Our Great High Priest — A. His All-Prevailing Intercession
Wij worden nu geleid naar een ander kenmerk van onze gezegende Heere, zoals Hij onze natuur draagt in de hoven van de hemel. In de zojuist aangehaalde profetie van Hem wordt immers beloofd: Hij zal priester zijn op Zijn troon. De hogepriester onder de wet zat nooit op een troon. Hij was een dienaar en geen heerser, want hij diende het voorbeeld en de schaduw der hemelse dingen (Hebreeën 8:5).
Maar Jezus is een koninklijke Priester. Zo werd Hij afgebeeld door Melchizedek, die de twee ambten van priester en koning in zich verenigde. Hij was immers koning van Salem, een priester des Allerhoogsten Gods (Hebreeën 7:1). Dit was „de ordening van Melchizedek”. Daarnaar is Jezus tot hogepriester gemaakt, krachtens de oude eed: De HEERE heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek. (Psalm 110:4).
Het priesterschap naar de ordening van Melchizedek had drie bijzondere kenmerken, waardoor het zich van de Levitische orde onderscheidde:
1. Het was een koninklijk priesterschap. Want Melchizedek was, zoals de naam het zegt, die vooreerst overgezet wordt, koning der gerechtigheid, en daarna ook was een koning van Salem, hetwelk is een koning des vredes (Hebreeën 7:2).
2. Het kwam tot stand met een eed. En voor zoveel het niet zonder eedzwering is geschied, (want genen zijn wel zonder eedzwering priesters geworden; Maar Deze met eedzwering, door Dien, Die tot Hem gezegd heeft: De Heere heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt Priester in der eeuwigheid naar de ordening van Melchizedek). Van een zoveel beter verbond is Jezus Borg geworden. (Hebreeën 7:20-22).
3. Het was eeuwig. Zo luidde immers de belofte: „Gij zijt Priester in eeuwigheid.” Jezus was dus geen tijdelijke hogepriester, zoals de hogepriesters onder de wet die door ziekte werden getroffen en door de dood werden weggenomen. En genen zijn wel vele priesters geworden, omdat zij door den dood verhinderd werden altijd te blijven (Hebreeën 7:23).
Maar Jezus is niet op de wijze van de hogepriester onder de wet Priester geworden. Het is Hij Die dit niet naar de wet des vleselijken gebods is geworden, maar naar de kracht des onvergankelijken levens (Hebreeën 7:16). Daarom blijft Hij eeuwig bestaan als Bezitter van een onveranderlijk priesterschap. Daarin ligt een groot deel van de geschiktheid en zaligheid van Zijn priesterlijk ambt, zoals Hij dat nu in de hemel voortzet. De apostel zegt het zo: Waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden. (Hebreeën 7:25).
Laten wij nu, voor zover de Heere ons daartoe in staat stelt, de Heere Jezus door het geloof beschouwen als de Hogepriester over het huis van God. Dat kan ons heilige vrijmoedigheid geven om dichtbij te komen: Dewijl wij dan, broeders, vrijmoedigheid hebben, om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, Op een versen en levenden weg, welken Hij ons ingewijd heeft door het voorhangsel, dat is, door Zijn vlees (Hebreeën 10:19-20). Als wij zo met een waar hart mogen naderen, kunnen wij er baat bij vinden onze gezegende Heere te overdenken in deze betrekking tot Zijn gemeente en volk.
De hogepriester onder de wet deed op de grote Verzoendag een plechtige verzoening. Die viel eenmaal per jaar, op de tiende dag van de zevende maand. Eerst deed hij verzoening voor de zonden van zichzelf en zijn huis en daarna voor de ongerechtigheden van de kinderen van Israël (Leviticus 16:34). Dat deed hij op twee manieren.
Hij offerde een var als zondoffer voor zichzelf en een bok, waarop het lot van de Heere was gevallen, als zondoffer voor het volk (Leviticus 16:6, 9, 11). En hij nam een wierookvat vol gloeiende kolen van het altaar en vulde zijn handen met zoet reukwerk, fijngestoten. Daarmee ging hij het heilige der heiligen binnen.
Dit was die heilige plaats die het heilige der heiligen werd genoemd (Hebreeën 9:3). Daarin stond de ark van het verbond. Daarop, tussen de cherubs, was de Sjechina, de zichtbare openbaring van de aanwezigheid en heerlijkheid van God. In dit heilige der heiligen ging de hogepriester alleen op de grote Verzoendag binnen. En zelfs op die dag was het hem op straffe van de dood verboden binnen het voorhangsel te komen, dat het van het heiligdom scheidde. Hij moest dan zijn vlees hebben gewassen, het heilige linnen kleed hebben aangedaan, het bloed van het offer hebben meegenomen en het reukwerk op de gloeiende kolen in het wierookvat hebben gelegd.
Dit alles was in hoge mate een voorbeeld van Jezus als de grote Hogepriester. Het wassen van het vlees duidde Zijn reinheid als hogepriester aan, de heilige linnen kleren de heiligheid van Zijn menselijke natuur, het bloed Zijn verzoenend bloed dat aan het kruis is vergoten en het reukwerk Zijn verdienstelijke voorbede. De heiligste plaats was een beeld van de hemel. Het voorhangsel was een beeld van de scheiding tussen God en ons. Het wees erop dat de weg des heiligdoms nog niet openbaar gemaakt was, zolang de eerste tabernakel nog stand had (Hebreeën 9:8).
Toen Jezus stierf, scheurde dit voorhangsel in tweeën van boven tot beneden (Mattheüs 27:51). Dat toonde dat er geen scheidend voorhangsel meer was tussen God en Zijn volk. Maar dat de hogepriester met het bloed en het reukwerk binnen het voorhangsel ging, was een bijzonder beeld van Jezus, onze opgestane Hogepriester, Die de hoven van de hemel binnengaat.
Er was een verband tussen de voorbede van de hogepriester buiten en binnen het voorhangsel. Buiten het voorhangsel werd het offer gebracht, maar het bloed werd erbinnen gebracht. Het koperen altaar stond buiten het voorhangsel, maar de ark van het verbond binnen. De hogepriester vergoot het bloed buiten, maar sprenkelde het binnen.
De gloeiende kolen werden genomen van het koperen altaar dat in de open voorhof stond. Maar het reukwerk werd erop gelegd toen hij het heilige der heiligen binnenging. Zo kon de wolk van zijn geur het verzoendeksel bedekken, waarop en waarvoor hij het bloed sprenkelde van de var, gebracht voor zijn zonden, en van de bok, voor de zonden van het volk.
Zo is ook onze allergezegendste Hogepriester, nadat Hij Zijn heilige lichaam en ziel als offer voor de zonde had gebracht, uit de doden opgestaan. Hij voer omhoog om in Zijn reine en heilige menselijke natuur de hemel binnen te gaan. Die werd afgebeeld door de heilige linnen kleren die Aäron droeg toen hij binnen het voorhangsel ging. Zo kon Hij daar dat deel van Zijn priesterlijk ambt vervullen: voor ons te bidden.
Dit werd, zoals wij al even aanstipten, prachtig afgebeeld doordat de hogepriester het fijngestoten reukwerk binnen het voorhangsel bracht, samen met het verzoenende bloed. Het reukwerk was fijngestoten, dus gekneusd, niet gesneden. Dat was er niet alleen om de geur vrijer te laten vloeien als de kolen het aanstaken. Het was ook een beeld van het lijden en de smarten van onze in doodsangst verkerende Hogepriester: het behaagde den HEERE Hem te verbrijzelen (Jesaja 53:10). Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld. (Jesaja 53:5).
De kolen van het koperen altaar waren een beeld van Gods toorn. Het vuur op het koperen altaar was in de eerste plaats door de Heere Zelf ontstoken (Leviticus 9:24) en is nooit gedoofd. Daarop werden niet alleen alle brandoffers verbrand, maar ook elk deel van de andere offers, zoals het vet van het zondoffer, dat daar met dat uitdrukkelijke doel werd neergelegd.
De wolk van reukwerk die het heilige der heiligen vulde en het verzoendeksel bedekte, stelde de geuren voor van de tegenwoordige voorbede van onze grote en heerlijke Hogepriester in de hemel. En het bloed, op en voor het verzoendeksel gesprenkeld, was een beeld van het bloed der besprenging, dat betere dingen spreekt dan Abel (Hebreeën 12:24). Dat is het dierbare bloed dat reinigt ons van alle zonde (1 Johannes 1:7).
Dat bloed nam Hij mee de hemel in toen Hij daar binnenging in Zijn heilige menselijke natuur. Zijn werking om een schuldig geweten te reinigen van vuil, schuld en dode werken om een levende God te dienen, maakt Hij nog steeds openbaar. Dat doet Hij wanneer de Heilige Geest neemt uit wat van Christus is en het met Zijn eigen goddelijke kracht aan de ziel openbaart.
Een gelovig zien van Christus, zoals Hij werd afgebeeld door de hogepriester onder de wet die op de grote Verzoendag binnen het voorhangsel ging, zal ons gemoed duidelijker en volledig voorbereiden om Hem te beschouwen terwijl Hij nu Zijn priesterlijk ambt voortzet in de heerlijke tempel boven. Want Christus is niet ingegaan in het heiligdom, dat met handen gemaakt is, hetwelk is een tegenbeeld van het ware, maar in den hemel zelven, om nu te verschijnen voor het aangezicht van God voor ons (Hebreeën 9:24).
Het binnengaan van de hogepriester binnen het voorhangsel was een bijzonder deel van zijn heilige ambt. Daardoor onderscheidde hij zich van zijn priesterlijke broeders, die de gewone offers mochten brengen (Leviticus 1:5), maar niet met het bloed van de var en de bok het heilige der heiligen binnen mochten gaan (Leviticus 16:1). Een deel van zijn priesterlijk ambt was dus buiten en een deel binnen het voorhangsel. Toch waren de twee delen doorlopend, verbonden en onscheidbaar.
Zo is het ook met onze grote en heerlijke Hogepriester, Die nu binnen het voorhangsel is. Hij is inderdaad voor sterfelijke ogen verborgen, zoals de hogepriester voor de kinderen van Israël verborgen was door het voorhangsel van de tabernakel. Maar Hij dient daar nog even werkelijk en waarachtig in onze natuur als Aäron diende in het heilige der heiligen toen hij het bloed op en voor het verzoendeksel sprenkelde en de plaats vulde met de rook en geur van het reukwerk.
