August 7
De vreze des Heeren zal zijn schat zijn.
Jesaja 33:6
„De vreze des Heeren zal zijn schat zijn.” En o, welk een schat is deze vreze! In oude tijden was een schat gewoonlijk verborgen. Hij was verborgen voor het oog des mensen, hij was opgelegd en werd niet ter bezichtiging gesteld. In de oudheid hielden de rijke mensen de plaats waar hun schatten verborgen waren geheim, opdat die niet door geweldenaars zouden weggenomen worden.
Zo is het ook in het geestelijke. De vreze des Heeren is in het hart verborgen; zij ligt diep in de ziel, zij wordt niet ten toon gesteld, maar ligt buiten het gezicht in iemands consciëntie. Doch ofschoon voor anderen verborgen en somtijds ook voor onszelf, deze vreze des Heeren zal haar kracht doen gelden wanneer de omstandigheden daartoe aanleiding geven.
Er kunnen tijden zijn dat wij als verhard schijnen en de consciëntie als toegeschroeid is; de zonden schijnen zulk een kracht over ons te hebben en dwaze en boze begeerten ons zo te vervoeren, dat wij geen stofje van de vreze Gods in ons kunnen bemerken en onze ziel uitroept: „Wat zal er van mij worden! Waar ga ik heen! Wat zal er in de toekomst van mij worden, zulk een ellendeling als ik ben!” Maar plaats hem in zulke omstandigheden als bijvoorbeeld Jozef wedervoeren, dan zal hij bevinden dat de vreze des Heeren in hem is een fontein des levens, een heilige verheuging in zijn ziel.
Dus deze vreze des Heeren, die een deel is van de hemelse schat, handelt waar het nodig is. En hoe meer het leven Gods in de ziel wordt waargenomen, hoe meer deze uitvloeit als een fontein des levens, om af te wijken van de strikken des doods. Hoe levendiger de vreze Gods zich in het hart zal doen gelden, en hoe meer de Geest van God met kracht in de consciëntie werkt, hoe dieper de vreze Gods zich in de ziel zal wortelen.
Aan de lezer…
Als er tijden zijn dat u geen stofje van de vreze Gods in uzelf kunt bemerken, schijnt uw consciëntie u soms als toegeschroeid. Dwaze begeerten hebben u dan zo vervoerd dat u uitroept: „Wat zal er van mij worden, zulk een ellendeling als ik ben!” Besluit dan niet te snel dat er niets is. Een schat wordt verborgen gehouden, en de vreze des Heeren ligt diep in de ziel, soms verborgen voor anderen en ook voor uzelf.
Wanneer de verzoeking komt, zoals zij tot Jozef kwam, zal blijken wat de Heere in het hart gelegd heeft: een fontein des levens, die van de strikken des doods doet afwijken. Bid dan niet om een vreze die u kunt tentoonstellen, maar dat de Geest van God met kracht in uw consciëntie moge werken. Hoe levendiger Hij werkt, hoe dieper deze heilige vreze in u zal wortelen; en zij is uw schat.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De vreze des Heeren zal zijn schat zijn.
Jesaja 33:6
„De vreze des Heeren zal zijn schat zijn.” En o, wat is deze vreze een schat! In oude tijden was een schat gewoonlijk verborgen. Hij was verborgen voor het oog van de mensen; hij was weggelegd en werd niet tentoongesteld. In de oudheid hielden de rijken de plaats waar hun schatten verborgen lagen geheim, zodat die niet door geweldenaars zouden worden weggenomen.
Zo is het ook in het geestelijke. De vreze van de Heere is in het hart verborgen. Zij ligt diep in de ziel; zij wordt niet tentoongesteld, maar ligt uit het zicht in iemands geweten. Maar hoewel zij voor anderen verborgen is, en soms ook voor onszelf, zal deze vreze van de Heere haar kracht laten gelden wanneer de omstandigheden daartoe aanleiding geven.
Er kunnen tijden zijn dat wij als het ware verhard lijken en het geweten als toegeschroeid is. De zonden lijken dan zo’n kracht over ons te hebben, en dwaze en boze begeerten lijken ons zo mee te slepen, dat wij geen stofje van de vreze Gods in ons kunnen opmerken. Dan roept onze ziel uit: „Wat zal er van mij worden! Waar ga ik heen! Wat zal er in de toekomst van mij worden, zulk een ellendeling als ik ben!” Maar plaats zo iemand in omstandigheden zoals Jozef die bijvoorbeeld meemaakte, dan zal hij ervaren dat de vreze van de Heere in hem een fontein des levens is, een heilige vreugde in zijn ziel.
Deze vreze van de Heere, die een deel is van de hemelse schat, handelt dus waar het nodig is. En hoe meer het leven van God in de ziel wordt opgemerkt, hoe meer zij uitvloeit als een fontein des levens, om af te wijken van de strikken des doods. Hoe levendiger de vreze Gods zich in het hart laat gelden en hoe meer de Geest van God met kracht in het geweten werkt, hoe dieper de vreze Gods zich in de ziel zal wortelen.
Aan de lezer…
Als er tijden zijn dat u geen stofje van de vreze Gods in uzelf kunt opmerken, lijkt uw geweten u soms als toegeschroeid. Dwaze begeerten hebben u dan zo meegesleept dat u uitroept: „Wat zal er van mij worden, zo’n ellendeling als ik ben!” Concludeer dan niet te snel dat er niets is. Een schat wordt verborgen gehouden, en de vreze van de Heere ligt diep in de ziel, soms verborgen voor anderen en ook voor uzelf.
Wanneer de verzoeking komt, zoals zij tot Jozef kwam, zal blijken wat de Heere in het hart gelegd heeft: een fontein des levens, die doet afwijken van de strikken des doods. Bid dan niet om een vreze die u kunt tentoonstellen, maar dat de Geest van God met kracht in uw geweten mag werken. Hoe levendiger Hij werkt, hoe dieper deze heilige vreze in u zal wortelen; en zij is uw schat.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“The fear of the LORD is his treasure.”
Isaiah 33:6
“The fear of the Lord is his treasure.” And, oh, what a treasure is this fear! Treasure in ancient times was generally hidden; it was concealed from the eye of man, hoarded up, and not brought out ostentatiously to view. Wealthy men of old hid the knowledge of their treasures, lest they should be robbed of them by the hand of violence. So spiritually, the fear of the Lord is hidden in the heart, and lies deep in the soul; it is not spread out ostentatiously to view, but is buried out of sight in a man’s conscience.
But though hidden from others, and sometimes even from ourselves, this “fear of the Lord” will act as circumstances draw it forth. There may be times and seasons when we seem almost hardened and conscience-seared; sin appears to have such power over us, and evil thoughts and desires so carry us away, that we cannot trace one atom of godly fear within; and the soul cries, “What will become of me! Where am I going now! What will come next on such a wretch as I feel myself to be!”
But place him in such circumstances, say, as befell Joseph, then he will find that the “fear of the Lord” is in him a fountain of life, a holy principle springing up in his soul. Thus, this fear, which is a part of the heavenly treasure, acts when most needed. And the more the life of God is felt in the soul, the more the fear of God flows forth as a fountain of life to depart from the snares of death. The more lively the grace of God is in the soul, the more lively will godly fear be in the heart; and the more the Spirit of God works with power in the conscience, the deeper will be the fear of God in the soul.
To the reader…
When there are times when you cannot trace one atom of the fear of God in yourself, your conscience sometimes seems to you as if seared. Foolish desires have then carried you away so far that you cry out, “What will become of me, such a wretch as I am!” Do not conclude too quickly, then, that there is nothing there. A treasure is kept hidden, and the fear of the Lord lies deep in the soul, sometimes hidden from others and from yourself as well.
When temptation comes, as it came to Joseph, it will appear what the Lord has laid in the heart: a fountain of life, to depart from the snares of death. Pray, then, not for a fear that you can put on display, but that the Spirit of God may work with power in your conscience. The more lively He works, the more deeply this holy fear will take root in you; and it is your treasure.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“El temor de Jehová será su tesoro.”
Isaías 33:6
“El temor de Jehová será su tesoro.” ¡Y oh, qué tesoro es este temor! El tesoro en los tiempos antiguos solía estar escondido; se ocultaba del ojo del hombre, se guardaba, y no se sacaba ostentosamente a la vista. Los hombres ricos de antaño escondían el conocimiento de sus tesoros, no fuera que se los robara la mano violenta. Así, espiritualmente, el temor del Señor está escondido en el corazón y yace en lo profundo del alma; no se despliega ostentosamente a la vista, sino que está enterrado fuera de la vista en la conciencia del hombre.
Pero aunque esté oculto a otros, y a veces aun a nosotros mismos, este “temor de Jehová” obrará según las circunstancias lo saquen a relucir. Puede haber tiempos y épocas en que parecemos casi endurecidos y con la conciencia cauterizada; el pecado parece tener tal poder sobre nosotros, y los malos pensamientos y deseos nos arrastran de tal modo, que no podemos hallar un solo átomo de temor piadoso dentro de nosotros; y el alma clama: “¡Qué será de mí! ¡Adónde voy ahora! ¡Qué vendrá después sobre un miserable como yo me siento!”
Pero póngasele en circunstancias como, digamos, las que le sobrevinieron a José, y entonces hallará que el “temor de Jehová” es en él un manantial de vida, un santo principio que brota en su alma. Así este temor, que es parte del tesoro celestial, obra cuando más se necesita. Y cuanto más se siente la vida de Dios en el alma, tanto más fluye el temor de Dios como manantial de vida para apartarse de los lazos de la muerte. Cuanto más viva está la gracia de Dios en el alma, tanto más vivo estará el temor piadoso en el corazón; y cuanto más obra el Espíritu de Dios con poder en la conciencia, tanto más hondo será el temor de Dios en el alma.
Al lector…
Cuando hay tiempos en que usted no puede hallar en sí un solo átomo de temor de Dios, su conciencia le parece a veces como cauterizada. Los deseos necios le han arrastrado entonces tan lejos que clama: “¡Qué será de mí, miserable como soy!” No concluya demasiado pronto, entonces, que no hay nada. Un tesoro se guarda escondido, y el temor del Señor yace en lo profundo del alma, a veces oculto a otros y también a usted mismo.
Cuando venga la tentación, como le vino a José, se verá lo que el Señor ha puesto en el corazón: un manantial de vida, para apartarse de los lazos de la muerte. Ore, pues, no por un temor que pueda exhibir, sino para que el Espíritu de Dios obre con poder en su conciencia. Cuanto más vivamente obre Él, tanto más hondamente echará raíces en usted este santo temor; y ese es su tesoro.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl