A. En ten eerste de AARD van Zijn koninkrijk. Die is hemels, evenals de plaats waar het wordt bestuurd en vanwaar Zijn koninklijke bevelen uitgaan. Onze gezegende Heere verklaarde voor de rechterstoel van Pilatus: Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld. Het is dus geen aards maar een hemels koninkrijk. Daarom heeft het bijzondere kenmerken die het volkomen onderscheiden van alle andere koninkrijken.
Wij werpen daarom een blik op enkele van de bijzondere kenmerken van dit hemelse koninkrijk:
1. Het is bij uitstek een geestelijk koninkrijk. Toen onze gezegende Heere omhoog voer, ontving Hij gaven voor mensen. De Psalmist zegt dat jubelend: Gij zijt opgevaren in de hoogte; Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd; Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen; ja, ook de wederhorigen om bij U te wonen, o HEERE God! (Psalm 68:19). Deze gaven waren geestelijke gaven, verschillende maten van hemelse genade, zoals de apostel uitlegt: Maar aan elkeen van ons is de genade gegeven, naar de maat der gave van Christus. Daarom zegt Hij: Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen, en heeft den mensen gaven gegeven (Efeze 4:7-8).
Zo getuigde ook Petrus op de pinksterdag, toen de opgestane Heere zoals Hij had beloofd Zijn discipelen doopte met de Heilige Geest: Dezen Jezus heeft God opgewekt; waarvan wij allen getuigen zijn. Hij dan, door de rechter hand Gods verhoogd zijnde, en de belofte des Heiligen Geestes, ontvangen hebbende van den Vader, heeft dit uitgestort, dat gij nu ziet en hoort (Handelingen 2:32-33). Deze gezegende Geest werd niet in de volle maat van Zijn hemelse gaven en genaden gegeven voordat Jezus verheerlijkt was (Johannes 7:39).
Daarom troostte hun genadige Meester Zijn bedroefde discipelen met de woorden: Doch Ik zeg u de waarheid: Het is u nut, dat Ik wegga; want indien Ik niet wegga, zo zal de Trooster tot u niet komen; maar indien Ik heenga, zo zal Ik Hem tot u zenden (Johannes 16:7).
De discipelen schijnen zelf een aards koninkrijk te hebben verwacht. Die verwachting van wereldse eer en van een troon op de broze grond van de aarde kwam tot uiting in het verzoek van de moeder van de zonen van Zebedeüs: Zeg, dat deze mijn twee zonen zitten mogen, de een tot Uw rechter- en de ander tot Uw linker hand in Uw Koninkrijk (Mattheüs 20:21). En wat wij minder zouden hebben verwacht: zelfs na Zijn opstanding, toen het kruis en het graf hun dromen van een aardse troon voorgoed hadden moeten doen verdwijnen, vroegen de elf discipelen hun opgestane Meester: Heere, zult Gij in dezen tijd aan Israel het Koninkrijk wederoprichten? (Handelingen 1:6).
Zelfs die gelovige weinigen die jarenlang in innige verbondenheid met Hem hadden gewandeld, leken hun ogen te richten op het herstel van het gevallen nationale en natuurlijke koninkrijk van Israël. Zij hadden Zijn hemelse toespraken gehoord en vooral de geestelijke lessen die na het laatste avondmaal in hun oren werden gesproken. Ook hadden zij Zijn slotgebed gehoord, vol heiligheid en waarheid. Toch bleven deze gelovige, liefhebbende discipelen naar dat aardse koninkrijk kijken. Zij zagen pas na de doop met de Heilige Geest en met vuur hoe armzalig, hoe laag en hoe onbetamelijk voor de heerlijkheid en waardigheid van de Zoon van God het zou zijn geweest om een aardse scepter te zwaaien.
Wat is de voornaamste heerlijkheid van dit koninkrijk anders dan dat het geestelijk is, bestuurd met geestelijke middelen, voor geestelijke mensen en tot geestelijke doeleinden? Enkele doelen van de Koning der heiligen zijn: harten onderwerpen en geen koninkrijken veroveren; de rijkdom van Zijn genade schenken aan arme en behoeftige zondaren en niet, zoals Salomo, goud en zilver en edelstenen ophopen; allen die door Hem tot God gaan volkomen zaligmaken en niet verwoesting en ellende verspreiden over ontelbare gewesten; omringd zijn door een leger van martelaren en niet door een leger van soldaten.
Ook houdt Hij een hof waar bedelaars en geen edelen vrij welkom zijn. Het hofkostuum daar bestaat niet uit De hoofdkroning, en de armversierselen, en de bindselen, en de reukballetjes, en de oorringen, De ringen en de voorhoofdsierselen, De wisselklederen, en de manteltjes, en de hoedjes, en de buidels (Jesaja 3:20-22). Het bestaat uit rein en blinkend fijn lijnwaad, dat zijn de rechtvaardigmakingen der heiligen (Openbaring 19:8). Hij deelt geen pensioenen uit maar pardons. Aan hen die Hij begunstigt schenkt Hij geen trofeeën en medailles maar touwen der liefde en de morgenster van Zijn opgaande glimlach (Hosea 11:4; Openbaring 2:28).