Wij hebben al een verband aangewezen tussen het bloed van het offer dat buiten het voorhangsel was vergoten en datzelfde bloed dat naar binnen werd gebracht. Ook is er een soortgelijk verband tussen de kolen van het koperen altaar en het fijngestoten reukwerk, waarvan de rook het verzoendeksel bedekte. Zo is er een noodzakelijk en allergezegendst verband tussen de bloedstorting en het offer van Christus op aarde en Zijn voorbede in de hemel.
De geur van Zijn voorbede stijgt op van het altaar van Zijn offer. Zo steeg ook, als beeld, van het brandoffer van Noach een liefelijke reuk op tot de Heere (Genesis 8:21). En omdat Hij Zijn bloedstorting en dood steeds voor Zijn volk hier beneden voorstelt, leeft Hij in die zin altijd om voor hen te bidden (Hebreeën 7:25).
Wij hoeven dus niet te veronderstellen dat de voorbede van onze gezegende Hogepriester een hoorbare voorbede is, die met werkelijke gebeden en smekingen wordt gedaan. Bij de voorafbeeldende voorbede van de hogepriester op de grote Verzoendag waren het niet zijn hoorbare gebeden die bij God gelden. Daarvan werd niets vermeld en daarover werd niets geboden. Het waren het bloed van het offer en de rook van het reukwerk. Zo omschrijft de apostel zijn ambt: Want alle hogepriester, uit de mensen genomen, wordt gesteld voor de mensen in de zaken, die bij God te doen zijn, opdat hij offere gaven en slachtofferen voor de zonden (Hebreeën 5:1).
Een opmerkelijke illustratie daarvan is wat gebeurde toen de gemeente van de kinderen van Israël tegen Mozes en Aäron murmureerde en de Heere hen als in een ogenblik wilde verteren: En Mozes zeide tot Aaron: Neem het wierookvat, en doe vuur daarin van het altaar, en leg reukwerk daarop, haastelijk gaande tot de vergadering, doe over hen verzoening; want een grote toorn is van voor het aangezicht des HEEREN uitgegaan, de plaag heeft aangevangen. En Aaron nam het, gelijk als Mozes gesproken had, en liep in het midden der gemeente, en ziet, de plaag had aangevangen onder het volk; en hij legde reukwerk daarin, en deed verzoening over het volk. (Numeri 16:46-47).
Mozes zei niet tegen Aäron dat hij voor het volk moest bidden, maar dat hij verzoening voor hen moest doen. Het waren dus niet de gebeden van Aäron, de bemiddelende hogepriester en voorafbeeldende middelaar, maar het reukwerk, aangestoken met vuur van het koperen altaar, dat bij de Heere gold en de plaag stuitte die al was begonnen (Numeri 16:45-48).
Zo bestaan de kracht en het gelden van Zijn voorbede in de aanwezigheid van Jezus in de hemel in onze natuur. Zij bestaan ook in het voortdurend voorstellen van Zijn bloedstorting en offer op aarde voor de ogen van Zijn Vader. Zo wordt Hij ook afgebeeld als bekleed met een kleed, dat met bloed geverfd was (Openbaring 19:13). En Johannes zag Hem in de hoven van de hemel als een geslacht lam. Hij zegt: En ik zag, en ziet, in het midden van den troon, en van de vier dieren, en in het midden van de ouderlingen, een Lam, staande als geslacht (Openbaring 5:6).
Zo werd Zijn ambt als bemiddelende Hogepriester voorgesteld. Want zoals een Lam, staande als geslacht een beeld is van Zijn offer voor de zonde, zo duidt Zijn staan als geslacht lam in het midden van de troon aan dat Zijn dierbare bloed nu voortdurend geldt voor de zaligheid van de verlosten en steeds voor de ogen van de Vader wordt gebracht. Het is het dierbaar bloed van Christus, als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam (1 Petrus 1:19), ja, van het Lam Dat geslacht is, van de grondlegging der wereld (Openbaring 13:8), in de voorbeschikkende raadsbesluiten en voornemens van God.
De tegenwoordige voorbede van onze grote Hogepriester aan de rechterhand van de Vader, zoals het oog des geloofs haar ziet, is vol bemoediging en troost voor elk gelovig hart. Er zijn weinig levende leden van de familie van de Heere die niet op verschillende tijden en momenten zuchten en kreunen onder een last van zonde en droefheid.
Nu zijn er twee bijzondere kenmerken in de voorbede van Jezus binnen het voorhangsel die op deze tweeërlei last aansluiten: de kracht van Zijn voorbede en het medeleven en de barmhartigheid van Zijn liefhebbend hart. Het eerste past bij de last van hun zonden, het tweede bij die van hun droefheden. Wij zullen, met Gods hulp en zegen, deze twee punten afzonderlijk bezien.
Laten wij dus eerst een blik werpen op de kracht van Zijn voorbede en zien hoe passend zij is om de ziel te verlichten onder een last van zonde. En indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij den Vader, Jezus Christus, den Rechtvaardige, zegt Johannes (1 Johannes 2:1). Wat kunnen wij met onze zonden doen? Hun last, hun schuld, hun vuil en hun macht? Niets, absoluut niets, behalve eronder bezwijken. Want wij kunnen ze niet wegdoen en niet overwinnen.
