Maar wij laten Hem daar niet. Wij hebben Hem zien sterven en zien nu door het geloof Zijn heilige lichaam nog aan het kruis. Maar het hing daar niet lang als een schouwspel voor engelen en mensen. [Omdat de gezegende Heere om het negende uur, of drie uur ‘s middags, de geest gaf en de voorbereiding van het Pascha omstreeks vier uur begon, lijkt het dat Zijn dode lichaam niet langer dan een uur, en hoogstwaarschijnlijk korter, aan het kruis bleef voordat het werd afgenomen voor de begrafenis.]
Zijn naaste discipelen waren gevlucht. Maar er waren mensen die kwamen om die liefdediensten te bewijzen waardoor een veilige en beschutte plaats werd bereid waar dat heilige lichaam kon rusten. Wij zien dan door het geloof dat bleke lichaam, waarvan geen been was gebroken hoewel handen en voeten verscheurd en doorboord waren en de zijde doorstoken. Het werd met alle gelovige eerbied en aanbiddende liefde afgenomen door Jozef van Arimathea en Nicodemus. Zij werden ongetwijfeld bijgestaan door die heilige vrouwen wier namen de Heilige Geest heeft opgetekend. Zij zagen daarna toe en zaten tegenover het graf waar dat reine lichaam werd gelegd.
De oorspronkelijke straf was: ten dage, als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven. En de bezoldiging der zonde is de dood. Daarom moest de Borg en Zondedrager de straf dragen en letterlijk en werkelijk sterven in de plaats en het stede van de zondaar. Zo was het noodzakelijk dat de Verlosser van zondaren stierf. Maar de Zoon van God kon niet sterven, daar de Godheid niet in staat is te lijden en te sterven. Daarom nam de gezegende Heere een natuur aan die kon sterven. Niet door aangeboren sterfelijkheid of uitwendig geweld, maar door een vrijwillige daad. Die was even vrijwillig als de daad waardoor Hij die natuur aannam in de schoot van de maagd of Zijn lichaam hernam bij de opstanding.
[Het is opmerkelijk dat drie van de evangelisten drie verschillende woorden in de grondtekst gebruiken om de vrijwillige wijze uit te drukken waarop de Heere Jezus Zijn leven overgaf. In Mattheüs 27:50 staat ‘gaf de geest’, letterlijk ‘liet Zijn geest gaan’. In Markus 15:39 en Lukas 23:46 staat hetzelfde woord, ‘Hij gaf de geest’, letterlijk ‘ademde hem uit’. In Johannes 19:30 staat ‘gaf de geest’, letterlijk ‘leverde hem over’. Dit alles wijst op een vrijwillige daad.]Onze gedachten leiden ons nu naar het lichaam van Jezus in het GRAF. Hier zien wij veel dat onze overdenking bezighoudt. Het eerste dat ons treft bij het zien van deze levenloze gedaante is de scheiding van lichaam en ziel die plaatsvond toen de aanbiddelijke Heere door een vrijwillige daad Zijn leven aflegde. De laatste woorden die de Verlosser sprak waren: Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest. Onder Zijn ‘geest’ moeten wij Zijn menselijke ziel verstaan. Die ging onmiddellijk naar het paradijs, in de directe tegenwoordigheid van God, zoals Hij te kennen gaf met de woorden: Maar nu kom Ik tot U (Johannes 17:13).
Hij ging daar die dag niet alleen heen. Een zegeteken zou Hem spoedig volgen: de ziel van die berouwvolle, gelovige boosdoener. Als deelgenoot van Zijn lijden was hij door Zijn soevereine genade deelgenoot van Zijn heerlijkheid geworden.
Er was dus een werkelijke scheiding van lichaam en ziel van de Verlosser. Maar dit vernietigde of beïnvloedde de vereniging van Zijn Godheid met Zijn mensheid niet. Die vereniging bleef geheel bestaan. Zijn heilige ziel ging in vereniging met Zijn Godheid naar het paradijs. Zo was Hij daar nog evenzeer Godmens als bij het graf van Lazarus of bij het Laatste Avondmaal. Maar Zijn heilige lichaam bleef, hoewel het leven er door de dood uit was gegaan, zoals tevoren dat Heilige. De dood bezoedelde dat heilige lichaam niet, zoals de zonde het ook niet bezoedelde in de schoot van de maagd.
De belofte was daarom: Gij zult mijn ziel in de hel (liever: in de Hades, of dat paradijs waarin zij zich na de dood bevond) niet verlaten; Gij zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie (Psalm 16:10). Dit heilige lichaam was wezenlijk onverderfelijk, omdat het door de Heilige Geest was verwekt. Het was verwekt door een bijzondere en bovennatuurlijke generatie uit het vlees van de maagd.
Maar zoals bij alle andere daden van de heilige Drie-eenheid waren Vader, Zoon en Heilige Geest alle drie ervoor bezig dat geen smet van verderf het in de dood zou aantasten. De Vader beloofde en voerde uit, als een God Die niet kan liegen, door Zijn almachtige, waakzame kracht. De Zoon bewaarde het onbesmet en onverdorven in het graf. Dat deed Hij door dezelfde aangeboren, werkzame, goddelijke energie waarmee Hij dat lichaam in de schoot van de maagd had aangenomen. En de Heilige Geest, Die dat lichaam in zijn eerste ontvangenis had gevormd, ademde er Zijn heilige invloed over om het te bewaren. Ondanks dood en graf hield Hij het zo rein en onverderfelijk als toen Hij het voor het eerst schiep.
Deze dingen zijn inderdaad moeilijk te begrijpen of ook maar te bevatten. Maar het zijn hemelse verborgenheden die het geloof aanneemt en vasthoudt tegen zintuig, verstand en ongeloof in. Want zie de ontzaglijke gevolgen als men enige smet van verderf dat gezegende lichaam zou laten aantasten. Zou een bedorven lichaam bij de opstanding hernomen kunnen worden? Het verderf zou het hebben geschonden zoals het het onze zal schenden. En hoe zou een verdorven lichaam opnieuw de woonplaats van de Zoon van God kunnen zijn? Wij worden vaak middellijk voor dwaling bewaard. Dat gebeurt niet alleen doordat wij de zoetheid en kracht van de waarheid kennen en voelen. Het gebeurt ook doordat wij als in één oogopslag de ontzaglijke gevolgen zien van het ontkennen van wezenlijke, fundamentele waarheden.
Maar wij gaan verder naar Jezus in de TOMBE. Een graf uit de rots uitgehouwen, dus rein, schoon en droog, en waarin nog nooit iemand gelegd was, zodat het vrij was van elke smet van verderf. Een grote steen die voor de deur van het graf werd gewenteld om het heilige onderpand te behoeden voor uitwendig geweld of onbetamelijke indringing. Romeinse soldaten die elke toegang van vreemde voeten tot de heilige ruimte verboden. Een wacht van engelen die waakte over dat lichaam waarin hun God en Schepper had gewoond. Al deze omstandigheden strekten en werkten samen tot hetzelfde resultaat: de veilige bewaking en onschendbare bewaring van dat heilige lichaam dat de Heere had aangenomen tot verlossing van Zijn volk.
Maar kunnen wij hier geen nuttig onderricht opdoen? De heilige vrouwen die bij het kruis rouwden en weenden, vergaten hun dierbare Heere ook bij het graf niet. Daar gingen hun gedachten heen gedurende die sabbatsdag waarop zij rustten volgens het gebod. Bij het eerste ochtendlicht van de volgende dag, de eerste dag van de week, haastten zij hun schreden met specerijen om dat dierbare Voorwerp van hun geloof en liefde te zalven. De verborgenheid van de opstanding was inderdaad voor hun ogen verborgen. Maar zij hielden niet op in de dood en in het graf die heilige gedaante lief te hebben die zij in het leven hadden liefgehad.
Mogen ook onze gedachten niet naar het graf gaan? En mogen wij niet met deze genadige vrouwen daarheen gaan, naar de slaapplaats van het lichaam van Jezus? De natuur deinst terug voor de dood, ook afgezien van datgene dat na de dood volgt en hem voor velen tot een koning van de verschrikkingen maakt. Zelfs waar de genade haar troon heeft opgericht en de barmhartigheid zegeviert over het oordeel, kruisen soms vele ongelovige gedachten de geest. Zij verwarren het oordeel over de scheiding van lichaam en ziel en over het wegvaren van de geest naar een onzichtbare, onbekende wereld.
Het geloof kan deze verwarrende gedachten wel overwinnen, die beter aangeduid dan beschreven kunnen worden. Maar het geloof heeft een vaste grond nodig om op te bouwen en te rusten. Als dan de ziel gezegend is met enige zekere hoop of zoete overtuiging van deel te hebben aan het bloed en de gehoorzaamheid van de Heere Jezus Christus, zodat schuldige vrees is weggenomen, hoe versterkend is voor het geloof dan een blik op Zijn dood. Niet alleen als het enige zondeoffer maar ook als het voorbeeld, om zo te zeggen, van ons eigen sterven!
Wij zullen allen moeten sterven. Daarom kan het een nuttige overdenking zijn door het geloof naar de dood van Jezus te zien, als verlichting tegen de verwarrende gedachten waarop wij hierboven hebben gezinspeeld. In de handen van Zijn Vader beval de stervende Heere Zijn geest. De Vader ontving die, want Hem hoort de Vader altijd (Johannes 11:42). Zo keerde Zijn geest terug tot Hem Die hem gegeven had (Prediker 12:7). Zo werden door het sterven ziel en lichaam van de gezegende Verlosser voor een tijd volledig en werkelijk gescheiden, even volledig en werkelijk als de onze bij de dood zullen worden.
Maar volg door het geloof die ziel van Jezus toen Hij haar uitblies en zie haar onmiddellijk het paradijs binnengaan, in de zalige tegenwoordigheid van God. Wat een voedsel voor het geloof is dit! Hoe versterkend en bemoedigend voor een gelovig hart dat vaak verward is geweest door zulke gedachten als wij noemden, om de ziel van Jezus zo meteen in het paradijs te zien binnengaan! En mogen wij door het geloof ook niet de ziel van de gelovige boosdoener zien, toen de tijd van bevrijding gekomen was? Zij vloog op vleugels naar hetzelfde paradijs waar de ziel van Jezus haar was voorgegaan.
Kennen wij iets, pijnlijk en bevindelijk, van de aanvallen van het ongeloof, van de pijlen van de ongodsdienstigheid en van de vurige pijlen des bozen? En weten wij hoe zij allemaal gedoofd worden door het schild des geloofs? Dan hebben wij gevonden dat het geloof, om vast te staan, het woord van de waarheid moet hebben, een ‘Zo zegt de Heere’, waarop het kan rusten.
Laten wij nu dan zien hoe dit samenhangt met de dood van de gezegende Heere. Versterkt door Zijn heilig voorbeeld kan de stervende gelovige, als hij met geloof in Zijn Persoon, bloed en gerechtigheid gezegend is, zijn geest in de handen van Christus bevelen zoals de gemartelde Stefanus deed. Hij doet dat met hetzelfde vertrouwen waarmee de Heere Jezus Zijn geest in de handen van Zijn hemelse Vader beval.
Maar er is nog een zoete en gezegende gedachte verbonden met het graf waarin Jezus lag. Wij hebben misschien het graf zijn donkere mond zien openen om een dierbare vriend en broeder te ontvangen, of een innig geliefde verwant, die een zoet getuigenis heeft achtergelaten van zijn deel in het voleindigde werk van de Zoon van God. Wij keken neer in die enge cel, zagen de kist langzaam zakken en hoorden de kluiten zwaar op het deksel vallen. Wij voelden hoe het geliefde wezen uit ons gezicht werd begraven om nooit meer hier beneden met ons te wandelen. Hoe is de natuur dan teruggedeinsd voor elk somber gezicht en geluid!
Wat kon het bezwaarde gemoed dan verlichten en de bedroefde geest troosten, behalve een zoete overtuiging door het geloof van twee dingen? Ten eerste dat de ziel van de ontslapene bij de Heere was. Dat was veel beter dan opnieuw belast te zijn met het lichaam van zonde en dood, dat nu voor altijd was neergelegd. Ten tweede dat de Heere Jezus, door Zelf in het graf te liggen, het had gewijd als de slaapplaats van Zijn volk. Hij had het als het ware geparfumeerd door toe te staan dat het de bewaarplaats was van Zijn eigen onverderfelijke lichaam.
Wat een beproeving voor hun geloof moet de dood van Jezus zijn geweest voor Zijn discipelen en gelovige volgelingen! Toen hun Heere en Meester stierf, schenen hun hoop, althans voor de tijd, bijna met Hem gestorven. Dat blijkt uit de woorden van de twee discipelen die naar Emmaüs reisden: Maar wij hoopten, dat Hij was Degene, Die Israel verlossen zou (Lukas 24:21). Hoe schokkend voor hun geloof dat de Heere van het leven ter dood werd gebracht, de Koning van de heerlijkheid met schaamte en schande werd bedekt en dat Hij, Die de hemel van de hemelen niet kon bevatten, in het enge omheinde van een hofgraf lag!
Maar nog een andere gedachte treft ons uit dit vruchtbare onderwerp van geestelijke overdenking: de schijnbare zege van het kwaad en van de machten van de duisternis in de dood en begrafenis van de Heere Jezus. Voor het oog van de zinnen werden waarheid, heiligheid en onschuld alle verpletterd door de arm van het geweld toen Jezus aan het kruis hing. Voor de toeschouwer daar waren al Zijn wonderen van liefde en barmhartigheid uitgedoofd. Zijn woorden van genade en waarheid, Zijn heilige smetteloze leven en Zijn aanspraak de Zoon van God te zijn, de beloofde Messias en de Verlosser van Israël, met elke belofte en elke profetie over Hem, waren verdwenen. Dat gebeurde toen Hij te midden van de triomf van Zijn vijanden in pijn, schaamte en schande Zijn leven gaf.
Wij zien nu dat de gezegende Heere door Zijn bloedvergieten en dood de verlossing heeft bewerkt. Hij heeft het werk voleindigd dat de Vader Hem te doen gaf. Hij heeft de zonde weggedaan door het offer van Zichzelf en de gemeente met God verzoend. Hij heeft over dood en hel getriomfeerd en Satan overwonnen. Hij heeft de wet groot en eerbaar gemaakt, de gerechtigheid verheven en de barmhartigheid ingevoerd. Hij heeft elke schijnbaar strijdige eigenschap van God in overeenstemming gebracht, Zijn hemelse Vader verheerlijkt en miljoenen met een eeuwige zaligheid behouden.
Maar zouden wij dit zo hebben gezien als wij het nu zien, als wij bij het kruis hadden gestaan met de wenende Maria en de diepbedroefde Johannes? Als wij de honende spot van de schriftgeleerden en farizeeën hadden gehoord, het ruwe gelach van de Romeinse soldaten en het spottend geschreeuw van het Joodse gepeupel? Als wij de verduisterde hemel boven ons hadden gezien en de vaste aarde onder onze voeten hadden voelen schudden? Waar zou ons geloof dan zijn geweest? Wat anders dan een wonder van almachtige genade en kracht had het kunnen dragen te midden van zulke wolken van duisternis, zoveel zinnelijke kracht, zo’n menigte van strijdige hartstochten en zo’n tegenstand van ongeloof?
Zo is het altijd geweest en zo zal het altijd zijn in deze tijdelijke staat. Waarheid, oprechtheid, godzaligheid en de zaak van God, als onderscheiden van en tegengesteld aan dwaling en kwaad, hebben altijd de kruisiging geleden. Dat was niet alleen in de Persoon maar ook in het voorbeeld van een gekruisigde Jezus. Het is een goddeloze wereld. Satan, niet Jezus, is haar god en vorst. Daarom hebben niet de waarheid maar de leugen, niet het goede maar het kwade, niet de liefde maar de vijandschap, niet oprechtheid en rechtschapenheid maar sluwheid en bedrog, niet gerechtigheid en heiligheid maar zonde en goddeloosheid de overhand en triomferen zoals bij het kruis.
Dit beproeft het geloof. Maar de verlichting en het geneesmiddel zijn om te midden van deze wolken omhoog te zien naar het kruis en daarop de lijdende Zoon van God te zien. Dan zien wij dat het triomferen van de goddelozen maar voor een ogenblik is. Wij zien dat de waarheid, hoewel zij nu lijdt, met Christus lijdt. En dat zij, zoals Hij stierf en weer opstond, een heerlijke opstanding en een eeuwige zegepraal zal hebben.
Nog een of twee gedachten voordat wij dit deel van ons onderwerp van overdenking afsluiten. Om deel te hebben aan de kroon van Christus moeten wij deel hebben aan het kruis van Christus. Vereniging met Hem in het lijden moet voorafgaan aan vereniging met Hem in heerlijkheid. Dit is het uitdrukkelijke getuigenis van de Heilige Geest: zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden (Romeinen 8:17). En: indien wij met Hem gestorven zijn, zo zullen wij ook met Hem leven; Indien wij verdragen, wij zullen ook met Hem heersen (2 Timotheüs 2:11-12).
Het vlees en de wereld moeten voor ons gekruisigd worden en wij voor hen. Dit kan alleen door de kracht van een levende vereniging met een gekruisigde Heere. Dit deed de apostel zeggen: Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft (Galaten 2:20). En ook: Maar het zij verre van mij, dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onzen Heere Jezus Christus; door Welken de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld (Galaten 6:14).
Een bevindelijke kennis van de kruisiging met zijn gekruisigde Heere deed Paulus het kruis prediken, niet alleen in zijn kracht om te redden maar ook in zijn kracht om te heiligen. Maar zoals toen zo ook nu wordt deze prediking van het kruis gehoond. Het kruis is niet alleen de verdienstelijke oorzaak van alle zaligheid maar ook het middellijke werktuig van alle heiliging. En het woord des kruises is wel dengenen, die verloren gaan, dwaasheid (1 Korinthe 1:18).
Zoals mensen een andere weg van zaligheid hebben gevonden dan door het bloed van het kruis, zo hebben zij ook een andere weg van heiligheid ontdekt dan door de kracht van het kruis. Of liever, zij hebben gehoorzaamheid, vruchtbaarheid, zelfverloochening, het doden van de werken van het lichaam en de kruisiging van het vlees en van de wereld geheel terzijde gesteld. Men zegt dat uitersten elkaar raken. En zeker kunnen mensen met de meest tegengestelde opvattingen elkaar vinden in het verachten van het kruis en het dwaasheid achten.
De Arminiaan veracht het voor de rechtvaardiging en de antinomiaan voor de heiliging. ‘Geloof en wees heilig’ is voor de laatste een even vreemd geluid als ‘Geloof en wees zalig’ voor de eerste. Maar het woord de heiligmaking, zonder welke niemand den Heere zien zal staat evenzeer geschreven op de poort van het leven als het woord uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof.
Door het kruis, dat wil zeggen door vereniging en gemeenschap met Hem Die daaraan heeft geleden, is er niet alleen een fontein geopend voor alle zonde maar ook voor alle onreinheid: tegen de zonde en tegen de onreinigheid (Zacharia 13:1). Bloed en water stroomden uit de zijde van Jezus toen die door de Romeinse speer werd doorstoken.
Deze zo dierbare bron deelt Hij gul en vrij mee;
door de speer ontsloten stroomde zij uit Zijn hart,
met bloed en met water: het eerste om te verzoenen,
het laatste om te reinigen; de bron is slechts één.
‘Al mijn bronnen zijn in U’ (Psalm 87:7), zei de man naar Gods hart. En terecht mogen wij zijn woorden herhalen. Al onze bronnen: niet alleen van vergeving en vrede, aanneming en rechtvaardiging, maar van geluk en heiligheid, van wijsheid en kracht, van overwinning over de wereld en van het doden van een lichaam van zonde en dood. Van elke nieuwe opleving en vernieuwing van hoop en vertrouwen. Van alle gebed en lof. Van elke nieuwe uitbotting van de ziel, zoals de staf van Aäron, in bloesem en vrucht. Van elk genadig gevoel, geestelijk verlangen, warme smeking, eerlijke belijdenis, smeltend berouw en godzalige droefheid over de zonde.
Al deze bronnen van dat leven dat is met Christus verborgen in God zijn in een gekruisigde Heere. Zo geldt van de gekruisigde Christus: ons, die behouden worden, is het een kracht Gods. En omdat Christus ons is geworden wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing, kunnen wij alleen bij het kruis wijs gemaakt worden tot zaligheid. Alleen daar worden wij rechtvaardig door een vrije rechtvaardigmaking. Daar ontvangen wij van Zijn Geest om heilig te worden en worden wij door bloed en kracht verlost en bevrijd van zonde, Satan, dood en hel.
Er is ook geen andere weg om voor de wet, onze eerste man, dood te worden met dit doel: opdat gij zoudt worden eens Anderen, namelijk Desgenen, Die van de doden opgewekt is, opdat wij Gode vruchten dragen zouden (Romeinen 7:4). Door de doop van de Heilige Geest, waarvan de waterdoop een type en afbeelding is, worden wij gedoopt in Jezus Christus en met name in Zijn dood (Romeinen 6:3). Door Zijn bloedvergieten en dood heeft Hij de wet vervuld en haar vloek gedragen. Zo heeft Hij uitgewist wat er staat: Uitgewist hebbende het handschrift, dat tegen ons was, in inzettingen bestaande, hetwelk, zeg ik, enigerwijze ons tegen was, en heeft datzelve uit het midden weggenomen, hetzelve aan het kruis genageld hebbende (Kolossenzen 2:14).


