New Year’s Address, January 1869 (Part 1 of 2)
Hoe wijd, hoe onuitsprekelijk wijd is het verschil, hoe groot, hoe oneindig groot is de tegenstelling tussen het geestelijk gezinde kind van God, wiens deel boven is en wiens hart en genegenheden in de hemel zijn, en de vleselijk gezinde wereldling, wiens deel beneden is en wiens hart en genegenheden op aarde zijn!
Dit verschil tussen hen komt, zowel in oorzaak als in gevolg, in bron en in beken, van God Zelf. Daarom is het zo wijd, diep en blijvend. De grondslag ervan is gelegd in Zijn eigen vaste raadsbesluiten, in het eeuwige welbehagen van Zijn wil, vóór de grondlegging van de wereld. In de tijd is het aan het licht gebracht in de eerste belofte na de val. Het heeft zich in meerdere of mindere mate geopenbaard en vervuld in de bevinding en het leven van elke gelovige van die dag tot nu.
Ontelbaar zijn de bewoners van de aarde. Bijna even talrijk en gevarieerd zijn de klassen, standen, bezigheden en beroepen in de maatschappij. Maar te midden van deze mensenmassa’s en deze verscheidenheid van stand zijn er in werkelijkheid twee en slechts twee verschillende families, twee en slechts twee onderscheiden zaden. In de gedachte en in het oog van God zijn zij nu even gescheiden als zij zullen zijn wanneer de tijd door de eeuwigheid wordt verzwolgen.
Het is waar dat deze scheiding van de gemeente en de wereld, van de reinen en de onreinen, van de levenden en de doden, van de kinderen van God en de kinderen van de boze, voor onze ogen vaak niet zo duidelijk is als in de ogen van God. Zij is ook niet zo duidelijk als zij overeenkomstig Zijn geopenbaarde wil zou moeten zijn.
Toch mogen wij zeggen dat dit het grote doel en oogmerk is van de Heilige Geest, door Wiens goddelijke inspiratie de Schriften zijn geschreven en door Wiens genadige werkingen en invloeden zij krachtig worden gemaakt tot onze zaligheid en heiliging. Hij wil deze eeuwige scheidslijn openbaren als een levende waarheid in de leer. Hij wil haar met haar vruchten en gevolgen in de bevinding van het hart brengen. Hij wil haar in alle godzalige praktijk in het leven en de wandel van alle heiligen van God zowel teweegbrengen als daarop aandringen.
Daartegenover is het altijd het doel en oogmerk van Satan en zijn dienaren geweest om deze goddelijke afscheiding tussen de gemeente en de wereld te verwarren, uit te wissen, krachteloos te maken en zo mogelijk af te breken en weg te nemen. Dat doen zij in de leer door de ontkenning van de waarheid en het verspreiden van dwaling. Zij doen het in de bevinding door het werk van God aan de ziel te kleineren, te verachten of verkeerd voor te stellen. En zij doen het in de praktijk door de geboden van God opzij te zetten en er de inzettingen van mensen voor in de plaats te stellen. Dat doen zij sinds de dag waarop de eerste steen van deze eeuwige scheidingsmuur zichtbaar op aarde werd gelegd.
Kaïn en Abel, de eerste moordenaar en de eerste martelaar, staan helemaal vooraan in onze Bijbels als blijvende voorbeelden en vertegenwoordigers van deze twee zaden. Staan zij nu minder op de voorgrond dan in sommige tijdperken van de lange geschiedenis van de wereld, in de gedachte van God zijn zij toch niet minder onderscheiden. Geen taal kan duidelijker of nadrukkelijker zijn dan het getuigenis van God hierover in Zijn heilig woord.
Daaruit leren wij dat Hij Zelf het onderscheid tussen de twee zaden heeft gesteld. De scheiding en vijandschap die toen tussen hen werden gelegd en gemaakt, hebben beide in alle kracht van hun oorspronkelijke inrichting bestaan van die dag tot nu en zullen bestaan tot het einde van de tijd.
Het is volkomen natuurlijk en in overeenstemming met de woorden van de eerste belofte dat deze leer de vijandschap van de vleselijke gezindheid opwekt. Maar voor wie de Schriften kennen en verstaan door goddelijk onderwijs, voor wie de liefde tot de waarheid hebben ontvangen om daardoor zalig te worden, staat zij buiten alle twijfel of tegenspraak. Dat blijkt niet alleen uit het getuigenis van het woord. Het blijkt ook uit het getuigenis van de Geest in hun eigen geweten en uit het oordeel van hun eigen lange en beproefde bevinding, zowel in haar pijnen als in haar vreugden.
