dark and gloomy cloud, which much obscures the handwriting of the divine finger. Now the blessed Spirit revives his work by some application of the word with power, some softening and melting of the hard heart by his divine influence—some communication of a spirit of prayer—some discovery of the gracious Lord—some strengthening of faith, reviving of hope, and drawing forth of love. He thus puts the seal on his own work, and stamps it as genuine.
Under the sweetness and blessedness of this attesting seal many a poor child of God can look back to this and that testimony, this and that Ebenezer, this and that hill Mizar, this and that deliverance, blessing, manifestation, answer to prayer, special season under the word or on his knees, which were almost lost and buried in unbelief and confusion. But especially when he bears witness with their spirit that they are the children of God and shedding abroad the love of God in their heart becomes in them the Spirit of adoption, whereby they cry Abba Father—is his sealing manifest and complete.
2. But seal sometimes means proof—“He who has received his testimony has set to his seal that God is true.” (John 3:33.) There it means that he who has by faith received the testimony which God has given of Christ has such an internal proof and testimony that he is the Son of God, that he can set his personal attestation to the truth and reality of his Sonship, and that the words which he spoke are true. So the Corinthians are declared by the Apostle (1 Cor. 9:2) to be “the seal,” that is, the attesting mark or proof of “his apostleship.” The Holy Spirit having called, qualified, commissioned, and sent him to preach the gospel, every saint quickened and called under his ministry was a seal or an open manifest proof to the Apostle, to himself, and to all others that Paul’s apostleship was of God.
3. It therefore means especially an approving testimony. Sealing is a general term to signify a special attestation; but when we read of our blessed Lord, “him has God the Father sealed,” (John 6:27,) it means the approving seal which the Father set on the Person, work, miracles, and testimony of his dear Son, and whereby he especially commends him to our faith and acceptance.
But we need not further dwell on the sealing of the Spirit, as our object is rather to explain the general meaning and connection of the chapter before us than preach a series of sermons on it, or say upon it all that might be experimentally and profitably said. We pass on, therefore, to show how the Holy Spirit of promise is “an earnest of our inheritance until the redemption of the purchased possession.” An ‘earnest’ is a part of the sum agreed on, paid in advance, as a binding pledge of the payment of the whole amount at the stipulated season. Thus in hiring a servant, a small sum is paid as an earnest to make the agreement valid and binding on both parties. In purchasing a house or an estate, a certain sum called the deposit money is paid as a pledge of the payment of the whole price at the fixed time.
In this sense the blessed Spirit is himself the earnest of our inheritance, for the word “which” grammatically refers to him. His gifts and graces, his teachings, influences, and operations, his quickenings, revivings, renewings, his anointings and indwellings, and especially his sealings are so many pledges of the truth and reality of the inheritance, and of its being ours. And observe that the earnest is not only a pledge of the receipt of the whole sum, but is in itself of the same kind and nature. The first fruits, under the Law, were not only a pledge of the whole harvest, but were, as wheat or barley, of the same actual kind as the whole crop. The money paid at hiring, or the deposit at a purchase of land, are in the same coin as the rest of the sum, or they would not be part payment. So the earnest of the inheritance and the inheritance itself are of the same kind and nature. Both are Christ; first Christ in grace, then Christ in glory; Christ revealed here, Christ seen face to face hereafter; Christ in his visits, his presence, his love, his power on earth; Christ, the same blessed Christ, in all the fullness of his presence and love in heaven.
Heaven is a prepared place for a prepared people. Holy are its inhabitants, holy its employments, holy its enjoyments. The Holy Spirit, therefore, in his sealing, sanctifying operations, and the communication of a holy, spiritual, and divine nature (2 Pet. 1:4) is the earnest of his holy and heavenly inheritance, making us, as the Apostle says (Col. 1:12) “fit for the inheritance of the saints in light.” This is a very important consideration, for it plainly shows that unless we know something of the teaching, the work, and witness of the Holy Spirit here, and are made partakers of a new, holy, spiritual, and heavenly nature, we have no pledge of our interest in the inheritance of the saints in bliss. A carnal, unsanctified, unholy, unrenewed heart is utterly incapable of understanding, entering into, longing after, and loving an inheritance incorruptible, undefiled, and that passes not away. But every holy desire, heavenly affection, gracious longing, spiritual enjoyment, and believing, hoping, loving, looking unto and cleaving to the Lord of life and glory by the power of the Holy Spirit, are all so many pledges of an interest in the glorious inheritance of the saints in light. The love, the joy, the peace, the calm tranquillity, and holy acquiescence in the will of God; the ravishing views of the glory of Christ which change the soul into the same image, from glory to glory; the delight felt in him, and the whole surrender of the heart and affections to the blessed Lord as the chief of ten thousand, and the altogether lovely one—are all so many pledges of the inheritance above, as, being heaven begun below.
But what is the meaning of “the redemption of the purchased possession,” until which the spirit is the earnest of our inheritance? Two things here demand our consideration—1. What is meant by the expression “purchased possession.” 2. What we are to understand by the “redemption” of this purchased possession.
1. First, then, what is the meaning of the expression “purchased possession?” In the original it is but one word, and signifies literally acquisition, or obtaining and gaining possession of an object. It is used in this sense 1 Thess. 5:9, where it is rendered in our translation “to obtain.” “For God has not appointed us to wrath, but to obtain salvation by our Lord Jesus Christ.” (1 Thess. 5:9.) Thence it is used to signify “salvation,” as Heb. 10:39, where our version renders the word “the saving of the soul.” But our translators have well and wisely rendered the word in the passage now before us “the purchased possession;” the substantive borrowing the idea of purchase from the verb, from which it is derived, possessing that meaning, as in Acts 20:28, where it is rightly translated “purchased.”
By this purchased possession, then, we are to understand the Church, which the Lord purchased with his own blood. She is his possession, his acquisition, his inheritance, and, as bought with a price, (1 Cor. 6:20,) his purchased possession. Peter, therefore, writing to the elect strangers, says—“But you are a chosen generation, a royal priesthood, a holy nation, a peculiar people; (1 Pet. 2:9;) where the word “peculiar” is the same as is used here, and may be translated, as in the margin, “a purchased people.” We do not hold with purchased blessings, because we believe that God blessed the Church with all spiritual blessings in heavenly places in Christ Jesus, as the pure gift of his grace. All will admit that the love of God shed abroad in the heart is the best and greatest of spiritual blessings; and yet who that knows the truth will venture to say that this love was bought by the blood of Christ; when it was this very eternal love of God which moved him to send his only-begotten Son? (John 3:16; 1 John 4:9, 10.)
But though we do not hold with purchased blessings, we fully believe in a purchased people; and we also believe that no blessing comes to that purchased people except through the cross of Christ, that being, as it were, the consecrated channel through which every favor comes, and by which alone reconciliation was effected. We do not, therefore, at all quarrel or find fault with such expressions as “blood-bought pardon,” for though not strictly bought in a way of purchase, yet pardon of sin was so wrung out of Christ’s sorrows and sufferings that in a sense it may be said to have been bought by them. The Church of Christ, then, viewed in its entirety, as the body of which he is the glorious Head, the wife of whom he is the Husband, the inheritance of which he is the Lord and heir, (Mark 12:7,) is the purchased possession of which the Apostle here speaks.
2. But as connected with this point, now comes the question, What is the meaning of the expression the “redemption” of this purchased possession? What is this redemption, and why is it spoken of as still future? Redemption, in Scripture, taken in its widest sense, means deliverance, and chiefly and primarily by the payment of a ransom. Thus a captive might be delivered from captivity by a relation or friend paying the ransom set upon him by his captor. The Lord said, therefore, of Cyrus that he would “let go his captives, not for price or reward,” which was the usual way of their liberation, but gratuitously, which he did when he let them return from the Babylonish captivity, without exacting from them any ransom, tax, or tribute. (Isa. 45:13.) Similarly a free-born Israelite, who, through poverty, had sold himself as a slave to a stranger, might be redeemed by one of his brethren, or, if able, might redeem himself. (Lev. 25:47-52.) Here, again, a ransom price, calculated according to the number of years to the Jubilee, was needful for redemption. A third case is that of a field or parcel of land like Elimelech’s, which had become mortgaged, but might be redeemed by the goel, or next kinsman in blood,* (Ruth 4:3) paying off the mortgage.
* The reason why the next kinsman refused to redeem the parcel of land was because he must have married the widow, and the son, by that marriage, would not have been considered his, but Elimelech’s. He would, therefore, have lost his independent standing by merging, as it were, into a second Elimelech, and would thus have marred or lost his own inheritance as the head of a distinct family.
All these cases which we need not further dwell upon are instances of redemption by price—by the payment of a ransom. And this is the primary meaning of the word “redeem.” But there is also a redemption by power, as in the passage, “Let the redeemed of the Lord say so, whom he has redeemed from the hand of the enemy.” (Psalm 107:2.) In this sense God is frequently said to have “redeemed his people from the house of bondage,” where the word means deliverance without any express idea of a price being laid down, or a ransom paid. (Deut. 7:8; 13:5; 15:15.) But it will be observed, that redemption by price makes a way for redemption by power; and that the one so precedes and implies the other, that there could and would have been no redemption by power had there not first been a redemption by price. Law and justice would cry aloud against taking away by force, one who had voluntarily sold himself to be a servant unless his value were paid, or against re-entering on a mortgaged piece of land without paying off the mortgage. But when the price had been fully and duly paid, and that to the satisfaction of the owner of the servant, or of the mortgagee, then power might be lawfully employed to deliver the servant, or recover possession of the land if either were unjustly detained.
These remarks may throw light on the expression “until the redemption of the purchased possession.” The Church has been redeemed by price, but is not as yet fully redeemed by power. Christ has bought with his precious blood both the souls and bodies of his people, but he has not yet redeemed them openly. This redemption is still future, and will not be accomplished until the glorious resurrection morn, when the bodies of the dead saints will be raised, and the bodies of the living saints changed in a moment, in the twinkling of an eye, at the last trumpet. This, therefore, is “the redemption of the purchased possession;” and this being future we have to wait for it, as the Apostle speaks, “But if we hope for what we see not, then do we with patience wait for it.” (Rom. 8:25.)
Our body is not yet redeemed from its native corruption. But, in the resurrection morn, when the dead will be raised incorruptible, then the redemption of the body will be complete. Then the inheritance will be fully entered into. The risen and glorified saints will inherit Christ, and Christ will inherit them; and his purchased possession will be forever delivered from every foe and every fear, from every sin and every sorrow, from every corruption of body or soul, and be crowned with an exceeding and eternal weight of glory. Unto this day of redemption the Holy Spirit seals all the living family of God, (Eph. 4:30,) not only by assuring them of their interest in the inheritance, and himself being the earnest of it, but as thereby securing to them the most certain possession of it.
Here, then, we see the distinct work of each person in the blessed Trinity. The Father chooses the Church in Christ, and blesses her with all spiritual blessings in Him. The Son accepts her as his Bride and inheritance, and, when fallen, redeems her by his precious blood. The Holy Spirit quickens the souls thus chosen, blessed and redeemed, makes them fit for the inheritance, and seals them for the present enjoyment of it in grace, and the future enjoyment of it in glory. And to what does all this redound, but “to the praise of God’s glory?”—praise to the Father, praise to the Son, and praise to the Holy Spirit; praise to the Father who loved the Church and chose her; praise to the Son who loved the Church and gave himself for her; and praise to the Holy Spirit who loved the Church, and seals her unto that glorious day when the purposes of God’s grace will be all fulfilled, and the Church reign with her covenant Head in glory forever and ever!