Joseph Charles Philpot
J.C. Philpot

Nieuwjaarsboodschap 1865: Tien woorden van raad voor de levenden onder Gods volk

Philpot rechtvaardigt het werk van de pen naast dat van de preekstoel en wijst op het lage peil van de levende godsvrucht. Daarna geeft hij tien woorden van raad voor het nieuwe jaar, van rechte paden tot vertrouwen op Gods trouw.

Het hoort bij de wijsheid van God in een verborgenheid dat Hij het goed heeft gevonden de bediening van het evangelie toe te vertrouwen aan mensen van gelijke bewegingen als hun medemensen. (Hand. 14:15; Ef. 3:8-9; 1 Thess. 2:4.) Daarin toont Hij zowel Zijn soevereiniteit als Zijn genade: Zijn soevereiniteit in de keuze van het vat en Zijn genade in het vullen ervan met Zijn verborgen schat.

Dat geldt voor de grootsten en de hoogsten en evenzeer voor de kleinsten en de laagsten onder de dienaren van God. Niemand is meer of minder dan God hem maakt. Alles wat zij bezitten aan licht of leven, genade of gave en bevinding of uitspraak, aan zalving of kracht en kennis of wijsheid, aan nut of aanvaardbaarheid, hun bekwaamheid tot elk goed woord en werk, komt geheel van de Heere. Het wordt in hen gewerkt door een en dezelfde Geest, delende aan een iegelijk in het bijzonder, gelijkerwijs Hij wil. (1 Kor. 12:4-11; 2 Kor. 3:5-6.)

Dit sluit alle roem bij de sterken buiten en geeft de zwakken alle bemoediging. Als sommigen sterk zijn in het geloof, helder in kennis, rijp in oordeel en diep en rijk in bevinding, als zij goed onderricht zijn om te verstaan en goed toegerust om het woord van de waarheid recht te snijden, als zij vrijmoedig en getrouw getuigen en vaardig en krachtig spreken en als zij overvloedige vrucht zien op hun werk, dan kan tot hen, om alle verheffing van zichzelf en alle minachting van anderen te smoren, Pauls veelzeggende vraag worden gericht: Want wie onderscheidt u? En wat hebt gij, dat gij niet hebt ontvangen? En zo gij het ook ontvangen hebt, wat roemt gij, alsof gij het niet ontvangen hadt? (1 Kor. 4:7.)

Als anderen daarentegen zwak zijn in het geloof, gebrekkig in kennis, zwak van gave en gebonden in spraak, als hun nut of aanvaarding beperkt is en zij vanuit het besef daarvan de zware last van de bediening en hun eigen onbekwaamheid voelen en dreigen te bezwijken in het werk, dan passen bij hen de woorden van Christus: Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht, en het antwoord van Paulus: Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone. (2 Kor. 12:9.)

Zo bepalen soevereiniteit en genade evenzeer de plaats en positie van elke dienaar van Christus. Of zij nu sterk zijn of zwak, of zij honderden dienen of een handvol, of zij bekend en geacht zijn in het hele land of verborgen zitten in een hoek: het is altijd Zijn soevereiniteit en genade. Maar er is nog een andere kant aan de zaak die de aandacht van alle gezonden dienaren van Christus evenzeer verdient. Dat is de verplichting die de genade hun oplegt om de eer van God en het goed van Zijn volk te zoeken.

Zij zijn duur gekocht en dus niet van zichzelf maar van de Heere. (1 Kor. 6:19-20.) Zij zijn door genade onder de dringende kracht van de liefde van Christus gebracht en daarom verplicht niet voor zichzelf te leven maar voor Hem Die voor hen gestorven en opgestaan is. (2 Kor. 5:14-15.) Zij zijn op een eervolle en zichtbare plaats gezet in het mystieke lichaam van Christus om zorg te dragen voor hun medeleden en hun geestelijk voordeel te zoeken en niet hun eigen eer of gewin. (1 Kor. 12:7; 1 Kor. 12:18; 1 Kor. 12:25.)

Daarom zijn de dienaren van God door de sterkste banden gebonden, de banden van het verzoenende bloed, de stervende liefde en de krachtdadige genade van de Heere Jezus. Zij moeten er werk van maken zich Gode beproefd voor te stellen en het woord vrijmoedig en getrouw te prediken. Zij moeten met alle lankmoedigheid en leer weerleggen, bestraffen en vermanen. Zij weten dat de tijd niet nog moet komen maar nu al is gekomen dat mensen de gezonde leer niet verdragen, hun oren van de waarheid afwenden en zich keren tot fabelen. (2 Tim. 2:15; 2 Tim. 4:2-4.)

Wat waar is van hen die met hun tong werken voor het welzijn van de gemeente van God, is voor een goed deel ook waar van hen die met hun pen voor hetzelfde doel en in dezelfde geest arbeiden. Wij zeggen “voor een goed deel”, want wij willen de tong en de pen volstrekt niet op hetzelfde niveau plaatsen. De prediking van het evangelie staat als de bijzondere ordening van de Heere (Markus 16:15) op zichzelf en heeft terecht de voorrang boven elk ander middel om het lichaam van Christus op te bouwen. (Ef. 4:11-12.)

Zij is de bijzondere openbaring van zowel de wijsheid als de kracht van God door de dwaasheid der prediking, zoals mensen haar noemen, zalig te maken, die geloven. (1 Kor. 1:18-25.) De bediening van het evangelie is een door God ingesteld middel om geloof mee te delen (Rom. 10:17) en om door het geloof dat zo gegeven wordt een kracht Gods tot zaligheid te zijn voor ieder die gelooft. (Rom. 1:16.)

Het schrijven kan op dit fundament niet staan en dit niveau niet bereiken, want het heeft niet dezelfde goddelijke aanstelling en erft dus niet dezelfde beloofde zegen. En toch zullen weinigen die God vrezen en voordeel hebben gehad van de werken van goede mannen willen ontkennen dat het schrijven in de hand van de zalige Geest een middel tot opbouw van de gemeente van God is geweest dat alleen onderdoet voor de bediening van het gepredikte woord.

In sommige opzichten zijn de werken van mannen van God zelfs van groter en duurzamer dienst geweest voor de gemeente van Christus dan hun woorden, omdat ze wijder verspreid en blijvender zijn. Hoe overvloedig de zegen ook was die in hun dagen op hun bediening rustte: Bunyan en Owen zouden nu louter namen zijn, als zij al zoveel waren, en Deer en Huntington slechts overleveringen, als deze mannen van God niet zowel schrijvers als predikers waren geweest. Maar door hun geschriften zijn het licht en de kennis, de genade en de gaven die in hun tijd tot zegen waren ook voor ons tot zegen. Zij zullen worden doorgegeven aan onze kinderskinderen als wij zijn heengegaan.

Neem nu aan dat het schrijven, wanneer de Heilige Geest de pen inspireert, een middel tot opbouw van de gemeente van Christus is dat alleen onderdoet voor de prediking wanneer de Heilige Geest de tong inspireert. Volgt daar dan niet uit dat wie door plaats en roeping moeten schrijven evenzeer de eer van God en het goed van Zijn volk moeten zoeken als wie door plaats en roeping moeten prediken?

Was de bediening van het evangelie geen goddelijke instelling, dan zou het een aanmatiging zijn dat een zondaar, ook een behouden zondaar, in het openbaar opstaat om zijn medezondaars en medeheiligen te onderrichten, te troosten, te waarschuwen en te bestraffen. Noch God noch mensen zouden dat dulden. Maar de bijzondere ordening van God en de kracht waarmee Hij haar als zodanig Zelf bekleedt, maken van wat anders een aanmatiging zou zijn een gewillige dienst voor de dienaar en een zegen voor de hoorder.

Zo erkend te worden en tot zegen te zijn voor het gezin van de levende God, het geëerde middel te zijn om licht, leven, vrijheid en liefde mee te delen aan hen voor wie Christus gestorven is, de Persoon en het werk, het bloed en de gerechtigheid van de Zoon van God voor te stellen en zo door de verhoging van Zijn waardige Naam Zijn koninkrijk te bevorderen en Hem dierbaar te maken voor gelovige harten: dit is of behoort te zijn het doel en de bedoeling, de beloning en de kroon van elke dienaar van Christus, of nu de tong of de pen het middel is dat hij gebruikt.

Als deze opvattingen juist zijn, in overeenstemming met het woord van de waarheid en met de bevinding van de heiligen, rijst de vraag: mag dan ook een schrijver, al is hij slechts de redacteur van een kortlevend en vluchtig tijdschrift dat morgen kan sterven en geen spoor achterlaat, evenzeer naar hetzelfde doel en in dezelfde geest arbeiden? Mag ook zo’n schrijver, die het leven en de kracht van God in zijn ziel voelt en door de voorzienigheid en genade van God geroepen lijkt tot het werk van de pen, evenzeer de eer van God en het goed van Zijn volk zoeken? Mag hij evenzeer hetzelfde evangelie willen voorstellen, dezelfde dierbare Verlosser willen verhogen en zijn voornaamste loon vinden in de zegen van God op zijn arbeid?

Of, om de voorgaande gedachtegang beknopter te maken en directer op ons onderwerp te richten: mogen zelfs wij niet zonder aanmatiging bij het begin van een nieuw jaar enkele woorden richten tot onze vele lezers, in het belang van hun geestelijk voordeel? Voor zover wij door dezelfde Geest onderwezen zijn, één geloof en één hoop hebben, dezelfde liefde voelen en eensgezind zijn met de levende familie van God, mogen wij niet alleen op het onze letten maar ook op dat van anderen. (Ef. 4:4-5; Fil. 2:2-4.)

En als wij in deze geest bij het begin van een nieuw jaar onze geestelijke lezers een woord van raad of vermaning willen voorleggen, zonder hun een ander advies te geven dan wij zelf willen aannemen en zonder hun een andere last op te leggen dan wij zelf willen dragen, mag het dan niet een woord op zijn tijd zijn voor schrijver en lezer beiden? Het zijn stellig dagen waarin vriendelijke raad, scherpe bestraffing en het opwekken van de genaden van de Geest in de harten van Gods volk nodig zijn.

