Zo zegt ook de wereldling: “Wat een arme domme mensen! Hoe brengen zij hun tijd door met naar de kapel gaan en de Bijbel lezen op hun sombere en zwaarmoedige manier. Godsdienst is op zichzelf best goed, en we moeten allemaal godsdienstig zijn voor we sterven. Maar zij maken er zo veel van. Waarom genieten zij niet meer van het leven? Waarom vermaken zij zich niet meer met de onschuldige en onschadelijke genoegens ervan? Waarom zijn zij niet vrolijker, opgewekter en gezelliger? Waarom hebben zij geen grotere belangstelling voor de dingen die ons zo boeien?”
De wereld verbaast zich zo over ons omdat zij ons niet kent. Daarom kan zij ook niet begrijpen dat wij … verhevener gevoelens, edeler vreugden en wezenlijker verrukkingen kennen dan ooit in de ziel van een wereldling zijn opgekomen!
Christen! Hoe meer u aan het beeld van Christus gelijkvormig wordt en hoe meer u van de wereld wordt afgezonderd, des te minder zal zij u begrijpen. Als wij dichter bij de Heere bleven en meer wandelden in heilige gehoorzaamheid aan de geboden van het evangelie, zouden wij nog meer worden miskend dan nu al het geval is. Het is onze aanpassing aan de wereld die ervoor zorgt dat zij veel van onze bewegingen en handelingen zo goed begrijpt.
Maar als ons doen en laten meer overeenstemde met de gezindheid van Christus, en als wij meer wandelden zoals de Heere wandelde toen Hij hier beneden was, dan zouden wij de wereld in grotere onwetendheid over ons laten dan nu. De verborgen bronnen van ons leven zouden dan meer aan haar oog onttrokken zijn. Ons getuigenis tegen haar zou beslister zijn en onze afscheiding van haar volkomener.
Wij waren niet altijd zo’n stelletje zwaarmoedigen
Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechter hand Gods. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God. (Kolossenzen 3:1-3)
Wat mensen nastreven en waar zij plezier in hebben verschilt even sterk als hun stand of aard. Maar in allen heerst en regeert een leven van zelfzuchtige bevrediging.
Door deze dood nu sterven wij af aan … de dingen van de tijd en van de zintuigen. Wij sterven af aan alles wat de natuurlijke mens bekoort, aan de genoegens en bezigheden van het leven en aan die drukke en rusteloze wereld die ons eens zo vast omarmd hield en ons rond en rond liet draaien in haar duizelingwekkende dans.
Laten wij terugkijken. Wij waren niet altijd zo’n stelletje zwaarmoedigen, zoals de wereld ons noemt. Eens waren wij even vrolijk en uitgelaten als de vrolijkste en uitgelatenste onder hen.
Maar wat waren wij werkelijk en waarachtig met al onze vrolijkheid?
Dood voor God en levend voor de zonde. Dood voor alles wat heilig en goddelijk is en levend voor alles wat ijdel en dwaas is, licht en onbeduidend, vleselijk en zinnelijk, zo niet regelrecht verdorven en afschuwelijk.
Ons natuurlijke leven was bij ons allen een leven van bevrediging van onze zinnen. Bij sommigen van ons draaide het misschien vooral om genot en wereldse vreugde en bij anderen om hebzucht of eerzucht of eigengerechtigheid.
Eens ontplooide de zonde haar overweldigende kracht en lokte ons aan. En wij volgden als de dwaas naar de boeien.
De zonde betoverde ons en wij luisterden naar haar verleidelijke listen.
De zonde hield haar aas voor en wij slikten de haak te gretig en te onbezonnen door.
Maar het zij verre van mij, dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onzen Heere Jezus Christus; door Welken de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld. (Galaten 6:14)
Wandelen naar het vlees
Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest. (Romeinen 8:1)
Wandelen naar het vlees houdt in dat het vlees voor ons uit gaat als onze leider, gids en voorbeeld. Wij volgen het dan op de voet. Waar het ons ook heen sleept of trekt, daar gaan wij achter aan, zoals de naald de magneet volgt.
Wandelen naar het vlees is dus stap voor stap gehoorzamen zonder voorbehoud aan … de geboden van het vlees, de begeerten van het vlees, de neigingen van het vlees en de verlangens van het vlees, in welke gedaante ook, in welk gewaad ook en onder welke naam ook.
Wandelen naar het vlees is voortdurend najagen, begeren en doen wat het vlees behaagt. Het maakt niet uit welk gezicht dat vlees draagt of welk kleed het aantrekt. Het kan gevormd zijn naar de grovere en schaamtelozere manieren van de goddeloze wereld of naar de verfijndere en bedrieglijkere godsdienst van de belijdende kerk.
