6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
En welke de uitnemende grootheid Zijner kracht zij, aan ons die geloven, naar de werking der sterkte Zijner macht, die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt; en heeft Hem gezet tot Zijn rechterhand in de hemel.
Efeze 1:19, 20
Het is geen grote verborgenheid dat de Zoon tot de troon der macht Gods moest worden verheven. Het is slechts één schrede van de schoot des Vaders tot Zijn rechterhand. Maar dat Iemand Die onze natuur deelachtig was, tot die zetel van grootheid en macht moest worden verheven; dat de Middelaar tussen God en de mens de mens Christus Jezus moest zijn; dat de handen die eens aan het kruis waren genageld, de scepter moesten voeren, en dat de voeten die eens wandelden op het meer Genesareth, die vermoeid en met stof bedekt rustten aan de fontein Jakobs, die gewassen werden door de tranen ener zondares en door bezoedelde lippen, als bewijs van berouwhebbend smartgevoel, werden gekust – dat diezelfde voeten nu alle dingen aan Zich onderworpen moesten hebben, beide in hemel en op aarde, daarin is de verborgenheid.
En ook welk een voedsel voor het geloof! Het levende huisgezin Gods heeft behoefte aan een levende Zaligmaker; aan Een Die onze gebeden kan horen en verhoren, Die de ziel uit haar angsten kan redden; tot het hart een woord met macht kan spreken, als het gebogen is onder leed en smart; medelijden met hen kan hebben onder grote verzoeking, hen kan ondersteunen onder beproevingen en in donkere wegen; onder duizend ontmoedigingen met Zijn leven in hun ziel hen kan schragen; de treurende weduwe onder verliezen kan helpen; een Vader van wezen kan zijn; bij herhaling in Zijn voorzienigheid Zich vertoont als een Vriend Die hen te allen tijde liefheeft, en als een Broeder voor de tegenspoed geboren; in de dood hen tegenlacht en met Zijn roede en staf hen troost, als zij gaan door de donkere vallei der doodsschaduw, en hen eindelijk veilig doet landen in een gelukkige eeuwigheid.
Hoopt op de Heer, gij vromen!
Is Israël in nood,
er zal verlossing komen:
zijn goedheid is zeer groot.
Hij maakt op hun gebeden
gans Israël eens vrij
van ongerechtigheden.
Zo doe Hij ook aan mij.
Psalm 130:4
Aan de lezer…
Deze woorden over de uitnemende grootheid van Zijn kracht spreken juist tot u wanneer u gebogen gaat onder leed en smart, of onder duizend ontmoedigingen die niemand ziet. Denk dan aan de handen die eens aan het kruis genageld waren, en die nu de scepter voeren; aan de voeten die vermoeid en met stof bedekt bij de fontein Jakobs rustten, en die nu alle dingen onder Zich hebben. Die zo de zwakheid van onze natuur gekend heeft, zit nu aan de rechterhand des Vaders.
Dat is voedsel voor uw geloof. U hebt geen dode Zaligmaker, maar een levende, Die uw gebeden kan horen en verhoren, Die tot uw hart een woord met macht kan spreken en Die medelijden heeft met wie verzocht wordt. Is het donker op uw weg, Hij kan u schragen met Zijn leven in uw ziel. En komt de vallei der doodsschaduw, Zijn roede en staf zullen u troosten, totdat Hij u veilig doet landen in een gelukkige eeuwigheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En welke de uitnemende grootheid Zijner kracht zij, aan ons die geloven, naar de werking der sterkte Zijner macht, die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt; en heeft Hem gezet tot Zijn rechterhand in de hemel.
Efeze 1:19, 20
Het is geen grote verborgenheid dat de Zoon verheven moest worden tot de troon van Gods macht. Van de schoot van de Vader tot Zijn rechterhand is maar één stap. Maar dat Iemand Die onze natuur deelachtig was, tot die zetel van grootheid en macht verheven moest worden; dat de Middelaar tussen God en de mensen de mens Christus Jezus moest zijn; dat de handen die eens aan het kruis genageld waren, de scepter moesten voeren; en dat de voeten die eens over het meer Genesareth wandelden, die vermoeid en met stof bedekt rustten bij de fontein van Jakob, die gewassen werden door de tranen van een zondares en door bezoedelde lippen gekust werden als bewijs van berouwvolle smart — dat diezelfde voeten nu alle dingen aan Zich onderworpen moesten hebben, zowel in de hemel als op aarde: daarin ligt de verborgenheid.