Allen die een goede mate van goddelijk licht en leven hebben, van genadig onderscheid, van dagelijkse bevinding en van bijna voortdurende oefening over zichzelf of anderen, zien en voelen hoe laag het peil van de levende godsvrucht overal is. Dat geldt voor allen die uit eigen ervaring de kracht, de werkelijkheid en de zaligheid kennen van dat koninkrijk van God dat in ons is.

Het geldt voor allen die zich vaak door een zee van beproevingen, verdrukkingen en verzoekingen heen worstelen om in hun eigen boezem het geheim van de Heere te vinden en te genieten dat is bij hen die Hem vrezen. Allen die zo onderwezen, zo geleid en zo geoefend zijn, zien en kunnen niet nalaten te zien, voelen en kunnen niet nalaten te voelen hoe laag het peil is.

Het is hiermee als met veel andere zaken die men praktisch kan waarnemen. De uiterlijke schijn kan mooi en goed lijken totdat de zaak zelf, zoals zij werkelijk is, wordt gemeten met een juiste maatstaf of op de proef gesteld met een doordringende praktische toets. Zolang wij er dus genoegen mee nemen onszelf met onszelf te meten en onszelf met onszelf te vergelijken (2 Kor. 10:12), kan onze belijdenis mooi en goed lijken. Maar hoe staat zij er voor wanneer zij wordt onderzocht aan de doordringende, praktische toets van het woord van God?

Neem bijvoorbeeld de bediening, wij zeggen niet van onze tijd in het algemeen maar zelfs van velen die wij graag willen achten om hun werk. Waar wordt het gebiedende deel van het evangelie naar voren gebracht en benadrukt zoals het wordt verklaard in de woorden van onze Heere en in de brieven van het Nieuwe Testament? Waar wordt de leer zo voorgesteld dat zij een bevindelijke uitwerking heeft op het innerlijk leven en een praktische invloed op de uiterlijke wandel? Waar wordt de bevinding nagegaan, niet alleen in haar innerlijke gevoelens maar ook in haar uiterlijke vruchten?

Nu wordt in de Schrift de leer nooit voorgesteld in wat wij haar droge vorm zouden kunnen noemen. Zij is altijd vermengd met een bevinding van haar kracht of met een verklaring van haar praktische vruchten. Zo staat er bijvoorbeeld dat wij uitverkorenen zijn naar de voorkennis van God den Vader, maar wel in de heiligmaking des Geestes, tot gehoorzaamheid en besprenging des bloeds van Jezus Christus. (1 Petr. 1:2.) Hoe genadig is hier de leer van de uitverkiezing vermengd met de bevinding van het bloed der besprenging en de praktijk van de gehoorzaamheid.

En zo wordt de bevinding in het Woord nooit voorgesteld als een zaak van louter gevoel, dat wil zeggen louter abstract gevoel los van alle uitwerkingen en vruchten. Zij is altijd vermengd met een praktische invloed op het hart of met een genadige vrucht in het leven. En zijn de gemeenten niet in sommige van deze opzichten even gebrekkig als de predikanten? Hoeveel van onze Baptistengemeenten kunnen het woord dezer vermaning verdragen? (Hebr. 13:22.)

Wat zou er een geroep om legalisme opgaan als een dienaar van de waarheid mannen, vrouwen en kinderen, heren en knechten ieder afzonderlijk en bijzonder zou vermanen zoals Paulus hen vermaant. De predikanten mogen Pauls leer met de grootste duidelijkheid prediken en Pauls bevinding van wet en evangelie in haar diepten en hoogten met de grootste instemming van hun hoorders. Maar mogen zij ook Pauls praktijk met dezelfde getrouwheid en met dezelfde gunst prediken?

Als dit zo is, en wij laten onze lezers zelf beoordelen of onze woorden waar zijn of niet, is dat ene dan niet een voldoende bewijs dat de levende, praktische godsvrucht bij ons allen op een laag peil staat? Want wij rekenen onszelf tot de tekortschietenden.

Als wij dan deze dingen zeggen en dit getuigenis afleggen, is dat naar wij vertrouwen niet uit een geest van bitterheid, of hardheid in het oordelen, of geestelijke hoogmoed, of vleselijke heiligheid, of eigendunk onder een kleed van nederigheid. Het is niet uit monnikenstrengheid, of zelfopgelegde afzondering, of bekrompenheid van geest en gebrek aan wat men ruime en liberale opvattingen noemt. Het is niet uit gebrek aan liefde of aan toegeeflijkheid voor menselijke zwakheid, niet uit dofheid van oog om te zien of traagheid van voet om mee te marcheren met de vooruitgang van de maatschappij en van de tijd, dat in onze borst de overtuiging is gevestigd hoe laag het leven van God voor het merendeel in gemeenten en bij personen staat.

Verre van dat: wij kunnen voor onszelf zeggen, en wij geloven voor velen anderen, dat wij ons niet in een nauwe hoek willen opsluiten en alles wat wij van daaruit kunnen zien tot onze geestelijke horizon willen maken. Wij willen ook geen soort toverkring om onze voeten trekken waarbinnen alles licht en leven is en waarbuiten alles duisternis en dood. Integendeel, wij zijn maar al te blij de genade van God in onszelf en in anderen te zien en te verwelkomen en elk verschijnsel van goddelijk leven met vreugde te begroeten.

