New Year’s Address, January 1865
Het hoort bij de wijsheid van God in een verborgenheid dat Hij het goed heeft gevonden de bediening van het evangelie toe te vertrouwen aan mensen van gelijke bewegingen als hun medemensen. (Hand. 14:15; Ef. 3:8-9; 1 Thess. 2:4.) Daarin toont Hij zowel Zijn soevereiniteit als Zijn genade: Zijn soevereiniteit in de keuze van het vat en Zijn genade in het vullen ervan met Zijn verborgen schat.
Dat geldt voor de grootsten en de hoogsten en evenzeer voor de kleinsten en de laagsten onder de dienaren van God. Niemand is meer of minder dan God hem maakt. Alles wat zij bezitten aan licht of leven, genade of gave en bevinding of uitspraak, aan zalving of kracht en kennis of wijsheid, aan nut of aanvaardbaarheid, hun bekwaamheid tot elk goed woord en werk, komt geheel van de Heere. Het wordt in hen gewerkt door een en dezelfde Geest, delende aan een iegelijk in het bijzonder, gelijkerwijs Hij wil. (1 Kor. 12:4-11; 2 Kor. 3:5-6.)
Dit sluit alle roem bij de sterken buiten en geeft de zwakken alle bemoediging. Als sommigen sterk zijn in het geloof, helder in kennis, rijp in oordeel en diep en rijk in bevinding, als zij goed onderricht zijn om te verstaan en goed toegerust om het woord van de waarheid recht te snijden, als zij vrijmoedig en getrouw getuigen en vaardig en krachtig spreken en als zij overvloedige vrucht zien op hun werk, dan kan tot hen, om alle verheffing van zichzelf en alle minachting van anderen te smoren, Pauls veelzeggende vraag worden gericht: Want wie onderscheidt u? En wat hebt gij, dat gij niet hebt ontvangen? En zo gij het ook ontvangen hebt, wat roemt gij, alsof gij het niet ontvangen hadt? (1 Kor. 4:7.)
Als anderen daarentegen zwak zijn in het geloof, gebrekkig in kennis, zwak van gave en gebonden in spraak, als hun nut of aanvaarding beperkt is en zij vanuit het besef daarvan de zware last van de bediening en hun eigen onbekwaamheid voelen en dreigen te bezwijken in het werk, dan passen bij hen de woorden van Christus: Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht, en het antwoord van Paulus: Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone. (2 Kor. 12:9.)
Zo bepalen soevereiniteit en genade evenzeer de plaats en positie van elke dienaar van Christus. Of zij nu sterk zijn of zwak, of zij honderden dienen of een handvol, of zij bekend en geacht zijn in het hele land of verborgen zitten in een hoek: het is altijd Zijn soevereiniteit en genade. Maar er is nog een andere kant aan de zaak die de aandacht van alle gezonden dienaren van Christus evenzeer verdient. Dat is de verplichting die de genade hun oplegt om de eer van God en het goed van Zijn volk te zoeken.
Zij zijn duur gekocht en dus niet van zichzelf maar van de Heere. (1 Kor. 6:19-20.) Zij zijn door genade onder de dringende kracht van de liefde van Christus gebracht en daarom verplicht niet voor zichzelf te leven maar voor Hem Die voor hen gestorven en opgestaan is. (2 Kor. 5:14-15.) Zij zijn op een eervolle en zichtbare plaats gezet in het mystieke lichaam van Christus om zorg te dragen voor hun medeleden en hun geestelijk voordeel te zoeken en niet hun eigen eer of gewin. (1 Kor. 12:7; 1 Kor. 12:18; 1 Kor. 12:25.)
Daarom zijn de dienaren van God door de sterkste banden gebonden, de banden van het verzoenende bloed, de stervende liefde en de krachtdadige genade van de Heere Jezus. Zij moeten er werk van maken zich Gode beproefd voor te stellen en het woord vrijmoedig en getrouw te prediken. Zij moeten met alle lankmoedigheid en leer weerleggen, bestraffen en vermanen. Zij weten dat de tijd niet nog moet komen maar nu al is gekomen dat mensen de gezonde leer niet verdragen, hun oren van de waarheid afwenden en zich keren tot fabelen. (2 Tim. 2:15; 2 Tim. 4:2-4.)
Wat waar is van hen die met hun tong werken voor het welzijn van de gemeente van God, is voor een goed deel ook waar van hen die met hun pen voor hetzelfde doel en in dezelfde geest arbeiden. Wij zeggen “voor een goed deel”, want wij willen de tong en de pen volstrekt niet op hetzelfde niveau plaatsen. De prediking van het evangelie staat als de bijzondere ordening van de Heere (Markus 16:15) op zichzelf en heeft terecht de voorrang boven elk ander middel om het lichaam van Christus op te bouwen. (Ef. 4:11-12.)
Zij is de bijzondere openbaring van zowel de wijsheid als de kracht van God door de dwaasheid der prediking, zoals mensen haar noemen, zalig te maken, die geloven. (1 Kor. 1:18-25.) De bediening van het evangelie is een door God ingesteld middel om geloof mee te delen (Rom. 10:17) en om door het geloof dat zo gegeven wordt een kracht Gods tot zaligheid te zijn voor ieder die gelooft. (Rom. 1:16.)
Het schrijven kan op dit fundament niet staan en dit niveau niet bereiken, want het heeft niet dezelfde goddelijke aanstelling en erft dus niet dezelfde beloofde zegen. En toch zullen weinigen die God vrezen en voordeel hebben gehad van de werken van goede mannen willen ontkennen dat het schrijven in de hand van de zalige Geest een middel tot opbouw van de gemeente van God is geweest dat alleen onderdoet voor de bediening van het gepredikte woord.
In sommige opzichten zijn de werken van mannen van God zelfs van groter en duurzamer dienst geweest voor de gemeente van Christus dan hun woorden, omdat ze wijder verspreid en blijvender zijn. Hoe overvloedig de zegen ook was die in hun dagen op hun bediening rustte: Bunyan en Owen zouden nu louter namen zijn, als zij al zoveel waren, en Deer en Huntington slechts overleveringen, als deze mannen van God niet zowel schrijvers als predikers waren geweest. Maar door hun geschriften zijn het licht en de kennis, de genade en de gaven die in hun tijd tot zegen waren ook voor ons tot zegen. Zij zullen worden doorgegeven aan onze kinderskinderen als wij zijn heengegaan.
Neem nu aan dat het schrijven, wanneer de Heilige Geest de pen inspireert, een middel tot opbouw van de gemeente van Christus is dat alleen onderdoet voor de prediking wanneer de Heilige Geest de tong inspireert. Volgt daar dan niet uit dat wie door plaats en roeping moeten schrijven evenzeer de eer van God en het goed van Zijn volk moeten zoeken als wie door plaats en roeping moeten prediken?
Was de bediening van het evangelie geen goddelijke instelling, dan zou het een aanmatiging zijn dat een zondaar, ook een behouden zondaar, in het openbaar opstaat om zijn medezondaars en medeheiligen te onderrichten, te troosten, te waarschuwen en te bestraffen. Noch God noch mensen zouden dat dulden. Maar de bijzondere ordening van God en de kracht waarmee Hij haar als zodanig Zelf bekleedt, maken van wat anders een aanmatiging zou zijn een gewillige dienst voor de dienaar en een zegen voor de hoorder.
Zo erkend te worden en tot zegen te zijn voor het gezin van de levende God, het geëerde middel te zijn om licht, leven, vrijheid en liefde mee te delen aan hen voor wie Christus gestorven is, de Persoon en het werk, het bloed en de gerechtigheid van de Zoon van God voor te stellen en zo door de verhoging van Zijn waardige Naam Zijn koninkrijk te bevorderen en Hem dierbaar te maken voor gelovige harten: dit is of behoort te zijn het doel en de bedoeling, de beloning en de kroon van elke dienaar van Christus, of nu de tong of de pen het middel is dat hij gebruikt.
Als deze opvattingen juist zijn, in overeenstemming met het woord van de waarheid en met de bevinding van de heiligen, rijst de vraag: mag dan ook een schrijver, al is hij slechts de redacteur van een kortlevend en vluchtig tijdschrift dat morgen kan sterven en geen spoor achterlaat, evenzeer naar hetzelfde doel en in dezelfde geest arbeiden? Mag ook zo’n schrijver, die het leven en de kracht van God in zijn ziel voelt en door de voorzienigheid en genade van God geroepen lijkt tot het werk van de pen, evenzeer de eer van God en het goed van Zijn volk zoeken? Mag hij evenzeer hetzelfde evangelie willen voorstellen, dezelfde dierbare Verlosser willen verhogen en zijn voornaamste loon vinden in de zegen van God op zijn arbeid?