Maar zijn alleen de grovere en openlijkere zondaars mensen van wie gezegd kan worden dat zij naar het vlees wandelen? Valt niet alle menselijke godsdienst, in al haar vormen en gedaanten, onder de zwaai van dit alles verslindende zwaard? Ja! Ieder die verstrikt is in een vleselijke godsdienst en erdoor wordt geleid, wandelt evenzeer naar het vlees als zij die zich overgeven aan de grovere uitspattingen ervan.
Het is bedroevend maar niet bedroevender dan waar: de valse godsdienst heeft haar duizenden gedood als de openlijke zonde haar tienduizenden heeft gedood.
Naar het vlees wandelen is in de ogen van God hetzelfde. Dat geldt voor de grovere en voor de verfijndere vorm. Alleen al de gedachte is ontzettend!
En Hij heeft u, die eertijds vervreemd waart, en vijanden door het verstand in de boze werken, nu ook verzoend, (Kolossenzen 1:21)
Alle zonden van de mens zijn, vergeleken hiermee, niet meer dan stofjes in een zonnestraal naast deze reuzenzonde van vijandschap tegen God. Een mens kan zich overgeven aan vleselijke genoegens. Hij kan zondigen tegen zijn medemens en hem beroven, plunderen, onderdrukken en zelfs doden. Maar wat zijn die zonden in geestelijk licht vergeleken met de vreselijke en verdoemelijke zonde van vijandschap tegen de grote en heerlijke Majesteit van de hemel?
Dit is een zonde die voortleeft voorbij het graf!
Veel zonden sterven, hoewel hun gevolgen niet, met het lichaam van de mens, omdat het lichamelijke zonden zijn.
Maar deze zonde gaat met hem mee de eeuwigheid in en vlamt op als een machtige vulkaan uit de diepste diepten van de bodemloze put! Ja, het is de zonde van de duivelen zelf. Daarom bindt zij de schuldige mens met hen vast in dezelfde eeuwige ketenen en verwijst zij hem naar dezelfde plaats van kwelling!
O, de onuitsprekelijke vijandschap van het hart tegen de levende God! Alleen al de gedachte is ontzettend!
Hoe volkomen verwoest en geheel verloren moet dan de toestand zijn van de mens die leeft en sterft zoals hij op de wereld kwam … onveranderd, onvernieuwd en niet wedergeboren!
Ik wil niet langer stilstaan bij dit sombere onderwerp en bij dit droevige schouwspel van menselijke goddeloosheid en ellende. Toch is het nodig dat wij het zelf kennen. Wij moeten in onze eigen bitter pijnlijke bevinding een smaak krijgen van deze bittere beker. Dan leren wij de zoetheid kennen van de drinkbeker des heils wanneer de vrije en soevereine genade hem aan onze lippen zet.
Niets dan de machtige kracht van God Zelf kan deze vijand ooit tot een vriend maken!
En Hij heeft u, die eertijds vervreemd waart, en vijanden door het verstand in de boze werken, nu ook verzoend, In het lichaam Zijns vleses, door den dood, opdat Hij u zou heilig en onberispelijk en onbeschuldiglijk voor Zich stellen; (Kolossenzen 1:21-22)
Ik zal u rust geven
Bent u ooit moe … van de wereld, van de zonde, van uzelf, van alles wat onder de hemel is?
Dan hebt u iets nodig dat u rust geeft.
U kijkt naar UZELF. Maar dat is slechts schuivend zand dat heen en weer wordt geslingerd door het rusteloze getij en voortdurend modder en vuil opwerpt. Daar is geen houvast, geen ankergrond en geen rust.
U kijkt naar ANDEREN. Dan ziet u wat de mens is, zelfs de allerbeste mensen in hun beste toestand. Hoe wankelmoedig, hoe onvast en hoe veranderlijk! Hoe zwak, zelfs als zij willen helpen! Zij vergroten uw nood eerder dan dat zij die verlichten. Zelfs als zij u willen bijstaan en troosten in verdriet en smart, is hun arm te kort om te helpen en hun hulp te onbevredigend om te verlichten. Daar vindt u geen rust.
U steunt op de WERELD. Maar dat is slechts een gebroken riet dat in uw hand dringt en die doorboort. Daar vindt u geen rust.
Waar u ook kijkt: er is geen rust voor uw voetzool.
Maar er is wel een rust. Onze gezegende Heere zegt: Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven. (Mattheüs 11:28)
want dat hoog is onder de mensen, is een gruwel voor God. (Lukas 16:15)
De hoogmoed, de eerzucht, de genoegens en de vermaken waarin wij duizenden en tienduizenden zien opgaan, terwijl zij de stroom af varen naar een vreselijke afgrond van de eeuwigheid, zijn allemaal een gruwel in de ogen van God.
Maar zaken als … geloof, hoop en liefde, nederigheid en een gebroken hart, een tere consciëntie en een verslagen geest, droefheid over de zonde, zelfverachting en zelfvernedering, opzien tot Jezus en het kruis opnemen, zichzelf verloochenen en wandelen op het enge en smalle pad dat leidt tot het eeuwige leven, kortom de kracht van de godzaligheid: dit alles wordt door allen veracht. Door niemand zo sterk als door louter verstandelijke belijders die de naam hebben dat zij leven terwijl zij dood zijn.
want dat hoog is onder de mensen, is een gruwel voor God. (Lukas 16:15)
Onweerstaanbaar aangetrokken
Naarmate de Heere zijn verstand wil verlichten, ziet de christen … zo’n schoonheid, zo’n zaligheid, zo’n hemelse zoetheid, zo’n goddelijke lieflijkheid, zo’n volheid van overweldigende genade, zo’n tedere neerbuigendheid, zo’n onvermoeide lankmoedigheid en zo’n oneindig erbarmen in de Heere van leven en heerlijkheid. Daarom wordt hij als het ware onoverwinnelijk en onweerstaanbaar door die aantrekkelijke invloeden naar Zijn voeten getrokken om van Hem te leren.
Voor zover de Heere Zich in enige mate aan zijn ziel wil openbaren, krijgt hij zoete glimpen en blikken van Zijn Persoon en aangezicht. Dan wordt hij door koorden van liefde tot Zijn gezegende Majesteit getrokken. Hij ziet tot Hem op en smeekt Hem Zijn woord met leven en kracht in zijn hart te laten neerdalen.
De voornaamste zonden van de vrouw
Ten zelfden dage zal de HEERE wegnemen het sieraad der kousebanden, en de netjes, en de maantjes. De reukdoosjes, en de kleine ketentjes, en de glinsterende kledingen, De hoofdkroning, en de armversierselen, en de bindselen, en de reukballetjes, en de oorringen, De ringen en de voorhoofdsierselen, De wisselklederen, en de manteltjes, en de hoedjes, en de buidels, De spiegels, en de fijn-linnen deksels, en de hulledoeken, en de sluiers. (Jesaja 3:18-23)
Als de Heere zal afgewassen hebben den drek der dochteren van Sion (Jesaja 4:4)
Deze dochters van Sion zijn typische vertegenwoordigsters van vrouwen die godzaligheid belijden in alle tijden. De Heere keek naar hun hart en naar de beweegredenen achter hun opzichtige kleding. Daar zag Hij hoogmoed, weelde, liefde voor kleding en bewondering, de voornaamste zonden van de vrouw. En dat alles was in Zijn ogen niets dan drek!
Maar ik wil niet te hard zijn voor de vrouwen. Daarom zeg ik dat wij mannen onze verborgen vuilheid in even grote of zelfs grotere mate hebben dan zij. In ons zijn … veel heimelijke en machtige begeerten, veel huichelarij, eigengerechtigheid, hoogmoed en velerlei andere zondige en zinnelijke gruwelen.
U bent niet van uzelf!
Want gij zijt duur gekocht: zo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uw geest, welke Godes zijn. (1 Korinthe 6:20)
Uw ogen zijn niet van uzelf. U mag er uw begeerten niet mee voeden. U mag niet rondlopen te gapen en te staren en in elke etalage te kijken om de mode van de dag te zien. U mag er niet de heersende hoogmoed van het leven mee leren kennen en zo voedsel opdoen voor uw ijdele geest. Dan begeert u wat niet past bij uw belijdenis of u besteedt uw geld verkeerd of u raakt teleurgesteld omdat u het niet kunt betalen.
Uw oren zijn niet van uzelf. U mag er niet naar elk dwaas verhaal mee luisteren. U mag niet elk politiek, wereldlijk of vleselijk bericht indrinken dat erin valt. Zo voedt u die natuurlijke lust naar nieuws, roddel en zelfs laster die het eigenlijke element is van de vleselijke gezindheid.
Uw tong is niet van uzelf. U mag er niet mee zeggen wat u wilt en eruit flappen wat er maar omgaat in de kamers van uw hart, zonder terughoudendheid of vrees.
Uw handen zijn niet van uzelf. U mag ze niet gebruiken als werktuigen van het kwaad. U mag ze alleen gebruiken om er een eerlijk bestaan mee te verdienen. Onze handen zijn ons niet gegeven voor de zonde maar voor godvruchtig gebruik.
Uw voeten zijn niet van uzelf. U mag er niet mee wandelen op de wegen van de wereld. Zij mogen u niet dragen naar plaatsen waar allen om u heen bezig zijn met ijdele en zondige bezigheden.
Alles moet gehouden worden volgens de beschikking van God en met besef van onze verplichtingen aan Hem.
Maar misschien zult u in de opstand van uw vleselijke gezindheid zeggen: “Wat een beperking legt dit ons op! Mogen wij dan niet kijken met onze ogen zoals wij willen, horen met onze oren zoals wij verkiezen en spreken met onze tong zoals wij kiezen? Wilt u ons pad zo vernauwen dat wij niets van onszelf mogen hebben, zelfs onze tijd of ons geld niet, ons lichaam of onze ziel niet? Wij mogen toch zeker af en toe een beetje genieten, een beetje ontspanning en vakantie hebben en een beetje verademing van dat altijd zo strenge en zo godsdienstige? Wij mogen toch onze vleselijke gezindheid een beetje voeden, want die kan al deze beperking niet verdragen?”
Wel, maar wat haalt u over uzelf af met … het dwalende oog, de dwaze tong, de losse hand en de afdwalende voet?
Duisternis, slavernij, schuld, ellende en dood!
“Maar,” zegt u, “wij mogen niet zo strak vastgebonden worden! Wij hebben evangelische vrijheid maar u wilt ons zelfs die niet gunnen!”
Ja, God zij geprezen, er is evangelische vrijheid. Want zonder haar is er geen echt geluk in de godsdienst. Maar het is geen vrijheid om te zondigen en niet de vrijheid om de lusten van het vlees te bevredigen. Het is ook niet de vrijheid om te handelen tegen het evangelie dat wij belijden en tegen de geboden van Gods Woord. Want dat is geen vrijheid maar bandeloosheid.
Want gij zijt duur gekocht: zo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uw geest, welke Godes zijn. (1 Korinthe 6:20)
Zoekt u grote dingen voor uzelf?
En zoudt gij u grote dingen zoeken? Zoek ze niet (Jeremia 45:5)
O, de hoogmoed van het mensenhart! Hoe werkt hij en laat hij zich zien, zelfs onder de schijn van godsdienst en heiligheid!
Weinigen zien dat in de godsdienst wat als groot wordt beschouwd in werkelijkheid heel klein is. En wat als klein wordt beschouwd is in werkelijkheid heel groot. Hoe weinigen zien dat … een gebroken hart, een verslagen geest, een nederige gezindheid, een tere consciëntie en een zachtmoedig, stil en lijdzaam dragen van het kruis in Gods ogen groot zijn. Hetzelfde geldt voor een gelovige overgave en berusting in de wil van God en voor een opzien tot Hem alleen voor alle voorziening in voorzienigheid en genade. Ook een voortdurend zoeken van Zijn aangezicht hoort daarbij en een verlangen naar niets zozeer als de bezoekingen van Zijn gunst. Zo ook een liefdevolle, hartelijke, verdraagzame en vergevende geest en het dragen van onrecht en smaad zonder wraak. Hetzelfde geldt voor een milddadig hart en een milde hand en voor een godvruchtig, heilig en afgescheiden leven en wandel.
Een kennis van de leer, een helder inzicht in de verborgenheden van het evangelie en een vlotte spraak zijn daarentegen heel kleine dingen. Zij worden vaak naast en hand in hand gevonden met een hoogmoedige, hebzuchtige, wereldse en onvernederde geest en een leven in wat zondig en slecht is.
Hoeveel predikanten zoeken naar grote gaven! Zij dorsten naar populariteit, applaus en aanzien onder de mensen. Zij zijn niet tevreden met alleen en uitsluitend te zijn wat God hen door Zijn Geest en genade wil maken.
Zij zijn niet tevreden met de zegen die Hij hen laat zijn voor een verspreid handjevol hier en daar. Deze mindere positie, zoals zij die noemen, staat beneden hun genade en gaven, hun talenten en bekwaamheden. Zij bevredigt hun rusteloze geest en hun streven naar hogere dingen niet.
Hun eerzucht is … aan het hoofd van hun collega’s te staan, als leider en gids te worden bewonderd en gezocht, een groter gebouw te hebben, een volle kerk, een beter salaris en een ruimer terrein om hun gaven en bekwaamheden te tonen. Dolgraag zouden zij … boven alle anderen uitsteken, geen mededinger dulden naast hun “kanseltroon” en overal in binnen- en buitenland de opperheer zijn.
En wat is het gevolg van deze hoogmoedige, eerzuchtige geest? Wat een nijd, wat een jaloezie en wat een kleinering zien wij bij mannen die boven in de boom willen staan! Hoe proberen zij telkens weer omhoog te komen door als het ware te staan op de verslagen lichamen van anderen!
En zoudt gij u grote dingen zoeken? Zoek ze niet (Jeremia 45:5)
Wij zouden niet zulke mestkevers zijn!
Namelijk verlichte ogen uws verstands, opdat gij moogt weten, welke zij de hoop van Zijn roeping, en welke de rijkdom zij der heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen; (Efeze 1:18)
Als de Geest de ogen van ons hart maar wilde verlichten! Wat zou dat ons optillen uit de modder en het slijk van deze ellendige wereld! Wij zouden niet zulke mestkevers zijn die een paar strootjes bijeen harken en schrapen of als mieren rondrennen met ons korreltje graan. Wij zouden onze genegenheden meer op de dingen die boven zijn richten. Wij zouden … meer van Christus kennen, meer van Christus genieten, meer op Christus lijken, meer wandelen zoals Christus wandelde en uitzien naar onze heerlijke erfenis.
Als deze dingen met goddelijke kracht in ons hart werden gebracht, hoe zouden zij dan elke bittere beker verzoeten en ons door elk wisselend toneel heen dragen, totdat wij eindelijk boven werden aangebracht! Dan zouden wij de Heere zien zoals Hij is, in de volle volmaaktheid van Zijn oneindige heerlijkheid!
De grootheid van Uw barmhartigheden
Wees mij genadig, o God! naar Uw goedertierenheid; delg mijn overtreding uit, naar de grootheid Uwer barmhartigheden. (Psalm 51:3)
Wat een lieflijke uitdrukking is dit! Hoe brengt zij ons voor de geest dat Gods barmhartigheden niet “druppel voor druppel” vallen. Zij zijn even talloos … als het zand aan de oever van de zee, als de sterren die de middernachtelijke hemel bezaaien en als de regendruppels die de wolken vullen voor zij hun overvloedige buien op de aarde uitstorten.
De grootheid van Zijn barmhartigheden maakt Hem tot zo’n barmhartige God. Hij geeft niet slechts een druppel of twee barmhartigheid, die al snel weg zou zijn zoals de regen die vanmorgen viel onder de hete zon. Nee, Zijn barmhartigheden stromen als een rivier! Er is in Hem … een grootheid van barmhartigheden voor een grootheid van zonden en voor een menigte van zondaars!
Wanneer wij dit voelen en ontvangen in de liefde ervan, breekt het, vernedert het, vermurwt het en doet het smelten het hart van de gevoelige zondaar. Dan zegt hij: “Wat, zondigen tegen zulke barmhartigheden? Wat, terwijl de Heere mij in mijn lage staat heeft gedacht en mij opnieuw een besef van Zijn barmhartigheid heeft geschonken? Wat, zal ik doorgaan met Hem weer te tergen, weer onbetamelijk te wandelen en weer verstrikt te raken in de netten van de satan? O, dat God het verhoede, dat het evangelie het verhoede, dat de tedere consciëntie het verhoede en elke drang van de stervende liefde!”
Wees mij genadig, o God! naar Uw goedertierenheid; delg mijn overtreding uit, naar de grootheid Uwer barmhartigheden. (Psalm 51:3)
Kan Christus iemand als ik liefhebben?
Opdat gij ten volle kondet begrijpen met al de heiligen, welke de breedte, en lengte, en diepte, en hoogte zij, En bekennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat (Efeze 3:18-19)
Soms verwondert u zich, en het is een wonder dat de hemel zelf zal vervullen met lofgezangen voor eeuwig, hoe zo’n heerlijke Jezus ooit uit de hemel kan neerzien op zulke kruipende reptielen, op zulke aardwormen. Sterker nog: op zulke zondaars die Hem telkens weer met hun wandaden hebben getergd. Ja, hoe deze verhoogde Christus in de hoogte van Zijn heerlijkheid neerziet op zulke arme, ellendige, ongelukkige schepselen als wij. Dat is de verborgenheid die de engelen met verbazing vervult!
Wij voelen dat wij zulke kruipende reptielen zijn, zulke onwaardige schepselen en zo volstrekt onwaardig de minste aandacht van Hem, dat wij zeggen: “Kan Christus iemand als ik liefhebben? Kan de heerlijke Zoon van God een oog van medelijden en ontferming, liefde en tederheid slaan op iemand als ik? Ik kan mijzelf soms nauwelijks verdragen en ik zie en voel dat ik een van de laagste van de lage ben en een van de slechtste van de slechte. O, wat moet ik zijn in de ogen van de heerlijke Zoon van God?”
En toch zegt Hij: Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde (Jeremia 31:3). Zijn liefde heeft onbekende breedten en lengten en diepten en hoogten!
Haar breedte overtreft elke menselijke maat. Haar lengte overtreft elke lijn van schepselen. Haar diepte gaat elke eindige meting te boven. Haar hoogte overtreft zelfs de berekening van engelen!
Doordat Zijn liefde … zo wonderlijk is, zo diep, zo lang, zo breed en zo hoog, past zij zo goed bij al onze nood en ons leed.
Opdat gij ten volle kondet begrijpen met al de heiligen, welke de breedte, en lengte, en diepte, en hoogte zij, En bekennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat (Efeze 3:18-19)
Het beste sieraad van een vrouw
Welker versiersel zij, niet hetgeen uiterlijk is, bestaande in het vlechten des haars, en omhangen van goud, of van klederen aan te trekken; Maar de verborgen mens des harten, in het onverderfelijk versiersel van een zachtmoedigen en stillen geest, die kostelijk is voor God. (1 Petrus 3:3-4)
Deze “verborgen mens des harten” is die … zachtmoedigheid, stilheid, vriendelijkheid, gebrokenheid van hart, verslagenheid van geest, nederigheid van gemoed en tederheid van consciëntie die passen bij de kinderen van God.
Een zachtmoedige en stille geest is het beste sieraad van een vrouw.
Wat andere opzichtige en onbetamelijke versierselen betreft: laat hen die dragen die willen dienen en genieten … de begeerlijkheid des vleses, en de begeerlijkheid der ogen, en de grootsheid des levens.
Laat de “dochters van Sion” tonen dat zij andere sieraden hebben dan die de wereld bewondert en goedkeurt. Laat hen begeren … de onderwijzingen van God, de glimlach van Zijn liefde en het gefluister van Zijn gunst. Hoe meer zij hiervan hebben, des te minder zullen zij zich bekommeren om de opschik waar de “dochters van Kanaän” zo dol achteraan lopen. Daarmee verarmen zij zichzelf vaak. En door een weg te openen voor bewondering openen zij maar al te vaak een weg voor verleiding en ondergang.
O, jij vuil schepsel!
Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? (Romeinen 7:24)
Ongetwijfeld hebt u uw vijanden. Dat hebben wij allemaal.
Maar ik zal u zeggen waar u een vijand hebt, en een grotere vijand dan u ooit in anderen hebt gevonden: uzelf! Ik heb vaak gevoeld dat ik mijzelf in vijf minuten meer kwaad kon doen dan al mijn vijanden in vijftig jaar. Ik hoef niet te vrezen wat anderen kunnen doen of zeggen. Ik vrees mijzelf meer dan hen allen, omdat ik weet wat ik ben als zondaar, hoe sterk de zonde is en hoe groot de macht van de verzoeking.
Wees er zeker van dat u de ergste vijand bent die u ooit hebt gehad … uw zonde, uw begeerte, uw hebzucht, uw hoogmoed en uw eigengerechtigheid.
God Zelf zal u uw vijand doen voelen. U zult iets zien van de vervloekte plannen van die vijand. U zult zien hoe de zonde u heeft bedrogen en verraden, schuld op uw consciëntie heeft gebracht en u tot een last voor uzelf heeft gemaakt. U zult ertoe gebracht worden te voelen en te zeggen: “Er is niets wat ik zo haat als mijn eigen verdorven hart, mijn eigen vreselijk verdorven natuur. O, wat een vijand draag ik in mijn eigen boezem! Van al mijn vijanden is hij zeker de ergste! Van al mijn tegenstanders is hij de sluwste en de sterkste!”
Hebt u soms niet gevoeld alsof u uw begeerten bij de nek kon grijpen en hun koppen tegen een steen kon verbrijzelen? Hebt u niet gevoeld dat u dit verdorven, verdoemelijke hart uit uw borst kon nemen, op de grond leggen en erop stampen? En wanneer u verzocht werd met … hoogmoed of ongeloof, ongodsdienstigheid of godslastering of een andere hatelijke begeerte, hoe hebt u dan telkens weer met angst in uw geest uitgeroepen: “O, dit hart van mij!”
Wij haten onze zonden en zouden er, als het kon, niets meer mee te maken willen hebben. Wij zouden tegen deze begeerte, deze afgod of deze verzoeking zeggen: “O, jij vuil schepsel! Wat ben je een vijand van mijn ziel! O, kon ik voorgoed van je af zijn!”
Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? Ik dank God, door Jezus Christus, onzen Heere. (Romeinen 7:24-25)
U hebt nooit geweten wat echt geluk was!
Eén valse beschuldiging tegen de kinderen van God is dat zij een armzalig, zwaarmoedig en ongelukkig volk zijn. Zij zouden … niets van geluk weten en alle opgewektheid, vrolijkheid en blijdschap afzweren. Zij zouden hun hoofd hangen als een bies hun hele leven lang, vol ongegronde angsten zitten en de somberste gedachten koesteren in een soort zwaarmoedigheid. Zij zouden anderen het geringste genot en geluk misgunnen en proberen iedereen even saai en ellendig te maken als hun eigen saaie en ellendige zelf.
Is dit geen valse beschuldiging?
U weet dat u nooit enig echt geluk hebt gehad in de dingen van de tijd en van de zintuigen. U weet dat er onder al uw “gespeelde vrolijkheid” echte somberheid was. U weet dat elke “zoetigheid” doordrenkt was van bitterheid en dat verdriet gestempeld stond op alles wat genot en vermaak heet.
U hebt nooit geweten wat echt geluk was totdat u de Heere leerde kennen en gezegend werd met Zijn tegenwoordigheid en enige openbaring van Zijn goedheid en barmhartigheid!
Al was hij niet groter dan de pop van een kind
en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen. (Ezechiël 36:25)
De afgodendienst heeft een groot bereik. Er zijn “fatsoenlijke” afgoden en “grove” afgoden, net zoals er marmeren beelden zijn en andere voorwerpen van aanbidding die van schelpen en veren zijn gemaakt. En toch blijft elk daarvan een afgod.
Fatsoenlijke afgoden kunnen wij bewonderen en grove afgoden verafschuwen wij. Maar een afgod is een afgod, hoe fatsoenlijk of hoe grof ook, hoe bewonderd of hoe veracht ook.
Maar o, wat zijn deze fatsoenlijke afgoden talrijk!
Geldzucht, eerzucht, hunkering naar menselijke bijval, verlangen om in de wereld hogerop te komen. Dit alles kunnen wij beschouwen als natuurlijke verlangens die wettig mogen worden bevredigd. Maar o, wat voor afgoden kunnen zij blijken te zijn!
Maar er zijn meer verborgen en gevaarlijker afgoden. U kunt een man of vrouw of kind hebben van wie u bijna evenveel houdt als van uzelf. U schenkt deze afgod van u alle genegenheden van uw hart. Niets is te goed voor hem en niets te dierbaar.
U ziet niet in hoe dit een afgod is.
Maar alles wat u meer liefhebt dan God, alles wat u meer aanbidt dan God en alles waar u meer naar hunkert dan naar God, is een afgod.
Hij kan op de loer liggen in de binnenkamers van uw verbeelding. U weet misschien nauwelijks hoe innig u hem liefhebt. Maar laat God die afgod uit uw borst nemen. Laat Hij die afgod uit zijn nis rukken. Dan zult u ontdekken hoe u uw genegenheden achter die afgod aan hebt laten dwalen en hem meer hebt liefgehad dan God Zelf. Pas wanneer de afgod wordt weggenomen, verwijderd en onttroond, leren wij wat voor afgod hij is geweest.
Hoe knuffelen en omhelzen wij onze afgoden!
Hoe kleven wij aan hen!
Hoe vermaken wij ons in hen!
Hoe buigen wij ons voor hen neer!
Hoe zoeken wij bevrediging bij hen!
Hoe weinig beseffen wij welke genegenheden zich om hen heen slingeren. Hoe weinig beseffen wij dat zij opeisen wat God voor Zichzelf heeft gereserveerd toen Hij zei: Mijn zoon! geef mij uw hart (Spreuken 23:26).
Menige huilende weduwe leert voor het eerst dat haar man een afgod was. Menige rouwende man leert voor het eerst hoe al te innig, al te teder en al te afgodisch hij zijn vrouw liefhad. Menigeen weet niet hoe dierbaar hij geld heeft totdat hij een ernstig verlies lijdt. Velen weten niet hoe dierbaar hun naam, faam en goede naam hun zijn totdat een lasterlijke smet die tere plek lijkt te raken. Weinigen schijnen werkelijk te weten hoe dierbaar het ZELF is totdat God het uit zijn nis neemt en Zichzelf daar in zijn plaats zet.
Het zelf, de hoogmoed, de goede naam, de liefde tot geld en de liefde tot naam en faam: deze afgoden kunt u niet meenemen naar de hoven van de hemel. Hoe zou God tot jaloezie bewogen worden als u een afgod zou kunnen meedragen, al was hij niet groter dan de pop van een kind, naar de hoven boven!
en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen. (Ezechiël 36:25)
Uw vuil zal worden weggewassen!
O, wat voelen wij onszelf walgelijke monsters van ongerechtigheid en hoe besmet, vuil en gemeen, wanneer de schuld van onze zonde ons op de consciëntie wordt gelegd! Hebt u uzelf niet soms verafschuwd vanwege uw gruwelen? Hebt u zich niet soms gestoord aan het vuil van uw zonde en aan het openbreken van die verschrikkelijke en altijd stromende riool die u dagelijks met u meedraagt?
Wij klagen, en terecht, over een stinkende riool die door een straat loopt of over een sloot vol walgelijke dingen. Maar voelen wij dat evenzeer en klagen wij er even vaak over bij de vuile riool die voortdurend in onze ziel stroomt en bij de vieze sloot in onze eigen boezem?
Wanneer het zicht op deze open riool ons in de ogen valt en haar stank onze neusgaten binnendringt, vervult het ons met zelfverachting en afschuw van onszelf voor de ogen van een heilig God.
Dan zal Ik rein water op u sprengen, en gij zult rein worden; van al uw onreinigheden en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen. (Ezechiël 36:25)
Filippenzen 3:7
Maar hetgeen mij gewin was, dat heb ik om Christus’ wil schade geacht. (Filippenzen 3:7)
Hieronder valt het verlies … van al uw ingebeelde heiligheid, al uw geroemde kracht, al uw natuurlijke of verworven wijsheid en al uw opgeblazen kennis. Kortom, van alles in de schepselgodsdienst waarop het hart trots is en waarin het behagen schept.
Alles, alles moet om Christus’ wil als schade worden geacht. Alles, alles moet worden opgeofferd aan Zijn bloedende, stervende liefde.
Onze dierbaarste vreugden, onze innigste hoop en onze meest gekoesterde afgoden moeten allemaal wegzinken en wijken voor de genade, het bloed en de liefde van een mens geworden God.
Vreemdelingen en pelgrims
en hebben beleden, dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren. (Hebreeën 11:13)
U voelt zich een vreemdeling in deze goddeloze wereld. Het is niet uw element en niet uw thuis. U bent erin gedurende Gods vastgestelde tijd. Maar u zwerft door deze wereld als een vreemdeling … voor haar gezelschap en haar stellingen, haar mode en haar beginselen, haar beweegredenen en haar begeerten, haar neigingen en alles waarin deze wereld zich beweegt als in haar eigen element.
De genade heeft u door Gods onderscheidende kracht afgezonderd, zodat u wel in de wereld bent maar niet van haar. U voelt u hier een vreemdeling, zoals David zegt: een vreemdeling bij U, een bijwoner, gelijk al mijn vaders (Psalm 39:13).
Ik zeg het u rechtuit … Voelt u zich thuis in de wereld en zijn de dingen van de tijd en van de zintuigen uw element? Voelt u zich één met … het gezelschap van de wereld, de stellingen van de wereld, de mode van de wereld en de beginselen van de wereld? Dan heeft de genade uw hart niet bereikt. Dan woont het geloof van Gods uitverkorenen niet in uw boezem.
Het eerste gevolg van de genade is AFSCHEIDING.
Zo was het bij Abraham. Hij werd door genade geroepen om het land van zijn vaderen te verlaten en uit te gaan naar een land dat God hem zou tonen.
En zo luidt Gods eigen woord aan Zijn volk nu: gaat uit het midden van hen, en scheidt u af (2 Korinthe 6:17).
Afscheiding, afscheiding, afscheiding van de wereld is het grote kenmerk van levende godzaligheid!
Er kan inderdaad een afscheiding van het lichaam zijn zonder afscheiding van het hart. Maar wat ik bedoel is … afscheiding van het hart, afscheiding van beginsel, afscheiding van genegenheid en afscheiding van geest.
En als de genade uw hart heeft aangeraakt en u deel hebt aan het geloof van Gods uitverkorenen, dan bent u een vreemdeling in de wereld en zult u door uw leven en gedrag duidelijk maken dat u dat bent.
Maar zij waren ook pelgrims. Dat wil zeggen: reizigers door vermoeiende woestijnen. Zij hunkerden naar huis en bezaten niets waarin zij behagen konden scheppen. Zij voelden de vermoeidheid van een lange reis en verlangden naar rust.
Bent u soms niet bijna uitgeput door … zonde, zelf, beproevingen, verzoekingen en verdrukkingen? Zo erg dat u uw vermoeide lichaam graag in het graf zou leggen opdat uw ziel kon rusten in het zoete genot van de Koning der koningen?
Als dit uw gezindheid is, hebt u iets van de geest van de pelgrim die door een vermoeiend land trekt en verlangt naar … rust, geluk en vrede in een beter vaderland.
Maar nu zijn zij begerig naar een beter, dat is, naar het hemelse. (Hebreeën 11:16)