Zoals wie ‘s nachts verdwaald is op een eenzame heide de eerste lichtstreep aan de oostelijke hemel verwelkomt, zoals de zeeman wiens schip op een zandbank zit blij het opkomende tij bemerkt dat het hopelijk vlot zal brengen, zo begroeten allen die God waarlijk vrezen met vreugde het aanbreken van goddelijk licht en het ontspruiten van hemels leven, zowel in zichzelf als in anderen.

Zo kunnen wij, zonder licht voor duisternis te houden en duisternis voor licht, bitter voor zoet en zoet voor bitter, om ons heen kijken. Wij zien en erkennen dankbaar dat er nog gouden kandelaren zijn te midden waarvan de Heere wandelt en nog sterren in Zijn rechter hand. Er is in veel gemeenten een liefde voor gezonde bevindelijke waarheid. De heerlijke leerstukken van de genade zijn niet geheel in een hoek verborgen. Op veel plaatsen is een goede geest van luisteren. Vooral in onze eigen kring is al jaren een groter verlangen naar mannen van de waarheid of een grotere moeite om hun diensten te verkrijgen.

Hoewel wij dus niet anders kunnen dan voelen, en omdat wij het voelen onze overtuiging moeten uitspreken, dat de levende godsvrucht bijna overal op een laag peil staat, verheugt het toch onze ogen en harten te zien en dankbaar te erkennen dat niet alles is weggevloeid. Aan alle kanten liggen weliswaar wijde en diepe modderbanken, maar daartussen stroomt in een schrale stroom de rivier van het water des levens.

God heeft nog een volk in dit land, geloofd zij Zijn heilige Naam, dat Hij liefheeft en dat Hem liefheeft en vreest. En al zijn dezen meestal slechts mensen die zuchten en uitroepen over alle gruwelen die zij in zichzelf voelen en buiten zich zien, toch is er een teken op de voorhoofden gezet dat de Heere kent en erkent en dat zij ook onderling kennen en erkennen. (Ezech. 9:4.)

Voor zulken schrijven wij. Voor zulken arbeiden wij. Met zulken willen wij leven en met zulken sterven. Wij hebben geen gemeenschap met de doden, of zij nu dood zijn in zonden of dood in een belijdenis. De levende, de levende, dezen zijn het, en alleen dezen, die God hier of hierna loven. De dood kan Hem op aarde en in de hemel niet prijzen. En wie neerdaalt in de kuil van dwaling of verderf kan niet op Zijn waarheid hopen, want die is voor hem verborgen, hetzij in haar zuiverheid, hetzij in haar kracht. (Jes. 38:18-19.)

Zullen de levenden onder onze lezers geduld hebben met een medereiziger op de weg en naar hem luisteren? Wij bedoelen hen die niet alleen de waarheid maar ook de liefde tot de waarheid hebben ontvangen. Wij bedoelen hen die bij gebrek aan duidelijker en hogere bewijzen alleen kunnen zeggen dat zij lust hebben Uw Naam te vrezen (Neh. 1:11), en hen die diep overtuigd zijn van hun verloren en reddeloze toestand en de volheid van de zaligheid in hun eigen borst zoeken te beleven. Het gaat om een medereiziger die ondanks al zijn zonden en zwakheden noch zichzelf noch hen wil bedriegen.

En als hij niet komt met zachte en honingzoete woorden naar de mode van de dag, alsof het evangelie geen andere stem of klank had dan Vrede, vrede!, vrede tegen elke prijs, vrede in elk geval en vrede in elke toestand, hoe wereldsgezind, vleselijk of gierig gemeenten of personen ook mogen zijn verzonken, bedenk dan dat er een komen met de roede is en ook een komen in den geest der zachtmoedigheid. (1 Kor. 4:21.)

Bedenk ook dat, voor zover wij ware soldaten van Christus zijn, geldt: de wapenen van onzen krijg zijn niet vleselijk, maar krachtig door God, tot nederwerping der sterkten, en dat wij de overleggingen ter nederwerpen, en alle hoogte, die zich verheft tegen de kennis van God, en alle gedachte gevangen leiden tot de gehoorzaamheid van Christus. (2 Kor. 10:4-5.) In deze geest dan, de geest van getrouwheid en liefde, willen wij ons richten tot de harten en gewetens van hen die bereid zijn enkele woorden van ons te ontvangen in de eenvoud van de waarheid.

Het is maar al te duidelijk dat wij niet vermengd kunnen zijn met de belijdenis en de belijders van onze dagen zonder tot op zekere hoogte hun geest in ons op te nemen en min of meer door hun voorbeeld beïnvloed te worden. Daarin lijken wij te veel op het uitverkoren volk, van wie de Heilige Geest getuigt: Maar zij vermengden zich met de heidenen, en leerden derzelver werken. En zij dienden hun afgoden, en zij werden hun tot een strik. (Ps. 106:35-36.)

