6 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
11 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
2 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Het is wenselijk de Authorised Version te behouden
Philpot pleit in 1857 tegen een herziene Bijbelvertaling. Hij vreest verminking door dwalende geleerden, onzekerheid en verwarring bij Gods kinderen, en verlies van een gezaghebbende maatstaf en van een nationaal…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Hij verheft de geringe uit het stof, en de nooddruftige verhoogt Hij uit de drek, om te doen zitten bij de vorsten, dat Hij ze de stoel der ere doe beërven.
1 Samuel 2:8
Een mens kan nooit de hemel bereiken, zo hij niet reist naar de hemel, naar Sion, langs de weg die God Zijn volk heeft aangewezen om die te gaan. Het is zelfbedrog, zo wij menen naar de hemel te gaan, wanneer wij niets van Goddelijke lering in de ziel hebben ervaren. Maar zo wij iets van Goddelijke lering verstaan, weten wij wat het is arm en nooddruftig te zijn; weten wij min of meer wat het is, onze mond in het stof te steken. Maar velen vergissen zich zo in de weg naar de hemel. De gewone weg is een ladder op te richten die van de aarde tot aan de hemel reikt, zo langzamerhand naar boven te klimmen en eindelijk in de woningen Gods binnen te gaan.
Maar dat is de weg niet van Gods volk. Zij moeten benedenwaarts, steeds benedenwaarts, opdat zij opwaarts mogen worden gericht. Het is met hen niet: „Op, op, op”, om de muren des hemels te bestormen. Elke schrede opwaarts, zodanig in eigen kracht gedaan, is een schrede benedenwaarts; maar daarentegen is iedere schrede benedenwaarts, in eigen kracht, benedenwaarts in de diepte der armoede, benedenwaarts in het gevoel van ellende, benedenwaarts met onrust der ziel en het kermen van een gebroken hart — elke zodanige schrede benedenwaarts in eigen kracht is inderdaad een schrede opwaarts in Christus. Er is geen belofte vóórdat wij de bodem bereikt hebben.
„Hij verheft de geringe uit het stof.” Maar hoe? Hij doet het op eenmaal. De Heere heft Zijn volk niet langzaam op, hen in staat stellende met handen en voeten opwaarts te kruipen; maar als Hij de arme uit het stof opheft, geeft Hij hem een glimlach die, om zo te zeggen, de bodem van zijn hart bereikt; en die glimlach heeft zulk een wonderdadige kracht, zulk een optrekkend vermogen, dat hij hem opeens opricht en neerlegt aan de boezem van God. Wanneer de Heere daarom de geringe, de arme opricht, doet Hij dit niet langzaam, stap voor stap, zoals zij benedenwaarts gingen. Misschien waren zij jarenlang op de weg naar beneden; maar in één ogenblik zijn zij opwaarts gevoerd. Door één woord, één glimlach richt de God van alle genade hen op uit de diepste diepte van gevoelde nietigheid en „zet hen bij vorsten, opdat zij de stoel der ere beërven”.
Ps. 19:7
Aan de lezer…
Gaat het met u, waarde lezer, steeds benedenwaarts, dieper in de armoede, dieper in het gevoel van ellende, met onrust in de ziel en het kermen van een gebroken hart? Misschien hebt u eens gemeend dat u langzaam naar boven zou klimmen, en nu schijnt alles tegen u. Dat is een smartelijke weg, en het is geen schande dat u er onder zucht.
Toch is dit de weg van Gods volk. Geen ladder van eigen kracht brengt u in de woningen Gods, maar de Heere verheft de geringe uit het stof. En Hij doet het niet stap voor stap, maar met één woord, één glimlach die de bodem van uw hart bereikt. Al was u jarenlang op weg naar beneden, in één ogenblik kan Hij u oprichten en neerleggen aan Zijn boezem.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Hij verheft de geringe uit het stof, en de nooddruftige verhoogt Hij uit de drek, om te doen zitten bij de vorsten, dat Hij ze de stoel der ere doe beërven.
1 Samuel 2:8
Een mens kan nooit de hemel bereiken als hij niet naar de hemel, naar Sion, reist langs de weg die God Zijn volk heeft aangewezen. Het is zelfbedrog als wij menen naar de hemel te gaan, terwijl wij niets van Goddelijk onderwijs in de ziel hebben ervaren. Maar als wij iets van Goddelijk onderwijs verstaan, weten wij wat het is arm en nooddruftig te zijn. Dan weten wij min of meer wat het is onze mond in het stof te steken. Toch vergissen velen zich zo in de weg naar de hemel. De gewone weg is een ladder op te zetten die van de aarde tot aan de hemel reikt, zo langzamerhand naar boven te klimmen en ten slotte de woningen van God binnen te gaan.
Maar dat is niet de weg van Gods volk. Zij moeten naar beneden, steeds naar beneden, zodat zij omhoog gericht kunnen worden. Bij hen is het niet: „Op, op, op”, om de muren van de hemel te bestormen. Elke stap omhoog die in eigen kracht wordt gezet, is een stap naar beneden. Daartegenover is iedere stap naar beneden wat eigen kracht betreft — naar beneden in de diepte van armoede, naar beneden in het besef van ellende, naar beneden met onrust in de ziel en het kermen van een gebroken hart — werkelijk een stap omhoog in Christus. Er is geen belofte voordat wij de bodem bereikt hebben.