Zij weten dat het de bijzondere genade van God was die hen levend maakte toen zij dood waren in de zonde. Zij weten dat het Zijn woord was, met goddelijke kracht tot hun harten gesproken, dat hen uit de wereld riep om een afgezonderd en eigen volk te zijn. Daarop waren al hun overtuigingen, angsten en benauwdheid van gemoed vanwege de zonde gericht. Door dit werk van de Heere aan hun geweten werden de banden doorgesneden die hen aan de zonde en aan de wereld, die in het boze ligt, vasthielden. Voor hen gold: behoud u om uws levens wil; zie niet achter u om, en sta niet op deze ganse vlakte; behoud u naar het gebergte heen, opdat gij niet omkomt. (Genesis 19:17.)
Toen zij door dit goddelijke werk op hun geweten en in gehoorzaamheid aan deze roeping de wereld verlieten en zich ervan afscheidden, vonden zij Hem getrouw aan Zijn belofte. Hij zou hen ontvangen en openbaar maken als de zonen en dochters van de Heere, de Almachtige. Onder het binnenstralen van Zijn gezegende tegenwoordigheid, toen Zijn liefde voor het eerst in hun hart werd uitgestort, wisten zij wat het was hun genegenheid te zetten op de dingen die boven zijn, waar Jezus aan de rechterhand van God zit.
De wereld was dood voor hen en zij voor de wereld. De macht en heerschappij van de zonde waren gebroken. Wellust en hebzucht lagen onder hun voeten en zij konden met een verruimd hart de weg van Gods geboden lopen.
Maar zij zijn nog in het lichaam en worden omringd door vele en soms nieuwe en bijzondere verzoekingen. Er worden altijd strikken van allerlei soort voor hun voeten gespreid, waarvan vele zeer geschikt en aantrekkelijk zijn voor het vlees. Daarom bleven zij meestal niet lang in deze gezegende staat. De zonde begon geleidelijk weer te leven, want zij was slechts verdoofd en niet gedood, en de genade nam in dezelfde mate af.
Zij hadden nog niet geleerd hoe zij de grote strijd moesten strijden. Zij wisten weinig van de noodzaak of het gebruik van geestelijke wapens en van het aandoen van de gehele wapenrusting Gods. De list en kracht van Satan als een engel des lichts en de zwakheid van het vlees tegenover de sluwheid en macht van zijn verzoekingen waren grotendeels voor hen verborgen.
Hoeven wij ons dan te verwonderen dat zij spoedig werden afgetrokken en afdwaalden, zo niet uiterlijk, dan toch innerlijk? Zij verlieten hun eerste liefde en verloren daarmee de geestelijkheid van hun gemoed, de tederheid van hun geweten en de warmte en gloed van hun genadige genegenheden.
Wat was nu het gevolg van dit verval? Dat zij geleidelijk steeds dieper wegzonken in vleselijkheid, dorheid en dood. Dat werd vaak sterk bevorderd door de omstandigheden en de bijzondere positie waarin zij waren geplaatst. Bij sommigen waren het de toenemende zorgen en angsten van het leven, in deze tijd van onophoudelijke strijd en concurrentie in elk bedrijf en beroep om een eerlijk bestaan te verkrijgen. Bij anderen was het de dagelijkse druk van een grote en veeleisende zaak.
Bij weer anderen waren het de huiselijke banden van een jong en groeiend gezin, dat bijna al hun tijd en kracht vergt en te veel van hun gedachten en genegenheden opeist. Bij nog anderen was het het al te gemakkelijk meegaan met de wereldsgezindheid van hun eigen verwanten, soms misschien zeer nabije en dierbare door natuurlijke banden, of directe leden van hun eigen gezin.
Bij deze veelvoorkomende en meer voor de hand liggende strikken, die de voeten van zovelen verstrikken, kunnen wij nog enkele dingen voegen. Zo is er verwaarlozing van het voortdurend lezen van de Schriften en van het zich wijden aan voortdurend gebed en overdenking. Er is slapheid in het wachten op de Heere in de verordeningen van Zijn huis.
Men raakt eraan gewend onder de bediening van het woord te zitten als een loutere oefening van het verstand of een goedkeuring van het oordeel. Dan ontbreekt het persoonlijke, naarstige zelfonderzoek en een geest van biddendheid voor, tijdens of na het horen. Ook ontbreekt het ernstige verlangen om er baat bij te hebben, hetzij door onder de scherpe snede ervan te vallen wanneer het als zwaard wordt gebruikt, hetzij door de waarheid in geloof en genegenheid te omhelzen zoals zij aan het geweten wordt aanbevolen.
Velerlei zijn inderdaad de middelen waarmee de ziel van haar geestelijke kracht wordt beroofd en de warmte en gloed van het goddelijke leven verliest. Maar geen enkele oorzaak is gevaarlijker dan het gebrek aan zelfverloochening in het uur van de verzoeking en aan kracht om te weerstaan, zelfs tot bloedens toe, strijdende tegen de zonde.