Wij kunnen nauwelijks ontkomen aan de invloed van hen met wie wij veel en vaak in aanraking komen. Zijn dezen dood, dan verdoven zij ons vaak met hun lijkachtige kilte. Zijn zij licht en onbezonnen, dan verstrikken zij ons vaak in hun vleselijke luchthartigheid. Zijn zij bitter en hard in hun oordeel, dan ademen zij ons een mate van hun veroordelende geest in. Zijn zij kwaad en twistziek, dan prikkelen zij ons tot toorn in woord of gevoel. Zijn zij wereldsgezind en gierig, dan kunnen zij ons een schuilplaats en een excuus bieden voor onze eigen wereldsgezindheid en hebzucht.

Alleen wie goed gewogen is met beproevingen en verdrukkingen en gebogen gaat onder lasten en oefeningen, en toch daarin en daardoor het leven van God met enige kracht en kloekheid in het hart onderhouden vindt, zal bewaard blijven voor besmetting door deze slechte gezelschappen. Maar omdat weinigen aan hun invloed ontkomen, willen wij eenvoudig zeggen wat naar ons geloof, zo niet de enige, dan toch de veiligste weg is om verlossing te vinden uit een pad waarop te wandelen vroeg of laat droefheid en smart zal brengen voor elke levende ziel.

1. Nu is de eerste stap uit een verkeerd pad te zien en te voelen dat het verkeerd is. De vleselijke belijders van onze dagen zien niets verkeerds, niets mis, niets ongerijmds in hun gedrag of geest. Zij hebben geen innerlijke remmingen van het geweten, geen scherpe bestraffingen uit het Woord, geen bevende vrees over hun staat voor God. Zij hebben geen plechtig besef van de majesteit en de tegenwoordigheid van de hartenkennende Jehova, geen gelovige blik op de Persoon en het lijden van Christus en geen begeerte om de wil van God van harte te kennen en te doen.

Maar waar goddelijk leven is, waar de zalige Geest in het hart werkt met Zijn heilige werkingen en verborgen invloeden, daar zal licht zijn om te zien en een geweten om te voelen wat verkeerd, zondig, ongerijmd en onbetamelijk is. Deze overtuigingen kunnen een tijd lang weerstaan worden. De zonde heeft een verhardende aard en wij kunnen een tijdlang zo in het net gevangen zijn en zo door haar neergehouden worden dat onze strijd ertegen alleen leidt tot nog diepere verstrikking.

Hoe weinigen zien bijvoorbeeld hun eigen hebzuchtige geest voordat zij er zo in verstrikt zijn dat zij vrezen er geheel aan overgegeven te worden en zich er toch niet van kunnen losmaken. Hoe vaak wakkert elke poging tot verzoening, elke inspanning om vrede, het vuur aan in plaats van het te doven, wanneer broeder met broeder overhoop ligt of een geest van twist en verdeeldheid in een gemeente komt. Zo kunnen wij ook in een koude, levenloze staat wegzinken, het lezen van het Woord verwaarlozen en de smaak voor de troon der genade verliezen, totdat onze belijdenis zelf in onze eigen neus gaat stinken en in die van anderen.

Waar nu goddelijk leven in de ziel is, legt de Heere vaak als het ware voor de tweede maal Zijn hand om Zijn werk in het hart te doen herleven. De strik wordt verbroken, hetzij door Zijn voorzienigheid hetzij door Zijn genade. Door enige verdrukking of beproeving wordt het hart week gemaakt om het woord te ontvangen, al is het een scherpe bestraffing. Want aan een hongerige ziel is alle bitter zoet en er is dat verlangen naar de Heere dat niets kan bevredigen dan de openbaringen van Zijn vergevende liefde.

2. Herkent een van onze geestelijke lezers zich in deze eenvoudige schets, laat hem dan van ons het woord van vermaning aannemen in de woorden van de apostel: En maakt rechte paden voor uw voeten, opdat hetgeen kreupel is, niet verdraaid worde, maar dat het veelmeer genezen worde. (Hebr. 12:13.)

Wij lezen in het woord van de waarheid over mensen die de paden der oprechtheid verlaten, om te gaan in de wegen der duisternis; Die blijde zijn in het kwaad doen, zich verheugen in de verkeerdheden des kwaden; Welker paden verkeerd zijn, en afwijkende in hun sporen. (Spr. 2:13-15.) En zoals wij hun karakter in het Woord lezen, zo lezen wij ook hun einde: Maar die zich neigen tot hun kromme wegen, die zal de HEERE weg doen gaan met de werkers der ongerechtigheid. Vrede zal over Israel zijn! (Ps. 125:5.)

Zulke waarschuwingen hebben hun plaats niet alleen in het Woord maar ook in het hart dat in de vreze Gods week gemaakt is. Zij worden ook niet terzijde geschoven alsof wij zo vast en sterk op de rechte weg stonden dat er nooit gevaar kon zijn dat wij voor onze voeten een kromme weg maakten.

Integendeel: wij zijn omringd door een krom en verdraaid geslacht, belijdend en goddeloos, wier wegen wij maar al te gemakkelijk leren. Wij worden van alle kanten belaagd door verzoekingen om af te wijken op een of ander kromme pad, om onze hoogmoed te voeden, onze lusten bot te vieren of onze hebzucht te bevredigen. Soms zijn wij verblind en verleid door de god dezer eeuw, dan weer verhard door de verleiding der zonde. Hier worden wij misleid door het voorbeeld en daar bekoord door de vleierij van een vriend of gezel.

Nu zijn wij verward en radeloos in ons oordeel over goed en kwaad, dan weer verstrikt in een strik van de boze, half weerstaand en half toegevend. Wat een strijd hebben sommigen van ons moeten voeren om rechte paden voor onze voeten te maken, en wat een pijn en droefheid dat wij ooit kromme hebben gemaakt.

Maar er is één kenmerk van een kromme weg dat altijd zowel een waarschuwing als een wegwijzer zal zijn voor wie God vrezen: hun paden maken zij verkeerd voor zich zelven, al wie daarop gaat, die kent den vrede niet. (Jes. 59:8.) Het is dit gemis aan vrede op het kromme pad dat hen die een levend geweten bezitten verontrust en met schrik vervult. Het roept vaak een hele legerschaar van twijfels en vrezen tegen hen op, of zij misschien geheel bedrogen zijn.

Deze overtuigingen en deze vrezen tonen hun duidelijk hun zonde en dwaasheid dat zij de paden van de oprechtheid verlieten om op enige kromme weg te wandelen. Soms behaagt het de Heere hun door vreselijke dingen in gerechtigheid, soms door verdrukking op hun lenden te leggen, soms door Zijn scherpe bestraffingen onder het gepredikte woord of in het verborgene toegepast, soms door een schokkende slag in de voorzienigheid te laten weten en zien dat het kwaad en bitter is de Heere, hun God, te verlaten. Dan wordt in het hart berouw gewerkt, met zelfverfoeiing en zelfverachting, uitmondend in ootmoedige en eerlijke belijdenis.

Dit is de eerste stap naar terugkeer, want met deze belijdenis komt het verlaten van elke boze weg. Aan deze belijdenis en dit verlaten is de belofte van barmhartigheid en vergeving verbonden. (Spr. 28:13; 1 Joh. 1:9.) Wanneer dan de barmhartigheid en goedheid van God zo van binnen gevoeld en beleefd worden, en wanneer een blik door het geloof op de lijdende Zoon van God tegelijk de verschrikkelijke aard van de zonde toont en de weg, de enige weg, waarlangs zij om niet wordt weggedaan, dan is er een maken van rechte paden voor de voeten.

Wanneer de overvloed van de genade, die het overvloeien van het kwaad van binnen en van buiten te boven gaat, de ziel tegelijk doet beven en zich verheugen, beven bij de vloeden van de zonde en zich verheugen bij de overstromingen van de hogere vloeden van genade daarboven, dan wordt wat kreupel was en zo uit de weg gedraaid genezen.

3. Hiermee nauw verbonden is de liefdevolle raad van een geweten voor God en mensen. Dit is de oefening van Paulus: En hierin oefen ik mijzelven, om altijd een onergerlijk geweten te hebben bij God en de mensen. (Hand. 24:16.) Er is geen grotere zegen dan een geweten dat gereinigd is door het bloed der besprenging en weinig grotere ellende dan een geweten beladen met schuld. Het ene stelt ons in staat omhoog te zien en het andere dwingt ons neer te zien voor God en mensen. Er is in onze wandel en ons gedrag misschien niets ongerijmds of onbetamelijks verschenen en toch kan de ‘stille waarschuwer’ de tong doen haperen, de knie doen beven en het gelaat doen neerslaan.

Dit is dus de hoofdoefening: eerst een geweten te VERKRIJGEN en ten tweede te BEHOUDEN dat zo door verzoenend bloed besprenkeld is dat het zonder aanstoot is jegens God. Daarna moeten wij zo teder wandelen in de vreze Gods, in die oprechtheid en godzalige eenvoud, in die rechtschapenheid van gedrag en die ongereptheid van leven, dat wij bewaard worden voor het geven van gegronde aanstoot aan onze medemensen of het leggen van een struikelblok op hun weg. Zo volgen wij dat veelomvattende voorschrift: Hetzij dan dat gijlieden eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets anders doet, doet het al ter ere Gods. Weest zonder aanstoot te geven, en den Joden, en den Grieken, en der Gemeente Gods. (1 Kor. 10:31-32.)

4. Ons volgende woord van raad is het woord dat de Heere Zelf spreekt tot de jonkvrouw van Israël: Richt u merktekenen op, stel u spitse pilaren, zet uw hart op de baan, op den weg, dien gij gewandeld hebt; keer weder, o jonkvrouw Israels, keer weder tot deze uw steden! (Jer. 31:21.) Terugkijken op het verleden is vaak een gezegende bemoediging voor de toekomst.

Als wij reizigers zijn op de weg naar Sion, zullen wij onze verschillende wegwijzers hebben. Een opvallende roeping, een duidelijke verlossing of een genadige openbaring van Christus; hier een toegepaste belofte en daar een merkbaar verhoord gebed; een bijzondere zegen onder het gepredikte woord; een zachte en onverwachte verzekering van een zalig aandeel in het bloed van het Lam; een doorbreken van goddelijk licht tijdens een wandeling in grote duisternis; een zoete teug van troost in een tijd van droefheid en benauwdheid; het tot bedaren komen van de winden en golven buiten en binnen door Ik ben het; zijt niet bevreesd. Het is hoogst gezegend zulke en soortgelijke wegwijzers te kunnen oprichten als bewijzen dat wij op de weg zijn.

En als velen die werkelijk God vrezen deze opvallende wegwijzers niet kunnen oprichten, dan missen zij toch niet evenzeer zekere getuigenissen, al zijn die minder bevredigend. Zij hebben de vreze Gods in een tedere geweten en de Geest der genade en der gebeden in hun borst. Zij blijven aan het volk van God hangen in warme liefde en houden van de waarheid in haar zuiverheid en kracht. Zij hebben hun ernstige verlangens, hun ontluikende hoop en hun angstige vrezen.

Hun oprechtheid en eenvoud maken hen jaloers over zichzelf dat zij niet bedrogen of misleid worden. Zij scheiden zich af van de wereld en tonen nederigheid, zachtmoedigheid, stilte en een algemene bestendigheid die vaak luidere belijdenis en hogere aanspraken beschamen. Deze en soortgelijke bewijzen tekenen velen als kinderen van God die hun recht op zo’n voorrecht en zo’n zegen niet duidelijk kunnen lezen.

Maar of de wegwijzers nu hoog zijn of laag, stralend in de zon of onduidelijk in de dageraad, de jonkvrouw van Israël wordt nog altijd geboden: Richt u merktekenen op, stel u spitse pilaren, zet uw hart op de baan, op den weg, dien gij gewandeld hebt; keer weder, o jonkvrouw Israels, keer weder tot deze uw steden!

5. Dit zij dan een ander woord van raad: dat wij ons hart steeds richten op de gebaande weg. Christus is de weg en er is geen andere. Ik ben de Weg staat in stralende letters geschreven aan het begin, in het midden en aan het einde van het pad, om het kind te leiden, de man te schragen en de vader te steunen.

De eerste lichtstraal die op de ziel schijnt om haar hemelwaarts te leiden, straalt uit de Persoon en het werk van Jezus. Dwaalt zij, dan wordt zij hierdoor teruggebracht. Valt zij flauw en wankelt zij, dan wordt zij hierdoor opgehouden en vastgehouden. Het oog blijft zich keren, de voeten blijven bewegen en het hart blijft verlangen naar de weg. Het is de enige weg uit duisternis naar licht, uit dood naar leven en uit verwarring naar helderheid. Het is de enige weg uit onrust naar rust, uit slavernij naar vrijheid, uit droefheid naar vreugde en uit benauwdheid naar vrede. In één woord: het is de enige weg uit de hel naar de hemel.

Gezegend zij God, niet alleen dat Jezus de weg is, maar dat de dierbare Verlosser Zelf in de dagen van Zijn vlees heeft gezegd: Ik ben de Weg. Want als deze Zijn eigen zalige woorden met kracht in het hart vallen, wekken zij zo’n geloof in Hem op (Joh. 6:47); zo’n opzien naar Hem, soms zelfs vanaf de uiteinden van de aarde (Jes. 45:22); zo’n uitgaan uit alle vodden en puinhopen van het ZELF om Hem aan te grijpen en ons in Hem te verbergen (Jes. 27:5; Ps. 17:8; Ps. 143:9); zo’n aankleven van Hem met een voornemen des harten (Hand. 11:23); zo’n hangen aan Hem (Jes. 22:24).

Door de zachte aantrekking van Zijn Geest en genade (Hoogl. 1:4; Jer. 31:3; Joh. 6:44) wordt Hij bij elke stap hemelwaarts aangenomen en wordt in Hem gewandeld. (Kol. 2:6.)

En nu waarschuwen onze beperkte ruimte en de vrees onze lezers te vermoeien ons dat wij moeten afronden. Toch willen wij hun nog enkele gedachten voorleggen en die zo beknopt mogelijk samenvatten. Nemen onze woorden van raad een gebiedende vorm aan, dan zullen zij tot wie wij ons richten bedenken dat wij daarmee niet willen suggereren dat er enige kracht in ons of in hen is, maar alleen die van de genade om ze in praktijk te brengen.

6. Houd uzelf gescheiden van de oppervlakkige, lichte, losse belijdenis van onze dagen. Pas op dat u niet rust op die oppervlakkige bewijzen waarmee zovelen, van preekstoel en pers, worden opgebouwd op een onzeker zo niet onzuiver fundament. Rust op niets minder dan Gods eigen getuigenis in uw geweten en het getuigenis van Zijn Geest met uw geest dat u Zijn kind bent.

Haat die geest van lichtzinnigheid, op de kansel of in de bank, die niet alleen de dood is voor elk genadig, godzalig gevoel in de ziel maar die de plechtigste waarheden van ons allerheiligste geloof, het lijden van Christus Zelf, zou veranderen in een vermaak voor de vleselijke gezindheid. Verfoei die losse belijdenis, die gewillige instemming met alles wat de hoogmoed, wereldsgezindheid, hebzucht en lusten van onze verdorven natuur voedt, die de huidige tijd tekent met enkele van haar gevaarlijkste en verschrikkelijkste kenmerken.

7. Kies uw metgezellen onder de nederige, bezadigde, geoefende, tedere en geestelijke kinderen van God, en laat hen weinig in aantal zijn. Kies hen wier gezelschap en gesprek u goed doen en een zoete geur op uw geest achterlaten, wier leven en gedrag zich bij u aanbevelen als overeenkomstig het evangelie en wier wandel in de gemeente en voor de wereld duidelijk onder de invloed van de genade staat. Kies hen met wie u voelt dat u kunt leven en sterven in de hechte en vaste band van broederlijke genegenheid en liefde.

8. Leer geduldig te zijn en de zwakheden van christelijke broeders zachtmoedig te dragen. Er is in ons christenleven een tijd waarin wij iedereen terecht willen zetten en alles recht willen maken. Maar na verloop van tijd merken wij dat wij onszelf niet kunnen terechtzetten en onze eigen geest en ons gedrag niet in overeenstemming kunnen brengen met het woord van de waarheid.

Deze overtuiging, die zich steeds sterker aan ons opdringt, maakt ons minder scherp om den splinter te zien en bereidwilliger om den balk eruit te halen. Wij zijn minder verlangend anderen te veroordelen en meer bereid onszelf te veroordelen, minder zeker van de zonden van onze vrienden en zekerder van onze eigen. Bovendien leren wij vroeg of laat dat het één ding is de ogen te sluiten voor de zonden van onze broeders en een ander hun zwakheden te dragen.

Wij zien dat wij van nature van elkaar verschillen en dat de genade weliswaar het hart verandert maar de natuurlijke aard er eerder door wordt getemd dan veranderd. Zo verschillen onze natuurlijke gemoedsaard, onze stand en ons beroep, onze opvoeding en afkomst en onze wijzen van denken en voelen. Dat geldt ook voor onze opvattingen over mensen en dingen, onze familie- en zakenbetrekkingen, onze vooroordelen en vooropgezette meningen en onze aanklevende zonden en zwakheden.

Zelfs onze kennis en bevinding van de waarheid van God, onze verschillende stadia in het goddelijk leven, onze verdrukkingen, beproevingen en verzoekingen en nog vele andere omstandigheden die wij nu niet kunnen opsommen verschillen zo sterk dat u nauwelijks twee christenen vindt die gelijk zijn. Ieder heeft zijn eigen bijzondere zwakheden. Zoals wij dan verwachten dat anderen onze zwakheden dragen, laat ons leren de hunne te dragen en hen lief te hebben om de genade die wij in hen zien. Laten wij zo wandelen met alle ootmoedigheid en zachtmoedigheid, met lankmoedigheid, verdragende elkander in liefde. (Ef. 4:2.)

9. Verwacht een pad van toenemende in plaats van afnemende verdrukking. Reken op een dagelijks kruis van binnen of buiten, op lichamelijke ziekten, scherpe beproevingen en pijnlijke strijd. Verwacht geen gemakkelijke weg in voorzienigheid of genade, in de gemeente of in de wereld, in het gezin of in het bedrijf, in uw omgang met zondaars of met heiligen. God bedoelt ons grondig ziek te maken van deze wereld en van alles wat erin is. Moe en uitgeput van beproevingen, verzoekingen en strijd moeten wij al onze rust in Hem vinden. Zo kunnen wij, zoals wij door veel verdrukking ingaan in Zijn koninkrijk van genade, ook door veel verdrukking ingaan in Zijn koninkrijk van heerlijkheid.

10. En toch, zoek temidden van al uw verdrukkingen steeds te hangen aan de getrouwheid van God aan Zijn beloften. Bij al uw oefeningen, twijfels, bange vermoedens en vrezen kunt u niet ontkennen dat Hij een goed God voor u is geweest, zowel in voorzienigheid als in genade. U hebt jarenlang Zijn hand in beide gadegeslagen en kunt getuigen dat Hij u nooit in de nood heeft begeven. Hoewel Hij u diep heeft beproefd, is Hij tot nu toe getrouw gebleken aan elke belofte die Hij op uw hart heeft gesproken of waarin Hij u deed geloven en die u voor Hem pleitte. Zijn dit niet zoveel onderpanden dat Hij u nooit zal verlaten of begeven, zelfs tot het einde?

„Broeders, bidt voor ons.” Wij bieden u ons nieuwjaarsgeschenk aan. Neem het in liefde aan. Weeg het in de weegschalen van het heiligdom. Vergelijk het met het woord van de waarheid en met de bevinding van de heiligen. En terwijl u vergeeft wat erin mis is als iets van menselijke zwakheid, ontvang dan in de geest van zachtmoedigheid wat aan uw geweten wordt aanbevolen als een passend woord van raad of bemoediging. Voeg uw smekingen bij de onze, dat onze diensten, als wij nog gespaard blijven om ons maandelijks werk voort te zetten, door God aangenomen mogen worden en tot zegen mogen zijn voor een groter aantal van Zijn volk.

Uw onwaardige maar toegenegen Vriend en Dienaar op het pad der verdrukking, De Redacteur

Steun J.C. Philpot

Beste bezoeker,

U kunt jcphilpot.nl steunen met een donatie. Dankzij uw gift kunnen wij deze website blijven onderhouden en beschikbaar houden. Uw bijdrage wordt gebruikt voor de jaarlijkse kosten van hosting en het beheer van de site.

Elke donatie, groot of klein, helpt ons om dit werk voort te zetten. Hartelijk dank voor uw steun!