Stel dat de Heere na Zijn opstanding in majesteit en heerlijkheid was verschenen om de Romeinse legers op de vlucht te jagen. Stel dat Hij Jeruzalem tot Zijn hoofdstad had gemaakt en alle volken van de aarde had onderworpen. Zou dat een overwinning zijn geweest die paste bij Zijn komst uit de schoot van de Vader? Of die in overeenstemming was met Zijn doodsangst in de hof en met Zijn lijden en offer aan het kruis?
Geestelijk regeren over gelovige harten, de voorwerpen van Zijn eeuwige liefde levend maken en wederbaren, redden en heiligen, vergeven en zegenen, hen gelijkvormig maken aan Zijn lijdend beeld en geschikt maken om deel te hebben in de erve der heiligen in het licht: wat zouden de hoogste, grootste en heerlijkste aardse veroveringen zijn in vergelijking met zulke geestelijke zegepralen van Zijn genade?
2. Omdat het een geestelijk koninkrijk is, is het ook een koninkrijk van genade. Want daarin, bestuurd door haar hemelse Soeverein, is de genade gaan heersen door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven (Romeinen 5:21). Dit is een van de voornaamste zegeningen van de verhoging van de Heere Jezus tot de rechterhand van de macht: de troon waarop Hij zit, is den troon der genade (Hebreeën 4:16). Nu Hij het werk heeft voltooid dat de Vader Hem op aarde te doen gaf, is Hij omhoog gegaan om die genadevoornemens uit te voeren die Hem naar beneden hadden gebracht.
Vanuit de hemel, Zijn woonplaats, begint, zet voort en voltooit Hij het werk van genade aan duizenden van Zijn uitverkoren heiligen hier beneden. Door genade vergeeft Hij hun zonden. Door genade bedwingt Hij hun ongerechtigheden. Door genade zuivert Hij hun harten door het geloof. Door genade heiligt Hij hun genegenheden en richt Hij ze op de dingen die boven zijn, waar Hij Zelf zit aan de rechterhand van God. Zulke overwinningen van Zijn alles overwinnende genade maken Jezus onuitsprekelijk dierbaar voor wie geloven. Maar welk hart kan bevatten of welke tong kan navertellen wat Zijn alles overwinnende genade elke dag en elk uur doet?
Wij zien nauwelijks een miljoenste deel van wat Jezus als Koning op Zijn troon dagelijks doet. En toch zien wij genoeg om te weten dat Hij altijd leeft aan de rechterhand van God en leeft om te redden en te zegenen. Wat een menigte behoeftige smekelingen omringt elk ogenblik Zijn troon! Wat een dringende nood en ellende te lenigen en wat een snijdend verdriet en leed te stillen! Wat een gebroken harten te verbinden en wat een gewonde gewetens te genezen! Wat een ontelbare gebeden te verhoren en wat een ernstige smeekbeden in te willigen! Wat een halsstarrige vijanden te bedwingen en wat een schuldige angsten tot bedaren te brengen!
Wat een mildheid, wat een vriendelijkheid en wat een lankmoedigheid toont deze almachtige Soeverein! Wat een medelijden, wat een barmhartigheid en wat een liefde, en toch ook wat een macht en gezag! Geen omstandigheid is te gering en geen smekeling te onbeduidend. Geen geval is te moeilijk en geen moeilijkheid te groot. Geen pleiter is te aanhoudend en geen bedelaar te haveloos. Geen bankroetier is te arm en geen schuldenaar te insolvent om door Hem niet opgemerkt en geholpen te worden!
Op Zijn troon van genade gezeten ziet Zijn alziend oog allen, grijpt Zijn almachtige hand allen en omarmt Zijn liefdevol hart allen die de Vader Hem bij verbond gaf, die Hij Zelf met Zijn bloed verloste en die de gezegende Geest door Zijn onoverwinnelijke kracht tot leven heeft gebracht.
De hopelozen, de hulpelozen; de verstotenen om wie niemand geeft; de door de storm heen en weer geslagenen die niet getroost zijn; de dreigend omkomenden; de treurenden in Sion; de bedroefde weduwe; de wenende wees; de zieken naar het lichaam en nog zieker van hart; de dagelijks door pijn gefolterden; de koortsige teringlijder; de worstelaar met de laatste doodsstrijd: o, wat een scharen erbarmelijke mensen omringen Zijn troon! En allen hebben een blik van Zijn oog nodig, een woord van Zijn lippen, een glimlach van Zijn gelaat, een aanraking van Zijn hand.
O, konden wij maar zien wat Zijn genade is, wat Zijn genade heeft en wat Zijn genade doet. En konden wij maar meer voelen wat zij doet in en voor onszelf. Dan zouden wij verhevener gedachten hebben over de heerschappij van de genade die nu in de hoogte wordt uitgeoefend door de gekroonde Koning van Sion!
3. Maar het is ook een koninkrijk van leven. Een levende Koning heeft levende onderdanen nodig. Wie dood is in zonden en wie dood is in belijdenis, heeft er part noch deel aan. Want de dood zal U niet prijzen. De levende, de levende, die zal U loven, gelijk ik heden doe (Jesaja 38:18-19). Jezus is de Weg, en de Waarheid, en het Leven en zegt als zodanig tot Zijn volk: want Ik leef, en gij zult leven.
Zo verscheen Hij aan Johannes in de Openbaring en kalmeerde Hij zijn angst toen hij als dood aan Zijn voeten viel: Vrees niet; Ik ben de Eerste en de Laatste. En Die leef, en Ik ben dood geweest; en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid (Openbaring 1:17-18).
Leven geven, en wel in overvloed (Johannes 10:10), en de Opstanding en het Leven zijn, zodat die in Mij gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven (Johannes 11:25), was een deel van Zijn goddelijke zending. Zoals dan het rijk van het beest vol is van duisternis en dood (Openbaring 16:10), zo is het koninkrijk van Jezus vol licht en leven. Want Hij heeft verklaard dat Hij het licht der wereld is en dat wie Hem volgt in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben (Johannes 8:12).
De aard van dit koninkrijk wordt fraai ontvouwd in Psalm 21.* O HEERE! de koning is verblijd over Uw sterkte; en hoezeer is hij verheugd over Uw heil! Gij hebt hem zijns harten wens gegeven, en de uitspraak zijner lippen hebt Gij niet geweerd. Want Gij komt hem voor met zegeningen van het goede; op zijn hoofd zet Gij een kroon van fijn goud (Psalm 21:2-4). Men zal opmerken dat onder de zegeningen die zo werden gevraagd en geschonken ook het leven was. Het leven heeft hij van U begeerd. Gij hebt het hem gegeven; lengte van dagen, eeuwiglijk en altoos (Psalm 21:5).
Dit leven is Zijn middelaarsleven en daarom een gegeven en geen zelfstandig leven. Zoals Hij Zelf verklaarde: Want gelijk de Vader het leven heeft in Zichzelven, alzo heeft Hij ook den Zoon gegeven, het leven te hebben in Zichzelven (Johannes 5:26). Van dit middelaarsleven geeft Hij aan Zijn volk. Zo leven zij door Hem en van Hem, zoals Hij leeft door de Vader, naar Zijn eigen woorden: Gelijkerwijs Mij de levende Vader gezonden heeft, en Ik leve door den Vader; alzo die Mij eet, dezelve zal leven door Mij (Johannes 6:57).
Dit leven maakt de gemeente van Christus levend, bezielt haar en houdt haar in stand terwijl zij uit de woestijn opkomt, leunend op haar Beminde. Daaruit komt al haar vereniging en alle gemeenschap met haar opgestane Hoofd. Zij leeft er in Hem door en Hij leeft er in haar door. Zo zijn Hoofd en leden één. Want zoals in het natuurlijke lichaam het leven van het hoofd dat van de leden is en deze eenheid van leven hen tot één maakt, zo is er één leven in dat mystieke en geestelijke lichaam waarvan Christus het heerlijke Hoofd is.
Maar het onderwerp van Christus als ons Leven is te wijd voor onze huidige ruimte. Het omvat namelijk al die mededelingen van goddelijk leven waardoor Zijn volk een levend volk is en als zodanig blijkt. Het omvat elke ademtocht van geestelijk leven in hun harten, van de eerste schreeuw van een overtuigde zondaar tot het laatste hallelujah van een stervende heilige.
* Psalm 21 is een soort tegenhanger van Psalm 20, of wat soms een aanvulling wordt genoemd. In Psalm 20 bidt de gemeente, vooruitziend op het lijden en offer van de Messias, namens Hem tot Zijn hemelse Vader: De HEERE verhore u in den dag der benauwdheid; de Naam van den God Jakobs zette u in een hoog vertrek. Hij zende uw hulp uit het heiligdom, en ondersteune u uit Sion. Hij gedenke al uwer spijsofferen, en make uw brandoffer tot as (Psalm 20:2-4).
Zij vertrouwt erop dat de Vader Zijn brandoffer zal aannemen. Zij weet dat Hij Hem zal geven naar uw hart, dat is het heil van Zijn volk, en dat Hij al uw raad zal vervullen, dat is de raad des vredes tussen die Beiden (Psalm 20:5; Zacharia 6:13). In dit vooruitzicht zegt zij: Wij zullen juichen over Uw heil, enzovoort. En in het vertrouwen van het geloof voegt zij eraan toe: Alsnu weet ik, dat de HEERE Zijn Gezalfde behoudt. Dat is Zijn Messias, Zijn Christus, juist de naam die Jezus droeg en waarmee Hij nog steeds wordt genoemd.