En wat een voedsel is dat ook voor het geloof! Het levende huisgezin van God heeft een levende Zaligmaker nodig. Het heeft Iemand nodig Die onze gebeden kan horen en verhoren, Die de ziel uit haar angsten kan redden, en Die met macht een woord tot het hart kan spreken wanneer het gebogen gaat onder leed en smart. Het heeft Iemand nodig Die medelijden met hen kan hebben in grote verzoeking, Die hen kan ondersteunen in beproevingen en op donkere wegen, en Die hen onder duizend ontmoedigingen met Zijn leven in hun ziel kan schragen. Hij kan de treurende weduwe in haar verliezen helpen en een Vader van wezen zijn. Steeds weer toont Hij Zich in Zijn voorzienigheid als een Vriend Die hen te allen tijde liefheeft, en als een Broeder Die voor de benauwdheid geboren is.
In de dood lacht Hij hen tegen en troost Hij hen met Zijn roede en staf, wanneer zij door het donkere dal van de schaduw des doods gaan, en ten slotte doet Hij hen veilig landen in een gelukkige eeuwigheid.
Hoopt op de Heer, gij vromen!
Is Israël in nood,
er zal verlossing komen:
zijn goedheid is zeer groot.
Hij maakt op hun gebeden
gans Israël eens vrij
van ongerechtigheden.
Zo doe Hij ook aan mij.
Psalm 130:4
Aan de lezer…
Deze woorden over de uitnemende grootheid van Zijn kracht spreken juist tot u wanneer u gebogen gaat onder leed en smart, of onder duizend ontmoedigingen die niemand ziet. Denk dan aan de handen die eens aan het kruis genageld waren en die nu de scepter voeren; aan de voeten die vermoeid en met stof bedekt bij de fontein van Jakob rustten en die nu alle dingen onder Zich hebben. Hij Die de zwakheid van onze natuur zo gekend heeft, zit nu aan de rechterhand van de Vader.
Dat is voedsel voor uw geloof. U hebt geen dode Zaligmaker, maar een levende, Die uw gebeden kan horen en verhoren, Die met macht een woord tot uw hart kan spreken en Die medelijden heeft met wie verzocht wordt. Is het donker op uw weg? Hij kan u schragen met Zijn leven in uw ziel. En wanneer het dal van de schaduw des doods komt, zullen Zijn roede en staf u troosten, totdat Hij u veilig doet landen in een gelukkige eeuwigheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And what is the exceeding greatness of His power to us-ward who believe, according to the working of His mighty power, which He wrought in Christ, when He raised Him from the dead, and set Him at His own right hand in the heavenly places.
Ephesians 1:19-20
It is no great mystery that the Son of God should be exalted to the throne of power. It is but a step from the bosom of the Father to His right hand. But that One in our nature should be exalted to that seat of pre-eminence and power; that the Mediator between God and man should be the man Christ Jesus; that the hands which once were nailed to the cross should now hold the scepter, and that the feet which once walked on Lake Gennesaret, which were weary and dust-soiled at Jacob’s well, which were washed with a sinful woman’s tears and kissed in penitential grief and love with polluted lips—that these very feet should now have all things put under them both in heaven and earth—there is the mystery.
And yet what food for faith. The living family of God need a living Saviour, One Who can hear and answer prayer, deliver out of soul-trouble, speak a word with power to the heart when bowed down with grief and sorrow, sympathize with them under powerful temptations, support them under the trials and afflictions of the way, maintain under a thousand discouragements His own life in their soul, sustain under bereavements the mourning widow, and be a father to her fatherless children; appear again and again in providence as a friend that loves at all times and a brother born for adversity, smile upon them in death, and comforting them with His rod and staff as they walk through the valley of its dark shadow, land them at last safely in a happy eternity.
To the reader…
These words about the exceeding greatness of His power speak to you precisely when you are bowed down under grief and sorrow, or under a thousand discouragements that no one sees. Think, then, of the hands that were once nailed to the cross and that now hold the sceptre; of the feet that rested, weary and covered with dust, at Jacob’s well and that now have all things put under them. He Who knew the weakness of our nature so well now sits at the right hand of the Father.