Hoevelen zijn geleidelijk in het kwaad verstrikt doordat zij de eerste naderingen en lokkingen van de zonde niet weerstonden! Zij hebben ofwel door een uiterlijke val de zaak in opspraak gebracht, ofwel zij hebben, als zij voor die vreselijke ramp bewaard bleven, jammerlijk hun eigen vrede verwoest en dood en slavernij in hun ziel gebracht. En zelfs waar veel uiterlijke omzichtigheid van leven was, in hoeveel gevallen is een geest van sluimering over de ziel gekomen! Die brengt verdoving van het geweten, koude van genegenheid en een algemene doodsheid, domheid en lethargie van gemoed met zich mee.
Wij hebben deze dingen lang gemerkt en waargenomen en er ook enige bevinding van gehad in ons eigen binnenste. En zoals in het water het aangezicht is tegen het aangezicht, alzo is des mensen hart tegen den mens, zo twijfelen wij er niet aan dat velen van onze lezers met ons oog in oog staan en hart bij hart voelen in wat wij tot nu toe hebben voorgelegd.
Het is ons daarom ingevallen dat wij onze geestelijke lezers, tot wie wij ons zoals gewoonlijk aan het begin van het jaar richten, een nuttige en welkome dienst zouden kunnen bewijzen door dit onderwerp uitvoeriger op te nemen. Wij willen van de huidige gelegenheid gebruikmaken om hun een woord van vrije en vriendelijke raad, vermaning, bestraffing of bemoediging voor te leggen. Daarbij hopen wij dat de Heere ons in staat stelt het mee te delen en dat zij bereid zijn het in Zijn naam en vrees van ons te ontvangen.
Daarbij zullen wij misschien enkele pijnlijke plekken moeten aanraken en enkele diepe en pijnlijke wonden moeten peilen. Wij zullen taal moeten gebruiken die voor sommigen hard en streng kan lijken. Wij zullen een zo nauwe scheidslijn moeten trekken tussen de levenden en de doden dat sommigen kunnen gaan vrezen aan welke kant zij staan voor tijd en eeuwigheid.
Maar wij zullen proberen, naar wij hopen in de vreze Gods en als in Zijn tegenwoordigheid, dicht bij Zijn geïnspireerde woord te blijven. Wij willen, voor zover wij ze zien en kennen, in de voetsporen van de kudde treden. Wij brengen niets naar voren dan wat niet alleen goed is gewogen in de weegschalen van het heiligdom, maar ook in het geloof en de bevinding van ons eigen hart is beproefd en bewezen.
Goede mensen hebben in alle tijden moeten klagen over het kwaad waarop wij in onze openingszinnen hebben gezinspeeld en hun stem daartegen moeten verheffen: het neerhalen van de afscheiding die God tussen de gemeente en de wereld heeft opgericht. Maar nooit was de waarschuwende stem misschien meer nodig dan nu. Blij zouden wij zijn als zij vaker en luider werd verheven door hen die op de wallen van Sion staan.
Het oprichten van deze afscheiding door de hand van God in Zijn eeuwige raad was niet alleen een daad van oneindige genade maar ook van oneindige wijsheid. Zij was bedoeld om Zijn uitverkoren familie te redden uit de diepten van de val, opdat zij eeuwige zegetekenen zouden zijn van Zijn overvloedige genade. Maar zij was ook bedoeld als middel om hen in hun tijdelijke staat te behoeden voor het pad van de vernietiger.
Hij wist aan welke verzoekingen zij op hun pelgrimstocht door het leven zouden worden blootgesteld en welke strikken aan alle kanten voor hun voeten zouden worden gelegd. Hij kende alle kracht van de zonde en alle zwakheid van het vlees. Daarom wierp Hij in Zijn woord een gebaande weg op, een weg van genade en waarheid, van geloof en liefde. Het is een weg van heiligheid waarop de verlosten zouden wandelen en waarop geen leeuw of onrein dier zou worden gevonden.
Door Zijn genade zet Hij hun voeten op deze weg. Zij ondervinden dat hij, hoewel een enge en smalle weg waarop geen plaats is voor het vlees, een weg is van licht en leven, van vereniging en gemeenschap, van liefde en godvrezende vrees. Want het is de weldadigheid uwer jeugd, der liefde uwer ondertrouw. Het is wat er staat: Israel was den HEERE een heiligheid, de eerstelingen Zijner inkomste. (Jeremia 2:2-3.)
Zolang zij op de koninklijke straatweg wandelen, zijn zij veilig, want Hij is hun Zon en Schild en geeft hun tegenwoordige genade en het uitzicht op toekomstige heerlijkheid. (Psalm 84:12.) Maar zodra zij ervan worden afgetrokken, komen zij op onheilig terrein, het toegestane gebied van de zonde, Satan en het vlees. Zo verliezen zij de gevoelde tegenwoordigheid en leiding van de Heere. Vaak dwalen zij steeds verder, totdat zij als verloren schapen zonder herder ronddolen op de donkere bergen.
Velen, zeer velen zijn daar, en onder hen een niet gering aantal die niet zien noch voelen waar zij zijn en wat zij zijn. Het behoort immers tot de aard van de kwaal zelf om, als een diepe slaap of een lichamelijke lethargie, de ogen te verblinden, de zintuigen te bedwelmen en het geweten te verdoven. Zo was het met Efraim van oudsher. Hij was “gebroken in het oordeel” (Hosea 5:11) en kon daarom geen juist oordeel vormen over zijn eigen staat en positie.
Vreemden verteren zijn kracht, en hij merkt het niet; ook is de grauwigheid op hem verspreid, en hij merkt het niet. (Hosea 7:9.) Ja, zelfs toen hij uiteindelijk zijn ziekte zag en zijn wonde voelde, sloeg hij verkeerde wegen in om genezen te worden. Hij ging naar mensen die hem niet konden helen of van zijn wonde genezen. (Hosea 5:13.) Hij had zich met afgoden verbonden en als straf had God gezegd: laat hem varen. (Hosea 4:17.)
Een van de ergste kenmerken van de gemeente van Laodicea was dat zij zei: Ik ben rijk, en verrijkt geworden, en heb geens dings gebrek, en niet wist dat gij zijt ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt. (Openbaring 3:17.) Het zal ons dus niet verbazen of ontmoedigen als onze woorden weinig of geen ingang vinden bij hen die niet zien in welke staat zij zijn gebracht door de sluwheid van Satan, de macht van de zonde en de zwakheid van het vlees.
Toch zullen wij, in de hoop dat de Heere een woord van vermaning zal zegenen voor wie oren hebben om te horen, met alle vrijmoedigheid en toch, naar wij vertrouwen, in een geest van tederheid, liefde en genegenheid vrij de gedachten van ons hart uitspreken. Het gaat om een punt dat ons eigen gemoed vaak heeft beziggehouden en bijna dagelijks nog bezighoudt.
De mededeling van goddelijk leven aan de ziel is de grootste van alle zegeningen, omdat zij elke andere zegen in zich draagt. Zo is zij de vrucht van de uitverkiezing: die Hij te voren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen. Zij is het zekere onderpand van de rechtvaardiging: die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd. En zij is het voorgevoel van de eeuwige heerlijkheid: die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt.
Zij is soeverein in haar eerste mededeling: alzo maakt ook de Zoon levend, Die Hij wil. Zij is vrij in haar ontvangst: Gij hebt het om niet ontvangen, geeft het om niet. Zij is onuitblusbaar van aard: Vele wateren zouden deze liefde niet kunnen uitblussen. Zij is eeuwig in haar duur: Christus zegt van Zijn schapen: Ik geef hun het eeuwige leven. En zij is onvervreemdbaar in haar bezit: Ik zal u niet begeven, en Ik zal u niet verlaten.
Maar zij is aan verandering onderhevig en zinkt soms zeer diep: Gij hebt mij in den ondersten kuil gelegd, in duisternissen, in diepten. Soms stijgt zij zeer hoog: Loof den HEERE, mijn ziel, en al wat binnen in mij is, Zijn heiligen Naam. Maar al haar veranderingen hangen af van de bewegingen van de Heere op de ziel: HEERE! Gij hadt mijn berg door Uw goedgunstigheid vastgezet; maar toen Gij Uw aangezicht verborgt, werd ik verschrikt (Psalm 30:8). Daarom moet zij, of zij nu hoog of laag is, worden herleid tot het soevereine welbehagen van God.
Ons tegenwoordige doel is echter eerder om te handelen over het leven van God in de ziel in zijn verval en afname. Om het onderwerp duidelijker te maken, en ook om onze eigen pen te weerhouden af te dwalen, zullen wij het onder drie hoofden beschouwen:
I. De oorzaken ervan.
II. De verschijnselen ervan.
III. De genezing ervan.
I. Bij het beschouwen van de OORZAKEN ervan kunnen wij opmerken dat wij al enkele van de meest voorkomende hebben aangewezen, zodat het niet nodig is ze te herhalen. Maar er zijn andere van nauwelijks geringere omvang waarop wij nog niet zijn ingegaan.
Daaronder voelen wij ons genoodzaakt de heersende prediking van onze dagen te noemen.
Als wij haar bezien zonder mensen te noemen of onnodig aanstoot te willen geven, vallen ons twee kenmerken sterk op die een betreurenswaardig tekort tonen. Die twee kenmerken zijn: 1. een gebrek aan kracht en 2. een gebrek aan doorzoekend onderscheid.
1. Niets in de bediening kan het gebrek aan kracht goedmaken. Zij kan volkomen in overeenstemming zijn met de waarheid. Zij kan onberispelijk duidelijk zijn in de leer, gezond in de bevinding en niet gebrekkig in het aandringen op een consequente praktijk. Maar bij dit alles kan zij toch het noodlottige gebrek hebben van een tekort aan kracht. Zij kan die eigen smaak en gezegende invloed missen, dat onbeschrijfelijke leven, dat doordringende gezag en dat hemelse gewicht die rusten op de bediening van het woord wanneer de Heere de Geest daarin en daardoor spreekt door Zijn gezonden dienaren.
Van de eerste prediking van het woord wordt gezegd: En de apostelen gaven met grote kracht getuigenis van de opstanding van den Heere Jezus. En wat was het gezegende gevolg? Dit: en er was grote genade over hen allen. (Handelingen 4:33.) Zij predikten met grote kracht en grote genade vloeide daaruit en daardoor voort.
Van zijn eigen bediening getuigt Paulus: En mijn rede, en mijn prediking was niet in bewegelijke woorden der menselijke wijsheid, maar in betoning des geestes en der kracht. (1 Korinthe 2:4.) En met welk doel en gevolg? Dit: Opdat uw geloof niet zou zijn in wijsheid der mensen, maar in de kracht Gods.
Elders getuigt hij dat het evangelie dat hij predikte bij zijn hoorders kwam niet alleen in woorden, maar ook in kracht, en in den Heiligen Geest, en in vele verzekerdheid. (1 Thessalonicenzen 1:5.) En het gevolg was dat zij die het woord van God dat zij van hem hoorden ontvingen, het aannamen niet als der mensen woord, maar (gelijk het waarlijk is) als Gods Woord, dat ook werkt in u, die gelooft. (1 Thessalonicenzen 2:13.)
Waar deze gezegende kracht het woord vergezelt, daar groeit en bloeit voor het grootste deel het leven van God in de ziel. Want daarin is melk voor zuigelingen en vast voedsel voor volwassenen. Er is onderricht voor wie de weg naar Sion zoeken en bestraffing voor de ongehoorzamen. Er is vermaning voor de eenvoudigen en oprechten, bemoediging voor de armen en nooddruftigen, helende balsem voor de gebrokenen van geest, troost voor de bedroefden en een woord op zijn tijd voor de ziel die vermoeid is.
Maar waar dit onbeschrijfelijke leven, deze smaak en deze kracht in de bediening ontbreken, kruipt er geleidelijk een geest van sluimering over de hoorders. Doodsheid en dorheid op de kansel brengen doodsheid en dorheid in de kerkbank voort. De zielen van Gods volk worden uitgehongerd door gebrek aan voedsel. Het noodzakelijke gevolg is dat er een algemene ziekelijkheid en slapte over kerk en gemeente komt, vergezeld van het verval en de achteruitgang van elke genade.
Een van de ergste kenmerken van deze heersende ziekte is dat wie er het diepst door wordt aangetast haar het minst ziet en voelt. Zij kruipt meestal zo ongemerkt over de ziel en haar invloed is zo langzaam en geleidelijk dat zij, om een sterke uitdrukking te gebruiken, verlamt terwijl zij zich verspreidt. De Schrift vergelijkt haar daarom met een diepe slaap. Wij weten dat die geleidelijk komt en steeds zwaarder wordt, totdat elk zintuig in vergetelheid en ongevoeligheid is opgesloten.
Er staat: de HEERE heeft over ulieden uitgegoten een geest des diepen slaaps, en Hij heeft uw ogen toegesloten. En over wie was deze diepe slaap gekomen? Over de profeten, en uw hoofden, en de zieners, die Hij had verblind. Zij die het volk wakker hadden moeten houden, waren zelf in slaap gevallen. De wachters op de muren sluimerden met de inwoners van de stad, en dat terwijl de vijand voor de poorten stond. (Jesaja 29:10.)
Zij wordt ook vergeleken met de gevoelloosheid van de dronkaard, die blijft drinken totdat hij in dronken slaap is bedolven. Hij voelt niet wanneer hij wordt geslagen of gekwetst. Zelfs wanneer hij even uit zijn dronkenschap wordt gewekt, zoekt hij opnieuw zijn bekers en slaperige bedwelming: Men heeft mij geslagen, zult gij zeggen, ik ben niet ziek geweest; men heeft mij gebeukt, ik heb het niet gevoeld; wanneer zal ik opwaken? Ik zal hem nog meer zoeken. (Spreuken 23:35.)
How wide, how unspeakably wide, is the difference, how great, how infinitely great, is the contrast, between the spiritually-minded child of God, whose portion is above and whose heart and affections are in heaven; and the carnally-minded worldling, whose portion is below and whose heart and affections are on earth! This difference between them, both in its cause and in its effects, in its source and in its streams, is from God himself; and that is the reason why it is so wide, deep, and permanent. Its foundation was laid in his own fixed purposes, in the eternal good pleasure of his will, before the foundation of the world, was brought to light in time in the first promise given after the fall, and has had its manifestation and fulfillment in a greater or less degree in the experience and life of every believer from that day to this.
Innumerable are the inhabitants of the earth; almost equally numerous and diversified are the classes, ranks, pursuits, and occupations of society; but amid these crowds of men and this diversity of station, there are really two and but two different families, two and but two distinct seeds, who are as separate now in the mind and sight of God as ever they will be when time shall be swallowed up in eternity. It is true that this separation of the church from the world, of the clean from the unclean, of the living from the dead, of the children of God from the children of the wicked one, is often not so distinct and clear to our eyes as it is in the eyes of God, and as it should be in accordance with his revealed will.
And yet we may say that to reveal this eternal line of separation as a vital truth in doctrine, to bring it forth in its various fruits and consequences into living experience in the heart, and to produce as well as enforce it in all godly practice in the life and conduct of all the saints of God, is the grand aim and object of that Holy Spirit under whose divine inspiration the Scriptures were written, and by whose gracious operations and influences they are made effectual unto our salvation and sanctification.
And contrariwise to confuse, to obliterate, to nullify, and, if possible, to dig down and remove this divine barrier between the church and the world, either in doctrine by the denial of truth and the promulgation of error, or in experience by slighting, despising, or misrepresenting the work of God upon the soul, or in practice by setting aside the precepts of God and substituting the ordinances of man, has ever been the aim and object of Satan and his agents from the day on which the first stone of this eternal wall of separation was manifestly laid on earth. Cain and Abel, the first murderer and the first martyr, stand in the very front of our Bibles as permanent types and representatives of these two seeds, and if now less prominent than they have been at various stages of the world’s long history, they are nevertheless in the mind of God no less distinct. No language can be more plain or express than the testimony of God to this point in his holy word. Hence we learn that it was he himself who put the distinction between the two seeds; and the separation and enmity which were then thus laid and made between them have both existed in all the strength of their original constitution from that day to this, and will exist until the end of time.
It is natural enough, and perfectly consistent with the words of the first promise, that this doctrine should provoke the enmity of the carnal mind; but to those who know and understand the Scriptures by divine teaching, to those who have received the love of the truth that they may be saved thereby, it is a point beyond all dispute or question, not only from the testimony of the word, but from the witness of the Spirit in their own consciences, and the verdict of their own long and well-tried experience, both in its pains and in its pleasures. They know that it was the special grace of God which quickened them when dead in sin, and that it was his word spoken to their hearts with a divine power which called them out of the world that they might be a peculiar and separate people. To this point tended all their convictions, anxiety, and distress of mind on account of sin; for by this work of the Lord on their consciences, the bands which held them fast to sin and to the world that lies in wickedness were cut asunder, and with them it was, “Escape for your life; look not behind you, neither stay in the plain; escape to the mountain, lest you be consumed.” (Gen. 19:17.)
As then, by this divine work on their conscience, and as in obedience to this call they came out of the world and became separate from it, they found him faithful to his promise, that he would receive them and manifest them as the sons and daughters of the Lord Almighty. Under the shinings in of his blessed presence when his love was first shed abroad in their heart, they knew what it was to set their affections on things above, where Jesus sits at the right hand of God. The world was dead to them and they to the world; the power and dominion of sin were broken; lust and covetousness were under their feet, and they could run the way of God’s commandments with an enlarged heart.
But as they are still in the body; as they are encompassed by many, and some of them new and peculiar temptations; as snares of various kinds, and many of them very suitable and attractive to the flesh, are ever spread for their feet, they did not for the most part continue long in this blessed state. Sin began gradually to revive, being only stunned and not killed, and grace in proportion to decline. They had not yet learned how to fight the great battle, and knew little of either the necessity or the use of spiritual weapons and of putting on the whole armor of God. The craft and strength of Satan as an angel of light, and the weakness of the flesh against the subtlety and power of his temptations, were much hidden from them. Need we wonder, then, that they were soon drawn aside and went, if not outwardly, yet inwardly astray; left their first love, and with it lost the spirituality of their mind, the tenderness of their conscience, and the warmth and fervor of their gracious affections?
Now, what was the consequence of this declension? That they gradually sank more and more into carnality, barrenness, and death. And this was often much helped by surrounding circumstances and the peculiar position in which they were placed. With some, the increasing cares and anxieties of life in this day of incessant struggle and competition in every trade and profession, in order to obtain an honest livelihood; with others, the daily pressure of a large and engrossing business; with others, the domestic ties of a young and growing family, taxing well-near all their time and strength, and absorbing too much of their thoughts and affections; with others, the complying too readily with the worldliness of their own relations, some of them, perhaps, very near and dear in nature’s bonds, or immediate members of their own family.
To these frequent and more obvious snares which entangle the feet of so many, we may add neglect in constantly reading the Scriptures and giving themselves to continual prayer and meditation; slackness in waiting upon the Lord in the ordinances of his house; or accustoming themselves to sit under the ministry of the word as a mere exercise of the intellect or approbation of the judgment, without personal, diligent self-examination, and a spirit of prayerfulness before, in, or after the time of hearing, or anxious earnestness to profit by it either by falling under its keen edge when used as a sword, or embracing the truth in faith and affection as commended to the conscience.
Many and various, indeed, are the means whereby the soul gets robbed of its spiritual strength, and loses the warmth and fervor of the divine life; but no one cause is more dangerous than the lack of self-denial in the hour of temptation, and of strength to resist, even unto blood, striving against sin. How many have been gradually entangled in evil by not resisting the first approaches and allurements of sin, and have either brought a reproach upon the cause by some outward fall, or if preserved from that fearful disaster, have sadly destroyed their own peace and brought death and bondage into their souls. And even where there has been much outward circumspectness of life, in how many cases has a spirit of slumber come over the soul, bringing with it numbness of conscience, coldness of affection, and a general deadness, stupidity, and lethargy of mind!
We have long marked and observed these things, as well as have had some experience of them in our own bosom; and as in water face answers to face, so the heart of man to man, so we doubt not many of our readers see eye to eye and feel heart to heart with us in what we have thus far laid before them.
It has, therefore, struck our mind that we might do our spiritual readers, to whom we as usual, address ourselves at the opening of the year, some useful and acceptable service if we took up this subject at greater length, and availed ourselves of the present opportunity to bring before them some such word of free and friendly counsel, admonition, reproof, or encouragement as the Lord might enable us to communicate and they might feel disposed to receive from us in his name and fear. In so doing we may have to touch upon some sore spots, to probe some deep and painful wounds, to use language that to some may seem harsh and severe, and to draw so narrow a line of separation between the living and the dead as may cause some to fear on which side they stand for time and eternity. But we shall endeavor, we hope, in the fear and as in the sight of God, to keep closely to his inspired word, tread, as far as we see and know them, in the footsteps of the flock, and bring forth nothing but what has been not only well weighed in the balances of the sanctuary, but also been tried and proved in the faith and experience of our own heart.
Good men in all ages have had to lament and lift up their voice against the evil to which we have alluded in our opening sentences— the breaking down of the barrier which God has set up between the church and the world; but never, perhaps, was the warning voice more needed than now; and glad should we be if it were more frequently and loudly sounded by those who stand on the battlements of Zion. The setting up of this barrier by the hand of God in his eternal counsels was not only an act of infinite grace but also of infinite wisdom. It was intended not only to rescue his chosen family from the depths of the fall, that they might be eternal trophies of his super-abounding grace, but also as a means to preserve them in their time state from the path of the destroyer. He knew to what temptations they would be exposed in their pilgrimage through life, what snares would be laid on every side for their feet; he knew all the strength of sin and all the weakness of the flesh. He, therefore, cast up in his word a highway, a way of grace and truth, of faith and love; a way of holiness, in which the redeemed should walk, and on which no lion or unclean animal should be found. By his grace he sets their feet in this way, and they find it to be, though a strait and narrow path in which there is no room for the flesh, a way of light and life, of union and communion, of love and godly fear; for it is the kindness of their youth, the love of their espousals when Israel is holiness unto the Lord, and the first fruits of his increase. (Jer. 2:2, 3.) Now as long as they are walking on the king’s highway they are safe, for he is their sun and shield, giving them present grace and the prospect of future glory. (Ps. 84:11.) But immediately that they are drawn off it, they get upon unholy ground, the permitted domain of sin, Satan, and the flesh, and thus losing the felt presence and guidance of the Lord, often stray further and further until they wander on the dark mountains as lost sheep without a shepherd.
Many, very many, are here, and among them no small number who neither see nor feel where they are, nor what they are; for it is a part of the very nature of the malady, like a heavy sleep or a bodily lethargy, to blind the eyes, stupefy the senses, and benumb the conscience. It was so with Ephraim of old. He was “broken in judgment” (Hosea 5:11) and, therefore, could not form a right judgment of his own state or standing. “Strangers devoured his strength and he knew it not; yes, grey hairs were here and there upon him, yet he knew it not.” (Hosea 7:9.) No, even when at last he saw his sickness and felt his wound, he took wrong courses to have it healed, going to those who could not heal him nor cure him of his wound. (Hosea 5:13.) He had joined himself to idols; and as his punishment God had said, “Let him alone.” (Hosea 4:17.)
One of the worst features of the Laodicean church was that she said she was “rich, and increased with goods, and had need of nothing; and knew not that she was wretched, and miserable, and poor, and blind, and naked.” (Rev. 3:17.) We shall not be surprised, then, nor discouraged if our words meet with little or no acceptance in the eyes of those who do not see into what a state they have been brought by the subtlety of Satan, the power of sin, and the weakness of the flesh. Yet in the hope that the Lord may bless a word of admonition to those who have ears to hear, we shall, with all boldness, and yet, we trust, in a spirit of tenderness, love, and affection, speak freely the thoughts of our heart upon a point which has often exercised, and still almost daily exercises, our own spirit.
The communication of divine life to the soul is the greatest of all blessings, as containing in its bosom every other blessing. Thus it is the fruit of election— “Whom he predestinated, them he also called,” the sure pledge of justification— “Whom he called, them he also justified,” and the anticipation of eternal glory— “Whom he justified, them he also glorified.” It is sovereign in its first communication— “The Son quickens whom he will;” free in its reception— “Freely you have received, freely give;” unquenchable in its nature— “Many waters cannot quench love,” eternal in its duration— “I give unto my sheep eternal life;” and unalienable in its possession— “I will never leave them nor forsake them.” But it is subject to change and sometimes sinks very low— “You have laid me in the lowest pit, in darkness, in the deeps;” sometimes mounts very high— “Bless the Lord, O my soul; and all that is within me, bless his holy name.” But all its changes depend upon the movements of the Lord upon the soul— “Lord, by your favor you have made my mountain to stand strong, you hid your face, and I was troubled” (Ps. 30:7)— and, therefore, whether it be high or low, must be resolved into the sovereign good pleasure of God.
But our present object is rather to treat of the life of God in the soul in its declension and decay; and to make the subject more clear, as well as to restrain our own pen from wandering, we shall consider it under three heads—
I. Its causes.
II. Its symptoms.
III. Its cure.
I. In considering its CAUSES, we may observe that we have already pointed out some of the more prevalent, and it is, therefore, needless to repeat them. But there are others of scarcely less magnitude, on which we have not yet touched.
Among them, we feel compelled to name the prevailing ministry of the day.
Looking, then, at it without naming people, or without wishing to give needless offence, there are two features in it which have much struck our mind as showing a lamentable deficiency. These two features are, 1, a lack of power, and, 2, a lack of searching discrimination.
1. Nothing in the ministry can make up for lack of power. It may be perfectly consistent with truth. It may be unexceptionably clear in doctrine, sound in experience, and not defective in enforcing consistent practice. But, with all this, it may have the fatal defect of lack of power; it may lack that peculiar savor and blessed influence, that indescribable life, penetrating authority, and heavenly weight, which rest upon the ministry of the word, when the Lord the Spirit speaks in and by it through his sent servants. It is said of the first preaching of the word— “And with great power gave the apostles witness of the resurrection of the Lord Jesus.” And what was the blessed effect? “Great grace was upon them all.” (Acts 4:33.) They preached with great power, and great grace flowed from it and through it. Of his own ministry, Paul thus testifies— “And my speech and my preaching was not with enticing words of man’s wisdom, but in demonstration of the Spirit and of power.” (1 Cor. 2:4.) And, to what end and effect? That “the faith of his hearers should not stand in the wisdom of men, but in the power of God.” He elsewhere testifies that the gospel which he preached “came to his hearers, not in word only, but also in power, and in the Holy Spirit, and in much assurance.” (1 Thess. 1:5.) And the effect was that those who received the word of God which they heard of him, “received it not as the word of men, but as the word of God, which effectually works in those that believe.” (1 Thess. 2:13.)
Where this blessed power attends the word, there for the most part the life of God in the soul grows and thrives; for in it there is milk for babes and meat for men— in it there is instruction for those who are seeking the way Zionward, reproof for the disobedient, admonition to the simple and sincere, encouragement to the poor and needy, healing balm for the broken in spirit, consolation to the afflicted, and a word in season to the soul that is weary. But where this indescribable life, savor, and power are deficient in the ministry, a spirit of slumber creeps gradually over the hearers; deadness and barrenness in the pulpit produce deadness and barrenness in the pew; the souls of God’s people are starved for lack of food; and the necessary consequence is that a general sickliness and languor spread themselves over the church and congregation, attended with the decline and decay of every grace.
One of the worst features of this prevailing disease is, that those who are most deeply affected with it see and feel it least. It creeps for the most part over the soul so insensibly, and its influence is so slow and gradual, that, to use a strong expression, it paralyzes as it spreads. The Scripture, therefore, compares it to a deep sleep, which we know comes gradually on and gets heavier and heavier, until every sense is locked up in forgetfulness and insensibility. “The Lord has poured out upon you the spirit of deep sleep, and has closed your eyes.” And upon whom was this deep sleep come? “The prophets and your rulers, the seers has he covered.” They who should have kept the people awake had fallen asleep themselves— and the watchmen on the walls slumbered with the inhabitants of the city. And this with the enemy at the gates. (Isa. 29:10.) It is also compared to the insensibility of the drunkard, who keeps drinking on until buried in drunken sleep. He does not feel when he is struck or hurt; and even when for a moment roused from his drunken fit, seeks again his cups and drowsy intoxication. “They have stricken me, shall you say, and I was not hurt— they have beaten me, and I felt it not. When shall I awake? I will seek it yet again.” (Prov. 23:35.)