Maar zoals de gemeente in Psalm 20 de lijdende, offerende Messias zag, zo ziet zij in Psalm 21 de zegevierende, regerende Messias. Zij ziet de Vader een kroon van fijn goud op Zijn hoofd zetten en Hem zo als Koning verhogen tot Zijn eigen rechterhand. Zij ziet al Zijn verzoeken ingewilligd, majesteit en heerlijkheid aan Hem toegevoegd en Hem Zelf door de Vader gezet tot zegeningen in eeuwigheid. Zo sluiten de twee psalmen als het ware op elkaar aan en verklaren en verhelderen zij elkaar wederzijds. Psalm 20 is gebed, Psalm 21 is lofprijs.
Psalm 20 ziet het kruis, Psalm 21 ziet de kroon. In de ene zien wij wat Jezus was, in de andere wat Jezus is. In dit licht gelezen werpen zij veel licht op zowel het voorbije als het huidige werk van Christus. Vooral laten zij zien hoe diep de gemeente meeleeft met zowel Zijn vernedering als Zijn verhoging.
4. Om een soortgelijke reden kunnen wij slechts kort opmerken dat de heerschappij van Christus naar haar aard ook een koninkrijk is van licht (1 Johannes 1:7), tegenover de macht van de duisternis (Kolossenzen 1:13; Efeze 5:8). Het is een koninkrijk van vrijheid (Johannes 8:32; Johannes 8:36; 2 Korinthe 3:17), tegenover de heerschappij van de slavernij (Handelingen 15:10; Galaten 4:24-25; Galaten 4:31). Het is een koninkrijk van liefde (1 Johannes 3:1; 1 Johannes 3:16), tegenover de heerschappij van vijandschap en vervreemding (Romeinen 8:7; Kolossenzen 1:21). Het is een koninkrijk van vrede (Jesaja 9:5-6), tegenover oorlog en strijd.
En het is een koninkrijk van heiligheid (Jesaja 35:8; Daniël 7:22; Hebreeën 12:14), tegenover een heerschappij van zonde en onreinheid (Romeinen 5:21).
5. Maar het eigenaardige kenmerk en de voornaamste heerlijkheid ervan is dat het een innerlijk koninkrijk is. Immers het Koninkrijk Gods is binnen ulieden (Lukas 17:21). Des Konings Dochter is geheel verheerlijkt inwendig (Psalm 45:14). Dit innerlijke koninkrijk is dat Koninkrijk Gods waarvan de apostel verklaart dat het niet is spijs en drank, maar rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap, door den Heiligen Geest (Romeinen 14:17). Het is dus niet gelegen in woorden, maar in kracht (1 Korinthe 4:20). Er is een nieuwe en geestelijke geboorte nodig om het te zien en erin te gaan (Johannes 3:3-5).
Het is het bijzondere erfdeel van de armen van geest (Mattheüs 5:3). Men gaat erin door vele verdrukkingen (Handelingen 14:22). Het wordt geweld aangedaan, en de geweldigers nemen hetzelve met geweld (Mattheüs 11:12). En wanneer het in geloof is ontvangen, is het een onbewegelijk Koninkrijk (Hebreeën 12:28).
Het is dus geen koninkrijk van uiterlijke grootsheid maar van innerlijke genade. Het is niet een van tijdelijke majesteit maar van geestelijk gezag, niet van zichtbare praal en vertoon maar van onzichtbare invloed. Het is geen vertoon van ruisende gewaden en luidende klokken, van daverende orgels en gebrandschilderde ramen, van middeleeuwse bouwkunst en wit geklede koorzangers. Het zijn geen intonerende priesters en processies in koorhemden, noch al die zinnelijke aantrekkingskracht op de louter natuurlijke gevoelens en hartstochten van de menselijke geest waarmee Satan als een engel des lichts de volken misleidt. Het is een heilige, hemelse, geestelijke heerschappij van de Heere van het leven in een gebroken hart, een verslagen geest en een teer geweten.
Gelukkig zij die, van boven verlicht door een hemels licht en levend gemaakt voor God door een nieuw en goddelijk leven, zich niet laten bedriegen door de snuisterijen van een lege godsdienst. Zij kennen de waarheid zelf door het onderwijs en het getuigenis, het werk en de betuiging van de gezegende Geest. Zij kunnen en willen niet het kwade goed heten, en het goede kwaad, niet duisternis tot licht stellen, en het licht tot duisternis en niet het bittere tot zoet stellen, en het zoete tot bitterheid.
Gelukkig zij die het verschil zien, voelen en kennen tussen vorm en kracht, bedrog en werkelijkheid, een naam dat men leeft en Christus die gestalte heeft gekregen in het hart, de hoop der heerlijkheid! Gelukkig zij aan wie de Koning der koningen de gouden scepter van Zijn genade heeft toegereikt, die Hij gewillig heeft gemaakt op de dag van Zijn macht en op wier harten Hij op de troon zit als hun enige Heere en Soeverein.
Wij kijken met gelovige ogen naar de Persoon en het werk, de genade en heerlijkheid, de hoedanigheden en ambten van de gezegende Heere. Daarbij zijn wij geneigd ons geloof daarop te richten met het oog op onszelf, op ons eigen heil en onze eigen troost. Wij zien het dan minder als eeuwig bestemd om de heerlijkheid van God te openbaren. Het is inderdaad doordat wij Hem zien als volkomen en wonderlijk passend bij al onze behoeften en nood dat wij eerst worden geleid en in staat gesteld om in de Zoon van God te geloven tot het eeuwige leven.