That is food for your faith. You do not have a dead Saviour, but a living One, Who can hear and answer your prayers, Who can speak a word with power to your heart and Who has compassion on those who are tempted. Is it dark on your way? He can uphold you with His life in your soul. And when the valley of the shadow of death comes, His rod and His staff will comfort you, until He lands you safely in a happy eternity.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y cuál aquella supereminente grandeza de Su poder para con nosotros los que creemos, por la operación de la potencia de Su fortaleza, la cual obró en Cristo, resucitándole de los muertos, y colocándole a Su diestra en los cielos.
Efesios 1:19-20
No es gran misterio que el Hijo de Dios fuese ensalzado al trono del poder. Del seno del Padre a Su diestra no hay más que un paso. Pero que Uno en nuestra naturaleza fuese ensalzado a ese asiento de preeminencia y poder; que el Mediador entre Dios y los hombres sea el hombre Cristo Jesús; que las manos que una vez fueron clavadas en la cruz sostengan ahora el cetro, y que los pies que una vez anduvieron sobre el lago de Genesaret, que estuvieron cansados y cubiertos de polvo junto al pozo de Jacob, que fueron lavados con las lágrimas de una mujer pecadora y besados con labios contaminados en dolor y amor penitentes; que esos mismos pies tengan ahora todas las cosas sujetas debajo de ellos, tanto en el cielo como en la tierra: ahí está el misterio.
Y sin embargo, ¡qué alimento para la fe! La familia viviente de Dios necesita un Salvador viviente, Uno que pueda oír y responder la oración, librar de la angustia del alma, hablar una palabra con poder al corazón cuando está abatido por la pena y la tristeza, compadecerse de ellos bajo tentaciones poderosas, sostenerlos bajo las pruebas y aflicciones del camino, mantener Su propia vida en su alma bajo mil desalientos, sustentar a la viuda que llora en su duelo y ser padre de sus huérfanos; aparecer una y otra vez en la providencia como amigo que en todo tiempo ama y hermano nacido para la angustia, sonreírles en la muerte y, consolándoles con Su vara y Su cayado mientras andan por el valle de su sombra oscura, llevarlos al fin a salvo a una eternidad feliz.
Al lector…
Estas palabras sobre la supereminente grandeza de Su poder le hablan precisamente cuando está abatido por la pena y la tristeza, o bajo mil desalientos que nadie ve. Piense, entonces, en las manos que una vez fueron clavadas en la cruz y que ahora sostienen el cetro; en los pies que descansaron, cansados y cubiertos de polvo, junto al pozo de Jacob y que ahora tienen todas las cosas sujetas debajo de ellos. Aquel que conoció tan bien la debilidad de nuestra naturaleza está sentado ahora a la diestra del Padre.
Ese es alimento para su fe. Usted no tiene un Salvador muerto, sino uno viviente, que puede oír y responder sus oraciones, que puede hablar una palabra con poder a su corazón y que se compadece de los que son tentados. ¿Está oscuro su camino? Él puede sostenerle con Su vida en su alma. Y cuando llegue el valle de sombra de muerte, Su vara y Su cayado le infundirán aliento, hasta que le lleve a salvo a una eternidad feliz.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Mozes’ zegen over Israël
Welgelukzalig zijt gij, o Israël, wie is u gelijk? Gij zijt een volk, verlost door de Heere.
Deuteronomium 33:29
Stelt u zich voor dat u in de straten van Jeruzalem staat, en de eetzaal inkijkt van de rijke man over wie de Heere in de gelijkenis spreekt. Zou u niet zeggen: „Wie is u gelijk, gij rijk en welvarend man? Wie draagt kleren zo zwaar geverfd met koninklijk purper? Wie is in lijnwaad gekleed dat zo wit en zo fijn is? Op wiens tafel staan zulke uitgelezen lekkernijen uitgespreid? Bij wie vloeit er rode wijn in zo’n overvloed en met zo’n smaak in de beker? Wie is u gelijk, gij rijke man, gekleed met purper en zeer fijn lijnwaad, en levende allen dag vrolijk en prachtig”?
En dan draait u zich om en ziet iets heel anders: een bedelaar bij zijn deur, en u zou zeggen: „Wie is u gelijk, o Lazarus? Ge hebt geen vriend om een vod over uw melaatse rug te hangen. Ge hebt geen vrouw, kind of familielid die pleisters of kompressen op uw zweren legt, en u kunt alleen de honden bedanken die het vuil van uw bebloede gezicht likken.
Ge hebt niemand om u zelfs maar een stukje brood te eten te geven, en bent blij dat ge uw hand kunt ophouden om de kruimels op te vangen als ze van de tafel van de rijke man vallen. Wie is aan u gelijk, rijke, in al uw rijkdom en weelde? Wie aan u, Lazarus, in al uw armoede en melaatsheid?”
Laat een paar jaar voorbijgaan; zie nu in de afgrond hieronder: wat ziet u daar? De rijke man in nood, roepend in zijn kwelling om een druppel water om zijn tong te verkoelen. Wie is u gelijk, rijke, nu, onder in de hel, uw tong verdroogd door hitte en dorst, en een onoverbrugbare kloof tussen u en Abrahams borst? Wend uw ogen af van deze angstaanjagende aanblik, en zie omhoog naar de gelukzalige hoven. Wie is nu uw gelijke, arme bedelaar, wiens zweren de honden soms likten en die geen vriend op aarde had? Gij zijt in Abrahams schoot, geniet van Gods glimlachen, en koestert u in de stralen van de Zonne der gerechtigheid de hele eindeloze dag lang!
Lezen: Lukas 16:19-31
Aan de lezer…
Bent u, waarde lezer, in uw eigen ogen meer een Lazarus dan een rijke man? Hebt u weinig vrienden, weinig brood en veel zweren, en ligt u als het ware aan de deur, blij met een kruimel die van de tafel valt? Dan is het u wellicht moeilijk te geloven dat juist u gelukzalig zou zijn. De wereld ziet naar het purper en het fijne lijnwaad, en zegt: „Wie is u gelijk?”
Maar laat een paar jaar voorbijgaan, en het beeld keert geheel om. De rijke roept om een druppel water, en de arme bedelaar ligt in Abrahams schoot en koestert zich in de stralen van de Zonne der gerechtigheid. Zie daarom niet naar wat u hier mist, maar naar wat de Heere voor Zijn verlosten bewaart. Hebt u Hem tot uw deel, dan is uw armoede slechts voor een korte tijd, en uw vreugde zal de hele eindeloze dag lang duren.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Welgelukzalig zijt gij, o Israël, wie is u gelijk? Gij zijt een volk, verlost door de Heere.
Deuteronomium 33:29
Stel u voor dat u in de straten van Jeruzalem staat en naar binnen kijkt in de eetzaal van de rijke man over wie de Heere in de gelijkenis spreekt. Zou u dan niet zeggen: „Wie is u gelijk, gij rijk en welvarend man? Wie draagt kleren zo zwaar geverfd met koninklijk purper? Wie is in lijnwaad gekleed dat zo wit en zo fijn is? Op wiens tafel staan zulke uitgelezen lekkernijen uitgespreid? Bij wie vloeit er rode wijn in zo’n overvloed en met zo’n smaak in de beker? Wie is u gelijk, gij rijke man, gekleed met purper en zeer fijn lijnwaad, en levende allen dag vrolijk en prachtig”?
Dan draait u zich om en ziet iets heel anders: een bedelaar bij zijn deur. En u zou zeggen: „Wie is u gelijk, o Lazarus? U hebt geen vriend om een vod over uw melaatse rug te hangen. U hebt geen vrouw, kind of familielid die pleisters of kompressen op uw zweren legt, en u kunt alleen de honden bedanken die het vuil van uw bebloede gezicht likken.
U hebt niemand om u zelfs maar een stukje brood te eten te geven, en bent blij dat u uw hand kunt ophouden om de kruimels op te vangen als ze van de tafel van de rijke man vallen. Wie is aan u gelijk, rijke, in al uw rijkdom en weelde? Wie aan u, Lazarus, in al uw armoede en melaatsheid?”
Laat er een paar jaar voorbijgaan, en kijk nu in de afgrond beneden: wat ziet u daar? De rijke man in nood, die in zijn kwelling roept om een druppel water om zijn tong te verkoelen. Wie is u nu gelijk, rijke man, onder in de hel, met uw tong verdroogd van hitte en dorst, en een onoverbrugbare kloof tussen u en Abrahams schoot? Wend uw ogen af van dit angstaanjagende gezicht, en kijk omhoog naar de gelukzalige hoven. Wie is nu uw gelijke, arme bedelaar, wiens zweren de honden soms likten en die geen vriend op aarde had? U bent in Abrahams schoot, u geniet van Gods glimlach, en u koestert zich de hele eindeloze dag lang in de stralen van de Zon der gerechtigheid!
Lezen: Lukas 16:19-31
Aan de lezer…
Bent u in uw eigen ogen meer een Lazarus dan een rijke man? Hebt u weinig vrienden, weinig brood en veel zweren, en ligt u als het ware aan de deur, blij met een kruimel die van de tafel valt? Dan is het misschien moeilijk voor u te geloven dat juist u gelukzalig zou zijn. De wereld kijkt naar het purper en het fijne lijnwaad, en zegt: „Wie is u gelijk?”
Maar laat er een paar jaar voorbijgaan, en het beeld keert helemaal om. De rijke roept om een druppel water, en de arme bedelaar ligt in Abrahams schoot en koestert zich in de stralen van de Zon der gerechtigheid. Kijk daarom niet naar wat u hier mist, maar naar wat de Heere voor Zijn verlosten bewaart. Hebt u Hem tot uw deel, dan is uw armoede slechts voor een korte tijd, en uw vreugde zal de hele eindeloze dag lang duren.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Happy art thou, O Israel: who is like unto thee, O people saved by the LORD.
Deuteronomy 33:29
Imagine that you are standing in the streets of Jerusalem, looking into the banqueting hall of the rich man of whom the Lord speaks in the parable. Would you not say, “Who is like unto thee, thou rich and prosperous man? Who wears garments so deeply dyed with royal purple? Who is clothed in linen so white and so fine? On whose table are such choice dainties spread? With whom does the red wine flow so abundantly and so pleasantly into the cup? Who is like unto thee, thou rich man, clothed in purple and fine linen, and faring sumptuously every day?”
Then you turn round and see something very different: a beggar at his gate. And you would say, “Who is like unto thee, O Lazarus? Thou hast no friend to throw a rag over thy leprous back. Thou hast no wife, child or kinsman to lay plasters or poultices on thy sores, and thou canst only thank the dogs that lick the filth from thy bloody face.
Thou hast no one to give thee even a morsel of bread to eat, and art glad to hold up thy hand to catch the crumbs as they fall from the rich man’s table. Who is like unto thee, rich man, in all thy wealth and luxury? Who unto thee, Lazarus, in all thy poverty and leprosy?”
Let a few years pass by, and now look into the gulf below: what do you see there? The rich man in distress, crying in his torment for a drop of water to cool his tongue. Who is like unto thee now, rich man, down in hell, with thy tongue parched with heat and thirst, and an impassable gulf between thee and Abraham’s bosom? Turn your eyes from this dreadful sight, and look up to the blessed courts above.
Who is now thy equal, poor beggar, whose sores the dogs once licked and who hadst no friend on earth? Thou art in Abraham’s bosom, thou enjoyest the smile of God, and thou baskest all the long, endless day in the beams of the Sun of righteousness!
Reading: Luke 16:19-31
To the reader…
Are you, in your own eyes, more a Lazarus than a rich man? Have you few friends, little bread and many sores, and do you lie as it were at the gate, glad of a crumb that falls from the table? Then it may be hard for you to believe that you of all people should be happy. The world looks at the purple and the fine linen and says, “Who is like unto thee?”
But let a few years pass, and the picture is turned completely round. The rich man cries for a drop of water, and the poor beggar lies in Abraham’s bosom and basks in the beams of the Sun of righteousness. So do not look at what you lack here, but at what the Lord keeps in store for His redeemed. If you have Him for your portion, your poverty is only for a little while, and your joy will last all the long, endless day.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Bienaventurado tú, oh Israel, ¿quién como tú, pueblo salvo por Jehová?
Deuteronomio 33:29
Imagine que está de pie en las calles de Jerusalén, mirando el salón de banquetes del hombre rico del que habla el Señor en la parábola. ¿No diría usted: “¿Quién como tú, hombre rico y próspero? ¿Quién lleva vestiduras tan profundamente teñidas de púrpura real? ¿Quién está vestido de lino tan blanco y tan fino? ¿En la mesa de quién se sirven manjares tan exquisitos? ¿Con quién fluye el vino tinto tan abundante y agradablemente en la copa? ¿Quién como tú, hombre rico, vestido de púrpura y de lino fino, que haces cada día banquete con esplendidez?”.
Luego se da la vuelta y ve algo muy diferente: un mendigo a su puerta. Y diría usted: “¿Quién como tú, oh Lázaro? No tienes ningún amigo que eche un harapo sobre tu espalda llagada. No tienes esposa, hijo ni pariente que ponga emplastos o cataplasmas en tus llagas, y solo puedes dar gracias a los perros que lamen la inmundicia de tu rostro ensangrentado.
No tienes a nadie que te dé siquiera un bocado de pan para comer, y te alegras de alzar la mano para recoger las migajas que caen de la mesa del rico. ¿Quién como tú, rico, en toda tu riqueza y lujo? ¿Quién como tú, Lázaro, en toda tu pobreza y tus llagas?”.
Deje pasar unos pocos años, y mire ahora al abismo de abajo: ¿qué ve allí? Al rico en angustia, clamando en su tormento por una gota de agua para refrescar su lengua. ¿Quién como tú ahora, rico, allá en el infierno, con la lengua reseca de calor y de sed, y una gran sima infranqueable entre ti y el seno de Abraham? Aparte los ojos de esta espantosa vista, y mire hacia arriba a los benditos atrios de lo alto.
¿Quién es ahora tu igual, pobre mendigo, cuyas llagas lamían una vez los perros y que no tenías ningún amigo en la tierra? ¡Estás en el seno de Abraham, gozas de la sonrisa de Dios, y te bañas durante todo el largo día sin fin en los rayos del Sol de justicia!
Lectura: Lucas 16:19-31
Al lector…
¿Es usted, a sus propios ojos, más un Lázaro que un rico? ¿Tiene pocos amigos, poco pan y muchas llagas, y yace por así decirlo a la puerta, contento con una migaja que cae de la mesa? Entonces puede resultarle difícil creer que precisamente usted sea bienaventurado. El mundo mira la púrpura y el lino fino y dice: “¿Quién como tú?”.
Pero deje pasar unos pocos años, y el cuadro se invierte por completo. El rico clama por una gota de agua, y el pobre mendigo yace en el seno de Abraham y se baña en los rayos del Sol de justicia. No mire, pues, lo que aquí le falta, sino lo que el Señor guarda para Sus redimidos. Si lo tiene a Él por porción, su pobreza es solo por un poco de tiempo, y su gozo durará todo el largo día sin fin.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
De vreze des Heeren zal zijn schat zijn.
Jesaja 33:6
„De vreze des Heeren zal zijn schat zijn.” En o, welk een schat is deze vreze! In oude tijden was een schat gewoonlijk verborgen. Hij was verborgen voor het oog des mensen, hij was opgelegd en werd niet ter bezichtiging gesteld. In de oudheid hielden de rijke mensen de plaats waar hun schatten verborgen waren geheim, opdat die niet door geweldenaars zouden weggenomen worden.
Zo is het ook in het geestelijke. De vreze des Heeren is in het hart verborgen; zij ligt diep in de ziel, zij wordt niet ten toon gesteld, maar ligt buiten het gezicht in iemands consciëntie. Doch ofschoon voor anderen verborgen en somtijds ook voor onszelf, deze vreze des Heeren zal haar kracht doen gelden wanneer de omstandigheden daartoe aanleiding geven.
Er kunnen tijden zijn dat wij als verhard schijnen en de consciëntie als toegeschroeid is; de zonden schijnen zulk een kracht over ons te hebben en dwaze en boze begeerten ons zo te vervoeren, dat wij geen stofje van de vreze Gods in ons kunnen bemerken en onze ziel uitroept: „Wat zal er van mij worden! Waar ga ik heen! Wat zal er in de toekomst van mij worden, zulk een ellendeling als ik ben!” Maar plaats hem in zulke omstandigheden als bijvoorbeeld Jozef wedervoeren, dan zal hij bevinden dat de vreze des Heeren in hem is een fontein des levens, een heilige verheuging in zijn ziel.
Dus deze vreze des Heeren, die een deel is van de hemelse schat, handelt waar het nodig is. En hoe meer het leven Gods in de ziel wordt waargenomen, hoe meer deze uitvloeit als een fontein des levens, om af te wijken van de strikken des doods. Hoe levendiger de vreze Gods zich in het hart zal doen gelden, en hoe meer de Geest van God met kracht in de consciëntie werkt, hoe dieper de vreze Gods zich in de ziel zal wortelen.
Aan de lezer…
Als er tijden zijn dat u geen stofje van de vreze Gods in uzelf kunt bemerken, schijnt uw consciëntie u soms als toegeschroeid. Dwaze begeerten hebben u dan zo vervoerd dat u uitroept: „Wat zal er van mij worden, zulk een ellendeling als ik ben!” Besluit dan niet te snel dat er niets is. Een schat wordt verborgen gehouden, en de vreze des Heeren ligt diep in de ziel, soms verborgen voor anderen en ook voor uzelf.
Wanneer de verzoeking komt, zoals zij tot Jozef kwam, zal blijken wat de Heere in het hart gelegd heeft: een fontein des levens, die van de strikken des doods doet afwijken. Bid dan niet om een vreze die u kunt tentoonstellen, maar dat de Geest van God met kracht in uw consciëntie moge werken. Hoe levendiger Hij werkt, hoe dieper deze heilige vreze in u zal wortelen; en zij is uw schat.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De vreze des Heeren zal zijn schat zijn.
Jesaja 33:6
„De vreze des Heeren zal zijn schat zijn.” En o, wat is deze vreze een schat! In oude tijden was een schat gewoonlijk verborgen. Hij was verborgen voor het oog van de mensen; hij was weggelegd en werd niet tentoongesteld. In de oudheid hielden de rijken de plaats waar hun schatten verborgen lagen geheim, zodat die niet door geweldenaars zouden worden weggenomen.
Zo is het ook in het geestelijke. De vreze van de Heere is in het hart verborgen. Zij ligt diep in de ziel; zij wordt niet tentoongesteld, maar ligt uit het zicht in iemands geweten. Maar hoewel zij voor anderen verborgen is, en soms ook voor onszelf, zal deze vreze van de Heere haar kracht laten gelden wanneer de omstandigheden daartoe aanleiding geven.
Er kunnen tijden zijn dat wij als het ware verhard lijken en het geweten als toegeschroeid is. De zonden lijken dan zo’n kracht over ons te hebben, en dwaze en boze begeerten lijken ons zo mee te slepen, dat wij geen stofje van de vreze Gods in ons kunnen opmerken. Dan roept onze ziel uit: „Wat zal er van mij worden! Waar ga ik heen! Wat zal er in de toekomst van mij worden, zulk een ellendeling als ik ben!” Maar plaats zo iemand in omstandigheden zoals Jozef die bijvoorbeeld meemaakte, dan zal hij ervaren dat de vreze van de Heere in hem een fontein des levens is, een heilige vreugde in zijn ziel.
Deze vreze van de Heere, die een deel is van de hemelse schat, handelt dus waar het nodig is. En hoe meer het leven van God in de ziel wordt opgemerkt, hoe meer zij uitvloeit als een fontein des levens, om af te wijken van de strikken des doods. Hoe levendiger de vreze Gods zich in het hart laat gelden en hoe meer de Geest van God met kracht in het geweten werkt, hoe dieper de vreze Gods zich in de ziel zal wortelen.
Aan de lezer…
Als er tijden zijn dat u geen stofje van de vreze Gods in uzelf kunt opmerken, lijkt uw geweten u soms als toegeschroeid. Dwaze begeerten hebben u dan zo meegesleept dat u uitroept: „Wat zal er van mij worden, zo’n ellendeling als ik ben!” Concludeer dan niet te snel dat er niets is. Een schat wordt verborgen gehouden, en de vreze van de Heere ligt diep in de ziel, soms verborgen voor anderen en ook voor uzelf.
Wanneer de verzoeking komt, zoals zij tot Jozef kwam, zal blijken wat de Heere in het hart gelegd heeft: een fontein des levens, die doet afwijken van de strikken des doods. Bid dan niet om een vreze die u kunt tentoonstellen, maar dat de Geest van God met kracht in uw geweten mag werken. Hoe levendiger Hij werkt, hoe dieper deze heilige vreze in u zal wortelen; en zij is uw schat.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“The fear of the LORD is his treasure.”
Isaiah 33:6
“The fear of the Lord is his treasure.” And, oh, what a treasure is this fear! Treasure in ancient times was generally hidden; it was concealed from the eye of man, hoarded up, and not brought out ostentatiously to view. Wealthy men of old hid the knowledge of their treasures, lest they should be robbed of them by the hand of violence. So spiritually, the fear of the Lord is hidden in the heart, and lies deep in the soul; it is not spread out ostentatiously to view, but is buried out of sight in a man’s conscience.
But though hidden from others, and sometimes even from ourselves, this “fear of the Lord” will act as circumstances draw it forth. There may be times and seasons when we seem almost hardened and conscience-seared; sin appears to have such power over us, and evil thoughts and desires so carry us away, that we cannot trace one atom of godly fear within; and the soul cries, “What will become of me! Where am I going now! What will come next on such a wretch as I feel myself to be!”
But place him in such circumstances, say, as befell Joseph, then he will find that the “fear of the Lord” is in him a fountain of life, a holy principle springing up in his soul. Thus, this fear, which is a part of the heavenly treasure, acts when most needed. And the more the life of God is felt in the soul, the more the fear of God flows forth as a fountain of life to depart from the snares of death. The more lively the grace of God is in the soul, the more lively will godly fear be in the heart; and the more the Spirit of God works with power in the conscience, the deeper will be the fear of God in the soul.
To the reader…
When there are times when you cannot trace one atom of the fear of God in yourself, your conscience sometimes seems to you as if seared. Foolish desires have then carried you away so far that you cry out, “What will become of me, such a wretch as I am!” Do not conclude too quickly, then, that there is nothing there. A treasure is kept hidden, and the fear of the Lord lies deep in the soul, sometimes hidden from others and from yourself as well.
When temptation comes, as it came to Joseph, it will appear what the Lord has laid in the heart: a fountain of life, to depart from the snares of death. Pray, then, not for a fear that you can put on display, but that the Spirit of God may work with power in your conscience. The more lively He works, the more deeply this holy fear will take root in you; and it is your treasure.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“El temor de Jehová será su tesoro.”
Isaías 33:6
“El temor de Jehová será su tesoro.” ¡Y oh, qué tesoro es este temor! El tesoro en los tiempos antiguos solía estar escondido; se ocultaba del ojo del hombre, se guardaba, y no se sacaba ostentosamente a la vista. Los hombres ricos de antaño escondían el conocimiento de sus tesoros, no fuera que se los robara la mano violenta. Así, espiritualmente, el temor del Señor está escondido en el corazón y yace en lo profundo del alma; no se despliega ostentosamente a la vista, sino que está enterrado fuera de la vista en la conciencia del hombre.
Pero aunque esté oculto a otros, y a veces aun a nosotros mismos, este “temor de Jehová” obrará según las circunstancias lo saquen a relucir. Puede haber tiempos y épocas en que parecemos casi endurecidos y con la conciencia cauterizada; el pecado parece tener tal poder sobre nosotros, y los malos pensamientos y deseos nos arrastran de tal modo, que no podemos hallar un solo átomo de temor piadoso dentro de nosotros; y el alma clama: “¡Qué será de mí! ¡Adónde voy ahora! ¡Qué vendrá después sobre un miserable como yo me siento!”
Pero póngasele en circunstancias como, digamos, las que le sobrevinieron a José, y entonces hallará que el “temor de Jehová” es en él un manantial de vida, un santo principio que brota en su alma. Así este temor, que es parte del tesoro celestial, obra cuando más se necesita. Y cuanto más se siente la vida de Dios en el alma, tanto más fluye el temor de Dios como manantial de vida para apartarse de los lazos de la muerte. Cuanto más viva está la gracia de Dios en el alma, tanto más vivo estará el temor piadoso en el corazón; y cuanto más obra el Espíritu de Dios con poder en la conciencia, tanto más hondo será el temor de Dios en el alma.
Al lector…
Cuando hay tiempos en que usted no puede hallar en sí un solo átomo de temor de Dios, su conciencia le parece a veces como cauterizada. Los deseos necios le han arrastrado entonces tan lejos que clama: “¡Qué será de mí, miserable como soy!” No concluya demasiado pronto, entonces, que no hay nada. Un tesoro se guarda escondido, y el temor del Señor yace en lo profundo del alma, a veces oculto a otros y también a usted mismo.
Cuando venga la tentación, como le vino a José, se verá lo que el Señor ha puesto en el corazón: un manantial de vida, para apartarse de los lazos de la muerte. Ore, pues, no por un temor que pueda exhibir, sino para que el Espíritu de Dios obre con poder en su conciencia. Cuanto más vivamente obre Él, tanto más hondamente echará raíces en usted este santo temor; y ese es su tesoro.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl