Zo spreekt de apostel: Maar Christus, de Hogepriester der toekomende goederen, gekomen zijnde, is door den meerderen en volmaakten tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet van dit maaksel, Noch door het bloed der bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed, eenmaal ingegaan in het heiligdom, een eeuwige verlossing teweeggebracht hebbende. (Hebreeën 9:11-12.)
In deze ingang van de hogepriester achter de voorhang op de grote verzoendag zijn er echter verscheidene dingen die onze ernstige aandacht vragen.
1. Laten wij dan allereerst letten op de priesterlijke klederen die hij die dag droeg. Die waren helemaal van zuiver linnen en werden heilige klederen genoemd. Er wordt aan toegevoegd, opdat er reinheid zou zijn onder en buiten: daarom zal hij zijn vlees met water baden, als hij ze zal aandoen. (Leviticus 16:4.) Deze gewassen heilige klederen en dus het reine vlees waren een beeld van de zuivere en heilige menselijkheid van onze gezegende Heere. Daarmee ging Hij in al haar volkomen volmaaktheid de onmiddellijke tegenwoordigheid van God binnen en nam plaats aan Zijn rechterhand om daar voorbede voor ons te doen. (Romeinen 8:34; Hebreeën 7:25.)
2. Maar de hogepriester kreeg de opdracht het Allerheiligste binnen te gaan met een wolk van reukwerk: Hij zal ook een wierookvat vol vurige kolen nemen van het altaar, van voor het aangezicht des HEEREN, en zijn handen vol reukwerk van welriekende specerijen, klein gestoten; en hij zal het binnen den voorhang dragen. En hij zal dat reukwerk op het vuur leggen, voor het aangezicht des HEEREN, opdat de nevel des reukwerks het verzoendeksel, hetwelk is op de getuigenis, bedekke, en dat hij niet sterve. (Leviticus 16:12-13.)
Er ligt hier veel gezegende betekenis in, ook al is zij verborgen in voorbeeld en beeld. De brandende kolen van het koperen altaar waren een beeld van Gods brandende toorn. Het klein gestoten reukwerk stond voor het verbrijzelde lichaam en de verbrijzelde ziel van de lijdende Verlosser. De nevel des reukwerks steeg op uit de brandende kolen en bedekte het verzoendeksel.
De wolk beeldde de verdiensten van het lijden en offer van de Zoon van God uit. Die verzoenden Gods toorn en vulden het hof van de hemel met de zoete reuk van Zijn bloed en gehoorzaamheid, omdat Hij Zichzelven voor ons heeft overgegeven tot een offerande en een slachtoffer, Gode tot een welriekenden reuk. (Efeze 5:2.)
Zoals de typische hogepriester dus in de heilige klederen het Allerheiligste binnenging, zo ging Jezus de hemel binnen in Zijn zuivere en heilige menselijkheid. Zoals de wolk van reukwerk, aangestoken door de brandende kolen, het Allerheiligste vulde en het verzoendeksel bedekte, zo vulden de verdiensten van Jezus de hoven van de hemel en vullen die nog steeds met de aangename geur van Zijn voltooide werk. Zij stegen op uit Zijn lijden onder Gods toorn en Zijn gehoorzaamheid tot de dood. Zo is er een zoet en gezegend verband en een zoete overeenstemming tussen het offer beneden en het reukwerk boven.
3. Dit harmonische verband tussen de twee delen van het Hogepriesterschap van de Heere zien wij nog duidelijker in de bijzondere aanwijzingen aan de typische hogepriester over het sprenkelen van het bloed van het zondoffer, toen hij dat binnen de voorhang had gebracht:
En hij zal van het bloed van den var nemen, en zal met zijn vinger op het verzoendeksel oostwaarts sprengen; en voor het verzoendeksel zal hij zevenmaal met zijn vinger van dat bloed sprengen. Daarna zal hij den bok des zondoffers, die voor het volk zal zijn, slachten, en zal zijn bloed tot binnen in den voorhang dragen, en zal met zijn bloed doen, gelijk als hij met het bloed van den var gedaan heeft, en zal dat sprengen op het verzoendeksel, en voor het verzoendeksel. (Leviticus 16:14-15.)
Het bloed van de var als zondoffer voor hem en zijn huis en het bloed van de bok als zondoffer voor het volk werden beide op en vóór het verzoendeksel gesprenkeld. Wat een treffende en mooie voorafbeelding was dit van het als het ware binnendragen van het bloed van Christus in de tegenwoordigheid van God Zelf! Het werd mystiek en niet werkelijk gesprenkeld op en vóór het verzoendeksel, de genadetroon. Zo zou het altijd pleiten en altijd voor de ogen van de Vader aanwezig zijn.
Zevenmaal werd het gesprenkeld. Dat is een volmaakt getal ten teken van de volmaaktheid van dat bloed van de besprenging. Het werd vóór het verzoendeksel gesprenkeld, zoals het werkelijke bloed van Jezus aan het kruis werd vergoten. En het werd op het verzoendeksel gesprenkeld, zodat er van jaar tot jaar blijvende sporen ervan zouden zijn.
Zo zien wij een gezegend verband tussen het vroegere en het huidige werk van onze grote Hogepriester. Hij kwam van de hemel naar de aarde om de wil van Zijn Vader te doen. Die wil was dat Hij door één offerande voor altijd zou volmaken hen die geheiligd worden. (Hebreeën 10:10-14.) Nadat Hij deze wil had volbracht en het werk had voleindigd dat Hem was gegeven om te doen (Johannes 17:4), is Hij opgevaren in de hoogte en gezeten aan de rechterhand van God. Voortaan verwacht Hij totdat Zijn vijanden gesteld worden tot een voetbank Zijner voeten.
Dat was immers de oude belofte die Hem werd gegeven toen Hij Priester werd in eeuwigheid naar de ordening van Melchizedek: De HEERE heeft tot mijn Heere gesproken: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank Uwer voeten. (Psalm 110:1; Hebreeën 10:12-13.)
III. Nu komen wij bij de geestelijke werking en genadige invloed die het Priesterschap van de Heere Jezus Christus heeft op de bevinding van een christen. Dit is voor ons persoonlijk van het diepste belang. Want alleen voor zover wij in ons eigen hart enige levende bevinding hebben van het Hogepriesterschap van Jezus, hebben wij werkelijke en zaligmakende kennis van de hemelse waarheden die ermee verbonden zijn en eruit voortvloeien en die ons tot nu toe hebben beziggehouden.
Deze bevinding splitst zich echter in twee hoofdtakken die overeenkomen met de twee delen van het priesterschap van de Heere. Toch zijn zij, zoals bij dat priesterschap zelf, nauw en innig met elkaar verbonden en in overeenstemming.
1. Zie dan allereerst het lijden, het bloedvergieten, de gehoorzaamheid en de dood van de Heere Jezus als passend bij onze toestand en situatie als zondaars voor God. Wij beginnen hiermee, want hier en alleen hier ontmoet het kruis ons in onze diepe en wanhopige nood en in onze volkomen verwoeste en verloren staat.
„Genezen worden voordat wij gewond zijn en behouden worden voordat wij verloren zijn” is geen wet en geen evangelie, geen Schrift en geen gezond verstand. Zolang wij niet levend zijn gemaakt voor het geestelijke leven en ons geweten niet is wakker geschud en verontrust door het krachtige binnendringen van het woord, kennen wij niets van verzoenend bloed of rechtvaardigmakende gerechtigheid. Wij willen er ook niets van weten. Het kruis van Jezus is voor ons wat het was voor de ongelovige Jood en de goddeloze Griek: een struikelblok en een dwaasheid.
Wij zijn dood in de zonde of dood in een belijdenis, wat onze godsdienst ook is. Die is dan niet die van het leven van God en ook niet de vrucht van de onderwijzing van de Geest. Maar wanneer wij door levendmakende genade levend zijn gemaakt voor God, worden wij in Zijn licht onderwezen om onze verloren en wanhopige toestand te zien. In Zijn leven voelen wij die als arme, snode, schuldige zondaars, veroordeeld door de wet en door ons eigen geweten.
De vloek van de wet, krachtig ondersteund door het oordeel van ons eigen schuldige geweten, doodt al onze eigen goedheid helemaal. Zij verandert al onze schoonheid in bederf en openbaart Gods toorn tegen de zonde. Zo snijdt zij alle hulp en hoop op zaligheid door onze eigen gerechtigheid af.
Hier staan wij dan in al onze zonde en schuld, blootgesteld aan Gods toorn als een verterend vuur. Waar is nu nog hulp of hoop in onszelf of in enige eigen wijsheid, kracht of gerechtigheid? Maar juist deze toestand van veroordeling bereidt de ziel voor om de verzoening te ontvangen (Romeinen 5:11), de verzoening die door het bloedvergieten en de dood van onze grote Hogepriester is bewerkt.
Wanneer dan het evangelie nabijkomt en zaligheid verkondigt door het bloed van het Lam, worden de ogen van het verlichte verstand gericht op het licht dat rondom en vanuit het kruis schijnt. Als de woorden van waarheid en genade van het evangelie op het oor vallen en op het hart worden toegepast, wordt er in de ziel een mate van geloof opgewekt. Daarmee ziet zij op Jezus, hangend aan het kruis en al haar zonden dragend in Zijn eigen lichaam op het hout. Dit is de eerste werkelijke geloofsdaad op Jezus als onze Hogepriester, Die de zonde wegdoet door het bloed van het kruis.
Maar na vele strijd, vele wisselingen van hoop en moedeloosheid, veel twijfel en vrees, vele gebeden, tranen en smekingen en vele diepe onderzoekingen van het hart wordt Hij door de kracht van God vollediger en gezegender aan de ziel geopenbaard. Dan wordt Zijn bloed duidelijker op het geweten gesprenkeld door het werk en de getuigenis van de Heilige Geest. Dat geeft een diepere en helderder verbondenheid en gemeenschap met een lijdende en bloedende Heere. Terwijl het geloof Hem omhelst in Zijn stervende liefde, reinigt Zijn dierbaar bloed het geweten vollediger van dode werken om de levende God te dienen.
Maar niet de hele levende familie van God is zo hoog begunstigd dat zij deze zoete gemeenschap met de Heere Jezus geniet. Toch kan er een mate van geloof in Hem zijn die minder is dan deze heldere bevestiging. Er kan waar geloof zijn en toch veel twijfel en vrees, veel oefeningen en veel verzoekingen tot ongeloof en afval. Er kan een geloof van aanhangen zijn waar geen geloof van verzekerdheid is, een geloof dat kan steunen maar niet kan beseffen.
De schuld kan zeer zwaar drukken en de zonde met bijna verpletterend gewicht op de ziel liggen. De begeerten en verdorvenheden kunnen zeer sterk zijn, de satan kan ons hevig slaan en de strijd kan zeer lang duren. De overwinning kan soms zeer twijfelachtig lijken.
Dit alles is de beproeving van het geloof, waarmee het wordt beproefd als goud in het vuur. Maar of het geloof nu zwak is of sterk en of de strijd kort is of lang: allen wier ogen goddelijk verlicht zijn om te zien en wier harten genadig geraakt zijn om te voelen, zien uit naar het verzoenende bloed van het Lam. Dat doen zij ook waar veel duisternis het verstand vervult en veel twijfel en vrees de ziel bezit.
In alle gelovigen is een uitzien, een verlangen, een zoeken, een begeren, een zuchten en kermen, een smeken en bedelen, een waken en verwachten van de zaligheid door verzoenend bloed. Dat is er zelfs waar de zoete verzekerdheid van aandeel eraan ontbreekt of het gezegende genot van een bloedende, stervende en liefhebbende Jezus. Het is zeer wenselijk een zoet besef te genieten van Zijn verzoenend bloed dat op het geweten wordt toegepast en van Zijn stervende liefde die door de Heilige Geest in het hart wordt uitgestort. Zonder dat is er immers geen werkelijke gewetensvrede of zekerheid van zaligheid.
Maar het is Zijn eigen vrije gave, geschonken wanneer, hoe en aan wie Hij wil. Wij mogen hen niet afschrijven als ongelovigen wier geloof wel echt maar zwak is, wier hoop wel goed maar bevend is en wier liefde wel oprecht maar vaak getemperd wordt door twijfel en vrees. Want deze twijfels en vrees waarmee zovelen diep beproefd worden betreffen niet het fundament, niet de Persoon, het werk, het bloed, de genade en de geschiktheid van de Heere Jezus. Zij betreffen hun eigen aandeel in het verzoenende offer.
Maar met een offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden. Daarom verzekert elke mate van het heiligende werk en de invloed van de Heilige Geest een geopenbaard aandeel in die ene offerande. Zo zijn de zuchten van de levend gemaakte ziel onder de schuld van de zonde, haar ernstige en oprechte berouw, haar uitzien en verlangen naar geopenbaarde barmhartigheid en haar afscheiding van het kwaad van deze goddeloze wereld bewijzen dat zij de Geest van heiligheid heeft ontvangen.
Dat geldt ook voor elke straal van hoop, elke lichtstraal, elke geloofsdaad, elk bemoedigend woord, elk teken ten goede, elk uitzicht op naderende verlossing en elk uitstrekken van ogen en oren naar de Heere om Zijn verzoenend bloed te zien en Zijn vergevende stem te horen. Al deze gevoelens ontspringen immers aan Zijn verborgen en heilige invloed.
Maar hoe goed deze bewijzen ook zijn, het is niet goed om erin te rusten. De ziel moet doordringen tot gemeenschap met Jezus als haar lijdende Heere. Zij moet streven naar een zoete bevinding van Zijn bloedende, stervende liefde, ja van die volmaakte liefde die alle vrees buitenwerpt, ook de vrees die pijn heeft. Zij mag nooit tevreden rusten voordat zij, omhelsd in de armen van een liefhebbende Heere, met aanbiddende ogen kan opzien en zeggen: „Gij hebt mij liefgehad en U Zelf voor mij overgegeven.”
2. Maar er is ook een bevinding van het huidige werk van Jezus aan de rechterhand van God. Hier is het geloof bijzonder levend, opgewekt door de kracht van God. Bij al ons naderen tot de voetbank van de barmhartigheid voelen wij onze behoefte aan zo’n Middelaar, Voorspraak en Voorbidder als Jezus aan de rechterhand van de Vader is. Hij leeft altijd om voor ons te bidden. Dat doet Hij niet met een hoorbaar gebed maar door de verdiensten van Zijn bloed, die de hemel als met aangenaam en welgevallig reukwerk vervullen.
Hij is voorafgegaan om voor ons een plaats te bereiden. Hij zit aan Gods rechterhand als onze eeuwig levende Middelaar, door Wie wij in één Geest toegang hebben tot de Vader. De Persoon van de Heere Jezus Christus is het grote voorwerp van het geloof. Bij al ons naderen tot de Vader van alle barmhartigheid en de God van alle genade kunnen wij alleen op aangename wijze naderen als wij door Jezus Christus tot Hem komen. Want Hij is de weg, de waarheid en het leven en niemand komt tot de Vader dan door Hem.
Hij is de Middelaar, de enige Middelaar tussen God en de mensen. (1 Timotheüs 2:5.) Maar dat is Hij alleen als Hogepriester, want alleen in die hoedanigheid is Hij de Middelaar des nieuwen testaments. (Hebreeën 12:24.) De taak van het geloof is dus Hem te zien als Degene Die gezeten is aan de rechter hand van den troon der Majesteit in de hemelen (Hebreeën 8:1) en bij al ons naderen tot God alleen naar Hem op te zien als onze Voorspraak bij de Vader.
Dit gelovige zien op Jezus, Die altijd voor ons pleit, zal ons van tijd tot tijd bemoedigen en stoutmoedig maken om voor de troon te komen en daar al onze noden en zorgen uit te spreiden. Onze gezegende Heere heeft ons tot zulk bidden bemoedigd: zo wat gij begeren zult in Mijn Naam, dat zal Ik doen; opdat de Vader in den Zoon verheerlijkt worde. (Johannes 14:13.) En nog eens: Indien gij in Mij blijft, en Mijn woorden in u blijven, zo wat gij wilt, zult gij begeren, en het zal u geschieden. (Johannes 15:7.)
Het geloof hangt aan deze en dergelijke beloften, wetend dat zovele beloften Gods als er zijn, die zijn in Hem ja, en zijn in Hem amen. Elk genadig antwoord moedigt het er meer en meer toe aan nog te pleiten in Zijn alles overwinnende naam. Want zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen (Hebreeën 11:6) en wie wijsheid ontbreekt en die van God vraagt, Die aan allen mild geeft en niet verwijt, moet in geloof vragen zonder te twijfelen. (Jakobus 1:5-6.)
Maar dit geloof ziet niet op zichzelf maar op Jezus, de Middelaar Die altijd voor Zijn volk pleit. Hij biedt hun gebeden en smekingen aan, welriekend gemaakt door de geur van Zijn eigen bloed en gehoorzaamheid.
Zo zien wij welke blijvende invloed de huidige voorbede van Jezus heeft op de bevinding van elke gelovige. Want zonder die voorbede kan hij zelfs voor de verlichting van zijn eigen nood niet op aangename wijze bidden.
Doordat Hij door Zijn eigen bloed eenmaal in het heiligdom is ingegaan, geeft Hij Zijn volk de kracht en het voorrecht om geestelijk en bevindelijk binnen te gaan waar Hij Zelf werkelijk is binnengegaan. Daarom zegt de apostel: Dewijl wij dan, broeders, vrijmoedigheid hebben, om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, Op een versen en levenden weg, welken Hij ons ingewijd heeft door het voorhangsel, dat is, door Zijn vlees; En dewijl wij hebben een groten Priester over het huis Gods; Zo laat ons toegaan met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs, onze harten gereinigd zijnde van het kwaad geweten, en het lichaam gewassen zijnde met rein water. (Hebreeën 10:19-22.)
Wij zijn in onszelf en zullen zolang wij hier zijn altijd arme zondige schepselen blijven. Wij zijn wispelturig in gevoel, wisselend in gemoedstoestand en veranderlijk in genegenheid van dag tot dag en van uur tot uur. Waar kunnen wij dan kracht of bemoediging vandaan halen dan uit de zoete overtuiging dat de Vader niet let op onze zonden en afvalligheden en ook niet op onze gebeden en smekingen om wat zij in zichzelf zijn? Hij ziet voortdurend op Zijn dierbare Zoon aan Zijn eigen rechterhand en neemt ons in Hem aan.
Maar ach, wat zijn wij geneigd deze Middelaar en Voorbidder uit het oog te verliezen, Die altijd de verdiensten van Zijn bloedvergieten en dood voor de troon brengt! Telkens weer raken wij verstrikt in ongeloof of in twijfel en vrees. Hoe weinig en hoe zelden beseffen wij dan de gezegende waarheid dat indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij den Vader, Jezus Christus, den Rechtvaardige en dat Hij een verzoening voor onze zonden is. (1 Johannes 2:1-2.)
Onze beperkte ruimte waarschuwt ons dat wij onze „Overdenkingen” moeten besluiten. Anders zouden wij graag ook de invloed hebben aangetoond die een genadige bevinding van het Hogepriesterschap van Jezus heeft op het leven, het gedrag en de wandel van een ware gelovige. Aan de vrucht wordt de boom gekend. Alleen die ranken die vrucht voor God dragen zijn in zichtbare vereniging met de enige ware Wijnstok. (Johannes 15:5.) De liefde van Christus is het dwingende beginsel van alle heilige gehoorzaamheid. Indien gij Mij liefhebt, zo bewaart Mijn geboden was Zijn laatste opdracht aan Zijn discipelen.
Als Zijn bloedende liefde dus bevindelijk wordt gekend, zal er gelijkvormigheid zijn aan Zijn beeld, gehoorzaamheid aan Zijn wil en een wandelen in Zijn voetstappen. Zoals Zijn stervende liefde de drijfveer geeft, zo verzekert Zijn opgestane leven de kracht. Want Hij heeft gezegd: want Ik leef, en gij zult leven. Opgevaren in de hoogte heeft Hij de gevangenis gevangen genomen, en heeft den mensen gaven gegeven. Zo maakt Hij Zijn volk gewillig op de dag van Zijn kracht door de gezegende Geest uit te zenden als vrucht van Zijn vroegere lijden en Zijn huidige voorbede. En Hij werkt in hen zowel het willen als het werken naar Zijn welbehagen.
Hier besluiten wij dan onze Overdenkingen over het Hogepriesterschap van de Heere Jezus Christus. Moge de God van alle genade glimlachen over onze zwakke poging om die Naam te verkondigen welke boven allen naam is. En aan Hem in Zijn Drie Personen en Eenheid van Wezen zij alle macht en heerlijkheid, majesteit en heerschappij tot in alle eeuwigheid. Amen.