Een Hogepriester Die de zonde heeft weggedaan door het offer van Zichzelf en Die nu aan de rechterhand van de Macht volkomenlijk kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan (Hebreeën 7:25), past goed bij een door zichzelf veroordeelde, schuldige zondaar. Een vriendelijke en nederbuigende Leraar aan wiens voeten wij nederig mogen zitten om Zijn woorden met zalving in het hart te horen druppelen, past goed bij wie hun onwetendheid voelen en verlangen naar hemelse onderwijzing.
En een Koning Die niet alleen al hun tijdelijke en geestelijke zaken kan regelen maar, en dat is nog moeilijker, kan heersen over hun hardnekkige wil en hun ongerechtigheden kan bedwingen door Zijn Geest en genade, past goed bij hen die zuchten naar bevrijding van de macht en de overheersing van een lichaam van zonde en dood.
Deze weldaden en zegeningen dalen uit het middelaarsleven en de volheid van de Heere Jezus neer op het volk van God. Op zichzelf zijn zij buitengewoon groot en als zij met het hart worden ervaren onuitsprekelijk kostbaar. Toch zijn zij in werkelijkheid maar van de tweede rang en als het ware ondergeschikt aan hogere en heerlijker doeleinden. Geen einddoel kan God zo dierbaar zijn als Zijn eigen heerlijkheid. Hemel en aarde vervullen met Zijn geopenbaarde heerlijkheid moet voor de Heere een voornemen zijn van groter betekenis dan een verloren geslacht te redden en te zegenen.
Ongerechtigheid, overtreding en zonde vergeven is een deel van Gods heerlijkheid (Exodus 33:18-23; Exodus 34:5-7; Numeri 14:17-18). Maar de heerlijkheid zelf moet groter zijn dan die van de vergeving, waarvan zij maar een deel is. Zo voegde de Heere, nadat Hij tot Mozes had gezegd: Ik heb hun vergeven naar uw woord, daaraan toe: Doch zekerlijk, zo waarachtig als Ik leef, zo zal de ganse aarde met de heerlijkheid des HEEREN vervuld worden! (Numeri 14:20-21).
De heerlijkheid van Zijn heiligheid, van Zijn gerechtigheid, van Zijn macht, van Zijn trouw, van Zijn liefde en van alle andere volmaaktheden van de goddelijke natuur moet gelijk zijn aan die van Zijn vergeving van zonde. Om nog te zwijgen van de wezenlijke heerlijkheid van Zijn eeuwig bestaan als een Drie-eenheid van Personen, Vader, Zoon en Heilige Geest, in de eenheid van het ondeelbare Wezen.
Deze heerlijkheid openbaren, zodat zij zou worden gezien en bewonderd in hemel en op aarde, was het eeuwige voornemen van de Allerhoogste, van Hem Die gezegd heeft: Mijn raad zal bestaan, en Ik zal al Mijn welbehagen doen (Jesaja 46:10). Maar God is wezenlijk onzichtbaar. Hij woont in een licht waartoe niemand kan naderen, en niemand heeft Hem gezien of kan Hem zien. Daarom kon deze heerlijkheid alleen worden geopenbaard in het aangezicht van Zijn dierbare Zoon, Die is het Afschijnsel Zijner heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld Zijner zelfstandigheid (Hebreeën 1:3).
Dit is de uitdrukkelijke getuigenis van Johannes: Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in den schoot des Vaders is, Die heeft Hem ons verklaard (Johannes 1:18). In bijna dezelfde taal spreekt de apostel Paulus: Want God, Die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene, Die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus (2 Korinthe 4:6).
Wij zien dus dat het eeuwige voornemen van God was om Zijn dierbare Zoon te verheerlijken. Want door Hem te verheerlijken verheerlijkte Hij Zichzelf, zoals onze Heere verklaart: Ik heb U verheerlijkt op de aarde (Johannes 17:4). En ook: Vader, verheerlijk Uw Naam. Er kwam dan een stem uit den hemel, zeggende: En Ik heb Hem verheerlijkt, en Ik zal Hem wederom verheerlijken (Johannes 12:28).
Maar de heerlijkheid van de Vader en van de Zoon zijn één, volgens de woorden van het voorbedegebed van onze Heere: Ik heb U verheerlijkt op de aarde; Ik heb voleindigd het werk, dat Gij Mij gegeven hebt om te doen; En nu verheerlijk Mij, Gij Vader, bij Uzelven, met de heerlijkheid, die Ik bij U had, eer de wereld was (Johannes 17:4-5).
Zo zien wij dat de Zoon van God Zijn Vader op aarde heeft verheerlijkt en dat de Vader Zijn Zoon nu in de hemel verheerlijkt. En zoals Hij Hem aan Zijn eigen rechterhand in de hemelse gewesten heeft gezet om in Hem zo verheerlijkt te worden, zo is het hoofddoel van de huidige koninklijke waardigheid van Jezus om die heerlijkheid te openbaren.
Deze weinige opmerkingen kunnen ons misschien voorbereiden om duidelijker in te gaan op dat deel van ons onderwerp dat nu voor ons ligt: het doel, de omvang en de duur van de koninklijke waardigheid van Jezus aan de rechterhand van de Majesteit in de hoogte.
B. Het DOEL van deze koninklijke heerschappij vraagt eerst onze aandacht. In dat verheven en zeer ontroerende gebed dat de Heere Jezus aan Zijn hemelse Vader opdroeg aan de vooravond van Zijn lijden in de hof en aan het kruis, ontvouwde Hij Zelf één bijzonder doel van Zijn tegenwoordig bezit van opperste macht en kracht: Gelijkerwijs Gij Hem macht gegeven hebt over alle vlees, opdat al wat Gij Hem gegeven hebt, Hij hun het eeuwige leven geve (Johannes 17:2).
Uit deze woorden van de genadige Heere leiden wij twee dingen af: 1. dat de Vader Hem macht over alle vlees heeft gegeven; 2. dat het nodig was dat Hij deze opperste macht bezat om het eeuwige leven te schenken aan allen die de Vader Hem had gegeven. De uitvoering van dit laatste doel houdt echter verscheidene andere in en brengt die met zich mee. Die zullen wij nu proberen te ontvouwen.
1. De uitvoering van Gods wil op aarde is toevertrouwd aan de handen van de opgestane en verhoogde Zoon van God. Gods geopenbaarde wil wordt ons in de Schrift bekendgemaakt en dat moet altijd ons richtsnoer zijn. Want De verborgene dingen zijn voor den HEERE, onzen God; maar de geopenbaarde zijn voor ons en voor onze kinderen, tot in eeuwigheid, om te doen al de woorden dezer wet (Deuteronomium 29:29). Maar behalve deze geopenbaarde of uitdrukkelijke wil heeft God een verborgen wil. Die is niet geopenbaard, althans niet duidelijk en helder geopenbaard zoals Zijn stellige wil in het woord der waarheid. Er zijn ongetwijfeld wel vage aanduidingen van, als wij ze konden zien.
Maar misschien zien niet al onze lezers het onderscheid dat wij maken tussen de geopenbaarde en de verborgen wil van God. Laten wij onze bedoeling daarom wat duidelijker uitleggen. Eén voorbeeld kan volstaan als illustratie van het onderscheid. Het was Gods geopenbaarde of uitgedrukte wil dat Israël naar het vlees, toen Hij Zijn dierbare Zoon zond, in Hem zou geloven als de beloofde Messias. Maar Zijn verborgen wil was dat Zijn volk volgens het uiterlijke verbond Hem zou verwerpen en aan het vervloekte hout zou nagelen. Zo kon de verlossing door verzoenend bloed tot stand komen. En zo zouden ook de heidenen de eerstelingen zijn van het voltooide werk van de Zaligmaker.
Nu de verborgen wil van God soms verschilt van Zijn geopenbaarde wil, wie is dan zo geschikt om deze verborgen wil uit te voeren als de Zoon van Zijn liefde, van Wie wij lezen: niemand kent den Zoon dan de Vader, noch iemand kent den Vader dan de Zoon? Hij Die altijd als Zijn dierbare Zoon in Zijn schoot lag, moet de hele gedachte van de Vader volkomen kennen. Want Hij verklaart: Gelijkerwijs de Vader Mij kent, alzo ken Ik ook den Vader (Johannes 10:15).
Om deze wil uit te voeren is oneindige wijsheid en oneindige macht nodig en ook een oneindige kennis van de gedachte en het voornemen van God. Maar in wie vinden wij deze vereniging van oneindige kennis, wijsheid en macht anders dan in de verhoogde Zoon van God?
Neem om het onderwerp u beter voor te stellen als voorbeeld de uitvoering van Gods verborgen voornemen om Zijn uitverkoren volk te redden van al hun zonden en al hun vijanden. Overweeg een ogenblik de talloze verwikkelingen van gebeurtenissen die met de uitvoering van dit voornemen samenhangen! Zie de miljoenen mensen en menselijke hartstochten die als hindernissen in de weg liggen en het verzet van alle machten van aarde en hel. Zie de vreselijke toestand van vervreemding en vijandschap waarin de uitverkorenen zijn weggezonken en de afzonderlijke en bijzondere roeping van elk vat van barmhartigheid.
Zie de verzoekingen, beproevingen en verlossingen van ieder van hen. Dat alles vereist oneindige wijsheid om het te kennen en almachtige kracht om ertegen opgewassen te zijn.
Overweeg die ingewikkelde omstandigheden en wat een beeld geeft het u dan van de tegenwoordige heerschappij van Jezus bij het uitvoeren van deze verborgen wil van de Vader. Wij hebben maar één voorbeeld genoemd. Maar dat is genoeg om ons enig idee te geven van het gezag en de macht die in de handen van Jezus als gekroonde Koning van Sion zijn gelegd.
2. Een ander doel van de verhoging van de gezegende Heere tot de troon van middelaarsheerlijkheid is dat Hij een levend Hoofd van invloed zou zijn voor Zijn gemeente. Dit wordt fraai uiteengezet door de apostel in dat hemelse gebed dat hij opzond voor de gemeente van God te Efeze, aan het slot van het eerste hoofdstuk van zijn brief: En welke de uitnemende grootheid Zijner kracht zij aan ons, die geloven, naar de werking der sterkte Zijner macht, Die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt; en heeft Hem gezet tot Zijn rechter hand in den hemel;
Verre boven alle overheid, en macht, en kracht, en heerschappij, en allen naam, die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende; En heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen, en heeft Hem der Gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen; Welke Zijn lichaam is, en de vervulling Desgenen, Die alles in allen vervult (Efeze 1:19-23).
In wat een grootse, edele, welsprekende en veelzeggende taal stelt de apostel hier de verhoging van Jezus voor: Verre boven alle overheid, en macht, en kracht, en heerschappij, in aarde, hemel of hel! En alle dingen uit verleden, heden en toekomst zijn onder Zijn voeten gelegd, opdat Hij een heerlijk Hoofd van leven, kracht en invloed zou zijn voor de leden van Zijn mystieke lichaam.
Het heeft de Vader behaagd dat in Hem al de volheid zou wonen (Kolossenzen 1:19). Het is een volheid van alle genade en gaven en ook van al de volheid der Godheid lichamelijk (Kolossenzen 2:9). Uit deze volheid voorziet Hij voortdurend de leden van Zijn mystieke lichaam. Want voor Hem als een eeuwig levend Hoofd geldt: uit hetwelk het gehele lichaam, door de samenvoegselen en samenbindingen voorzien en samengevoegd zijnde, opwast met goddelijken wasdom (Kolossenzen 2:19).
Alleen door deze vereniging met Christus als levend Hoofd en door het ontvangen van voorraden van genade en kracht uit Zijn volheid leren wij bevindelijk en gevoelsmatig kennen dat Hij leeft aan de rechterhand van de Vader. Wij kunnen dat wel geloven op grond van het getuigenis van God in het geschreven woord. Maar dan hebben wij niet zo’n bewijs als de Heere bedoelt wanneer Hij zegt: In dien dag zult gij bekennen, dat Ik in Mijn Vader ben, en gij in Mij, en Ik in u (Johannes 14:20). Of als Johannes bedoelt wanneer hij verklaart: Die in den Zoon van God gelooft, heeft de getuigenis in zichzelven (1 Johannes 5:10).
Dit is het grote, het wezenlijke onderscheid tussen de levenden en de doden: de levenden hebben vereniging en gemeenschap met een levend Hoofd, terwijl de doden vervreemd zijn van het leven Gods, door de onwetendheid, die in hen is, door de verharding huns harten (Efeze 4:18). Deze gezegende waarheid en goddelijke verborgenheid van vereniging en gemeenschap met Hem ontvouwde de Heere aan Zijn bedroefde discipelen in die hemelse toespraken vóór Zijn lijden en sterven. De Heilige Geest heeft ze door de pen van Johannes opgetekend (Johannes 14:1-31; Johannes 15:1-27; Johannes 16:1-33).
Wij verwijzen slechts naar één gedeelte daarin als bijzonder verhelderend voor ons huidige punt: Ik zal u geen wezen laten; Ik kom weder tot u. Nog een kleinen tijd, en de wereld zal Mij niet meer zien; maar gij zult Mij zien; want Ik leef, en gij zult leven (Johannes 14:18-19). Laten wij proberen de betekenis van de genadige woorden van onze Heere hier te vatten. Zijn lichamelijke aanwezigheid zou nu aan de wereld worden onttrokken. Zij had Hem veracht en verworpen. Zij kende Hem niet en achtte Hem niet.
Zij had bewezen volkomen onwaardig te zijn voor Zijn blijvende aanwezigheid. Daarom zou zij van die zegen worden beroofd en zou zij Hem niet meer zien.
Deze bezoedelde aarde zou niet meer worden betreden door Zijn heilige voeten. Zijn wonderen van barmhartigheid zouden ophouden. Zijn woorden van genade en waarheid zouden niet meer worden gehoord. En omdat de wereld geen ander gezichtsvermogen had dan het lichamelijke oog, hield zij op Hem te aanschouwen toen Hij de aarde verliet. Maar gij, zegt Hij tot Zijn discipelen, maar gij zult Mij zien; want Ik leef, en gij zult leven.
Met deze woorden ontvouwt onze Heere twee verborgenheden van Zijn hemelse genade: zien en leven. De gelovige ziet, de gelovige leeft. Maar Wie ziet hij en door Wie leeft hij? Hij ziet Jezus en leeft door Jezus. Hij ziet met een geestelijk gezicht en leeft met een geestelijk leven, want Jezus is zijn leven en omdat Jezus leeft, zal hij ook leven.
Zo draagt het kind van God in zijn eigen boezem het duidelijkste bewijs en het zoetste getuigenis dat de Zoon van God uit de doden is opgestaan en oppermachtig regeert in de hoven daarboven, want hij ziet Hem daar en voelt Hem daar. Zijn gezalfde oog ziet, zoals dat van Mozes, den Onzienlijke (Hebreeën 11:27). En zijn gelovig hart, opstijgend op de vleugels van de liefde, zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechter hand Gods (Kolossenzen 3:1).
In de gelijkenis van de wijnstok en de ranken wordt deze verborgenheid van de levende godzaligheid vollediger en duidelijker ontvouwd, vooral in de woorden: Blijft in Mij, en Ik in u. Gelijkerwijs de rank geen vrucht kan dragen van zichzelve, zo zij niet in den wijnstok blijft; alzo ook gij niet, zo gij in Mij niet blijft. Ik ben de Wijnstok, en gij de ranken; die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt gij niets doen (Johannes 15:4-5).
Een levend Hoofd in de hemel is het grote voorwerp van ons geloof. Zonder geloof in Hem is er geen vereniging met Hem. Zonder vereniging met Hem is er geen gemeenschap met Hem. Zonder gemeenschap met Hem is er geen vruchtbaarheid. En zonder vruchtbaarheid volgt het geworpen worden in het vuur als een verdorde en dode tak. Zo is de kringloop van goddelijk leven en vruchtbaarheid in de verborgenheid van het geloof. Zo is de uitkomst van onvruchtbaarheid en dood in de verborgenheid van het ongeloof. Laten wij die wat duidelijker nagaan.
Jezus leeft aan de rechterhand van God. Omdat Hij leeft, maakt Hij de leden van Zijn mystieke lichaam levend tot geestelijk leven. Als vrucht van deze levendmakende kracht leven zij, zien zij Hem, geloven zij in Hem, hebben zij vereniging en gemeenschap met Hem, leiden zij een leven van geloof op Hem en dragen zij vrucht tot Zijn lof.
De hele verborgenheid van dit leven ligt besloten in de bevinding van de apostel: Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft (Galaten 2:20).
Maar dit leven van geloof op de Zoon van God is blootgesteld aan talloze schommelingen en wordt bestreden door talloze inwendige en uitwendige vijanden. Het heeft geen macht om zichzelf te handhaven maar zal, als vuur dat niet wordt verzorgd, uitgaan. En het doven van dit leven zou de eed en de belofte van God en de trouw van Zijn dierbare Zoon raken. Daarom is de almachtige kracht van de gekroonde Koning van Sion nodig om het in stand te houden door voortdurende mededelingen van genade en kracht uit Zijn eigen volheid.
3. Een ander doel van de koninklijke heerschappij van de Zoon van God is alle dingen aan Zichzelf te onderwerpen. Toen de Vader Hem uit de doden opwekte en aan Zijn eigen rechterhand zette in de hemelse gewesten, heeft de Vader feitelijk alle dingen onder Zijn voeten gelegd.
Dit was de belofte in Psalm 8, zoals de apostel haar geestelijk uitlegt: Gij hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen; met heerlijkheid en eer hebt Gij hem gekroond, en Gij hebt hem gesteld over de werken Uwer handen; Alle dingen hebt Gij onder zijn voeten onderworpen. Want daarin, dat Hij hem alle dingen heeft onderworpen, heeft Hij niets uitgelaten, dat hem niet onderworpen zij; doch nu zien wij nog niet, dat hem alle dingen onderworpen zijn (Hebreeën 2:7-8).
Toen God Adam schiep, gaf Hij hem heerschappij over de werken van Zijn handen. Deze heerschappij verbeurde hij echter door de overtreding. Maar de heerschappij die aan de eerste Adam was gegeven, wordt in veel ruimere mate geschonken aan de tweede Adam. Want aan de eerste Adam werd alleen heerschappij verleend over alle dingen op aarde, maar aan de tweede Adam over alles wat is in de hemel, op de aarde en onder de aarde (Filippenzen 2:10).
Maar hoewel deze heerschappij Hem feitelijk en volstrekt is gegeven, en hoewel Hij aan de rechterhand van de Majesteit in de hemelen zit als een zeker onderpand van de volstrekte gave van de Vader, is de volledige vervulling ervan nog niet voltooid. Dit wordt duidelijk te kennen gegeven door de apostel in de laatste zinsnede van de woorden die wij uit Hebreeën 2:8 aanhaalden: doch nu zien wij nog niet, dat hem alle dingen onderworpen zijn.
En ook in die opmerkelijke passage: Daarna zal het einde zijn, wanneer Hij het Koninkrijk aan God en den Vader zal overgegeven hebben; wanneer Hij zal te niet gedaan hebben alle heerschappij, en alle macht en kracht. Want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij al de vijanden onder Zijn voeten zal gelegd hebben. De laatste vijand, die te niet gedaan wordt, is de dood. Want Hij heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen. Doch wanneer Hij zegt, dat Hem alle dingen onderworpen zijn, zo is het openbaar, dat Hij uitgenomen wordt, Die Hem alle dingen onderworpen heeft (1 Korinthe 15:24-27).