„Hij verheft de geringe uit het stof.” Maar hoe? Hij doet het in één keer. De Heere tilt Zijn volk niet langzaam op, door hen in staat te stellen met handen en voeten omhoog te kruipen. Maar als Hij de arme uit het stof opheft, geeft Hij hem een glimlach die als het ware de bodem van zijn hart bereikt. En die glimlach heeft zo’n wonderlijke kracht, zo’n vermogen om op te trekken, dat hij hem in één keer opricht en aan de boezem van God legt. Wanneer de Heere de geringe, de arme opricht, doet Hij dat daarom niet langzaam, stap voor stap, zoals zij naar beneden gingen.
Misschien waren zij jarenlang op weg naar beneden; maar in één ogenblik zijn zij omhoog gevoerd. Door één woord, één glimlach richt de God van alle genade hen op uit de diepste diepte van gevoelde nietigheid en „zet hen bij vorsten, opdat zij de stoel der ere beërven”.
Ps. 19:7
Aan de lezer…
Gaat het met u steeds verder naar beneden, dieper in de armoede, dieper in het besef van ellende, met onrust in de ziel en het kermen van een gebroken hart? Misschien hebt u eens gedacht dat u langzaam naar boven zou klimmen, en nu lijkt alles tegen u te zijn. Dat is een smartelijke weg, en het is geen schande dat u eronder zucht.
Toch is dit de weg van Gods volk. Geen ladder van eigen kracht brengt u in de woningen van God, maar de Heere verheft de geringe uit het stof. En Hij doet het niet stap voor stap, maar met één woord, één glimlach die de bodem van uw hart bereikt. Al was u jarenlang op weg naar beneden, in één ogenblik kan Hij u oprichten en aan Zijn boezem leggen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
He raiseth up the poor out of the dust, and lifteth up the beggar from the dunghill, to set them among princes, and to make them inherit the throne of glory.
1 Samuel 2:8
A man can never reach heaven unless he travels heavenwards, Zionwards, in the way that God has marked out for His people to walk in. It is a delusion to think that we are going to heaven unless we know something of divine teaching in the soul. But if we know anything of divine teaching, we know what it is to be poor and needy, we know what it is, more or less, to have our mouth in the dust.
But many people do so mistake the way to heaven. The ordinary way is to set up a ladder to reach from earth to heaven, and progressively clambering up the different rungs, at last to climb up into the abode of God. But that is not the way of God’s people. They have to go down, down, down, that they may be raised up. It is not with them first “up, up, up,” to scale the battlements of heaven. Every such step upwards in SELF is in reality only a step downwards; but, on the other hand, every step downwards in self, downwards into the depths of poverty, downwards into felt misery, downwards into soul-trouble and the real groanings of a broken heart—every such step downwards in self is, in fact, a step upwards in Christ.
Until we get to the very bottom there is no promise. “He raises up the poor out of the dust.” But how? He does it in a moment. The Lord does not raise up His people rung by rung, enabling them to clamber and crawl with their hands and feet to Him. But, when He lifts up the poor out of the dust, He gives them a smile which reaches, so to speak, to the very bottom of their hearts; and that smile has such a miraculous power, such a drawing efficacy, that it lifts them in a moment out of the dust into the very bosom of God.
When, therefore, the Lord raises up the poor out of the dust, He does not lift them up by a gradual process, step by step as they went down. They were, perhaps, many years going down; but they are raised up in a moment. The God of all grace, by one word, or by one smile, lifts them up in a moment out of the lowest depths of felt degradation, “sets them among princes, and makes them inherit the throne of glory.”
To the reader…
Is your way going ever further downwards, deeper into poverty, deeper into a sense of misery, with soul-trouble and the groanings of a broken heart? Perhaps you once thought that you would slowly climb upwards, and now everything seems to be against you. That is a painful way, and there is no shame in sighing under it.
Yet this is the way of God’s people. No ladder of your own strength brings you into the dwelling of God, but the Lord raises up the poor out of the dust. And He does not do it step by step, but with one word, one smile that reaches the bottom of your heart. Even if you were going downwards for many years, in one moment He can raise you up and lay you in His bosom.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Él levanta del polvo al pobre, y al menesteroso ensalza del estiércol, para asentarle con los príncipes; y hará que tengan por heredad asiento de honra.
1 Samuel 2:8
Un hombre nunca podrá llegar al cielo a menos que viaje hacia el cielo, hacia Sion, por el camino que Dios ha trazado para que Su pueblo ande en él. Es un engaño pensar que vamos al cielo a menos que sepamos algo de la enseñanza divina en el alma. Pero si sabemos algo de la enseñanza divina, sabemos lo que es ser pobres y necesitados; sabemos, más o menos, lo que es tener la boca en el polvo.
Pero muchos se equivocan tanto en cuanto al camino del cielo. La manera común es levantar una escalera que llegue de la tierra al cielo y, trepando progresivamente por los distintos peldaños, subir al fin hasta la morada de Dios. Pero ese no es el camino del pueblo de Dios. Ellos tienen que bajar, bajar, bajar, para ser levantados. No es para ellos primero “arriba, arriba, arriba”, para escalar las almenas del cielo. Cada paso semejante hacia arriba en el YO es en realidad solo un paso hacia abajo; pero, por otra parte, cada paso hacia abajo en el yo, hacia abajo a las profundidades de la pobreza, hacia abajo a la miseria sentida, hacia abajo a la angustia del alma y a los verdaderos gemidos de un corazón quebrantado, cada paso semejante hacia abajo en el yo es, de hecho, un paso hacia arriba en Cristo.
Hasta que no llegamos al fondo mismo no hay promesa. “Él levanta del polvo al pobre.” Pero ¿cómo? Lo hace en un momento. El Señor no levanta a Su pueblo peldaño a peldaño, capacitándolos para trepar y arrastrarse con manos y pies hasta Él. Sino que, cuando levanta del polvo al pobre, le da una sonrisa que llega, por así decirlo, hasta el mismo fondo de su corazón; y esa sonrisa tiene un poder tan milagroso, una eficacia de atracción tal, que lo levanta en un momento del polvo hasta el mismo seno de Dios.
Por tanto, cuando el Señor levanta del polvo al pobre, no lo eleva por un proceso gradual, paso a paso, como bajó. Quizá estuvieron muchos años bajando; pero son levantados en un momento. El Dios de toda gracia, con una palabra o con una sonrisa, los levanta en un momento de las más bajas profundidades de la degradación sentida, “para asentarlos con los príncipes; y hace que tengan por heredad asiento de honra”.
Al lector…
¿Va su camino cada vez más hacia abajo, más hondo en la pobreza, más hondo en el sentimiento de la miseria, con angustia del alma y los gemidos de un corazón quebrantado? Quizá usted pensaba antes que subiría lentamente hacia arriba, y ahora todo parece estar en su contra. Es un camino doloroso, y no hay vergüenza en suspirar bajo él.
Sin embargo, este es el camino del pueblo de Dios. Ninguna escalera de su propia fuerza le lleva a la morada de Dios, sino que el Señor levanta del polvo al pobre. Y no lo hace paso a paso, sino con una palabra, con una sonrisa que llega hasta el fondo de su corazón. Aunque usted haya estado bajando durante muchos años, en un momento Él puede levantarle y ponerle en Su seno.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Een hoog vertrek
En de HEERE zal een Hoog Vertrek zijn voor de verdrukte, een Hoog Vertrek in tijden van benauwdheid. En die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen, omdat Gij, HEERE, niet hebt verlaten degenen die U zoeken.
Psalm 9:10-11
Was u ooit verdrukt, of had u een echte zondelast? Bent u ooit lastiggevallen door de duivel, ooit gekweld door een lichaam van zonde en dood? Hebt u ooit getreurd en gekermd vanwege de zonde die in u woont? Als dit zo is, ga ik verder met andere vragen te stellen. Heeft dit u naar God geleid als uw Hoog Vertrek? Dat is het keerpunt. Iemand kan vele overtuigingen, angsten en problemen hebben die zijn hart alleen maar nog harder maken — die hem van God wegdrijven, in plaats van hem naar God toe te trekken.
Maar wat is met uw ziel het geval geweest? Bent u erdoor tot God gekomen als uw Hoog Vertrek, zodat u op ernstige ogenblikken voor God bent neergevallen en hebt gezegd: „Gij zijt mijn Toevlucht, mijn Deel in het land der levenden” (Ps. 142:5)? Als u dit ooit in uw ziel hebt ervaren, bent u een kind van God. De Heere is een Toevlucht voor de verdrukten. Maar Hij opent nooit Zijn armen, buigt nooit Zijn oor omlaag, dan alleen voor Zijn eigen arme en behoeftige kinderen.
U hebt „tijden van benauwdheid” gekend, nietwaar? Ik bedoel geen natuurlijke moeilijkheden (ofschoon u daar uw deel aan zult hebben gehad), maar zielsbenauwdheid. Kunt u zich herinneren wanneer? Kunt u zich herinneren hoe die is ontstaan? Hoelang duurde het? Hoe zwaar bleek het te zijn? En vooral, wat was het gevolg? Kwam u erdoor tot God als uw Hoog Vertrek? Verdreef het u uit een toevlucht van leugens, een naam om te leven, vormelijke vroomheid, een uiterlijke belijdenis?
We moeten naar het resultaat kijken. Moeilijkheden bewijzen niet dat u een christen bent, maar dat u God tot uw Hoog Vertrek maakt in tijden van benauwdheid, bewijst dit wel. Kaïn had moeilijkheden — Saul had moeilijkheden — Achab had moeilijkheden — Judas had moeilijkheden — en ze hebben hen nooit tot God gedreven. Maar de benauwdheid van Gods kinderen leidt hen tot God, want zij hebben geen andere steun, geen ander Hoog Vertrek. Hebt u dit niet zo ervaren? Het is een zegen voor u, als dit zo is.
Hebt u enig bewijs dat u Gods Naam kent? Zijn Zijn heerlijke volmaaktheden ooit in uw hart opengegaan? Hebt u ooit de liefde tot de waarheid ontvangen, en de heerlijkheid van God in het aangezicht van Zijn geliefde Zoon zien schijnen? En heeft het deze uitwerking op uw geweten gehad — dat u uw vertrouwen hebt gesteld, uw hoop hebt gelegd en uw ziel hebt verankerd in deze heerlijke volmaaktheden? Als dit zo is, bent u een kind van God: niemand anders dan levende zielen kennen deze innerlijke werkzaamheden.
Lezen: Spreuken 18:1-10
Aan de lezer…
Als u uw tijden van zielsbenauwdheid gekend hebt en nog weet hoe zwaar zij waren, vraag u dan niet alleen af hoeveel u geleden hebt, maar waarheen het u gedreven heeft. Kaïn, Saul, Achab en Judas hadden ook hun moeilijkheden, en zij werden er niet door tot God gebracht. Het is dus geen kleine vraag; zij raakt het keerpunt van uw ziel.
Maar is het u gegaan zoals het de arme en behoeftige kinderen Gods gaat, dat u geen andere steun meer had en voor Hem neerviel met de woorden: „Gij zijt mijn Toevlucht, mijn Deel in het land der levenden”? Hebt u uit een toevlucht van leugens moeten vluchten, en uw hoop in Hem gelegd? Dan hebt u reden om te geloven dat Hij Zijn oor tot u heeft neergebogen, want Hij heeft niet verlaten degenen die Hem zoeken.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En de HEERE zal een Hoog Vertrek zijn voor de verdrukte, een Hoog Vertrek in tijden van benauwdheid. En die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen, omdat Gij, HEERE, niet hebt verlaten degenen die U zoeken.
Psalm 9:10-11
Bent u ooit verdrukt geweest, of hebt u ooit een werkelijke zondelast gekend? Bent u ooit door de duivel aangevallen, ooit gekweld door een lichaam van zonde en dood? Hebt u ooit getreurd en gekermd over de zonde die in u woont? Als dat zo is, wil ik u nog meer vragen stellen. Heeft dit u naar God geleid als uw Hoog Vertrek? Dat is het keerpunt. Iemand kan veel overtuigingen, angsten en moeiten hebben die zijn hart alleen maar harder maken — die hem van God wegdrijven in plaats van hem naar God toe te trekken.
Maar hoe is het met uw ziel gegaan? Bent u erdoor tot God gekomen als uw Hoog Vertrek, zodat u op ernstige ogenblikken voor God bent neergevallen en hebt gezegd: „Gij zijt mijn Toevlucht, mijn Deel in het land der levenden” (Ps. 142:5)? Als u dit ooit in uw ziel hebt ervaren, bent u een kind van God. De Heere is een Toevlucht voor de verdrukten. Maar Hij opent nooit Zijn armen en buigt nooit Zijn oor neer, dan alleen voor Zijn eigen arme en behoeftige kinderen.
U hebt „tijden van benauwdheid” gekend, nietwaar? Ik bedoel geen natuurlijke moeiten (al zult u daar ook uw deel van gehad hebben), maar zielsbenauwdheid. Weet u nog wanneer dat was? Weet u nog hoe het ontstond? Hoelang duurde het? Hoe zwaar bleek het te zijn? En vooral: wat was de uitwerking? Kwam u erdoor tot God als uw Hoog Vertrek? Dreef het u weg uit een toevlucht van leugens, uit een naam dat u leeft, uit vormelijke vroomheid, uit een uiterlijke belijdenis?
We moeten naar de uitkomst kijken. Moeiten bewijzen niet dat u een christen bent, maar dat u in tijden van benauwdheid God tot uw Hoog Vertrek maakt, bewijst dat wel. Kaïn had moeiten — Saul had moeiten — Achab had moeiten — Judas had moeiten — en die hebben hen nooit tot God gedreven. Maar de benauwdheid van Gods kinderen leidt hen tot God, want zij hebben geen andere steun, geen ander Hoog Vertrek. Hebt u dat niet zo ervaren? Als het zo is, is het een zegen voor u.
Hebt u enig bewijs dat u Gods Naam kent? Zijn Zijn heerlijke volmaaktheden ooit in uw hart ontsloten? Hebt u ooit de liefde tot de waarheid ontvangen, en de heerlijkheid van God zien schijnen in het aangezicht van Zijn geliefde Zoon? En heeft dat deze uitwerking op uw geweten gehad, dat u uw vertrouwen hebt gesteld, uw hoop hebt gelegd en uw ziel hebt verankerd in deze heerlijke volmaaktheden? Als dat zo is, bent u een kind van God: niemand anders dan levende zielen kennen deze innerlijke werkzaamheden.
Lezen: Spreuken 18:1-10
Aan de lezer…
Als u uw tijden van zielsbenauwdheid gekend hebt en nog weet hoe zwaar zij waren, vraag u dan niet alleen af hoeveel u geleden hebt, maar ook waarheen het u gedreven heeft. Kaïn, Saul, Achab en Judas hadden ook hun moeiten, en zij werden er niet door tot God gebracht. Het is dus geen kleine vraag; zij raakt het keerpunt van uw ziel.
Maar is het u gegaan zoals het de arme en behoeftige kinderen van God gaat, dat u geen andere steun meer had en voor Hem neerviel met de woorden: „Gij zijt mijn Toevlucht, mijn Deel in het land der levenden”? Hebt u uit een toevlucht van leugens moeten vluchten en uw hoop op Hem gesteld? Dan hebt u reden om te geloven dat Hij Zijn oor tot u heeft neergebogen, want Hij heeft niet verlaten degenen die Hem zoeken.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
The LORD also will be a refuge for the oppressed, a refuge in times of trouble. And they that know Thy Name will put their trust in Thee: for Thou, LORD, hast not forsaken them that seek Thee.
Psalm 9:9-10
Have you ever been oppressed, or have you ever known a real burden of sin? Have you ever been assaulted by the devil, ever plagued by a body of sin and death? Have you ever mourned and groaned over the sin that dwells in you? If so, I would ask you some further questions. Has this brought you to God as your Refuge? That is the turning point. A man may have many convictions, fears and troubles which only harden his heart—which drive him away from God instead of drawing him to God.
But how has it gone with your soul? Have you been brought by it to God as your Refuge, so that in solemn moments you have fallen down before God and said, “Thou art my refuge and my portion in the land of the living” (Psalm 142:5)? If you have ever felt this in your soul, you are a child of God. The Lord is a refuge for the oppressed. But He never opens His arms and never bows down His ear except to His own poor and needy children.
You have known “times of trouble,” have you not? I do not mean natural troubles (though you will have had your share of those too), but soul trouble. Do you remember when it was? Do you remember how it arose? How long did it last? How heavy did it prove to be? And above all: what was its effect? Did it bring you to God as your Refuge? Did it drive you out of a refuge of lies, out of a name to live, out of formal religion, out of an outward profession?
We must look to the issue. Troubles do not prove that you are a Christian, but your making God your Refuge in times of trouble does prove it. Cain had troubles—Saul had troubles—Ahab had troubles—Judas had troubles—and they never drove them to God. But the trouble of God’s children leads them to God, for they have no other support, no other Refuge. Have you not found it so? If it is so, it is a blessing to you.
Have you any evidence that you know God’s Name? Have His glorious perfections ever been opened up in your heart? Have you ever received the love of the truth, and seen the glory of God shining in the face of His beloved Son? And has this had such an effect on your conscience that you have put your trust, placed your hope and anchored your soul in these glorious perfections? If so, you are a child of God: none but living souls know these inward exercises.
Reading: Proverbs 18:1-10
To the reader…
If you have known your times of soul trouble and still remember how heavy they were, do not ask yourself only how much you have suffered, but also where it has driven you. Cain, Saul, Ahab and Judas had their troubles too, and they were not brought to God by them. It is no small question, then; it touches the turning point of your soul.
But has it gone with you as it goes with the poor and needy children of God, that you had no other support left and fell down before Him with the words, “Thou art my refuge and my portion in the land of the living”? Have you had to flee out of a refuge of lies and set your hope on Him? Then you have reason to believe that He has bowed down His ear to you, for He has not forsaken them that seek Him.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y será Jehová refugio al pobre, refugio para el tiempo de angustia. Y en Ti confiarán los que conocen Tu Nombre; por cuanto Tú, oh Jehová, no desamparaste a los que Te buscaron.
Salmo 9:9-10
¿Ha estado usted alguna vez oprimido, o ha conocido alguna vez una verdadera carga de pecado? ¿Ha sido alguna vez asaltado por el diablo, alguna vez atormentado por un cuerpo de pecado y de muerte? ¿Se ha lamentado y ha gemido alguna vez por el pecado que mora en usted? Si es así, quisiera hacerle algunas preguntas más. ¿Le ha llevado esto a Dios como su Refugio? Ese es el punto decisivo. Un hombre puede tener muchas convicciones, temores y angustias que solo endurecen su corazón, que le alejan de Dios en lugar de atraerle a Dios.
Pero ¿cómo le ha ido a su alma? ¿Ha sido llevado por ello a Dios como su Refugio, de modo que en momentos solemnes se ha postrado delante de Dios y ha dicho: “Tú eres mi esperanza y mi porción en la tierra de los vivientes” (Salmo 142:5)? Si alguna vez ha sentido esto en su alma, usted es un hijo de Dios. Jehová es refugio al pobre. Pero nunca abre Sus brazos ni inclina Su oído sino a Sus propios hijos pobres y necesitados.
Usted ha conocido “tiempos de angustia”, ¿no es así? No me refiero a angustias naturales (aunque también habrá tenido su parte de ellas), sino a la angustia del alma. ¿Recuerda cuándo fue? ¿Recuerda cómo surgió? ¿Cuánto duró? ¿Cuán pesada resultó ser? Y sobre todo: ¿cuál fue su efecto? ¿Le llevó a Dios como su Refugio? ¿Le sacó de un refugio de mentira, de un nombre de que vive, de una religión formal, de una profesión exterior?
Debemos mirar al resultado. Las angustias no prueban que usted sea cristiano, pero el hacer de Dios su Refugio en tiempos de angustia sí lo prueba. Caín tuvo angustias, Saúl tuvo angustias, Acab tuvo angustias, Judas tuvo angustias, y nunca los llevaron a Dios. Pero la angustia de los hijos de Dios los lleva a Dios, porque no tienen otro sostén, ningún otro Refugio. ¿No lo ha hallado usted así? Si es así, es una bendición para usted.
¿Tiene alguna evidencia de que conoce el Nombre de Dios? ¿Se han abierto alguna vez Sus gloriosas perfecciones en su corazón? ¿Ha recibido alguna vez el amor de la verdad, y ha visto la gloria de Dios resplandecer en el rostro de Su Hijo amado? ¿Y ha tenido esto tal efecto en su conciencia que ha puesto su confianza, colocado su esperanza y anclado su alma en estas gloriosas perfecciones? Si es así, usted es un hijo de Dios: nadie sino las almas vivientes conoce estos ejercicios interiores.
Lectura: Proverbios 18:1-10
Al lector…
Si ha conocido sus tiempos de angustia del alma y todavía recuerda cuán pesados fueron, no se pregunte solo cuánto ha sufrido, sino también adónde le ha impulsado. Caín, Saúl, Acab y Judas tuvieron también sus angustias, y no fueron llevados a Dios por ellas. No es, pues, una pregunta pequeña; toca el punto decisivo de su alma.
Pero ¿le ha ido a usted como les va a los hijos pobres y necesitados de Dios, que no le quedaba otro sostén y se postró delante de Él con las palabras: “Tú eres mi esperanza y mi porción en la tierra de los vivientes”? ¿Ha tenido que huir de un refugio de mentira y poner su esperanza en Él? Entonces tiene razón para creer que Él ha inclinado Su oído hacia usted, porque no desamparó a los que Le buscaron.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Want de liefde is uit God.
1 Johannes 4:7
De liefde is een gave die de herrezen Middelaar ontvangen heeft, en die Hij vrijelijk uit Zijn volheid aan Zijn volk mag mededelen. En wij moeten ertoe gebracht worden om te beseffen dat het een gift is. Konden wij de liefde voortbrengen of in ons hart onderhouden, dan zouden wij onze eigen bedrevenheid bewieroken. Misschien zullen sommigen nauwelijks geloven dat een kind van God in zijn hart vijandschap kan gevoelen tegen Christus, maar zijn vleselijk gemoed is onverdeeld vijandschap tegen Hem.
En o, wat een bittere gewaarwording is het voor een navolger van het Lam, een beginsel te hebben dat Christus haat, Zijn Persoon bitter haat, Zijn heiligheid en reinheid haat; en dat hij zich zou kunnen aansluiten bij de uitroep: „Kruist Hem! Kruist Hem!”, en Hem met de Romeinse soldaten en het Joodse gepeupel zou kunnen steken en slaan. Tenzij smartelijke ondervinding ons niet overtuigde dat er zulk een vreselijk beginsel in ons was, wij zouden het niet geloven dat er deze duivelse vijandschap in ons hart was tegen Hem Die onze zielen wensen te beminnen en te aanbidden. Maar wat kennen wij van de liefde, indien wij al deze vijandschap, vleselijkheid en koudheid niet hadden om haar te beproeven? Wanneer wij door al deze ellendige gewaarwordingen geoefend zijn, en de Heere begint dan een weinig barmhartigheid en genade in onze harten te openbaren en onze genegenheden uit te halen tot Hem, dan beginnen wij te verstaan wat een kostelijke genadegift de liefde is.
De liefde is de zoetste balsem die men vinden kan in dit leven. Zij is zo natuurlijk. Er is zoetigheid in de liefde. Wanneer wij onze vrouwen, onze kinderen, onze vrienden liefhebben, dan is er zulk een zoetigheid en tederheid in het gevoel daarvan, dat het — zoals zedeleraren ons zeggen — haar eigen beloning is. Koudheid, afkerigheid, nijd, vooroordeel, jaloezie, gemelijkheid, twist, wantrouwen: deze spranken van de hel branden en pijnigen elke plaats waar zij voorkomen.
Evenzo, indien er ooit een hel in des mensen ziel is, dan is het wanneer men vervuld is van haat tegen God en Zijn volk. Maar zo wij ooit een voorsmaakje van de hemel proeven, dan is het wanneer de Heere in ons een vertedering der liefde verwekt, en in een uitwinnen van onze genegenheden tot Jezus en tot hen die de Zijnen zijn. Dan vlieden de vijandschap en het vooroordeel weg, en wij ontwaren iets alsof wij al het volk van God aan ons hart zouden willen drukken en zeggen: „Uw volk is mijn volk en uw God mijn God.”
Aan de lezer…
Deze woorden zeggen dat de liefde uit God is. Schrikt u soms van wat u in uw eigen hart ontdekt? Vindt u er koudheid, vleselijkheid, ja zelfs een vijandschap tegen Hem Die u toch wenst te beminnen? Dat is een bittere gewaarwording, en u durft het misschien aan niemand te zeggen, uit vrees dat het bewijst dat er geen genade in u is. Maar weet dat het vleselijk gemoed ook in een kind van God niets anders is dan vijandschap, en dat de Heere u dit leert zien opdat u de liefde niet aan uzelf zou toeschrijven.
