Stadhampton, 11 december 1834
Aan de heer Tiptaft
Mijn beste vriend,
Nu ik de gelegenheid heb om u via een privé koerier een brief te sturen, neem ik de tijd om u een paar regels te schrijven. Laat mij u eerst vragen hoe het met het werk van de Heere in uw ziel gaat. Zegt u, net als de meesten van ons hier in de streek: “Mijn armoede, mijn armoede! Wee mij!“ Werpt u uw mond in het stof, in de hoop dat er misschien nog hoop is? Roept u uit met de oude Paulus: “Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?” Bent u vervuld van het vooruitzicht op het verzoenende bloed en de rechtvaardigende gerechtigheid van Immanuel?
Ziet u zichzelf volmaakt in Hem, en is Hij voor u de voornaamste onder tienduizend en volkomen lieflijk? Of bent u opgegaan in uw boerderij en wereldse zaken, en voelt u dat uw ziel zo hard is als een steen en zo dor als het woestijnzand? Is uw voortdurende ervaring: “Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik“? En dwaalt u rusteloos, ontevreden en vermoeid van uzelf over uw akker, terwijl u nog steeds niet in staat bent uw ziel te bevrijden van duisternis, schuld en ellende?
Men zegt wel eens dat een dwaas vragen kan stellen die een wijs man niet kan beantwoorden. Ik vind het echter een stuk gemakkelijker mensen te vragen naar de ervaring van hun ziel dan deze zelf te beantwoorden. Wat mijn eigen toestand betreft: ik ervaar maar weinig leven, gevoel of kracht in mijn ziel; soms lijkt het alsof ik helemaal niets heb en dat ik niet meer om de dingen van God geef dan een paard.
Soms lijkt de Bijbel geen voeding of smaak te bieden, en lijken al haar geheimenissen voor mijn ogen verborgen te blijven. De liefde voor afgoden vult mijn hart, en ik jaag er de hele dag achteraan. Geen kleinigheid is te onbeduidend om mijn aandacht te trekken en mijn gedachten af te leiden; mijn hart lijkt een poel van ongeloof, wellust, hoogmoed, vuiligheid en obsceniteit te zijn. Hoewel ik gespaard blijf van uiterlijk kwaad, is mijn hart zo verdorven en verachtelijk dat ik naar niemand een steen kan werpen. (zie het verhaal van de overspelige vrouw in Joh. 8:7)
Ik heb geruchten gehoord over de heer —. Ik vrees dat hij is afgedwaald van de principes die hij vroeger centraal stelde — principes die de kern vormden van zijn innerlijke vroomheid en ijverige toewijding. In het laatste verslag wordt hij namelijk beschreven als iemand die de doop afzweert. Helaas zullen deze gebeurtenissen ongetwijfeld verwarring veroorzaken binnen de gemeente. Vooral de zwakken en twijfelaars zullen hierdoor in hun geloof gaan wankelen, met name over de echtheid en de kracht van hun eigen geloof.
Wij zullen altijd obstakels en verontrustende zaken tegenkomen; wat is er beproevender dan wanneer “een vaandeldrager bezwijkt”? De val van de officieren is veel beproevender dan die van de soldaten. “Sla de herder, en de schapen zullen verstrooid worden,” gold voor de grote Herder, en geldt tot op zekere hoogte ook voor de onderherders.
De jonge heer die deze brief naar Allington of in ieder geval naar Devizes zal brengen, is een zoon van de heer L. uit die plaats, en heeft, naar ik vertrouw, iets goeds in zich jegens de God van Israël. Hij komt soms op doordeweekse avonden naar mijn lezingen en lijkt werkelijk te verlangen naar een werk van vernieuwing in zijn ziel.
Hoe gaat het met uw gezondheid? Moppert u wel eens dat u niet zo sterk en gezond bent als de mensen om u heen? Weegt de pijn soms zo zwaar op uw gemoed dat u bijna in de verleiding komt om te zeggen: „Ik heb alle recht om boos te zijn“? O, ons hart is een vreemde mengeling van opstandigheid, humeurigheid en koppigheid, en vol onvriendelijkheid en ondankbaarheid. Het is goed als we ons soms laten raken door het besef van onze nietigheid en onvriendelijkheid jegens de grote God die ons zo rijkelijk heeft gezegend. Mijn gezondheid is in de winter altijd slecht, waardoor ik meestal thuis blijf; maar ik merk dat de oude, verdorven, aardse natuur net zo actief is als in de straten van Londen.
Geef mijn christelijke groet aan mevrouw P.,
hartelijke groeten in Christus Jezus,
J. C. P.