Of, om de voorgaande gedachtegang beknopter te maken en directer op ons onderwerp te richten: mogen zelfs wij niet zonder aanmatiging bij het begin van een nieuw jaar enkele woorden richten tot onze vele lezers, in het belang van hun geestelijk voordeel? Voor zover wij door dezelfde Geest onderwezen zijn, één geloof en één hoop hebben, dezelfde liefde voelen en eensgezind zijn met de levende familie van God, mogen wij niet alleen op het onze letten maar ook op dat van anderen. (Ef. 4:4-5; Fil. 2:2-4.)
En als wij in deze geest bij het begin van een nieuw jaar onze geestelijke lezers een woord van raad of vermaning willen voorleggen, zonder hun een ander advies te geven dan wij zelf willen aannemen en zonder hun een andere last op te leggen dan wij zelf willen dragen, mag het dan niet een woord op zijn tijd zijn voor schrijver en lezer beiden? Het zijn stellig dagen waarin vriendelijke raad, scherpe bestraffing en het opwekken van de genaden van de Geest in de harten van Gods volk nodig zijn.
Allen die een goede mate van goddelijk licht en leven hebben, van genadig onderscheid, van dagelijkse bevinding en van bijna voortdurende oefening over zichzelf of anderen, zien en voelen hoe laag het peil van de levende godsvrucht overal is. Dat geldt voor allen die uit eigen ervaring de kracht, de werkelijkheid en de zaligheid kennen van dat koninkrijk van God dat in ons is.
Het geldt voor allen die zich vaak door een zee van beproevingen, verdrukkingen en verzoekingen heen worstelen om in hun eigen boezem het geheim van de Heere te vinden en te genieten dat is bij hen die Hem vrezen. Allen die zo onderwezen, zo geleid en zo geoefend zijn, zien en kunnen niet nalaten te zien, voelen en kunnen niet nalaten te voelen hoe laag het peil is.
Het is hiermee als met veel andere zaken die men praktisch kan waarnemen. De uiterlijke schijn kan mooi en goed lijken totdat de zaak zelf, zoals zij werkelijk is, wordt gemeten met een juiste maatstaf of op de proef gesteld met een doordringende praktische toets. Zolang wij er dus genoegen mee nemen onszelf met onszelf te meten en onszelf met onszelf te vergelijken (2 Kor. 10:12), kan onze belijdenis mooi en goed lijken. Maar hoe staat zij er voor wanneer zij wordt onderzocht aan de doordringende, praktische toets van het woord van God?
Neem bijvoorbeeld de bediening, wij zeggen niet van onze tijd in het algemeen maar zelfs van velen die wij graag willen achten om hun werk. Waar wordt het gebiedende deel van het evangelie naar voren gebracht en benadrukt zoals het wordt verklaard in de woorden van onze Heere en in de brieven van het Nieuwe Testament? Waar wordt de leer zo voorgesteld dat zij een bevindelijke uitwerking heeft op het innerlijk leven en een praktische invloed op de uiterlijke wandel? Waar wordt de bevinding nagegaan, niet alleen in haar innerlijke gevoelens maar ook in haar uiterlijke vruchten?
Nu wordt in de Schrift de leer nooit voorgesteld in wat wij haar droge vorm zouden kunnen noemen. Zij is altijd vermengd met een bevinding van haar kracht of met een verklaring van haar praktische vruchten. Zo staat er bijvoorbeeld dat wij uitverkorenen zijn naar de voorkennis van God den Vader, maar wel in de heiligmaking des Geestes, tot gehoorzaamheid en besprenging des bloeds van Jezus Christus. (1 Petr. 1:2.) Hoe genadig is hier de leer van de uitverkiezing vermengd met de bevinding van het bloed der besprenging en de praktijk van de gehoorzaamheid.
En zo wordt de bevinding in het Woord nooit voorgesteld als een zaak van louter gevoel, dat wil zeggen louter abstract gevoel los van alle uitwerkingen en vruchten. Zij is altijd vermengd met een praktische invloed op het hart of met een genadige vrucht in het leven. En zijn de gemeenten niet in sommige van deze opzichten even gebrekkig als de predikanten? Hoeveel van onze Baptistengemeenten kunnen het woord dezer vermaning verdragen? (Hebr. 13:22.)
Wat zou er een geroep om legalisme opgaan als een dienaar van de waarheid mannen, vrouwen en kinderen, heren en knechten ieder afzonderlijk en bijzonder zou vermanen zoals Paulus hen vermaant. De predikanten mogen Pauls leer met de grootste duidelijkheid prediken en Pauls bevinding van wet en evangelie in haar diepten en hoogten met de grootste instemming van hun hoorders. Maar mogen zij ook Pauls praktijk met dezelfde getrouwheid en met dezelfde gunst prediken?
Als dit zo is, en wij laten onze lezers zelf beoordelen of onze woorden waar zijn of niet, is dat ene dan niet een voldoende bewijs dat de levende, praktische godsvrucht bij ons allen op een laag peil staat? Want wij rekenen onszelf tot de tekortschietenden.
Als wij dan deze dingen zeggen en dit getuigenis afleggen, is dat naar wij vertrouwen niet uit een geest van bitterheid, of hardheid in het oordelen, of geestelijke hoogmoed, of vleselijke heiligheid, of eigendunk onder een kleed van nederigheid. Het is niet uit monnikenstrengheid, of zelfopgelegde afzondering, of bekrompenheid van geest en gebrek aan wat men ruime en liberale opvattingen noemt. Het is niet uit gebrek aan liefde of aan toegeeflijkheid voor menselijke zwakheid, niet uit dofheid van oog om te zien of traagheid van voet om mee te marcheren met de vooruitgang van de maatschappij en van de tijd, dat in onze borst de overtuiging is gevestigd hoe laag het leven van God voor het merendeel in gemeenten en bij personen staat.
Verre van dat: wij kunnen voor onszelf zeggen, en wij geloven voor velen anderen, dat wij ons niet in een nauwe hoek willen opsluiten en alles wat wij van daaruit kunnen zien tot onze geestelijke horizon willen maken. Wij willen ook geen soort toverkring om onze voeten trekken waarbinnen alles licht en leven is en waarbuiten alles duisternis en dood. Integendeel, wij zijn maar al te blij de genade van God in onszelf en in anderen te zien en te verwelkomen en elk verschijnsel van goddelijk leven met vreugde te begroeten.
Zoals wie ’s nachts verdwaald is op een eenzame heide de eerste lichtstreep aan de oostelijke hemel verwelkomt, zoals de zeeman wiens schip op een zandbank zit blij het opkomende tij bemerkt dat het hopelijk vlot zal brengen, zo begroeten allen die God waarlijk vrezen met vreugde het aanbreken van goddelijk licht en het ontspruiten van hemels leven, zowel in zichzelf als in anderen.
Zo kunnen wij, zonder licht voor duisternis te houden en duisternis voor licht, bitter voor zoet en zoet voor bitter, om ons heen kijken. Wij zien en erkennen dankbaar dat er nog gouden kandelaren zijn te midden waarvan de Heere wandelt en nog sterren in Zijn rechter hand. Er is in veel gemeenten een liefde voor gezonde bevindelijke waarheid. De heerlijke leerstukken van de genade zijn niet geheel in een hoek verborgen. Op veel plaatsen is een goede geest van luisteren. Vooral in onze eigen kring is al jaren een groter verlangen naar mannen van de waarheid of een grotere moeite om hun diensten te verkrijgen.
Hoewel wij dus niet anders kunnen dan voelen, en omdat wij het voelen onze overtuiging moeten uitspreken, dat de levende godsvrucht bijna overal op een laag peil staat, verheugt het toch onze ogen en harten te zien en dankbaar te erkennen dat niet alles is weggevloeid. Aan alle kanten liggen weliswaar wijde en diepe modderbanken, maar daartussen stroomt in een schrale stroom de rivier van het water des levens.
God heeft nog een volk in dit land, geloofd zij Zijn heilige Naam, dat Hij liefheeft en dat Hem liefheeft en vreest. En al zijn dezen meestal slechts mensen die zuchten en uitroepen over alle gruwelen die zij in zichzelf voelen en buiten zich zien, toch is er een teken op de voorhoofden gezet dat de Heere kent en erkent en dat zij ook onderling kennen en erkennen. (Ezech. 9:4.)
Voor zulken schrijven wij. Voor zulken arbeiden wij. Met zulken willen wij leven en met zulken sterven. Wij hebben geen gemeenschap met de doden, of zij nu dood zijn in zonden of dood in een belijdenis. De levende, de levende, dezen zijn het, en alleen dezen, die God hier of hierna loven. De dood kan Hem op aarde en in de hemel niet prijzen. En wie neerdaalt in de kuil van dwaling of verderf kan niet op Zijn waarheid hopen, want die is voor hem verborgen, hetzij in haar zuiverheid, hetzij in haar kracht. (Jes. 38:18-19.)
Zullen de levenden onder onze lezers geduld hebben met een medereiziger op de weg en naar hem luisteren? Wij bedoelen hen die niet alleen de waarheid maar ook de liefde tot de waarheid hebben ontvangen. Wij bedoelen hen die bij gebrek aan duidelijker en hogere bewijzen alleen kunnen zeggen dat zij lust hebben Uw Naam te vrezen (Neh. 1:11), en hen die diep overtuigd zijn van hun verloren en reddeloze toestand en de volheid van de zaligheid in hun eigen borst zoeken te beleven. Het gaat om een medereiziger die ondanks al zijn zonden en zwakheden noch zichzelf noch hen wil bedriegen.
En als hij niet komt met zachte en honingzoete woorden naar de mode van de dag, alsof het evangelie geen andere stem of klank had dan Vrede, vrede!, vrede tegen elke prijs, vrede in elk geval en vrede in elke toestand, hoe wereldsgezind, vleselijk of gierig gemeenten of personen ook mogen zijn verzonken, bedenk dan dat er een komen met de roede is en ook een komen in den geest der zachtmoedigheid. (1 Kor. 4:21.)
Bedenk ook dat, voor zover wij ware soldaten van Christus zijn, geldt: de wapenen van onzen krijg zijn niet vleselijk, maar krachtig door God, tot nederwerping der sterkten, en dat wij de overleggingen ter nederwerpen, en alle hoogte, die zich verheft tegen de kennis van God, en alle gedachte gevangen leiden tot de gehoorzaamheid van Christus. (2 Kor. 10:4-5.) In deze geest dan, de geest van getrouwheid en liefde, willen wij ons richten tot de harten en gewetens van hen die bereid zijn enkele woorden van ons te ontvangen in de eenvoud van de waarheid.
Het is maar al te duidelijk dat wij niet vermengd kunnen zijn met de belijdenis en de belijders van onze dagen zonder tot op zekere hoogte hun geest in ons op te nemen en min of meer door hun voorbeeld beïnvloed te worden. Daarin lijken wij te veel op het uitverkoren volk, van wie de Heilige Geest getuigt: Maar zij vermengden zich met de heidenen, en leerden derzelver werken. En zij dienden hun afgoden, en zij werden hun tot een strik. (Ps. 106:35-36.)
Wij kunnen nauwelijks ontkomen aan de invloed van hen met wie wij veel en vaak in aanraking komen. Zijn dezen dood, dan verdoven zij ons vaak met hun lijkachtige kilte. Zijn zij licht en onbezonnen, dan verstrikken zij ons vaak in hun vleselijke luchthartigheid. Zijn zij bitter en hard in hun oordeel, dan ademen zij ons een mate van hun veroordelende geest in. Zijn zij kwaad en twistziek, dan prikkelen zij ons tot toorn in woord of gevoel. Zijn zij wereldsgezind en gierig, dan kunnen zij ons een schuilplaats en een excuus bieden voor onze eigen wereldsgezindheid en hebzucht.
Alleen wie goed gewogen is met beproevingen en verdrukkingen en gebogen gaat onder lasten en oefeningen, en toch daarin en daardoor het leven van God met enige kracht en kloekheid in het hart onderhouden vindt, zal bewaard blijven voor besmetting door deze slechte gezelschappen. Maar omdat weinigen aan hun invloed ontkomen, willen wij eenvoudig zeggen wat naar ons geloof, zo niet de enige, dan toch de veiligste weg is om verlossing te vinden uit een pad waarop te wandelen vroeg of laat droefheid en smart zal brengen voor elke levende ziel.
1. Nu is de eerste stap uit een verkeerd pad te zien en te voelen dat het verkeerd is. De vleselijke belijders van onze dagen zien niets verkeerds, niets mis, niets ongerijmds in hun gedrag of geest. Zij hebben geen innerlijke remmingen van het geweten, geen scherpe bestraffingen uit het Woord, geen bevende vrees over hun staat voor God. Zij hebben geen plechtig besef van de majesteit en de tegenwoordigheid van de hartenkennende Jehova, geen gelovige blik op de Persoon en het lijden van Christus en geen begeerte om de wil van God van harte te kennen en te doen.
Maar waar goddelijk leven is, waar de zalige Geest in het hart werkt met Zijn heilige werkingen en verborgen invloeden, daar zal licht zijn om te zien en een geweten om te voelen wat verkeerd, zondig, ongerijmd en onbetamelijk is. Deze overtuigingen kunnen een tijd lang weerstaan worden. De zonde heeft een verhardende aard en wij kunnen een tijdlang zo in het net gevangen zijn en zo door haar neergehouden worden dat onze strijd ertegen alleen leidt tot nog diepere verstrikking.
Hoe weinigen zien bijvoorbeeld hun eigen hebzuchtige geest voordat zij er zo in verstrikt zijn dat zij vrezen er geheel aan overgegeven te worden en zich er toch niet van kunnen losmaken. Hoe vaak wakkert elke poging tot verzoening, elke inspanning om vrede, het vuur aan in plaats van het te doven, wanneer broeder met broeder overhoop ligt of een geest van twist en verdeeldheid in een gemeente komt. Zo kunnen wij ook in een koude, levenloze staat wegzinken, het lezen van het Woord verwaarlozen en de smaak voor de troon der genade verliezen, totdat onze belijdenis zelf in onze eigen neus gaat stinken en in die van anderen.
Waar nu goddelijk leven in de ziel is, legt de Heere vaak als het ware voor de tweede maal Zijn hand om Zijn werk in het hart te doen herleven. De strik wordt verbroken, hetzij door Zijn voorzienigheid hetzij door Zijn genade. Door enige verdrukking of beproeving wordt het hart week gemaakt om het woord te ontvangen, al is het een scherpe bestraffing. Want aan een hongerige ziel is alle bitter zoet en er is dat verlangen naar de Heere dat niets kan bevredigen dan de openbaringen van Zijn vergevende liefde.
2. Herkent een van onze geestelijke lezers zich in deze eenvoudige schets, laat hem dan van ons het woord van vermaning aannemen in de woorden van de apostel: En maakt rechte paden voor uw voeten, opdat hetgeen kreupel is, niet verdraaid worde, maar dat het veelmeer genezen worde. (Hebr. 12:13.)
Wij lezen in het woord van de waarheid over mensen die de paden der oprechtheid verlaten, om te gaan in de wegen der duisternis; Die blijde zijn in het kwaad doen, zich verheugen in de verkeerdheden des kwaden; Welker paden verkeerd zijn, en afwijkende in hun sporen. (Spr. 2:13-15.) En zoals wij hun karakter in het Woord lezen, zo lezen wij ook hun einde: Maar die zich neigen tot hun kromme wegen, die zal de HEERE weg doen gaan met de werkers der ongerechtigheid. Vrede zal over Israel zijn! (Ps. 125:5.)
Zulke waarschuwingen hebben hun plaats niet alleen in het Woord maar ook in het hart dat in de vreze Gods week gemaakt is. Zij worden ook niet terzijde geschoven alsof wij zo vast en sterk op de rechte weg stonden dat er nooit gevaar kon zijn dat wij voor onze voeten een kromme weg maakten.
Integendeel: wij zijn omringd door een krom en verdraaid geslacht, belijdend en goddeloos, wier wegen wij maar al te gemakkelijk leren. Wij worden van alle kanten belaagd door verzoekingen om af te wijken op een of ander kromme pad, om onze hoogmoed te voeden, onze lusten bot te vieren of onze hebzucht te bevredigen. Soms zijn wij verblind en verleid door de god dezer eeuw, dan weer verhard door de verleiding der zonde. Hier worden wij misleid door het voorbeeld en daar bekoord door de vleierij van een vriend of gezel.
Nu zijn wij verward en radeloos in ons oordeel over goed en kwaad, dan weer verstrikt in een strik van de boze, half weerstaand en half toegevend. Wat een strijd hebben sommigen van ons moeten voeren om rechte paden voor onze voeten te maken, en wat een pijn en droefheid dat wij ooit kromme hebben gemaakt.
Maar er is één kenmerk van een kromme weg dat altijd zowel een waarschuwing als een wegwijzer zal zijn voor wie God vrezen: hun paden maken zij verkeerd voor zich zelven, al wie daarop gaat, die kent den vrede niet. (Jes. 59:8.) Het is dit gemis aan vrede op het kromme pad dat hen die een levend geweten bezitten verontrust en met schrik vervult. Het roept vaak een hele legerschaar van twijfels en vrezen tegen hen op, of zij misschien geheel bedrogen zijn.
Deze overtuigingen en deze vrezen tonen hun duidelijk hun zonde en dwaasheid dat zij de paden van de oprechtheid verlieten om op enige kromme weg te wandelen. Soms behaagt het de Heere hun door vreselijke dingen in gerechtigheid, soms door verdrukking op hun lenden te leggen, soms door Zijn scherpe bestraffingen onder het gepredikte woord of in het verborgene toegepast, soms door een schokkende slag in de voorzienigheid te laten weten en zien dat het kwaad en bitter is de Heere, hun God, te verlaten. Dan wordt in het hart berouw gewerkt, met zelfverfoeiing en zelfverachting, uitmondend in ootmoedige en eerlijke belijdenis.
Dit is de eerste stap naar terugkeer, want met deze belijdenis komt het verlaten van elke boze weg. Aan deze belijdenis en dit verlaten is de belofte van barmhartigheid en vergeving verbonden. (Spr. 28:13; 1 Joh. 1:9.) Wanneer dan de barmhartigheid en goedheid van God zo van binnen gevoeld en beleefd worden, en wanneer een blik door het geloof op de lijdende Zoon van God tegelijk de verschrikkelijke aard van de zonde toont en de weg, de enige weg, waarlangs zij om niet wordt weggedaan, dan is er een maken van rechte paden voor de voeten.
Wanneer de overvloed van de genade, die het overvloeien van het kwaad van binnen en van buiten te boven gaat, de ziel tegelijk doet beven en zich verheugen, beven bij de vloeden van de zonde en zich verheugen bij de overstromingen van de hogere vloeden van genade daarboven, dan wordt wat kreupel was en zo uit de weg gedraaid genezen.
3. Hiermee nauw verbonden is de liefdevolle raad van een geweten voor God en mensen. Dit is de oefening van Paulus: En hierin oefen ik mijzelven, om altijd een onergerlijk geweten te hebben bij God en de mensen. (Hand. 24:16.) Er is geen grotere zegen dan een geweten dat gereinigd is door het bloed der besprenging en weinig grotere ellende dan een geweten beladen met schuld. Het ene stelt ons in staat omhoog te zien en het andere dwingt ons neer te zien voor God en mensen. Er is in onze wandel en ons gedrag misschien niets ongerijmds of onbetamelijks verschenen en toch kan de ‘stille waarschuwer’ de tong doen haperen, de knie doen beven en het gelaat doen neerslaan.
Dit is dus de hoofdoefening: eerst een geweten te VERKRIJGEN en ten tweede te BEHOUDEN dat zo door verzoenend bloed besprenkeld is dat het zonder aanstoot is jegens God. Daarna moeten wij zo teder wandelen in de vreze Gods, in die oprechtheid en godzalige eenvoud, in die rechtschapenheid van gedrag en die ongereptheid van leven, dat wij bewaard worden voor het geven van gegronde aanstoot aan onze medemensen of het leggen van een struikelblok op hun weg. Zo volgen wij dat veelomvattende voorschrift: Hetzij dan dat gijlieden eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets anders doet, doet het al ter ere Gods. Weest zonder aanstoot te geven, en den Joden, en den Grieken, en der Gemeente Gods. (1 Kor. 10:31-32.)
4. Ons volgende woord van raad is het woord dat de Heere Zelf spreekt tot de jonkvrouw van Israël: Richt u merktekenen op, stel u spitse pilaren, zet uw hart op de baan, op den weg, dien gij gewandeld hebt; keer weder, o jonkvrouw Israels, keer weder tot deze uw steden! (Jer. 31:21.) Terugkijken op het verleden is vaak een gezegende bemoediging voor de toekomst.
Als wij reizigers zijn op de weg naar Sion, zullen wij onze verschillende wegwijzers hebben. Een opvallende roeping, een duidelijke verlossing of een genadige openbaring van Christus; hier een toegepaste belofte en daar een merkbaar verhoord gebed; een bijzondere zegen onder het gepredikte woord; een zachte en onverwachte verzekering van een zalig aandeel in het bloed van het Lam; een doorbreken van goddelijk licht tijdens een wandeling in grote duisternis; een zoete teug van troost in een tijd van droefheid en benauwdheid; het tot bedaren komen van de winden en golven buiten en binnen door Ik ben het; zijt niet bevreesd. Het is hoogst gezegend zulke en soortgelijke wegwijzers te kunnen oprichten als bewijzen dat wij op de weg zijn.
En als velen die werkelijk God vrezen deze opvallende wegwijzers niet kunnen oprichten, dan missen zij toch niet evenzeer zekere getuigenissen, al zijn die minder bevredigend. Zij hebben de vreze Gods in een tedere geweten en de Geest der genade en der gebeden in hun borst. Zij blijven aan het volk van God hangen in warme liefde en houden van de waarheid in haar zuiverheid en kracht. Zij hebben hun ernstige verlangens, hun ontluikende hoop en hun angstige vrezen.
Hun oprechtheid en eenvoud maken hen jaloers over zichzelf dat zij niet bedrogen of misleid worden. Zij scheiden zich af van de wereld en tonen nederigheid, zachtmoedigheid, stilte en een algemene bestendigheid die vaak luidere belijdenis en hogere aanspraken beschamen. Deze en soortgelijke bewijzen tekenen velen als kinderen van God die hun recht op zo’n voorrecht en zo’n zegen niet duidelijk kunnen lezen.
Maar of de wegwijzers nu hoog zijn of laag, stralend in de zon of onduidelijk in de dageraad, de jonkvrouw van Israël wordt nog altijd geboden: Richt u merktekenen op, stel u spitse pilaren, zet uw hart op de baan, op den weg, dien gij gewandeld hebt; keer weder, o jonkvrouw Israels, keer weder tot deze uw steden!
5. Dit zij dan een ander woord van raad: dat wij ons hart steeds richten op de gebaande weg. Christus is de weg en er is geen andere. Ik ben de Weg staat in stralende letters geschreven aan het begin, in het midden en aan het einde van het pad, om het kind te leiden, de man te schragen en de vader te steunen.
De eerste lichtstraal die op de ziel schijnt om haar hemelwaarts te leiden, straalt uit de Persoon en het werk van Jezus. Dwaalt zij, dan wordt zij hierdoor teruggebracht. Valt zij flauw en wankelt zij, dan wordt zij hierdoor opgehouden en vastgehouden. Het oog blijft zich keren, de voeten blijven bewegen en het hart blijft verlangen naar de weg. Het is de enige weg uit duisternis naar licht, uit dood naar leven en uit verwarring naar helderheid. Het is de enige weg uit onrust naar rust, uit slavernij naar vrijheid, uit droefheid naar vreugde en uit benauwdheid naar vrede. In één woord: het is de enige weg uit de hel naar de hemel.
Gezegend zij God, niet alleen dat Jezus de weg is, maar dat de dierbare Verlosser Zelf in de dagen van Zijn vlees heeft gezegd: Ik ben de Weg. Want als deze Zijn eigen zalige woorden met kracht in het hart vallen, wekken zij zo’n geloof in Hem op (Joh. 6:47); zo’n opzien naar Hem, soms zelfs vanaf de uiteinden van de aarde (Jes. 45:22); zo’n uitgaan uit alle vodden en puinhopen van het ZELF om Hem aan te grijpen en ons in Hem te verbergen (Jes. 27:5; Ps. 17:8; Ps. 143:9); zo’n aankleven van Hem met een voornemen des harten (Hand. 11:23); zo’n hangen aan Hem (Jes. 22:24).
Door de zachte aantrekking van Zijn Geest en genade (Hoogl. 1:4; Jer. 31:3; Joh. 6:44) wordt Hij bij elke stap hemelwaarts aangenomen en wordt in Hem gewandeld. (Kol. 2:6.)
En nu waarschuwen onze beperkte ruimte en de vrees onze lezers te vermoeien ons dat wij moeten afronden. Toch willen wij hun nog enkele gedachten voorleggen en die zo beknopt mogelijk samenvatten. Nemen onze woorden van raad een gebiedende vorm aan, dan zullen zij tot wie wij ons richten bedenken dat wij daarmee niet willen suggereren dat er enige kracht in ons of in hen is, maar alleen die van de genade om ze in praktijk te brengen.
6. Houd uzelf gescheiden van de oppervlakkige, lichte, losse belijdenis van onze dagen. Pas op dat u niet rust op die oppervlakkige bewijzen waarmee zovelen, van preekstoel en pers, worden opgebouwd op een onzeker zo niet onzuiver fundament. Rust op niets minder dan Gods eigen getuigenis in uw geweten en het getuigenis van Zijn Geest met uw geest dat u Zijn kind bent.
Haat die geest van lichtzinnigheid, op de kansel of in de bank, die niet alleen de dood is voor elk genadig, godzalig gevoel in de ziel maar die de plechtigste waarheden van ons allerheiligste geloof, het lijden van Christus Zelf, zou veranderen in een vermaak voor de vleselijke gezindheid. Verfoei die losse belijdenis, die gewillige instemming met alles wat de hoogmoed, wereldsgezindheid, hebzucht en lusten van onze verdorven natuur voedt, die de huidige tijd tekent met enkele van haar gevaarlijkste en verschrikkelijkste kenmerken.
7. Kies uw metgezellen onder de nederige, bezadigde, geoefende, tedere en geestelijke kinderen van God, en laat hen weinig in aantal zijn. Kies hen wier gezelschap en gesprek u goed doen en een zoete geur op uw geest achterlaten, wier leven en gedrag zich bij u aanbevelen als overeenkomstig het evangelie en wier wandel in de gemeente en voor de wereld duidelijk onder de invloed van de genade staat. Kies hen met wie u voelt dat u kunt leven en sterven in de hechte en vaste band van broederlijke genegenheid en liefde.
8. Leer geduldig te zijn en de zwakheden van christelijke broeders zachtmoedig te dragen. Er is in ons christenleven een tijd waarin wij iedereen terecht willen zetten en alles recht willen maken. Maar na verloop van tijd merken wij dat wij onszelf niet kunnen terechtzetten en onze eigen geest en ons gedrag niet in overeenstemming kunnen brengen met het woord van de waarheid.
Deze overtuiging, die zich steeds sterker aan ons opdringt, maakt ons minder scherp om den splinter te zien en bereidwilliger om den balk eruit te halen. Wij zijn minder verlangend anderen te veroordelen en meer bereid onszelf te veroordelen, minder zeker van de zonden van onze vrienden en zekerder van onze eigen. Bovendien leren wij vroeg of laat dat het één ding is de ogen te sluiten voor de zonden van onze broeders en een ander hun zwakheden te dragen.
Wij zien dat wij van nature van elkaar verschillen en dat de genade weliswaar het hart verandert maar de natuurlijke aard er eerder door wordt getemd dan veranderd. Zo verschillen onze natuurlijke gemoedsaard, onze stand en ons beroep, onze opvoeding en afkomst en onze wijzen van denken en voelen. Dat geldt ook voor onze opvattingen over mensen en dingen, onze familie- en zakenbetrekkingen, onze vooroordelen en vooropgezette meningen en onze aanklevende zonden en zwakheden.
Zelfs onze kennis en bevinding van de waarheid van God, onze verschillende stadia in het goddelijk leven, onze verdrukkingen, beproevingen en verzoekingen en nog vele andere omstandigheden die wij nu niet kunnen opsommen verschillen zo sterk dat u nauwelijks twee christenen vindt die gelijk zijn. Ieder heeft zijn eigen bijzondere zwakheden. Zoals wij dan verwachten dat anderen onze zwakheden dragen, laat ons leren de hunne te dragen en hen lief te hebben om de genade die wij in hen zien. Laten wij zo wandelen met alle ootmoedigheid en zachtmoedigheid, met lankmoedigheid, verdragende elkander in liefde. (Ef. 4:2.)
9. Verwacht een pad van toenemende in plaats van afnemende verdrukking. Reken op een dagelijks kruis van binnen of buiten, op lichamelijke ziekten, scherpe beproevingen en pijnlijke strijd. Verwacht geen gemakkelijke weg in voorzienigheid of genade, in de gemeente of in de wereld, in het gezin of in het bedrijf, in uw omgang met zondaars of met heiligen. God bedoelt ons grondig ziek te maken van deze wereld en van alles wat erin is. Moe en uitgeput van beproevingen, verzoekingen en strijd moeten wij al onze rust in Hem vinden. Zo kunnen wij, zoals wij door veel verdrukking ingaan in Zijn koninkrijk van genade, ook door veel verdrukking ingaan in Zijn koninkrijk van heerlijkheid.
10. En toch, zoek temidden van al uw verdrukkingen steeds te hangen aan de getrouwheid van God aan Zijn beloften. Bij al uw oefeningen, twijfels, bange vermoedens en vrezen kunt u niet ontkennen dat Hij een goed God voor u is geweest, zowel in voorzienigheid als in genade. U hebt jarenlang Zijn hand in beide gadegeslagen en kunt getuigen dat Hij u nooit in de nood heeft begeven. Hoewel Hij u diep heeft beproefd, is Hij tot nu toe getrouw gebleken aan elke belofte die Hij op uw hart heeft gesproken of waarin Hij u deed geloven en die u voor Hem pleitte. Zijn dit niet zoveel onderpanden dat Hij u nooit zal verlaten of begeven, zelfs tot het einde?
„Broeders, bidt voor ons.” Wij bieden u ons nieuwjaarsgeschenk aan. Neem het in liefde aan. Weeg het in de weegschalen van het heiligdom. Vergelijk het met het woord van de waarheid en met de bevinding van de heiligen. En terwijl u vergeeft wat erin mis is als iets van menselijke zwakheid, ontvang dan in de geest van zachtmoedigheid wat aan uw geweten wordt aanbevolen als een passend woord van raad of bemoediging. Voeg uw smekingen bij de onze, dat onze diensten, als wij nog gespaard blijven om ons maandelijks werk voort te zetten, door God aangenomen mogen worden en tot zegen mogen zijn voor een groter aantal van Zijn volk.
Uw onwaardige maar toegenegen Vriend en Dienaar op het pad der verdrukking, De Redacteur
It is part of the wisdom of God in a mystery that he has seen fit to entrust the ministry of the gospel to men of like passions with their fellow men. (Acts 14:15; Eph. 3:8, 9; 1 Thess. 2:4.) In this he displays both his sovereignty and his grace; his sovereignty in choosing the vessel, his grace in filling it with his hidden treasure. And as this is true of the greatest and highest, so is it true also of the least and lowest of the servants of God. None are more, none are less than God makes them to be. Whatever they possess of light or life, grace or gift, experience or utterance, unction or power, knowledge or wisdom, usefulness or acceptability, their sufficiency to every good word and work is wholly of the Lord, wrought in them by that one and the self-same Spirit who gives to every man individually as he will. (1 Cor. 12:4-11; 2 Cor. 3:5, 6.)
This, as it stops all boasting in the strong, gives all encouragement to the weak. If any are strong in faith, clear in knowledge, ripe in judgment, deep and rich in experience, well instructed to understand, well enabled rightly to divide the word of truth, bold and faithful in testimony, ready and powerful in utterance, and blessed with abundant success in their work, to them may be addressed, to quell all exaltation of self, all despising of others, Paul’s pregnant question— “Who makes you to differ from another? and what have you that you did not receive? Now if you did receive it, why do you glory, as if you had not received it?” (1 Cor. 4:1.)
If, on the other hand, any be weak in faith, deficient in knowledge, feeble in gift, bound in utterance, limited in usefulness or acceptance, and feeling, from a sense of these things, the heavy burden of the ministry and their own insufficiency, are ready to faint in the work, to them are suitable Christ’s words— “My grace is sufficient for you; for my strength is made perfect in weakness;” and Paul’s response, “Most gladly, therefore, will I rather glory in my infirmities, that the power of Christ may rest upon me.” (2 Cor. 12:9.) Thus, whether they are strong or whether they are weak, minister to hundreds or minister to a handful, are known and esteemed through the length and breadth of the land or are hidden in corners— sovereignty and grace equally determine the standing and position of every minister of Christ.
But there is another view of the question not less worthy of consideration by all the sent servants of Christ— the obligation under which grace lays them to seek the glory of God and the good of his people. As bought with a price, and therefore not their own, but the Lord’s; (1 Cor. 6:19, 20;) as graciously brought under the constraining influence of the love of Christ, and therefore bound not to live unto themselves, but unto him who died for them and rose again; (2 Cor. 5:14, 15;) as set in an honorable and conspicuous place in the mystical body of Christ, that they should have a care for their fellow-members, and seek their spiritual profit, not their own glory or advantage, (1 Cor. 12:7, 18, 25) the servants of God are bound by the strongest ties, the ties of the atoning blood, dying love, and effectual grace of the Lord Jesus, to study to show themselves approved unto God, to preach the word boldly and faithfully, to reprove, rebuke, exhort with all long suffering and doctrine, knowing that the time is not to come, but even now has come, when men will not endure sound doctrine, but are turning away their ears from the truth, and are turned unto fables. (2 Tim. 2:15; 4:2-4.)
Now what is true of those who labor for the profit of the Church of God with their tongue is true also, in good measure, of those who labor for the same end and in the same spirit with their pen. We say “in good measure,” for we by no means intend or wish to place the tongue and the pen on the same level. The preaching of the gospel, as the special ordinance of the Lord, (Mark 16:15) stands apart by itself, and claims the just pre-eminence over every other means of edifying the body of Christ. (Eph. 4:11, 12.) It is the especial display both of the wisdom and of the power of God by “the foolishness of preaching,” as men deem it, “to save those who believe.” (1 Cor. 2:18-25.) The ministry of the gospel is a divinely appointed means of communicating faith, (Rom. 10:17) and through the means of faith thus given to become the power of God unto salvation to every one who believes. (Rom. 1:16.)
Writing cannot stand upon this foundation, nor rise to this level, for it has not the same divine appointment, and therefore does not inherit the same promised blessing. And yet few who fear God, and have derived benefit from the works of good men, would wish to deny that writing has, in the hands of the blessed Spirit, been made an instrument of edification to the Church of God only second to the ministry of the preached word. Indeed, in some respects the works of men of God have been made of greater and more enduring service to the Church of Christ even than their words, as being both more widely spread and more enduringly permanent. Whatever abundant blessing in their day rested upon their ministry, Bunyan and Owen would have been now mere names, if so much; Deer and Huntington but traditions, had not these men of God been writers as well as preachers. But by means of their writings the light and knowledge, grace and gifts, which were blessed to their generation are also blessed to ours, and will be handed down to our children’s children when we shall have passed away.
Assuming, then, that writing, when the Holy Spirit inspires the pen, is an instrument of edification to the Church of Christ only inferior to preaching, when the Holy Spirit inspires the tongue, does not this conclusion follow, that those whose place and calling it is to write should as much seek the glory of God and the profit of his people as those whose place and calling it is to preach? If the ministry of the gospel were not a divine institution, it would be an act of presumption to be tolerated neither by God nor man that a sinner, even a saved sinner, should stand up publicly to instruct, comfort, warn, and rebuke his fellow-sinners and fellow-saints. But the special ordinance of God and the power with which, as such, he himself clothes it, make what else would be an act of presumption an act of willing service for the minister and of blessing for the hearer. To be thus owned and blessed to the family of the living God; to be the honored instrument of communicating light, life, liberty, and love to those for whom Christ died; to set forth the Person and work, blood and righteousness of the Son of God, and, by thus exalting his worthy name, to advance his kingdom and endear him to believing hearts; this is, or should be, the aim and object, the reward and crown of every servant of Christ, whether tongue or pen be the instrument employed.
If these views be correct, in harmony with the word of truth and the experience of the saints, may not a writer, let him be only the editor of a short-lived and fleeting periodical which may die tomorrow and leave no trace behind— may not even a writer who occupies so temporary a position, yet who feels the life and power of God in his soul, and who seems, in the providence and by the grace of God, called to the work of the pen, equally labor to the same end and in the same spirit, equally seek the glory of God and the good of his people, equally desire to set forth the same gospel, exalt the same dear Redeemer, and find his main reward in the blessing of God upon his labors?
Or, to bring the preceding train of thought into a narrower compass, and direct it more clearly and closely to our present subject, may not even we, without presumption, address a few words at the opening of another year to our numerous readers, as seeking their spiritual profit? So far as we are taught by the same Spirit, have one faith and hope, feel the same love, and are of one accord, of one mind with the living family of God, we may look not on our own things only, but also on the things of others. (Eph. 4:4, 5; Phil. 2:2-4.) And if in this spirit, at the opening of another year, we seek to lay before our spiritual readers a word of counsel or of exhortation, giving them no other advice than we feel willing to take ourselves, and laying no other burden on them than we desire ourselves to bear, may it not be a word in season to both writer and reader? And surely these are days when friendly counsel is required, keen reproof needed, and stirring up of the graces of the Spirit in the hearts of God’s people needed.
All who have any good measure of divine light and life, of gracious discernment, of daily experience, of almost continual exercise about themselves or others; all who know for themselves the power, the reality, the blessedness of that kingdom of God which is within us, and are struggling often through a sea of trials, afflictions, and temptations to find and enjoy in their own bosom that secret of the Lord which is with those who fear him; all thus taught, thus led, thus exercised, see and cannot but see, feel and cannot but feel at what a low ebb vital godliness everywhere is. It is with this as with many other matters of practical observation. The outward appearance may seem fair and good until the thing itself, as it really stands, is measured by a proper standard, or put to some searching, practical test. So long, then, as we are content to measure ourselves by ourselves, and compare ourselves with ourselves, (2 Cor. 10:12,) our profession may appear fair and good. But how does it stand when examined by the searching, practical test of the word of God?
Take, for instance, the ministry, we will not say of the day, but even of many whom we desire to esteem for their work’s sake. Where is the preceptive part of the gospel brought forward, and insisted upon as we find it declared in the words of our Lord, and in the epistles of the New Testament? Where is doctrine so set forth as to have an experimental bearing upon the inward life, and a practical influence on the outward walk? Where is experience traced out, not only in its inward feelings, but in its outward fruits? Now in Scripture doctrine is never held forth in what we may call its dry form. It is always blended either with an experience of its power, or with a declaration of its practical fruits. Thus, for instance, we are declared to be “elect according to the foreknowledge of God the Father,” but it is “through sanctification of the Spirit, unto obedience, and sprinkling of the blood of Jesus Christ.” (1 Pet. 1:2.) How graciously blended here is the doctrine of election with the experience of the blood of sprinkling and the practice of obedience. And so experience in the word is never held up as a mere matter of feeling, that is, mere abstract feeling as dissociated from all effects and fruits, but is blended either with some practical influence on the heart, or some gracious fruit in the life.
And are not churches as faulty, in some of these respects, as ministers? How many of our Baptist churches can “bear with the word of exhortation?” (Heb. 13:22.) What an outcry there would be of “legality” if any minister of truth were to exhort husbands, wives, and children, masters and servants, individually and specially, as Paul exhorts them. The ministers may preach Paul’s doctrine with the utmost clearness, and Paul’s experience of law and gospel in its depths and heights with the greatest acceptance; but may they preach Paul’s practice with the same faithfulness and with the same favor? If this be so, and we leave it to our readers to judge for themselves whether our words are true or false, is not that one thing a sufficient evidence that vital, practical godliness is with us all, for we put ourselves among the number of the defaulters, at a low ebb?
If, then, we speak these things and bear this testimony, it is not, we trust, from a spirit of bitterness, or censoriousness, or spiritual pride, or fleshly holiness, or self esteem under a garb of humility— it is not from monkish austerity, or self-inflicted seclusion, or narrowness of mind, and absence of what are called large and liberal views; it is not from lack of charity, or of allowance for human infirmity; from dimness of eye to see, or slowness of foot to march on with the advance of society and the times— that a conviction has been lodged in our breast how low the life of God for the most part is in churches and individuals. So far from this being the case, we can say for ourselves, and we believe for many others, that we would not shut ourselves up in a narrow corner and make all we can see from thence our spiritual horizon, or draw a kind of magic circle round our feet, inside which all is light and life, outside which all is darkness and death.
On the contrary, we are only too glad to see and welcome the grace of God in ourselves and others, not to hail with joy every appearance of divine life. As he who is lost at night on a lonely moor welcomes the first streak of light in the eastern sky; as the sailor whose ship is on a sandbank gladly marks the rising tide which he hopes will bear her off; so all who truly fear God hail with joy the dawnings of divine light and the springings of heavenly life, whether in themselves or in others. So without putting light for darkness and darkness for light, bitter for sweet and sweet for bitter, we may look around and see, and as we see gratefully acknowledge, that there are still golden candlesticks amid which the Lord walks, and still stars in his right hand. There is a love of sound experimental truth in many churches. The glorious doctrines of grace are not wholly hidden in a corner. In many places there is a good spirit of hearing, and in our own connection especially there has been for many years a greater desire for men of truth, or greater difficulty in obtaining their services.
Thus though we cannot but feel, and must, as feeling it, declare our conviction that vital godliness is almost everywhere at a low ebb, yet it gladdens our eyes and hearts to see and thankfully acknowledge that all is not ebbed out, that though on every side wide and deep are the mud banks, yet between runs in a scanty stream the river of the water of life. God has a people yet in this land, bless his holy name, whom he loves, and who both love and fear him. And though these be, for the most part, but men that sigh and cry for all the abominations they feel within and see without, yet have they a mark set upon their foreheads, known and recognized by the Lord, and known and recognized by each other. (Ezek. 9:4.) It is to such we write. It is for such we labor. It is with such we wish to live, and with such to die. We have no union with the dead, be they dead in sin, or dear in a profession. “The living, the living,” these are they, and only they, who “shall praise God” here or hereafter. “Death cannot celebrate him” on earth or in heaven; and “those who go down into the pit” of error or of perdition “cannot hope for his truth,” (Isa. 38:18, 19) for it is hidden from them, either in its purity or in its power.
Will, then, the living among our readers; will those who have received not merely the truth, but the love of the truth; will those who, for lack of clearer and higher evidences, can only say they “desire to fear God;” (Neh. 1:11;) will those who, deeply convinced of their lost and undone condition, are seeking to realize the fullness of salvation in their own breast, bear with and listen to a fellow-traveler in the way, who, with all his sins and infirmities, would wish to deceive neither himself nor them? And if he does not come with soft and honeyed words, according to the fashion of the day, as if the gospel had no other voice or sound but, “Peace, peace,”— peace at any price, peace at any rate, peace in every state, however worldly, carnal, or covetous in which churches or individuals may be sunk, let it be borne in mind that there is a coming “with a rod” as well as “in the spirit of meekness,” (1 Cor. 4:21:) and that, so far as we are true soldiers of Christ, “the weapons of our warfare are not carnal but mighty through God to the pulling down of strongholds— casting down imaginations, and every high thing that exalts itself against the knowledge of God, and bringing into captivity every thought to the obedience of Christ.” (2 Cor. 10:5.) In this spirit, then, the spirit of faithfulness and love, let us seek to address ourselves to the hearts and consciences of those who are willing to receive a few words from us in the simplicity of truth.
It its but too evident that we cannot be mixed up with the profession and the professors of the day without drinking, in some measure, into their spirit and being more or less influenced by their example. In this we too much resemble the chosen people, of whom the Holy Spirit testifies— “They mingled among the pagans and adopted their evil customs. They worshiped their idols, which became a snare to them.” (Ps. 106:35, 36.) We can scarcely escape the influence of those with whom we come much and frequently into contact. If these be dead, they will often benumb us with their corpse-like coldness; if light and trifling, they will often entangle us in their carnal levity— if bitter and censorious, they will breathe into us a measure of their condemning spirit— if angry and quarrelsome, they will provoke us to wrath in word or feeling; if worldly and covetous, they may afford us a shelter and an excuse for our own worldliness and covetousness.
Nothing but being well weighed with trials and afflictions, and bowed down with burdens and exercises, yet finding in and by them the life of God maintained with some power and vigor in the heart, will keep us from being corrupted by these evil companions. But as few escape their influence, let us simply state what we believe to be, if not the only, yet the safest way to obtain deliverance, from a path to walk in which will surely sooner or later, bring sorrow and grief to every living soul.
1. Now the first step out of a wrong path is to see and feel that it is wrong. The carnal professors of the day see nothing wrong, nothing amiss, nothing inconsistent in their conduct or spirit. They have no inward checks of conscience, no keen reproofs from the word, no trembling fears about their state before God, no solemn apprehensions of the Majesty and presence of the heart-searching Jehovah, no believing views of the Person and sufferings of Christ, no desire to know and do the will of God from the heart. But where there is divine life, where the blessed Spirit moves upon the heart with his sacred operations and secret influences, there will be light to see and a conscience to feel what is wrong, sinful, inconsistent, and improper. These convictions may for a time be resisted. Sin is of a hardening nature, and we may for a while be so caught in the net, and so held down by it, that our very struggles against it, may end only in fuller and further entanglement.
How few, for instance, see their own covetous spirit until they find themselves so entangled in it that they fear they shall be utterly given up to its dominion, and yet cannot deliver themselves from it. How often when brother falls out with brother, or a spirit of strife and division gets into a church, every attempt at reconciliation, every effort after peace fans the flame instead of extinguishing it. How, again, we may sink into a cold lifeless state, neglect reading the word, and have a relish for the throne of grace, until our very profession seems to stench in our own nostrils as well as of others.
Now where there is divine life in the soul, the Lord often sets his hand as it were a second time to revive his work upon the heart. The snare is broken either by his providence or his grace. By some affliction or trial the heart is made tender to receive the word, even if it be a keen reproof, for “to the hungry soul every bitter thing is sweet,” and there is that yearning after the Lord which nothing can satisfy but the manifestations of his pardoning love.
2. If this simple sketch meets the experience of any of our spiritual readers, let them next allow from us the word of exhortation, as couched in the words of the apostle— “Make straight paths for your feet, lest that which is lame be turned out of the way, but let it rather be healed.” (Heb. 12:13.)
We read in the word of truth— “These people turn from right ways to walk down dark and evil paths. They rejoice in doing wrong, and they enjoy evil as it turns things upside down. What they do is crooked, and their ways are wrong.” (Prov. 2:13-15.) And as we read their character in the word, so do we also read their end— “As for such as turn aside unto their crooked ways, the Lord shall lead them forth with the workers of iniquity; but peace shall be upon Israel.” (Ps. 125:5.) Such warnings have their place not only in the word, but in the heart that is made tender in the fear of God; nor are they put away as if we stood so firmly and strongly in the right road that there could be no danger of our ever making a crooked path for our feet.
On the contrary, surrounded as we are with a crooked generation, professing and profane, whose ways we are but too apt to learn; beset on every hand by temptations to turn aside into some crooked path, to feed our pride, indulge our lusts, or gratify our covetousness— blinded and seduced sometimes by the god of this world, hardened at others by the deceitfulness of sin; here misled by the example, and there bewitched by the flattery of some friend or companion; at one time confused and bewildered in our judgment of right and wrong; at another entangled, half resisting, half complying, in some snare of the wicked one; what a struggle have some of us had to make straight paths for our feet, and what pain and grief that we should ever have made crooked ones.
But there is one mark of a crooked path which will ever stand both as a warning and a direction to those who fear God. “They have made them crooked paths— whoever goes therein shall not know peace.” (Isa. 59:8.) It is this lack of finding peace in the crooked path which alarms and terrifies those who are possessed of a living conscience, and often summons up against them a whole host of doubts and fears lest they be deceived altogether. These convictions and these fears plainly and clearly show them their sin and folly in leaving the paths of uprightness to walk in any crooked way; and as the Lord is pleased sometimes by terrible things in righteousness, sometimes by laying affliction upon their loins, sometimes by his keen reproofs under the word preached or applied in secret, sometimes by a startling stroke in providence, to make them know and see that it is an evil thing and bitter to forsake the Lord their God, repentance is wrought in the heart, with self-loathing and self-detestation, issuing in humble and honest confession.
This is the first step to return, for with this confession comes the forsaking of every evil way; and to this confession and forsaking, the promise of mercy and forgiveness is annexed. (Prov. 28:13— 1 John 1:9.) When, then, the mercy and goodness of God are thus inwardly felt and realized; when a view by faith of the suffering Son of God manifests at one and the same time the dreadful nature of sin, and the way, the only way whereby it is freely put away; when the super-aboundings of grace over the aboundings of inward and outward evil make the soul at once tremble and rejoice— tremble at the floods of sin, rejoice at the overflowings of the higher tides of grace above them all, then there is a making of straight paths for the feet, and that which was lame and so turned out of the way become healed.
3. Closely connected with this is the affectionate counsel before God and man. This Paul’s exercise— “And herein do I exercise myself, to have a conscience void of offence toward God and toward men.” (Acts 24:16.) There is no greater blessing than a conscience purged by the blood of sprinkling; and few greater miseries than a conscience loaded with guilt. As the one enables us to look up, so the latter compels us to look down before God and man. Nothing inconsistent or unbecoming may have appeared in our walk and conduct, and yet the ‘silent monitor’ may make the tongue falter, the knee tremble, and the countenance be dejected. Here, then, is the main exercise, first to OBTAIN, secondly to MAINTAIN a conscience so sprinkled by atoning blood as to be void of offence toward God; and then to walk so tenderly in the fear of God, in that sincerity and godly simplicity, in that uprightness of conduct, in that integrity of life, which shall preserve us from giving just cause of offence to, or putting a stumbling-block in the way of our fellow-men, and thus follow out that comprehensive precept— “Whether, therefore, you eat or drink, or whatever you do, do all to the glory of God. Give no offence, neither to the Jews nor to the Gentiles, nor to the church of God.” (1 Cor. 10:31, 32.)
4. Our next word of counsel shall be that which the Lord himself gives to the virgin of Israel— “Set up road signs; put up guideposts. Mark well the path by which you came. Come back again, my virgin Israel; return to your cities here.” (Jer. 31:21.) To look at the past is often a blessed encouragement for the future. If we are travelers in the way Zionward, we shall have our various road signs. A conspicuous call, or a signal deliverance, or a gracious manifestation of Christ; a promise applied here, or a marked answer to prayer there; a special blessing under the preached word; a soft and unexpected assurance of a saving interest in the blood of the Lamb; a breaking in of divine light when walking in great darkness; a sweet sip of consolation in a season of sorrow and trouble; a calming down of the winds and waves without and within by “It is I, be not afraid”— such and similar road signs are most blessed to be able to set up as evidences that we are in the road.
And if many who really fear God cannot set up these conspicuous road signs, yet are they not without their testimonies equally sure, if not equally satisfying. The fear of God in a tender conscience, the ‘Spirit of grace and supplication’ in their breast, their cleaving to the people of God in warm affection, their love for the truth in it purity and power, their earnest desires, their budding hopes, their anxious fears, their honesty and simplicity making them jealous over themselves lest they be deceived or deluded, their separation from the world, their humility, meekness, quietness, and general consistency often putting to shame louder profession and higher pretensions— these and similar evidences mark many as children of God who cannot read their title clear to such a privilege and such a blessing. But whether the road signs be high or low, shining in the sun or obscure in the dawn, the virgin of Israel is still bidden to “Set up road signs; put up guideposts. Mark well the path by which you came. Come back again, my virgin Israel; return to your cities here.”
5. This, then, shall be another word of counsel, that we should be ever setting our heart toward the high way. Christ is the way, there is no other. “I am the way” stands written in letters of beaming light at the head, in the middle, at the end of the path to guide the child, to nerve the man, to sustain the father. The first ray of light which beams on the soul to guide it heavenward shines from the Person and work of Jesus— should it wander, by this it is brought back— should it faint and stagger, by this it is held up and held on, the eye still turning, the feet still moving, the heart still yearning towards the way, the only way out of darkness into light, out of death into life, out of confusion into clearness, out of restlessness into quietness, out of bondage into liberty, out of sorrow into joy, out of trouble into peace— in a word, out of hell into heaven.
Blessed be God, not only that Jesus should be the way, but that the dear Redeemer said himself, in the days of his flesh, “I am the way;” for as these his own blessed words drop with power into the heart, they raise up such a faith in him; (John 6:47;) such a looking unto him, even at times from the very ends of the earth; (Isa. 45:22;) such a coming out of all the rags and ruins of SELF, to take hold of and hide ourselves in him; (Isa. 27:5; Ps. 17:8; 143:9;) such a cleaving to him with purpose of heart; (Acts 11:23;) such a hanging upon him, (Isa. 22:24,) that, by the gentle attractions of his Spirit and grace, (Song 1:4; Jer. 31:3; John 6:44,) he is received and walked in at every step heavenward. (Col. 2:6.)
And now our limits as well as the fear of wearying our readers warn us to draw to a close. Yet would we still press a few more thoughts on their notice, seeking to condense them as much as we can; and if our words of counsel assume a preceptive form, those to whom they are addressed will kindly bear in mind that we do not mean thereby to imply any power in us or them, but that of grace to put them into practical execution.
6. Keep yourselves separate from the shallow, light, loose profession of the day. Beware of resting on those shallow evidences whereby so many are built up, from both pulpit and press, on an insecure if not unsound foundation. Rest on nothing short of God’s own testimony in your conscience, and the witness of his Spirit to your spirit that you are his child. Hate that spirit of levity, whether in the pulpit or in the pew, which is not only death to every gracious, godly feeling in the soul, but which would turn the most solemn truths of our most holy faith, the very sufferings of Christ himself, into an entertainment for the carnal mind. Abhor that loose profession, that ready compliance with everything which feeds the pride, worldliness, covetousness, and lusts of our depraved nature, which so stamps the present day with some of its most perilous and dreadful characters.
7. Choose for your companions, and let them be few in number, the humble, sober-minded, exercised, tender-hearted, spiritual children of God; those whose company and conversation you find to do you good and to leave a sweet savor on your spirit— whose life and conduct approve themselves to you as conforming to the gospel; whose walk in the church and before the world is evidently under the influence of grace; and with whom you feel you can live and die in the close and firm union of brotherly affection and love.
8. Learn to be patient, meekly bearing with the infirmities of Christian brethren. There is a time in our Christian life when we desire to set everybody right and make everything square. But we begin to find after a while that we cannot set our own selves right, nor make our own spirit and conduct square with the word of truth. This conviction, forced increasingly upon us, makes us less keen to see the mote and more willing to take out the beam; less desirous to condemn others, more willing to condemn ourselves; less sure of the sins of our friends, more certain of our own. Besides which we sooner or later learn that it is one thing to wink at our brethren’s sins, another to bear with our brethren’s infirmities. We see that we naturally differ from one another, and that though grace changes the heart, the natural disposition is rather subdued by it than altered. Thus our natural tempers, stations and occupations, education, and bringing up, modes of thought and feeling, views of men and things, family and business connections, prejudices and prepossessions, besetting sins and infirmities, our very knowledge and experience of the truth of God, our various stages in the divine life, our afflictions, trials, and temptations, and many other circumstances which we cannot now enumerate, all so widely differ that you can scarcely find two Christians alike, each having his own peculiar infirmities. As, then, we expect others to bear with our infirmities, let us learn to bear with theirs, loving them for the grace that we see in them, and thus, “Be humble and gentle. Be patient with each other, making allowance for each other’s faults because of your love.” (Eph. 4:2.)
9. Expect a path of increasing rather than diminishing tribulation. Lay your account with a daily cross within or without, with bodily afflictions, sharp trials, and painful conflicts. Anticipate no easy road in providence or in grace, in the church or in the world, in the family or in the business, in your dealings with sinners or in your dealings with saints. God means to make us thoroughly sick of this world and of everything in it, that, wearied and worn out with trials, temptations, and conflicts, we may find all our rest in himself, and thus, as through much tribulation we enter into his kingdom of grace, so through much tribulation we may enter into his kingdom of glory.
10. And yet, amid all your tribulations, seek ever to hang upon the faithfulness of God to his promises. With all your exercises, doubts, misgivings, and fears, you cannot deny that he has been a good God to you, both in providence and grace. You have for many years watched his hand in both, and can bear testimony that he has never failed you in the hour of need, and that though he has deeply tried you, yet he has hitherto proved faithful to every promise he has spoken upon your heart, or enabled you to believe and plead. Are not these so many pledges that he will never leave you nor forsake you even to the end?
“Brethren, pray for us.” We present you with our New Year offering. Accept it in love. Weigh it in the balances of the sanctuary. Compare it with the word of truth and the experience of the saints; and while you pardon all in it that is amiss, as savoring of human infirmity, receive in the spirit of meekness what is commended to your conscience as a suitable word of counsel or encouragement. And join your supplications with ours, that if we be still spared to continue our monthly labors, our services may be accepted of God, and be made a blessing to an increased number of his people.
Your unworthy, but affectionate Friend and Servant in the path of tribulation,
The Editor