Joseph Charles Philpot
J.C. Philpot

Nieuwjaarsboodschap 1869: Het verval van het leven van God in de ziel (deel 1 van 2)

Philpot wijst op de scheidslijn die God tussen de gemeente en de wereld heeft getrokken en op het geestelijk verval van Gods kinderen. Hij onderzoekt de oorzaken ervan, onder meer een prediking zonder kracht.

Hoe wijd, hoe onuitsprekelijk wijd is het verschil, hoe groot, hoe oneindig groot is de tegenstelling tussen het geestelijk gezinde kind van God, wiens deel boven is en wiens hart en genegenheden in de hemel zijn, en de vleselijk gezinde wereldling, wiens deel beneden is en wiens hart en genegenheden op aarde zijn!

Dit verschil tussen hen komt, zowel in oorzaak als in gevolg, in bron en in beken, van God Zelf. Daarom is het zo wijd, diep en blijvend. De grondslag ervan is gelegd in Zijn eigen vaste raadsbesluiten, in het eeuwige welbehagen van Zijn wil, vóór de grondlegging van de wereld. In de tijd is het aan het licht gebracht in de eerste belofte na de val. Het heeft zich in meerdere of mindere mate geopenbaard en vervuld in de bevinding en het leven van elke gelovige van die dag tot nu.

Ontelbaar zijn de bewoners van de aarde. Bijna even talrijk en gevarieerd zijn de klassen, standen, bezigheden en beroepen in de maatschappij. Maar te midden van deze mensenmassa’s en deze verscheidenheid van stand zijn er in werkelijkheid twee en slechts twee verschillende families, twee en slechts twee onderscheiden zaden. In de gedachte en in het oog van God zijn zij nu even gescheiden als zij zullen zijn wanneer de tijd door de eeuwigheid wordt verzwolgen.

Het is waar dat deze scheiding van de gemeente en de wereld, van de reinen en de onreinen, van de levenden en de doden, van de kinderen van God en de kinderen van de boze, voor onze ogen vaak niet zo duidelijk is als in de ogen van God. Zij is ook niet zo duidelijk als zij overeenkomstig Zijn geopenbaarde wil zou moeten zijn.

Toch mogen wij zeggen dat dit het grote doel en oogmerk is van de Heilige Geest, door Wiens goddelijke inspiratie de Schriften zijn geschreven en door Wiens genadige werkingen en invloeden zij krachtig worden gemaakt tot onze zaligheid en heiliging. Hij wil deze eeuwige scheidslijn openbaren als een levende waarheid in de leer. Hij wil haar met haar vruchten en gevolgen in de bevinding van het hart brengen. Hij wil haar in alle godzalige praktijk in het leven en de wandel van alle heiligen van God zowel teweegbrengen als daarop aandringen.

Daartegenover is het altijd het doel en oogmerk van Satan en zijn dienaren geweest om deze goddelijke afscheiding tussen de gemeente en de wereld te verwarren, uit te wissen, krachteloos te maken en zo mogelijk af te breken en weg te nemen. Dat doen zij in de leer door de ontkenning van de waarheid en het verspreiden van dwaling. Zij doen het in de bevinding door het werk van God aan de ziel te kleineren, te verachten of verkeerd voor te stellen. En zij doen het in de praktijk door de geboden van God opzij te zetten en er de inzettingen van mensen voor in de plaats te stellen. Dat doen zij sinds de dag waarop de eerste steen van deze eeuwige scheidingsmuur zichtbaar op aarde werd gelegd.

Kaïn en Abel, de eerste moordenaar en de eerste martelaar, staan helemaal vooraan in onze Bijbels als blijvende voorbeelden en vertegenwoordigers van deze twee zaden. Staan zij nu minder op de voorgrond dan in sommige tijdperken van de lange geschiedenis van de wereld, in de gedachte van God zijn zij toch niet minder onderscheiden. Geen taal kan duidelijker of nadrukkelijker zijn dan het getuigenis van God hierover in Zijn heilig woord.

Daaruit leren wij dat Hij Zelf het onderscheid tussen de twee zaden heeft gesteld. De scheiding en vijandschap die toen tussen hen werden gelegd en gemaakt, hebben beide in alle kracht van hun oorspronkelijke inrichting bestaan van die dag tot nu en zullen bestaan tot het einde van de tijd.

Het is volkomen natuurlijk en in overeenstemming met de woorden van de eerste belofte dat deze leer de vijandschap van de vleselijke gezindheid opwekt. Maar voor wie de Schriften kennen en verstaan door goddelijk onderwijs, voor wie de liefde tot de waarheid hebben ontvangen om daardoor zalig te worden, staat zij buiten alle twijfel of tegenspraak. Dat blijkt niet alleen uit het getuigenis van het woord. Het blijkt ook uit het getuigenis van de Geest in hun eigen geweten en uit het oordeel van hun eigen lange en beproefde bevinding, zowel in haar pijnen als in haar vreugden.

Zij weten dat het de bijzondere genade van God was die hen levend maakte toen zij dood waren in de zonde. Zij weten dat het Zijn woord was, met goddelijke kracht tot hun harten gesproken, dat hen uit de wereld riep om een afgezonderd en eigen volk te zijn. Daarop waren al hun overtuigingen, angsten en benauwdheid van gemoed vanwege de zonde gericht. Door dit werk van de Heere aan hun geweten werden de banden doorgesneden die hen aan de zonde en aan de wereld, die in het boze ligt, vasthielden. Voor hen gold: behoud u om uws levens wil; zie niet achter u om, en sta niet op deze ganse vlakte; behoud u naar het gebergte heen, opdat gij niet omkomt. (Genesis 19:17.)

Toen zij door dit goddelijke werk op hun geweten en in gehoorzaamheid aan deze roeping de wereld verlieten en zich ervan afscheidden, vonden zij Hem getrouw aan Zijn belofte. Hij zou hen ontvangen en openbaar maken als de zonen en dochters van de Heere, de Almachtige. Onder het binnenstralen van Zijn gezegende tegenwoordigheid, toen Zijn liefde voor het eerst in hun hart werd uitgestort, wisten zij wat het was hun genegenheid te zetten op de dingen die boven zijn, waar Jezus aan de rechterhand van God zit.

De wereld was dood voor hen en zij voor de wereld. De macht en heerschappij van de zonde waren gebroken. Wellust en hebzucht lagen onder hun voeten en zij konden met een verruimd hart de weg van Gods geboden lopen.

Maar zij zijn nog in het lichaam en worden omringd door vele en soms nieuwe en bijzondere verzoekingen. Er worden altijd strikken van allerlei soort voor hun voeten gespreid, waarvan vele zeer geschikt en aantrekkelijk zijn voor het vlees. Daarom bleven zij meestal niet lang in deze gezegende staat. De zonde begon geleidelijk weer te leven, want zij was slechts verdoofd en niet gedood, en de genade nam in dezelfde mate af.

Zij hadden nog niet geleerd hoe zij de grote strijd moesten strijden. Zij wisten weinig van de noodzaak of het gebruik van geestelijke wapens en van het aandoen van de gehele wapenrusting Gods. De list en kracht van Satan als een engel des lichts en de zwakheid van het vlees tegenover de sluwheid en macht van zijn verzoekingen waren grotendeels voor hen verborgen.

Hoeven wij ons dan te verwonderen dat zij spoedig werden afgetrokken en afdwaalden, zo niet uiterlijk, dan toch innerlijk? Zij verlieten hun eerste liefde en verloren daarmee de geestelijkheid van hun gemoed, de tederheid van hun geweten en de warmte en gloed van hun genadige genegenheden.

Wat was nu het gevolg van dit verval? Dat zij geleidelijk steeds dieper wegzonken in vleselijkheid, dorheid en dood. Dat werd vaak sterk bevorderd door de omstandigheden en de bijzondere positie waarin zij waren geplaatst. Bij sommigen waren het de toenemende zorgen en angsten van het leven, in deze tijd van onophoudelijke strijd en concurrentie in elk bedrijf en beroep om een eerlijk bestaan te verkrijgen. Bij anderen was het de dagelijkse druk van een grote en veeleisende zaak.

Bij weer anderen waren het de huiselijke banden van een jong en groeiend gezin, dat bijna al hun tijd en kracht vergt en te veel van hun gedachten en genegenheden opeist. Bij nog anderen was het het al te gemakkelijk meegaan met de wereldsgezindheid van hun eigen verwanten, soms misschien zeer nabije en dierbare door natuurlijke banden, of directe leden van hun eigen gezin.

Bij deze veelvoorkomende en meer voor de hand liggende strikken, die de voeten van zovelen verstrikken, kunnen wij nog enkele dingen voegen. Zo is er verwaarlozing van het voortdurend lezen van de Schriften en van het zich wijden aan voortdurend gebed en overdenking. Er is slapheid in het wachten op de Heere in de verordeningen van Zijn huis.

Men raakt eraan gewend onder de bediening van het woord te zitten als een loutere oefening van het verstand of een goedkeuring van het oordeel. Dan ontbreekt het persoonlijke, naarstige zelfonderzoek en een geest van biddendheid voor, tijdens of na het horen. Ook ontbreekt het ernstige verlangen om er baat bij te hebben, hetzij door onder de scherpe snede ervan te vallen wanneer het als zwaard wordt gebruikt, hetzij door de waarheid in geloof en genegenheid te omhelzen zoals zij aan het geweten wordt aanbevolen.

Velerlei zijn inderdaad de middelen waarmee de ziel van haar geestelijke kracht wordt beroofd en de warmte en gloed van het goddelijke leven verliest. Maar geen enkele oorzaak is gevaarlijker dan het gebrek aan zelfverloochening in het uur van de verzoeking en aan kracht om te weerstaan, zelfs tot bloedens toe, strijdende tegen de zonde.

Hoevelen zijn geleidelijk in het kwaad verstrikt doordat zij de eerste naderingen en lokkingen van de zonde niet weerstonden! Zij hebben ofwel door een uiterlijke val de zaak in opspraak gebracht, ofwel zij hebben, als zij voor die vreselijke ramp bewaard bleven, jammerlijk hun eigen vrede verwoest en dood en slavernij in hun ziel gebracht. En zelfs waar veel uiterlijke omzichtigheid van leven was, in hoeveel gevallen is een geest van sluimering over de ziel gekomen! Die brengt verdoving van het geweten, koude van genegenheid en een algemene doodsheid, domheid en lethargie van gemoed met zich mee.

Wij hebben deze dingen lang gemerkt en waargenomen en er ook enige bevinding van gehad in ons eigen binnenste. En zoals in het water het aangezicht is tegen het aangezicht, alzo is des mensen hart tegen den mens, zo twijfelen wij er niet aan dat velen van onze lezers met ons oog in oog staan en hart bij hart voelen in wat wij tot nu toe hebben voorgelegd.

Het is ons daarom ingevallen dat wij onze geestelijke lezers, tot wie wij ons zoals gewoonlijk aan het begin van het jaar richten, een nuttige en welkome dienst zouden kunnen bewijzen door dit onderwerp uitvoeriger op te nemen. Wij willen van de huidige gelegenheid gebruikmaken om hun een woord van vrije en vriendelijke raad, vermaning, bestraffing of bemoediging voor te leggen. Daarbij hopen wij dat de Heere ons in staat stelt het mee te delen en dat zij bereid zijn het in Zijn naam en vrees van ons te ontvangen.

Daarbij zullen wij misschien enkele pijnlijke plekken moeten aanraken en enkele diepe en pijnlijke wonden moeten peilen. Wij zullen taal moeten gebruiken die voor sommigen hard en streng kan lijken. Wij zullen een zo nauwe scheidslijn moeten trekken tussen de levenden en de doden dat sommigen kunnen gaan vrezen aan welke kant zij staan voor tijd en eeuwigheid.

Maar wij zullen proberen, naar wij hopen in de vreze Gods en als in Zijn tegenwoordigheid, dicht bij Zijn geïnspireerde woord te blijven. Wij willen, voor zover wij ze zien en kennen, in de voetsporen van de kudde treden. Wij brengen niets naar voren dan wat niet alleen goed is gewogen in de weegschalen van het heiligdom, maar ook in het geloof en de bevinding van ons eigen hart is beproefd en bewezen.

Goede mensen hebben in alle tijden moeten klagen over het kwaad waarop wij in onze openingszinnen hebben gezinspeeld en hun stem daartegen moeten verheffen: het neerhalen van de afscheiding die God tussen de gemeente en de wereld heeft opgericht. Maar nooit was de waarschuwende stem misschien meer nodig dan nu. Blij zouden wij zijn als zij vaker en luider werd verheven door hen die op de wallen van Sion staan.

Het oprichten van deze afscheiding door de hand van God in Zijn eeuwige raad was niet alleen een daad van oneindige genade maar ook van oneindige wijsheid. Zij was bedoeld om Zijn uitverkoren familie te redden uit de diepten van de val, opdat zij eeuwige zegetekenen zouden zijn van Zijn overvloedige genade. Maar zij was ook bedoeld als middel om hen in hun tijdelijke staat te behoeden voor het pad van de vernietiger.

Hij wist aan welke verzoekingen zij op hun pelgrimstocht door het leven zouden worden blootgesteld en welke strikken aan alle kanten voor hun voeten zouden worden gelegd. Hij kende alle kracht van de zonde en alle zwakheid van het vlees. Daarom wierp Hij in Zijn woord een gebaande weg op, een weg van genade en waarheid, van geloof en liefde. Het is een weg van heiligheid waarop de verlosten zouden wandelen en waarop geen leeuw of onrein dier zou worden gevonden.

Door Zijn genade zet Hij hun voeten op deze weg. Zij ondervinden dat hij, hoewel een enge en smalle weg waarop geen plaats is voor het vlees, een weg is van licht en leven, van vereniging en gemeenschap, van liefde en godvrezende vrees. Want het is de weldadigheid uwer jeugd, der liefde uwer ondertrouw. Het is wat er staat: Israel was den HEERE een heiligheid, de eerstelingen Zijner inkomste. (Jeremia 2:2-3.)

Zolang zij op de koninklijke straatweg wandelen, zijn zij veilig, want Hij is hun Zon en Schild en geeft hun tegenwoordige genade en het uitzicht op toekomstige heerlijkheid. (Psalm 84:12.) Maar zodra zij ervan worden afgetrokken, komen zij op onheilig terrein, het toegestane gebied van de zonde, Satan en het vlees. Zo verliezen zij de gevoelde tegenwoordigheid en leiding van de Heere. Vaak dwalen zij steeds verder, totdat zij als verloren schapen zonder herder ronddolen op de donkere bergen.

Velen, zeer velen zijn daar, en onder hen een niet gering aantal die niet zien noch voelen waar zij zijn en wat zij zijn. Het behoort immers tot de aard van de kwaal zelf om, als een diepe slaap of een lichamelijke lethargie, de ogen te verblinden, de zintuigen te bedwelmen en het geweten te verdoven. Zo was het met Efraim van oudsher. Hij was “gebroken in het oordeel” (Hosea 5:11) en kon daarom geen juist oordeel vormen over zijn eigen staat en positie.

Vreemden verteren zijn kracht, en hij merkt het niet; ook is de grauwigheid op hem verspreid, en hij merkt het niet. (Hosea 7:9.) Ja, zelfs toen hij uiteindelijk zijn ziekte zag en zijn wonde voelde, sloeg hij verkeerde wegen in om genezen te worden. Hij ging naar mensen die hem niet konden helen of van zijn wonde genezen. (Hosea 5:13.) Hij had zich met afgoden verbonden en als straf had God gezegd: laat hem varen. (Hosea 4:17.)

Een van de ergste kenmerken van de gemeente van Laodicea was dat zij zei: Ik ben rijk, en verrijkt geworden, en heb geens dings gebrek, en niet wist dat gij zijt ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt. (Openbaring 3:17.) Het zal ons dus niet verbazen of ontmoedigen als onze woorden weinig of geen ingang vinden bij hen die niet zien in welke staat zij zijn gebracht door de sluwheid van Satan, de macht van de zonde en de zwakheid van het vlees.

Toch zullen wij, in de hoop dat de Heere een woord van vermaning zal zegenen voor wie oren hebben om te horen, met alle vrijmoedigheid en toch, naar wij vertrouwen, in een geest van tederheid, liefde en genegenheid vrij de gedachten van ons hart uitspreken. Het gaat om een punt dat ons eigen gemoed vaak heeft beziggehouden en bijna dagelijks nog bezighoudt.

De mededeling van goddelijk leven aan de ziel is de grootste van alle zegeningen, omdat zij elke andere zegen in zich draagt. Zo is zij de vrucht van de uitverkiezing: die Hij te voren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen. Zij is het zekere onderpand van de rechtvaardiging: die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd. En zij is het voorgevoel van de eeuwige heerlijkheid: die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt.

Zij is soeverein in haar eerste mededeling: alzo maakt ook de Zoon levend, Die Hij wil. Zij is vrij in haar ontvangst: Gij hebt het om niet ontvangen, geeft het om niet. Zij is onuitblusbaar van aard: Vele wateren zouden deze liefde niet kunnen uitblussen. Zij is eeuwig in haar duur: Christus zegt van Zijn schapen: Ik geef hun het eeuwige leven. En zij is onvervreemdbaar in haar bezit: Ik zal u niet begeven, en Ik zal u niet verlaten.

Maar zij is aan verandering onderhevig en zinkt soms zeer diep: Gij hebt mij in den ondersten kuil gelegd, in duisternissen, in diepten. Soms stijgt zij zeer hoog: Loof den HEERE, mijn ziel, en al wat binnen in mij is, Zijn heiligen Naam. Maar al haar veranderingen hangen af van de bewegingen van de Heere op de ziel: HEERE! Gij hadt mijn berg door Uw goedgunstigheid vastgezet; maar toen Gij Uw aangezicht verborgt, werd ik verschrikt (Psalm 30:8). Daarom moet zij, of zij nu hoog of laag is, worden herleid tot het soevereine welbehagen van God.

Ons tegenwoordige doel is echter eerder om te handelen over het leven van God in de ziel in zijn verval en afname. Om het onderwerp duidelijker te maken, en ook om onze eigen pen te weerhouden af te dwalen, zullen wij het onder drie hoofden beschouwen:

I. De oorzaken ervan.

II. De verschijnselen ervan.

III. De genezing ervan.

I. Bij het beschouwen van de OORZAKEN ervan kunnen wij opmerken dat wij al enkele van de meest voorkomende hebben aangewezen, zodat het niet nodig is ze te herhalen. Maar er zijn andere van nauwelijks geringere omvang waarop wij nog niet zijn ingegaan.

Daaronder voelen wij ons genoodzaakt de heersende prediking van onze dagen te noemen.

Als wij haar bezien zonder mensen te noemen of onnodig aanstoot te willen geven, vallen ons twee kenmerken sterk op die een betreurenswaardig tekort tonen. Die twee kenmerken zijn: 1. een gebrek aan kracht en 2. een gebrek aan doorzoekend onderscheid.

1. Niets in de bediening kan het gebrek aan kracht goedmaken. Zij kan volkomen in overeenstemming zijn met de waarheid. Zij kan onberispelijk duidelijk zijn in de leer, gezond in de bevinding en niet gebrekkig in het aandringen op een consequente praktijk. Maar bij dit alles kan zij toch het noodlottige gebrek hebben van een tekort aan kracht. Zij kan die eigen smaak en gezegende invloed missen, dat onbeschrijfelijke leven, dat doordringende gezag en dat hemelse gewicht die rusten op de bediening van het woord wanneer de Heere de Geest daarin en daardoor spreekt door Zijn gezonden dienaren.

Van de eerste prediking van het woord wordt gezegd: En de apostelen gaven met grote kracht getuigenis van de opstanding van den Heere Jezus. En wat was het gezegende gevolg? Dit: en er was grote genade over hen allen. (Handelingen 4:33.) Zij predikten met grote kracht en grote genade vloeide daaruit en daardoor voort.

Van zijn eigen bediening getuigt Paulus: En mijn rede, en mijn prediking was niet in bewegelijke woorden der menselijke wijsheid, maar in betoning des geestes en der kracht. (1 Korinthe 2:4.) En met welk doel en gevolg? Dit: Opdat uw geloof niet zou zijn in wijsheid der mensen, maar in de kracht Gods.

Elders getuigt hij dat het evangelie dat hij predikte bij zijn hoorders kwam niet alleen in woorden, maar ook in kracht, en in den Heiligen Geest, en in vele verzekerdheid. (1 Thessalonicenzen 1:5.) En het gevolg was dat zij die het woord van God dat zij van hem hoorden ontvingen, het aannamen niet als der mensen woord, maar (gelijk het waarlijk is) als Gods Woord, dat ook werkt in u, die gelooft. (1 Thessalonicenzen 2:13.)

Waar deze gezegende kracht het woord vergezelt, daar groeit en bloeit voor het grootste deel het leven van God in de ziel. Want daarin is melk voor zuigelingen en vast voedsel voor volwassenen. Er is onderricht voor wie de weg naar Sion zoeken en bestraffing voor de ongehoorzamen. Er is vermaning voor de eenvoudigen en oprechten, bemoediging voor de armen en nooddruftigen, helende balsem voor de gebrokenen van geest, troost voor de bedroefden en een woord op zijn tijd voor de ziel die vermoeid is.

Maar waar dit onbeschrijfelijke leven, deze smaak en deze kracht in de bediening ontbreken, kruipt er geleidelijk een geest van sluimering over de hoorders. Doodsheid en dorheid op de kansel brengen doodsheid en dorheid in de kerkbank voort. De zielen van Gods volk worden uitgehongerd door gebrek aan voedsel. Het noodzakelijke gevolg is dat er een algemene ziekelijkheid en slapte over kerk en gemeente komt, vergezeld van het verval en de achteruitgang van elke genade.

Een van de ergste kenmerken van deze heersende ziekte is dat wie er het diepst door wordt aangetast haar het minst ziet en voelt. Zij kruipt meestal zo ongemerkt over de ziel en haar invloed is zo langzaam en geleidelijk dat zij, om een sterke uitdrukking te gebruiken, verlamt terwijl zij zich verspreidt. De Schrift vergelijkt haar daarom met een diepe slaap. Wij weten dat die geleidelijk komt en steeds zwaarder wordt, totdat elk zintuig in vergetelheid en ongevoeligheid is opgesloten.

Er staat: de HEERE heeft over ulieden uitgegoten een geest des diepen slaaps, en Hij heeft uw ogen toegesloten. En over wie was deze diepe slaap gekomen? Over de profeten, en uw hoofden, en de zieners, die Hij had verblind. Zij die het volk wakker hadden moeten houden, waren zelf in slaap gevallen. De wachters op de muren sluimerden met de inwoners van de stad, en dat terwijl de vijand voor de poorten stond. (Jesaja 29:10.)

Zij wordt ook vergeleken met de gevoelloosheid van de dronkaard, die blijft drinken totdat hij in dronken slaap is bedolven. Hij voelt niet wanneer hij wordt geslagen of gekwetst. Zelfs wanneer hij even uit zijn dronkenschap wordt gewekt, zoekt hij opnieuw zijn bekers en slaperige bedwelming: Men heeft mij geslagen, zult gij zeggen, ik ben niet ziek geweest; men heeft mij gebeukt, ik heb het niet gevoeld; wanneer zal ik opwaken? Ik zal hem nog meer zoeken. (Spreuken 23:35.)

Steun J.C. Philpot

Beste bezoeker,

U kunt jcphilpot.nl steunen met een donatie. Dankzij uw gift kunnen wij deze website blijven onderhouden en beschikbaar houden. Uw bijdrage wordt gebruikt voor de jaarlijkse kosten van hosting en het beheer van de site.

Elke donatie, groot of klein, helpt ons om dit werk voort te zetten. Hartelijk dank voor uw steun!