Want de liefde is uit God. Zij is een gave die de herrezen Middelaar uit Zijn volheid aan Zijn volk mededeelt. Kunt u haar niet voortbrengen, zie dan op Hem Die haar geven kan. Eén weinig barmhartigheid van Zijn kant, en de genegenheden worden tot Hem uitgehaald; dan proeft u een voorsmaakje van de hemel.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want de liefde is uit God.
1 Johannes 4:7
De liefde is een gave die de opgestane Middelaar ontvangen heeft, en die Hij vrij uit Zijn volheid aan Zijn volk mag meedelen. En wij moeten ertoe gebracht worden te beseffen dat het een gave is. Als wij de liefde zelf konden voortbrengen of in ons hart in stand houden, dan zouden wij onze eigen bekwaamheid bewieroken. Misschien zullen sommigen nauwelijks geloven dat een kind van God in zijn hart vijandschap tegen Christus kan voelen, maar zijn vleselijk gemoed is onverdeeld vijandschap tegen Hem.
En o, wat een bitter gevoel is het voor een navolger van het Lam een beginsel in zich te hebben dat Christus haat, Zijn Persoon bitter haat, Zijn heiligheid en reinheid haat. Een beginsel waardoor hij zou kunnen instemmen met de uitroep: „Kruist Hem! Kruist Hem!”, en Hem met de Romeinse soldaten en het Joodse volk zou kunnen steken en slaan. Als smartelijke ervaring ons er niet van overtuigde dat er zo’n vreselijk beginsel in ons was, zouden wij niet geloven dat er zo’n duivelse vijandschap in ons hart was tegen Hem Die onze zielen wensen te beminnen en te aanbidden. Maar wat zouden wij van de liefde weten, als wij al deze vijandschap, vleselijkheid en koudheid niet hadden om haar te beproeven? Wanneer wij door al deze ellendige gevoelens geoefend zijn, en de Heere dan een weinig barmhartigheid en genade in ons hart begint te openbaren en onze genegenheden naar Zich toe trekt, dan beginnen wij te verstaan wat een kostbare genadegave de liefde is.
De liefde is de zoetste balsem die in dit leven te vinden is. Zij is zo natuurlijk. Er is zoetheid in de liefde. Wanneer wij onze vrouw, onze kinderen en onze vrienden liefhebben, dan ligt er zo’n zoetheid en tederheid in dat gevoel, dat het — zoals zedenleraren ons zeggen — haar eigen beloning is. Koudheid, afkerigheid, nijd, vooroordeel, jaloezie, chagrijnigheid, twist, wantrouwen: deze vonken uit de hel branden en pijnigen overal waar zij voorkomen.
Zo is het ook: als er ooit een hel in de ziel van een mens is, dan is het wanneer hij vervuld is van haat tegen God en Zijn volk. Maar als wij ooit een voorsmaak van de hemel proeven, dan is het wanneer de Heere in ons een vertedering van liefde wekt en onze genegenheden uittrekt naar Jezus en naar hen die de Zijnen zijn. Dan vluchten de vijandschap en het vooroordeel weg, en ervaren wij iets alsof wij heel het volk van God aan ons hart zouden willen drukken en zeggen: „Uw volk is mijn volk en uw God mijn God.”
Aan de lezer…
Deze woorden zeggen dat de liefde uit God is. Schrikt u soms van wat u in uw eigen hart ontdekt? Vindt u er koudheid, vleselijkheid, ja zelfs vijandschap tegen Hem Die u toch wenst te beminnen? Dat is een bitter gevoel, en u durft het misschien aan niemand te vertellen, uit vrees dat het bewijst dat er geen genade in u is. Maar weet dat het vleselijk gemoed ook in een kind van God niets anders is dan vijandschap, en dat de Heere u dit laat zien zodat u de liefde niet aan uzelf zou toeschrijven.
Want de liefde is uit God. Zij is een gave die de opgestane Middelaar uit Zijn volheid aan Zijn volk meedeelt. Kunt u haar niet voortbrengen, zie dan op Hem Die haar geven kan. Een weinig barmhartigheid van Zijn kant, en de genegenheden worden naar Hem uitgetrokken; dan proeft u een voorsmaak van de hemel.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Love is of God.”
1 John 4:7
Love is a gift which the risen Mediator has received that He may freely communicate it out of His fullness to His people. And we must be brought to feel that it is a gift. Could we produce or keep it alive in our own hearts, we would burn incense to our own skill or our own care. Some perhaps will scarcely believe that a child of God can feel enmity against Christ; but his carnal mind is unmitigated enmity against Him.
And oh, what a cutting feeling it is for a follower of the Lamb to have a principle in him which hates Christ; hates, bitterly hates His Person, hates His holiness and purity; which could join in the cry, “Crucify Him, crucify Him,” and push and strike Him with the Roman soldiers and the Jewish rabble. Unless painful experience convinced us that there was such a dreadful principle within, we could not believe that there was this devilish enmity in our heart against Him Whom our souls desire to love and adore.