Maar Jezus kan beide. Hij is Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing (1 Korinthe 1:30). Een arme, schuldige, ellendige, wegzinkende zondaar mag dus naar Hem opzien om zijn zaak te bepleiten. In Hem heeft hij een Voorspraak bij den Vader, een door God Zelf aangestelde en daarom zeker van het oor van de Rechter. Hij is een wonderlijke Raadsman (Jesaja 9:5) die in de hemelse rechtszaal voor hem kan opstaan. Hij heeft nog nooit een zaak verloren, nog nooit een nederig verzoekschrift afgewezen en nog nooit een cliënt teleurgesteld.
Maar de kracht en het gelden van deze voorspraak in de hemel rusten op Zijn verzoenend offer dat op aarde is gebracht. Johannes voegt er direct aan toe: En Hij is een verzoening voor onze zonden (1 Johannes 2:2). De kracht van deze voorspraak rust hierop: Hij is, eenmaal geofferd zijnde, om veler zonden weg te nemen (Hebreeën 9:28), eenmaal geopenbaard om de zonde te niet te doen, door Zijnzelfs offerande (Hebreeën 9:26).
Het rust ook hierop dat van Hem geschreven staat: Uitgewist hebbende het handschrift, dat tegen ons was, in inzettingen bestaande, hetwelk, zeg ik, enigerwijze ons tegen was, en heeft datzelve uit het midden weggenomen, hetzelve aan het kruis genageld hebbende (Kolossenzen 2:14). Het rust erop dat Zijn werk volbracht is (Johannes 17:4; Johannes 19:30). En erop dat Hij vrede heeft gemaakt door het bloed van Zijn kruis (Kolossenzen 1:20). Daarom is Hij nu onze machtige Voorspraak en succesvolle Middelaar in de hemel, waar de zaak wordt aangehoord en beslist.
Wij raken deze allergezegendste waarheden gemakkelijk uit het oog, en ook dat wij zo’n Vriend daarboven hebben. Wij geloven ze wel, vast en volledig, werpen er het anker in uit en hebben geen hoop dan die welke ermee verbonden is en eruit voortkomt. Maar in tijden van duisternis en nood is dat anders. Dan ligt de schuld van herhaalde terugvallen zwaar en drukkend op het geweten. Dan hangen de nevels en mist van het ongeloof over de fundamenten van onze hoop. Dan zijn onze bewijzen omwolkt en onze tekenen maar flauw te zien.
Dan hebben wij een levende Voorspraak nodig Die onze zaak kan bepleiten, omdat wij dat zelf niet kunnen. Door voor ons Zijn bloed en gehoorzaamheid, Zijn lijden, offer en dood voor te stellen, kan Hij ons meer dan overwinnaars laten zijn tegen elk beschuldigend pleidooi en elke tegenstander.
Zo stond de satan aan de rechterhand van Josua, de hogepriester, om hem te wederstaan (Zacharia 3:1). Zo klaagt de verklager onzer broederen hen voor God aan, dag en nacht (Openbaring 12:10). Noch Josua noch de broeders konden een woord tot hun eigen verdediging inbrengen. Toch kwamen beiden als overwinnaars uit de strijd door de hulp van de Heere en het bloed van het Lam. Zo overwinnen ook arme schuldige zondaars nu door de kracht van hun hemelse Voorspraak.
Doordat wij het gewicht en de last van de zonde voelen en toch door het geloof zien dat onze grote Hogepriester binnen het voorhangsel is gegaan, zijn onze ogen, handen en harten allemaal op Hem gericht. Zo door het geloof verwerkelijkt, heeft dit gelovige zien van onze hemelse Voorspraak een bijzondere kracht. Het trekt verlangen en smeking uit de ziel naar Hem toe en achter Hem aan.
Nee, juist in deze levende en dagelijkse gemeenschap met Jezus in de hemel bestaan het leven en de kracht van de godzaligheid. Ik leef, en gij zult leven (Johannes 14:19). Hij is, verheven boven alle overheid en macht, het heerlijke Hoofd van de gemeente (Efeze 1:22), uit hetwelk het gehele lichaam, door de samenvoegselen en samenbindingen voorzien en samengevoegd zijnde, opwast met goddelijken wasdom (Kolossenzen 2:19).
Deze vereniging met Hem als levend Hoofd brengt gemeenschap met Hem voort. Want terwijl Hij genade meedeelt uit Zijn eigen volheid, ontspringt in de ziel een zoete en heilige omgang met Hem, zoals het geloof Hem ziet op Zijn genadetroon als de Middelaar tussen God en mens. Deze mededelingen van goddelijk licht en leven uit Zijn volheid verlichten de ogen van het verstand en gaan vergezeld van de geest van wijsheid en openbaring in de kennis van Hem (Efeze 1:17-18). Dan ontstaat in het hart een genadig zien van Zijn schoonheid en zaligheid, van Zijn genade en Zijn heerlijkheid (Psalm 112:4; Jesaja 33:17; Lukas 1:78-79; 2 Petrus 1:19).
Dit is drinken uit de fontein des levens en in Uw licht zien wij het licht (Psalm 36:10). Het is juist het licht des levens dat de Heere geeft aan wie Hem volgen (Johannes 8:12).
Terwijl de ziel in het licht van deze genadige onderwijzingen wandelt, ziet zij het bloed van Jezus als een fontein van oneindige waarde en onuitsprekelijke kracht tegen zonde en onreinheid. Zij ziet Zijn gerechtigheid als een allergezegendste bedekking voor al haar schaamte en naaktheid, Zijn bloedende, stervende liefde als een zeer genezende balsem voor een gewond geweten en als een hemelse versterking voor een bezwijkende geest.
Door deze onderwijzingen wordt de werkelijkheid van de ware godsdienst en van de levende godzaligheid geleerd, en op geen andere manier. Geen waarlijk beproefde ziel kan zich tevredenstellen met het zien van de zaligheid als louter een leer van het evangelie, een vaste en zekere waarheid die in de ingegeven bladzijde schijnt. Blij is hij zeker dat de weg van de zaligheid zo helder geopenbaard is in het woord der waarheid.
Blij is hij ook dat het licht, het leven en de kracht van de Geest in hem is, om van binnen te getuigen van de waarheid en zekerheid van het geschreven getuigenis. Maar al dit licht en deze kennis in de letter van de waarheid schiet tekort bij een zaligheid die aan zijn eigen hart en geweten geopenbaard en bevestigd is.
Hier komt dus de zaligheid van een eeuwig levende Voorspraak en Middelaar aan de rechterhand van de Vader. Door Zijn bloed en liefde met kracht toe te passen, zegt Hij tot de ziel: „Ik ben uw zaligheid.” Daarom wordt van Hem gezegd: Waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden. (Hebreeën 7:25).
Wie zal beschrijven, en wie zal begrenzen, Gods „uiterste”? David riep: Van het einde des lands roep ik tot U (Psalm 61:3). Heman klaagde dat God hem in den ondersten kuil gelegd had, in duisternissen, in diepten (Psalm 88:7). Hizkia stond bij de poorten des grafs en de groeve der vertering (Jesaja 38:10, 17). Jeremia klaagde: De wateren zwommen over mijn hoofd; ik zeide: Ik ben afgesneden! En hij riep: HEERE! Ik heb Uw Naam aangeroepen uit den ondersten kuil. (Klaagliederen 3:54-55). Jona riep uit den buik des grafs (Jona 2:2).
Al deze diep onderwezen en diep beproefde heiligen van God kenden zowel het uiterste van de mens als het uiterste van God. Zij wisten dat het uiterste van de mens zonde, hel en wanhoop was, en dat het uiterste van God genade, zaligheid en hemel was.
Nooit blijkt de kracht van de voorbede van onze grote Hogepriester zo duidelijk als wanneer zij zo tot het uiterste zaligmaakt. Wie iets van zichzelf als zondaar kent, of in wiens hart de fonteinen van de grote afgrond enigszins zijn opengebroken, heeft zijn eigen „uiterste”.
Dat geldt ook voor wie ooit de zonde heeft gezien in het licht van Gods oneindige reinheid en heiligheid en voor Hem heeft getrild. En voor wie ooit de schuld van terugvallen, de pijn van misstappen en vallen en zijn eigen ellendige onmacht heeft gevoeld, niet alleen in het uur van de verzoeking maar ook om de last van de overtreding van zijn geweten te nemen.
Wie van hen allen heeft niet zijn „uiterste”? Misschien niet werkelijk zo diep en wanhopig als dat van Heman en Jona, maar toch in zijn eigen gevoel een uiterste waaruit niemand hem kan redden dan die Hogepriester en Voorspraak Die aan Gods rechterhand leeft om voor hem te bidden. Hier ondervinden wij de bevindelijke werkelijkheid en gevoelde zaligheid van zo’n Voorspraak bij de Vader, tegen Wie en voor Wie wij gezondigd hebben. Mocht de Heere ons in staat stellen onze zaak in Zijn hand te leggen, hoe diep of wanhopig ook, en te wachten en uit te zien tot Hij verschijnt en redt!
We are now led to another character of our blessed Lord, as wearing our nature in the courts of heaven, for in the prophecy of him just quoted, it is promised that “he shall be a priest upon his throne.” The high priest under the law never sat upon a throne. He was a servant, not a sovereign; for he “served unto the example and shadow of heavenly things.” Hebrews 8:5. But Jesus is a royal Priest, and as such was typified by Melchizedek, who united in himself the two characters of priest and king, for he was “King of Salem, and Priest of the most high God.” Hebrews 7:1. This was “the order of Melchizedek,” according to which Jesus was made a high priest by virtue of the ancient oath—“The Lord has sworn, and will not repent. You are a priest forever after the order of Melchizedek.” Psalm 110:4. There were three especial features in the priesthood after the order of Melchizedek, which distinguished it from the Levitical order:
1. It was a royal priesthood; for Melchisedek was “by interpretation King of righteousness that being the meaning of his name, and after that also King of Salem, which is King of peace.” Hebrews 7:2.
2. It was made by an oath. “And inasmuch as not without an oath he was made priest; For those priests were made without an oath; but this with an oath by him that said unto him. The Lord swore and will not repent. You are a priest forever after the order of Melchisedek. By so much was Jesus made a surety of a better testament.” Hebrews 7:20-22.
3. It was forever, for so ran the promise, “You are a Priest forever.” Jesus was, therefore, not a temporary high priest, as the high priests under the law, whom sickness struck and death removed, for “there truly were many priests, because they were not allowed to continue by reason of death.” Hebrews 7:23. But Jesus being “made not after the law of a carnal commandment,” as was the high priest under the law—“but after the power of an endless life,” continues ever, as having an unchangeable priesthood. And in this consists much of the suitability and blessedness of his priestly office as now carried on in heaven, as the apostle speaks—“therefore he is able also to save to the uttermost, all who come unto God by him, seeing he ever lives to make intercession for them.” Hebrews 7:25.
Let us, then, as the Lord may enable, now take a view by faith of the Lord Jesus, as the high priest over the house of God, and this may give us holy boldness to venture near. “Having therefore, brethren, boldness to enter into the holiest by the blood of Jesus, by a new and living way, which he has consecrated for us, through the veil, that is to say, his flesh.” Hebrews 10:19,20. If thus enabled to draw near with a true heart, we may find a benefit in meditating upon our blessed Lord in this relationship to his church and people.
The high priest, under the law, on the great day of atonement, which occurred once a year, on the tenth day of the seventh month, made a solemn atonement, first for the sins of himself and his house, and then for the iniquities of the children of Israel. Lev. 16:34. But this he did in two ways by offering a bullock as a sin offering for himself, and a goat, upon which the Lord’s lot fell, as a sin offering for the people; Lev. 16:6,9,11; by taking a censer full of burning coals from off the altar, and filling his hands with sweet incense beaten small, and entering therewith into the most holy place. This was that sacred spot called “the holy of holies” or “the holiest of all” Hebrews 9:3; which contained the ark of the covenant on which, between the cherubim, was the Shechinah or visible manifestation of the presence and glory of God. Into this holiest of all, the high priest never entered but on the great day of atonement; and even on that day he was forbidden, under the penalty of death, to come within the veil which separated it from the holy place, unless he had washed his flesh, had put on the holy linen garment, taken with him the blood of the sacrifice, and put the incense upon the burning coals in the censer.
All these things were highly typical of Jesus as the great high priest. The washing of the flesh denoted his purity as high priest; the holy linen garments, the holiness of his human nature; the blood, his atoning blood shed upon the cross; and the incense, his meritorious intercession. The most holy place was typical of heaven, and the veil typical of the separation between God and us, and that “the way into the holiest of all was not yet made manifest, while as the first tabernacle was yet standing.” Hebrews 9:8. When Jesus died, this veil was rent in twain from the top to the bottom Matthew 27:51; to show that there was no longer a separating veil between God and his people.
But the high priest going within the veil, with the blood and the incense, was a special type of Jesus, our risen High Priest, entering into the courts of heaven. There was a connection between the intercession of the high priest without, and within the veil. Outside the veil the sacrifice was offered, but the blood was taken inside it. The bronze altar was without the veil, but the ark of the covenant was within. The high priest shed the blood without, but sprinkled it within. The burning coals were taken from the bronze altar which stood in the open court; but the incense was put upon them as he entered into the most holy place, that the cloud of its fragrance might cover the mercy seat on and before which he sprinkled the blood of the bullock, offered for his sins, and that of the goat, for the sins of the people.
Thus our most blessed High Priest, after he had offered his holy body and soul as a sacrifice for sin, rose from the dead, and ascended up on high to enter into heaven in his pure and sacred humanity, typified by the holy linen garments worn by Aaron, when he went within the veil, that he might there fulfill that part of his priestly office—to make intercession for us. This was beautifully typified, as we have already hinted, by the high priest taking the incense beaten small within the veil, together with the atoning blood. The incense was beaten small—bruised, not cut, not only that the fragrance might more freely flow forth when lighted by the coals, but as typical of the sufferings and sorrows of our agonizing High Priest. “It pleased the Lord to bruise him.” Isa 53:10. “He was wounded for our transgressions; he was bruised for our iniquities.”
The coals from off the bronze altar typified the wrath of God, for the fire on the bronze altar, kindled in the first instance by the Lord himself, Lev. 9:24, was never put out; and on it were burnt not only all the whole burnt-offerings, but every part of the other sacrifices, as the fat of the sin-offering, which was laid thereon for that express purpose. The cloud of incense which filled the most holy place, and covered the mercy seat, represented the fragrances of the present intercession of our great and glorious High Priest in heaven. And the blood, sprinkled on and before the mercy seat, typified “the blood of sprinkling which speaks better things than that of Abel;” Hebrews 12:24; even that precious blood “which cleanses from all sin;” which he took with him into heaven when he entered there in his holy humanity, and the efficacy of which to purge a guilty conscience from filth, guilt, and dead works, to serve a living God, he still makes manifest when the Holy Spirit takes of the things of Christ, and reveals them to the soul with his own divine power.
A believing view of Christ, as typified by the high priest under the law entering within the veil, on the great day of atonement, will prepare our minds more clearly and fully to contemplate him as now carrying on his priestly office in the glorious temple above; for he “is not entered into the holy places made with hands, which are the figures of the true, but into heaven itself, now to appear in the presence of God for us.” Hebrews 9:24. The entering in of the high priest within the veil was one special part of his sacred office, by which he was distinguished from his priestly brethren, who might offer the ordinary sacrifices, Lev. 1:5, but not go into the most holy place with the blood of the bullock and the goat. Lev. 16:1. Thus part of his priestly office was without, and part within the veil; and yet the two parts were continuous, connected, and inseparable.
So it is with our great and glorious High Priest now within the veil—hidden, indeed, from mortal eyes, as the high priest was from the children of Israel by the veil of the tabernacle, but as really and truly still ministering in our nature there as Aaron ministered in the holy of holies, when he sprinkled the blood on and before the mercy-seat, and filled the place with the smoke and fragrance of the incense. We have already traced a connection between the blood of the sacrifice shed without the veil and the same blood carried within, and a similar connection between the coals taken from the bronze altar and the incense beaten small, the smoke of which covered the mercy-seat. So there is a necessary and most blessed connection between the blood-shedding and sacrifice of Christ on earth and his intercession in heaven. The fragrance of his intercession rises from the altar of his sacrifice, as typically from the burnt offering of Noah “a sweet smelling savor” ascended up to the Lord; and as he is ever presenting his blood-shedding and death on behalf of his people here below, he, in this sense, “ever lives to make intercession for them.” Hebrews 7:25.
We need not suppose, therefore, that the intercession of our blessed High Priest is a vocal intercession, carried on by actual prayers and supplications. In the typical intercession of the high priest, on the great day of atonement, it was not his vocal prayers which prevailed with God, for of them no mention was made or commandment given, but the blood of the sacrifice and the smoke of the incense. Thus his office is described by the apostle—“For every high priest taken from among men is ordained for men in things pertaining to God, that he may offer both gifts and sacrifices for sins.” Hebrews 5:1. And as a remarkable illustration of this we may instance what occurred when the congregation of the children of Israel murmured against Moses and Aaron, and the Lord was about to consume them as in a moment—“And Moses said unto Aaron, Take a censer, and put fire therein from off the altar, and put on incense, and go quickly unto the congregation, and make an atonement for them; for there is wrath gone out from the Lord; the plague is begun. And Aaron took as Moses commanded, and ran into the midst of the congregation; and, behold, the plague was begun among the people; and he put on incense, and made an atonement for the people.” Nu 16:46,47. Moses did not bid Aaron pray for the people, but make an atonement for them; so that it was not the prayers of Aaron, as the interceding high priest and typical mediator, but the incense lighted with fire from the bronze altar, which prevailed with the Lord, and stayed the plague which had already begun. Nu 16:45-48.
So it is the presence of Jesus in heaven in our nature, and the continual presentation of his blood-shedding and sacrifice on earth before the eyes of his Father in which the power and prevalence of his intercession consist. Thus he is represented as “clothed with a vesture dipped in blood;” Rev. 19:13; and John had a view of him in the courts of heaven as a slaughtered lamb, for he says, “And I beheld, and lo! in the midst of the throne and of the four beasts, and in the midst of the elders, stood a Lamb as it had been slain.” Rev. 5:6. His office as an interceding High Priest was thus represented, for as “a lamb as it had been slain” is a type of his sacrifice for sin, so his standing as a slain lamb in the midst of the throne denotes that his precious blood, as of a lamb without blemish and without spot, 1Pe 1:19, yes, of “the Lamb slain from the foundation of the world,” in the predestinating counsels and purposes of God, Rev. 13:8, now continually avails for the salvation of the redeemed, and is ever presented before the eyes of the Father.
The present intercession of our great High Priest at the right hand of the Father, as viewed by the eye of faith, is full of encouragement and consolation to every believing heart. There are but few of the Lord’s living family who do not at various times and seasons sigh and groan under a load of sin and sorrow. Now there are two especial features in the intercession of Jesus within the veil which meet this twofold burden—the prevalency of his intercession; the sympathy and compassion of his loving heart. The former suits the burden of their sins; the latter that of their sorrows. We will, with God’s help and blessing, consider these two points separately.
Let us first, then, take a glance at the prevalency of his intercession, and see how suitable it is to relieve the soul under a burden of sin. “If any man sins,” says John, “we have an Advocate with the Father, Jesus Christ the righteous.” 1John 2:1. What can we do with our sins?—their burden, their guilt, their filth, and their power? Nothing, absolutely nothing, but to sink under them; for we can neither put them away nor subdue them. But Jesus can do both, for he “of God is made unto us wisdom, and righteousness, and sanctification, and redemption.” 1Co 1:30. To him, then, a poor, guilty, miserable, sinking sinner may look to plead his case, for in him he has “an Advocate with the Father,” one of God’s own appointing, and therefore sure of the ear of the Judge, a wonderful Counselor, Isa 9:6, who can stand up in the court of heaven on his behalf; one who never lost a cause, rejected a humble petition, or disappointed a client.
But the power and prevalency of this advocacy in heaven rest on his atoning sacrifice offered on earth; for John immediately adds, “And he is the propitiation for our sins.” It is because “he has put away sin by the sacrifice of himself,” and “was once offered to bear the sins of many,” Hebrews 9:26,28; it is because he “blotted out the handwriting of ordinances that was against us, which was contrary to us, and took it out of the way, nailing it to his cross;” Col 2:14; it is because his is a finished work; John 17:4. John 19:30; and he has made peace through the blood of his cross, Col 1:21, that he is now our prevailing Advocate and successful Intercessor in heaven, where the cause is heard and decided.
We are very apt to lose sight of these most blessed truths, and that we have such a Friend above. We believe them, indeed, firmly and fully, anchor in them, and have no hope but what is connected with and springs out of them. But in seasons of darkness and distress, when guilt from repeated backslidings lies hard and heavy on the conscience; when the mists and fogs of unbelief gather over the foundations of our hope; when our evidences are beclouded and our signs but dimly seen, then we need a living Advocate who can plead our cause, we being unable to do it ourselves, and by presenting on our behalf his blood and obedience, his sufferings, sacrifice, and death, may bring us off more than conquerors against every accusing plea and every opposing adversary. As Satan stood at the right hand of Joshua the high priest, to resist him; Zec 3:1; as the accuser of the brethren accuses them before God day and night; Rev. 12:10; and neither Joshua nor the brethren could plead a word in their own defense, and yet both came off conquerors by the help of the Lord and the blood of the Lamb; so poor guilty sinners now prevail through the power of their heavenly Advocate.
It is, then, because we feel the weight and burden of sin, yet see by faith that our great High Priest has passed within the veil, that our eyes, hands, and hearts are all up unto him. As thus realized by faith, there is a peculiar power in this believing view of our heavenly Advocate, which draws desire and supplication out of the soul unto and after him. No, it is this living and daily communion with Jesus in heaven in which the very life and power of godliness consist. “Because I live, you shall live also.” John 14:19. He, as exalted above all principality and power, is the church’s glorious Head, Eph 1:22, “from which all the body, by joints and bands, having nourishment ministered, and knit together, increases with the increase of God.” Col 2:19. This union with him as a living Head brings about communion with him; for as he communicates grace out of his own fullness, there springs up in the soul a sweet and sacred fellowship with him, as viewed by faith on his throne of grace as the Mediator between God and man. And these communications of divine light and life out of his fullness, enlightening the eyes of the understanding, and being attended by the spirit of wisdom and revelation in the knowledge of him Eph 1:17,18, there arises in the heart a gracious view of his beauty and blessedness, of his grace and his glory. Psalm 112:4. Isa 33:17. Luke 1:78,79. 2Pe 1:19. This is drinking at the fountain of life and seeing light in God’s light; Psalm 36:9; and is the very “light of life,” which the Lord gives to those that follow him. John 8:12.
As, then, the soul walks in the light of these gracious teachings, the blood of Jesus is seen as a fountain of infinite value and unspeakable efficacy for sin and uncleanness; his righteousness as a most blessed covering for all its shame and nakedness; his bleeding, dying love as a most healing balm for a wounded conscience, and a heavenly cordial for a fainting spirit. It is by these teachings that the reality of true religion and of vital godliness is learned; and in no other way. No truly exercised soul can be satisfied with seeing salvation as a mere doctrine of the gospel—a fixed and certain truth that shines in the inspired page. Glad, indeed, he is that the way of salvation is so clearly revealed in the word of truth; and that there is the light, and life, and power of the Spirit within to bear his inward witness to the truth and certainty of the written testimony; but all this light and knowledge in the letter of truth falls short of a salvation revealed and manifested to his own heart and conscience.
Here, then, comes in the blessedness of an ever-living Advocate and Intercessor at the right hand of the Father, who, by applying his blood and love with power, says to the soul, “I am your salvation.” It is therefore said of him, “therefore he is able also to save to the uttermost those who come unto God by him, seeing he ever lives to make intercession for them.” Who shall describe, as who shall limit God’s “uttermost?” David, “from the ends of the earth;” Psalm 61:2. ; Heman, when “laid in the lowest pit, in darkness, in the deeps;” Psalm 88:6; Hezekiah, “from the gates of the grave and the pit of corruption;” Isa 38:16,17; Jeremiah, “out of the low dungeon,” where “the waters flowed over his head, and he said, I am cut off;” La 3:54,55; Jonah, “out of the belly of hell;” Jon 2:2; all these deeply-taught and deeply-tried saints of God knew both man’s uttermost and God’s uttermost, and that man’s uttermost was sin, hell, and despair; and God’s uttermost was mercy, salvation, and heaven.
Never is the prevalency of our Great High Priest’s intercession so proved as when it thus saves to the uttermost. And who that knows anything of himself as a sinner, or in whose heart the fountains of the great deep have in any measure been broken up; who that has ever had a view of sin as seen in the light of God’s infinite purity and holiness, and trembled before him; who that has ever felt the guilt of backslidings, the pangs of slips and falls, and his own miserable helplessness, not only in the hour of temptation, but to remove the load of transgression off his conscience—who of all these but has his “uttermost,” if not really so deep and desperate as Heman’s and Jonah’s, yet, in his own feelings, such an uttermost as none can save him from but that High Priest and Advocate who lives at God’s right hand to make intercession for him? It is here we prove the experimental reality and felt blessedness of having such an Advocate with the Father, against whom and before whom we have sinned. May the Lord enable us to commit our cause into his hand, however deep or desperate, and wait and watch for him to appear and save!