Joseph Charles Philpot
J.C. Philpot

De schatten van de goddelijke waarheid

Philpot laat zien hoe weinig wij de menswording van de Zoon van God beseffen. Een zondaar die door de Geest van zonde overtuigd is belijdt de Godheid van Christus, want alleen een goddelijk bloed kan verzoenen.

Hoe weinig beseffen wij meestal die goddelijke en hemelse waarheden waarvan wij als christenen belijden dat wij ze geloven! En hoe weinig leven en voeden wij ons er dag in dag uit mee!

Neem bijvoorbeeld die grote en verbazingwekkende waarheid van de menswording van de Zoon van God met haar vele vruchten en gevolgen. Zijn heilige leven op aarde. Zijn lijden in de hof en aan het kruis. Zijn opstanding en hemelvaart en Zijn verhoging aan de rechterhand van God. Dit is het fundament van ons hele geloof en onze hoop en liefde. Het is onze enige toevlucht in leven en sterven en onze enige bron van troost hier en van zaligheid hierna. Hoe weinig wordt het beseft in verhouding tot zijn goddelijke zaligheid!

Zeggen dat wij het niet beseffen is zeggen dat wij ongelovigen zijn. Als het geloof een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet is (Hebreeën 11:1), dan betekent het niet voelen van een vaste grond in de menswording van Gods dierbare Zoon dat wij er geen geloof in hebben. Dan hebben wij ook geen geloof in Hem.

Het is juist andersom. Wij voelen en ontvangen en genieten alleen dan iets wat het voelen en ontvangen en genieten waard is wanneer wij in onze eigen ziel de gevoelde zaligheid beseffen. Het gaat om een Jezus Die leed en Die bloedde en Die stierf en Die begraven werd en opstond. En Die nu aan Gods rechterhand voor ons is als een groten Priester over het huis Gods (Hebreeën 10:21).

Meer nog: wij bidden alleen dan met enig geloof en welgevallen en vinden alleen dan enige toegang en zoetheid bij het naderen tot de troon van genade en krijgen alleen dan enig antwoord op onze smekingen als wij deze gezegende waarheid beseffen. Dat is de waarheid dat de Zoon van God in onze natuur aan de rechterhand van de Vader is. Hij kan en wil zalig maken en wel volkomenlijk degenen, die door Hem tot God gaan (Hebreeën 7:25).

Hoe dieper onze ziel doordrongen wordt van de verborgenheid der godzaligheid, dat God is geopenbaard in het vlees (1 Timotheüs 3:16) en hoe sterker ons geloof de eens gekruisigde maar nu opgestane en verheerlijkte Immanuël omarmt en onze hoop in Hem verankerd is en onze liefde naar Hem stroomt, des te meer worden wij biddend en waakzaam en nederig en teerhartig en berouwvol en geestelijk gezind. Des te meer zal elke genadevrucht zichtbaar worden en toenemen in ons hart en onze woorden en ons leven.

Niemand is daarom de naam christen waardig die niet gelooft en niet geestelijk in zijn eigen ziel beseft Wie en wat de Heere Jezus is: Gods dierbare Zoon in ons vlees. Hoe meer hij Hem als zodanig gelooft en hoe meer hij ontvangt uit Zijn volheid, in Wie het de Vader behaagd heeft dat in Hem al de volheid wonen zou (Kolossenzen 1:19), des te meer verheerlijkt hij Hem en wordt hij aan Zijn beeld gelijkvormig.

En toch beseffen wij meestal slechts op bepaalde tijden en momenten wie en wat Jezus is. Alleen dan behalen wij een merkbare overwinning op het kwaad van ons hart en de macht van de zonde en de strikken van de wereld en de aanvallen van Satan. Het is waar dat het geloof nooit uit het hart verdwijnt als God het daar eenmaal door Zijn hand heeft ingeplant. Maar in zijn werking lijkt het vaak verborgen of in slaap te zijn.

Toch is het geloof een levend geloof als het slaapt en ook als het uit de volheid van Christus genade op genade ontvangt en aan de borsten van de vertroosting zuigt. Dat is als bij een baby die in de wieg slaapt. Dat kind leeft evenzeer als wanneer het aan de moederborst voeding krijgt.

Toch komen wij weer terug bij ons uitgangspunt. In vergelijking met wat er te geloven en te kennen en te voelen valt voelen en beseffen wij betrekkelijk weinig van de menswording van de Zoon van God. Hoe vurig verlangde Paulus: Opdat ik Hem kenne, en de kracht Zijner opstanding (Filippenzen 3:10). Het was alsof alles wat hij wist slechts een druppel was in vergelijking met de oceaan.

Hoe vurig bad hij voor zijn geliefde Efeziërs: Opdat gij ten volle kondet begrijpen met al de heiligen, welke de breedte, en lengte, en diepte, en hoogte zij en bekennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot al de volheid Gods (Efeze 3:18-19).

Hij is de Zoon van de Vader en gelijk aan Hem en eeuwig als Hij. Toch lag Hij werkelijk als baby in de kribbe van Bethlehem. Hij liep werkelijk over deze bezoedelde aarde als een Man van smarten, en verzocht in krankheid (Jesaja 53:3). Hij had honger en dorst en kreunde en weende en zweette grote bloeddruppels. Hij droeg alles wat de mensgeworden God kon dragen met precies genoeg kracht en niets te veel. Toen Hij door Zijn bloedvergieten aan het kruis het ene en enige offer voor de zonde had gebracht legde Hij gewillig Zijn leven af om het weer te nemen.

Kunnen wij dan zeggen dat wij in deze lijdende en opgestane Godmens het duizendste of miljoenste deel beseffen van de genade en heerlijkheid? Van de zaligheid en vrede en vreugde en vrijheid en liefde die in Hem liggen opgeslagen en uit Hem vloeien? Wie van ons kan dat zeggen?

Bedenk eens welke vruchten er al uit de opgestane Immanuël in de harten van de heiligen zijn gevloeid. Door het geloof in Hem als de vleesgeworden God hebben martelaren de dood in zijn meest verschrikkelijke gedaanten onder ogen gezien. Zij doorstonden geduldig en zelfs verheugd de uitgezochtste folteringen die de duivelse boosaardigheid in de hel of buiten de hel kon bedenken. Door het geloof in Hem als Godmens hebben duizenden wanhopige zondaren vergeving en vrede gevonden.

Het ziekbed vol pijn en kwijning is verlicht. Ook de eenzame zolderkamer van armoede en gebrek en de kankerafdeling van een ziekenhuis en de muren van het armenhuis zijn verlicht door de stralen van het kruis. Zo had ziekte geen verdriet meer en de dood geen angel en het graf geen schrik. Kelly zegt het in zijn mooie en bevindelijke taal zo:

„Het kruis neemt onze schuld weg. Het houdt de bezwijkende geest omhoog. Het verheugt de sombere dag met hoop en verzoet elke bittere beker.

Het maakt de lafhartige geest dapper en geeft kracht aan de zwakke arm voor de strijd. Het ontneemt het graf zijn schrik en verguldt het sterfbed met licht.”

Er zijn twee zeer gezegende onderwerpen van geestelijke overdenking die ons in het woord van de waarheid geopenbaard zijn. Het eerste is de Zoon van God in ons vlees: lijdend op aarde en verheerlijkt in de hemel. Het tweede is de gemeente van Christus gezien in haar verhouding tot deze eens lijdende en nu verheerlijkte Immanuël. Wat zijn dit gezegende onderwerpen voor overdenking en onderzoek van de Schriften en geloofsbeschouwing en zoete bevindelijke verwerkelijking!

Wij voelen dat alles wat ons aanzet om de Schriften te onderzoeken zeer nuttig is. Dat geldt ook voor alles wat ons aanzet om voorbij de oppervlakte door te dringen tot de schatten van goddelijke waarheid die daarin zijn opgeslagen. En vooral voor alles wat ons de kracht en zaligheid laat voelen van de eenheid met Christus. Door een levend geloof wordt ons daarin de tegenwoordige genade en toekomstige heerlijkheid van die eenheid werkelijk.

Wij voelen dat er in onze dagen hierin een groot gebrek is bij de meesten die God vrezen. Zij hebben een paar hoopvolle gedachten en veel vrees. Zij hebben een besef van hun ondergang en ellende. Soms hebben zij zoete blikken op de toereikendheid en geschiktheid en het bloed en de genade en liefde van de Heere Jezus. Maar zij schijnen niet te beseffen of zelfs te zoeken wat Hij in Zichzelf is voor hen die in Zijn naam geloven.

Zij moeten de Schriften onderzoeken als naar verborgen schatten omdat deze van Hem getuigen. Zij moeten zich bij de troon van genade vervoegen om een openbaring van deze goddelijke Zaligmaker aan hun harten. Zij moeten door een levend geloof een ingang zoeken in het geheimenis van Zijn heerlijke Godheid en lijdende menselijkheid. Zo brengt de gezegende Geest ze voor hun ogen en in hun ziel.

Zij moeten zich tot Hem wenden als tot een eeuwig levende en eeuwig liefhebbende Middelaar en Voorspraak aan de rechterhand van de Vader. Zo ontvangen zij voorraden van kracht en troost uit Zijn volheid. Hoe tekort schijnen de meesten hierin te schieten!

Stel dat een rijke en vrijgevige vriend een grote som geld bij een bankier voor ons zou storten. Hoe gretig zouden wij dan zijn om op te nemen wat onze behoeften vereisen! Helaas hoe traag en terughoudend zijn wij en hoe ongelovig. Soms zijn wij bijna onwillig om naar de enige voorraadkamer van genade en kracht te gaan. Hij is onze enige hoop en hulp voor de voorziening in onze geestelijke behoeften. Het moet wel genade zijn en genade alleen die ons onze behoefte doet voelen. Zij toont ons bij Wie de voorraad is en wekt gebed en verlangen ernaar op. Daarna schenkt zij wat nodig is!

Mensen ontkennen de waarheid of spelen er lichtvaardig mee of staan er onverschillig tegenover. Dat komt doordat zij geen dringende persoonlijke behoefte eraan voelen!

Kijk nu naar de Godheid van Christus als een waarheid die de Heilige Geest moet openbaren. Immers niemand kan zeggen, Jezus den Heere te zijn, dat wil zeggen in Hem geloven en Hem aanbidden als God, dan door den Heiligen Geest (1 Korinthe 12:3). Neem alle bezwaren aan die de rede en het ongeloof samen kunnen inbrengen. Wie niet op dit punt verzocht en beproefd is heeft geen idee hoe krachtig en door geen menselijk argument te overwinnen die bezwaren zijn.

Maar laat ze bergenhoog zijn en oceaandiep. Zodra een diep besef van behoefte in de ziel gevoeld wordt zijn ze al gauw weggevaagd of is althans hun kracht gebroken. Zie die ellendige zondaar in het stille uur van de nacht in het bed daarginds. Hij wordt bijna tot wanhoop gedrukt door een schuldig geweten. Zie hem kronkelen en beven onder de toorn van God.

Wat zal dit schuldige geweten tot rust brengen? Onderzoek en beproef de hele schare van plichten en riten en vormen en ceremonies. Kan een daarvan of kunnen ze alle samen deze bevende zondaar oprichten of vrede spreken tot dit verontruste geweten? Hoe zullen vergeving en genade en aanneming en verzoening daarin binnenkomen? Eén druppel van de toorn van God en één steek van de hel in het geweten heeft in een ogenblik alle spitsvondigheden van de rede en alle argumenten van het ongeloof tot zwijgen gebracht.

Een zondaar die door de gezegende Geest werkelijk van zonde overtuigd is twijfelt niet aan de Godheid van Christus. Wij zeggen niet dat er geen vurige pijlen over zijn ziel kunnen schampen. Satan zal zo iemand lastigvallen met alle artillerie van de hel. Maar neem hem in zijn ogenblikken van geestelijke nood. Hoewel hij zelf misschien denkt dat hij geen geloof heeft is hij toch een vaste gelovige in de Godheid van de Zoon van God. Wat hij nodig heeft is immers wat alleen Christus als Zoon van God kan geven. Dat is bevrijding van schuld en wanhoop en de hel uit zijn geweten weggenomen en de hemel erin gebracht.

Hoe vurig roept zo’n bevende zondaar Jezus als de Zoon van God aan om hem te redden en te bevrijden! Hoe verlangt hij naar de toepassing van Zijn verzoenend bloed en de openbaringen van Zijn rechtvaardigende gerechtigheid! Waar zijn nu de ongelovige twijfels die hij misschien eens koesterde? Waar nu het vitten op Zijn Zoonschap van God?

Hij ligt op zijn bed of loopt in zijn kamer heen en weer in oprechte nood. Hoe vurig en oprecht en gelovig kijkt hij nu omhoog naar Christus aan de rechterhand van de Vader. Het is alsof hij zijn verlangens en smekingen in de hemel van de hemelen wil zenden en een antwoord wil neerhalen uit de mond van de vleesgeworden Zoon van God.

Wordt de Godheid van Christus niet uitgedrukt of ingesloten in elk van deze vurige verlangens? Wie kan gebed horen dan God alleen? Wie kan gebed verhoren dan God alleen? Wie kan de gedachten en verlangens van het hart lezen dan God alleen? Met elke smekende ademtocht en met elke blootlegging van het naakte hart voor Hem wordt Christus erkend en aangezien als God. Wat een vervulling is er in het zien en verlangen van deze arme zondaar van die genadige uitnodiging: Wendt U naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde! want Ik ben God, en niemand meer (Jesaja 45:22).

Wat zou het bloed van Christus voor zo’n veroordeelde en schuldige zondaar zijn als het het bloed van een louter mens was? Welke waarde of werking of verdienste of kracht zou erin kunnen zijn om te voldoen of te redden? Wij zeggen het met alle eerbied: als Christus slechts een mens is kan Zijn bloed evenmin van zonde reinigen als het bloed van de misdadigers die naast Hem werden gedood.

Maar Hij is de Zoon van God en God. Ja, Hij is God omdat Hij de Zoon van God is. Daarom lag er oneindige verdienste en de waarde en werking zelf van de Godheid in en op dat bloed. Daarom wast het ons rein van alle zonde (1 Johannes 1:7).

Het is waar dat God niet kan lijden of bloeden of sterven. Maar de menselijke natuur die in innige eenheid met de Persoon van Gods gelijke Zoon was aangenomen kon dat en deed dat. Door deze aanneming waren het handelen en lijden en offer en bloedvergieten en sterven in feite het lijden en offer van de Zoon van God. Zo lagen de verdiensten van de Godheid als het ware in elke druppel van dat kostbare bloed. Zij verrijkten het met de kracht en geldigheid van de Godheid. Als dit niet zo is waar is dan onze hoop?

Als de zonde naar haar aard en wezen zo’n schending van Gods rechtvaardigheid is dat zij niet vergeven kan worden tenzij die rechtvaardigheid voldaan wordt dan moeten wij zoeken en zien wat deze verzoening aan de beledigde rechtvaardigheid kan brengen. Alle gehoorzaamheid van een schepsel is aan zijn Schepper verschuldigd. Dat geldt ook voor het meest verheven schepsel zoals een Gabriël of een Michaël. Zij kan onmogelijk aan een ander schepsel worden overgedragen en het minst van allemaal aan een zondig schepsel.

Als wij dus de Godheid van de Zoon van God ontkennen snijden wij elke straal van hoop af. De verzoening voor de zonde staat of valt met de Godheid van Christus. Ontkennen wij Zijn Godheid dan moeten wij ook de verzoening ontkennen. Want welke waarde of verdienste kan het bloed van een louter mens hebben zodat God er om bereid zou zijn miljoenen zonden te vergeven? De Socinianen zien dit duidelijk in en ontkennen daarom de verzoening helemaal.

Maar als er geen verzoening is en geen offer en geen zoenmiddel voor de zonde waar kunnen wij dan nog vergeving en vrede verwachten? Waarheen wij onze ogen ook wenden er is wanhoop. Wij zouden dan wel de taal van de gevallen engel kunnen overnemen:

„Ik ellendige! Waarheen zal ik vluchten voor oneindige toorn en oneindige wanhoop? Waarheen ik ook vlucht is hel. Ikzelf ben hel! En in de diepste diepte dreigt een nog diepere diepte mij altijd te verslinden en gaapt wijd open. Daarbij lijkt de hel die ik lijd een hemel.”

Maar wanneer wij met het oog van het geloof de Zoon van God zien gehoorzamen aan de wet en door doen en sterven en handelen en lijden genoegdoening geven aan de geschonden rechtvaardigheid van de Allerhoogste en een offer voor de zonde brengen dan zien wij zo’n heerlijkheid en waarde door elke gedachte en elk woord en elke handeling van Zijn lijdende menselijkheid heen ademen. Dan omhelzen wij Hem en alles wat Hij is en heeft met elk verlangen en elke genegenheid van onze wedergeboren ziel.

Al onze godsdienst ligt hierin. Al ons geloof en onze hoop en liefde vloeien naar Jezus Christus en Hem gekruisigd en zijn als het ware in Hem vastgelegd en geconcentreerd. Hebben wij hiervan geen maat in ons hart en geweten dan hebben wij geen godsdienst die de naam waard is. Dan hebben wij niets dat redt of heiligt en niets dat bevrijdt van de schuld en de smet en de liefde en de macht en de praktijk van de zonde. Dan hebben wij niets dat ondersteunt in het leven en troost in de dood en geschikt maakt voor de eeuwigheid.

De weg waarlangs wij tot kennis en geloof in de Godheid van Christus komen is dus eerst het voelen van behoefte aan alles wat Hij als Zaligmaker is en wel als grote Zaligmaker. Daarna volgt een openbaring van Hem door de gezegende Geest aan onze ziel. Wanneer Hij zo wordt geopenbaard en nabij gebracht zien wij met het oog van het geloof Zijn zuivere en volmaakte menselijkheid en Zijn eeuwige Godheid. Die twee onderscheiden naturen zien wij verenigd maar niet vermengd in één heerlijke Persoon: Immanuël, God met ons.

Zolang wij daarmee niet begunstigd zijn kunnen wij de Godheid van Christus in de Schrift zien en er in zoverre in geloven. Maar wij hebben dan niet dat persoonlijke geloof dat zich toe-eigent en waarmee wij met Thomas kunnen zeggen: Mijn Heere en mijn God (Johannes 20:28).

Moge de Heere in tedere ontferming de ogen van ons verstand verlichten. Dan zien wij meer en meer schoonheid en zaligheid in de Zoon van God. Dan leven wij een leven van geloof op Hem en hangen Hem aan met meer vastberadenheid van hart. Dan besteden wij de rest van onze dagen meer tot Zijn eer. En wanneer de dood komt verwelkomen wij zijn slag omdat die onze zielen brengt om Hem van aangezicht tot aangezicht te zien en voor altijd bij Hem te zijn!

„Dorre leer kan ons niet redden en blinde ijver of valse vroomheid evenmin. Het zwakste gebed als daar geloof in is overtreft alle lege begrippen.”

Steun J.C. Philpot

Beste bezoeker,

U kunt jcphilpot.nl steunen met een donatie. Dankzij uw gift kunnen wij deze website blijven onderhouden en beschikbaar houden. Uw bijdrage wordt gebruikt voor de jaarlijkse kosten van hosting en het beheer van de site.

Elke donatie, groot of klein, helpt ons om dit werk voort te zetten. Hartelijk dank voor uw steun!