But what know we about love, if we have not all this enmity, carnality, and coldness to try it? When we have been exercised with all these wretched feelings, and the Lord begins to drop into our hearts a little mercy and grace, and to draw forth our affections unto Him, we then begin to feel what a sweet thing love is. Love is the sweetest balm man can taste in this life. It is so naturally. There is a sweetness in love. When we love our wives, our children, our friends, there is a sweetness and tenderness in the very feeling, that is—as moralists say of virtue—its own reward.
Coldness, dislike, envy, prejudice, jealousy, suspicion, peevishness, quarreling—these sparks of hell burn and torture every spot on which they fall. And so, if ever there is a hell in a man’s bosom, it is when full of hatred against God and His people. But if ever we feel a foretaste of heaven, it is when the Lord kindles some meltings of love, some drawings of affection toward Jesus and to those who are His. Then enmity and prejudice flee away; and we feel as if we could take all the people of God into our bosom, and say, “Your people shall be my people, and your God my God.”
To the reader…
These words tell us that love is of God. Are you sometimes frightened by what you discover in your own heart? Do you find coldness there, carnality, even enmity against Him Whom you nevertheless long to love? That is a bitter feeling, and perhaps you dare not tell anyone, for fear it proves there is no grace in you. But know that the carnal mind, even in a child of God, is nothing but enmity, and that the Lord shows you this so that you will not ascribe love to yourself.
For love is of God. It is a gift which the risen Mediator imparts to His people out of His fullness. If you cannot produce it, look to Him Who can give it. A little mercy on His part, and the affections are drawn out toward Him; then you taste a foretaste of heaven.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
El amor es de Dios.
1 Juan 4:7
El amor es un don que el Mediador resucitado ha recibido para comunicarlo libremente de Su plenitud a Su pueblo. Y hemos de ser llevados a sentir que es un don. Si pudiéramos producirlo o mantenerlo vivo en nuestro propio corazón, ofreceríamos incienso a nuestra propia habilidad o a nuestro propio cuidado. Algunos quizá apenas creerán que un hijo de Dios pueda sentir enemistad contra Cristo; pero su mente carnal es enemistad sin mezcla contra Él.
¡Y oh, qué sentimiento tan cortante es para un seguidor del Cordero tener en sí un principio que aborrece a Cristo; que aborrece, que aborrece amargamente Su Persona, aborrece Su santidad y pureza; que podría unirse al grito: “¡Crucifícale, crucifícale!”, y empujarle y golpearle junto con los soldados romanos y la chusma judía! Si una experiencia dolorosa no nos convenciera de que hay dentro un principio tan terrible, no podríamos creer que hubiera en nuestro corazón esta enemistad diabólica contra Aquel a quien nuestra alma desea amar y adorar.
Pero ¿qué sabríamos del amor si no tuviéramos toda esta enemistad, carnalidad y frialdad para probarlo? Cuando hemos sido ejercitados con todos estos miserables sentimientos, y el Señor comienza a destilar en nuestro corazón un poco de misericordia y gracia, y a atraer nuestros afectos hacia Él, entonces empezamos a sentir qué cosa tan dulce es el amor. El amor es el bálsamo más dulce que el hombre puede gustar en esta vida. Lo es aun en lo natural. Hay una dulzura en el amor. Cuando amamos a nuestras esposas, a nuestros hijos, a nuestros amigos, hay una dulzura y una ternura en el mismo sentimiento que es, como dicen los moralistas de la virtud, su propia recompensa.
La frialdad, la aversión, la envidia, el prejuicio, los celos, la sospecha, el mal humor, las contiendas: estas chispas del infierno queman y atormentan cada lugar donde caen. Y así, si alguna vez hay un infierno en el pecho de un hombre, es cuando está lleno de odio contra Dios y Su pueblo. Pero si alguna vez sentimos un anticipo del cielo, es cuando el Señor enciende algún derretimiento de amor, alguna atracción de afecto hacia Jesús y hacia los que son Suyos. Entonces la enemistad y el prejuicio huyen; y sentimos como si pudiéramos estrechar en nuestro pecho a todo el pueblo de Dios y decir: “Tu pueblo será mi pueblo, y tu Dios mi Dios.”
Al lector…
Estas palabras nos dicen que el amor es de Dios. ¿Se asusta usted a veces de lo que descubre en su propio corazón? ¿Halla allí frialdad, carnalidad, incluso enemistad contra Aquel a quien, sin embargo, anhela amar? Es un sentimiento amargo, y quizá no se atreve a contárselo a nadie, por temor a que demuestre que no hay gracia en usted. Pero sepa que la mente carnal, aun en un hijo de Dios, no es otra cosa que enemistad, y que el Señor le muestra esto para que no se atribuya a sí mismo el amor.
Porque el amor es de Dios. Es un don que el Mediador resucitado imparte a Su pueblo de Su plenitud. Si usted no puede producirlo, mire a Aquel que puede darlo. Un poco de misericordia de parte Suya, y los afectos son atraídos hacia Él; entonces gusta usted un anticipo del cielo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl