gisteren verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
8 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
13 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
3 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Het einde eens dings is beter dan zijn beginsel.
Prediker 7:8
Alzo spreekt de wijze man, en het is dikwijls waar in het natuurlijke, maar immer waar in het geestelijke. Zelden kunnen wij in den beginne de uitslag voorzien ener zaak die wij ondernemen. Wij mogen haar met veel hoop aanvangen, en aan het einde die hoop deerlijk bedrogen zien. Wij mogen ze somtijds met vrees beginnen en bij de uitkomst bevinden dat deze vrees geheel ongegrond was. Wat wij ook ondernemen, het is zeer zelden dat het einde aan onze verwachting beantwoordt, want wij moeten telkens en telkens leren dat „de mens zijn weg overdenkt, maar dat de Heere zijn gangen bestuurt”, en dat er vele beraadslagingen zijn in het hart eens mensen, maar dat evenwel de raad des Heeren, en die alleen, zal bestaan.
Maar zoverre als wij behoren tot de kinderen Gods, en dus onder een bijzonder bestuur en Goddelijke lering en leiding zijn, hetzij onze eerste verwachtingen vervuld worden of niet, het einde zet op al de wegen Gods met ons, zowel in de voorzienigheid als in de genade, de stempel van wijsheid en goedheid. Hoe belemmerd het pad van een kind Gods ook geweest zij; hoe zijn plannen, ook de gedachten van zijn hart, zoals Job zegt, ook verijdeld zijn; hoewel hetgeen hij zelf goed achtte ten kwade uitliep, en hij, naar licht uitziende, niets dan duisternis ontwaarde; welke bittere dingen God tegen hem scheen te schrijven, wanneer Hij hem de zonden zijner jeugd toerekende: hij zal vroeger of later toch kunnen zeggen: „O hoe groot is Uw goedheid, die Gij weggelegd hebt voor degenen, die U vrezen!” En dat zal hem de vrijmoedigheid geven erbij te voegen: „Waarlijk, goedheid en barmhartigheid zullen mij al de dagen mijns levens volgen, zoals zij mij reeds gevolgd zijn, en ik zal in het huis des Heeren wonen eeuwiglijk en altoos.”
Laat ieder ’s Heeren goedheid loven,
want goed is d’ Oppermajesteit:
zijn goedheid gaat het al te boven,
zijn goedheid duurt in eeuwigheid!
Laat Isrel nu Gods goedheid loven
en zeggen: „Roemt Gods majesteit!
Zijn goedheid gaat het al te boven,
zijn goedheid duurt in eeuwigheid!”
Ps. 118:1
Aan de lezer…
Hoe dikwijls werden uw plannen verijdeld en uw verwachtingen deerlijk beschaamd! Nu het jaar ten einde loopt, ziet u daar misschien op terug. U zocht licht en vond duisternis; wat u goed achtte, liep ten kwade uit, en soms scheen God bittere dingen tegen u te schrijven. Wij overdenken onze weg, maar de Heere bestuurt onze gangen, en dat is voor het vlees een harde les.
Toch is het einde eens dings beter dan zijn beginsel. Voor een kind van God zet het einde op al Zijn wegen, in de voorzienigheid en in de genade, de stempel van wijsheid en goedheid. Wat u nu nog niet verstaat, zult u vroeger of later met verwondering erkennen. Dan zult u zeggen: „O hoe groot is Uw goedheid!”, en met vrijmoedigheid erbij voegen dat goedheid en barmhartigheid u al de dagen van uw leven gevolgd zijn.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Het einde eens dings is beter dan zijn beginsel.
Prediker 7:8
Zo spreekt de wijze man, en het is vaak waar in het natuurlijke, maar altijd waar in het geestelijke. Zelden kunnen wij bij het begin de afloop voorzien van iets wat wij ondernemen. Wij kunnen het met veel hoop beginnen, en aan het einde zien hoe die hoop deerlijk bedrogen uitkomt. Soms beginnen wij het met vrees, en merken wij bij de afloop dat die vrees volkomen ongegrond was. Wat wij ook ondernemen, het gebeurt maar zelden dat het einde aan onze verwachting beantwoordt. Want wij moeten telkens weer leren dat „de mens zijn weg overdenkt, maar dat de Heere zijn gangen bestuurt”, en dat er veel overleggingen zijn in het hart van een mens, maar dat toch de raad van de Heere, en die alleen, zal bestaan.
Maar voor zover wij tot de kinderen van God behoren, en dus onder een bijzondere regering en Goddelijk onderwijs en leiding staan, drukt het einde op alle wegen van God met ons, zowel in de voorzienigheid als in de genade, de stempel van wijsheid en goedheid, of onze eerste verwachtingen nu vervuld worden of niet. Hoe belemmerd het pad van een kind van God ook geweest is; hoe zeer zijn plannen, ja de gedachten van zijn hart, zoals Job zegt, ook verijdeld zijn; hoewel wat hij zelf goed vond ten kwade uitliep, en hij, uitziend naar licht, niets dan duisternis zag; welke bittere dingen God ook tegen hem leek te schrijven, toen Hij hem de zonden van zijn jeugd toerekende: vroeg of laat zal hij toch kunnen zeggen: „O hoe groot is Uw goedheid, die Gij weggelegd hebt voor degenen, die U vrezen!” En dat zal hem de vrijmoedigheid geven om eraan toe te voegen: „Waarlijk, goedheid en barmhartigheid zullen mij al de dagen mijns levens volgen, zoals zij mij reeds gevolgd zijn, en ik zal in het huis des Heeren wonen eeuwiglijk en altoos.”
Laat ieder ’s Heeren goedheid loven,
want goed is d’ Oppermajesteit:
zijn goedheid gaat het al te boven,
zijn goedheid duurt in eeuwigheid!
Laat Isrel nu Gods goedheid loven
en zeggen: „Roemt Gods majesteit!
Zijn goedheid gaat het al te boven,
zijn goedheid duurt in eeuwigheid!”
Ps. 118:1
Aan de lezer…
Hoe vaak werden uw plannen verijdeld en uw verwachtingen deerlijk beschaamd! Nu het jaar ten einde loopt, kijkt u daar misschien op terug. U zocht licht en vond duisternis; wat u goed vond, liep ten kwade uit, en soms leek God bittere dingen tegen u te schrijven. Wij overdenken onze weg, maar de Heere bestuurt onze gangen, en dat is voor het vlees een harde les.
Toch is het einde van een zaak beter dan het begin. Voor een kind van God drukt het einde op al Zijn wegen, in de voorzienigheid en in de genade, de stempel van wijsheid en goedheid. Wat u nu nog niet begrijpt, zult u vroeg of laat met verwondering erkennen. Dan zult u zeggen: „O hoe groot is Uw goedheid!”, en met vrijmoedigheid eraan toevoegen dat goedheid en barmhartigheid u al de dagen van uw leven gevolgd zijn.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Better is the end of a thing than the beginning thereof.
Ecclesiastes 7:8
Thus says the wise man, and it is often true in natural things, but invariably so in divine. Rarely at first can we foresee what will be the outcome of any matter which we take in hand. We may begin it with much hope, and find in the end those hopes sadly disappointed. We may begin it with much fear, and find from the event those fears utterly groundless. Whatever we take in hand it is very rare that our expectations are fully carried out, for we have again and again to learn that “man’s heart devises his way, but the Lord directs his steps,” and that there are many devices in a man’s heart, nevertheless the counsel of the Lord, that and that only, shall stand.
But so far as we are among the family of God, and as such are under especial guidance and divine teaching and leading, whether our first expectations are accomplished or not, the end stamps wisdom and goodness upon all the dealings of God with us both in providence and in grace.
However chequered his path has been; however, as Job speaks, his purposes have been broken off, even the thoughts of his heart; however when he looked for good, then evil came unto him, and when he waited for light there came darkness; whatever bitter things God seemed to write against him when He made him to possess the sins of his youth, yet sooner or later every child of God will be able to say, “O how great is Your goodness which You have laid up for those who fear You!” and this will embolden him to add, “Surely goodness and mercy shall follow me, as they have already followed me, all the days of my life, and I shall dwell in the house of the Lord forever.”
To the reader…
How often your plans were thwarted and your expectations sadly disappointed! Now that the year is drawing to its close, perhaps you look back on that. You looked for light and found darkness; what seemed good to you turned out for evil, and at times God seemed to write bitter things against you. We devise our way, but the Lord directs our steps, and that is a hard lesson for the flesh.
Yet better is the end of a thing than the beginning thereof. For a child of God, the end stamps wisdom and goodness upon all His dealings, in providence and in grace. What you do not yet understand now, you will sooner or later acknowledge with wonder. Then you will say, “O how great is Thy goodness!”, and add with boldness that goodness and mercy have followed you all the days of your life.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Mejor es el fin del negocio que su principio.
Eclesiastés 7:8
Así dice el sabio, y con frecuencia es verdad en las cosas naturales, pero invariablemente lo es en las divinas. Rara vez podemos prever al principio cuál será el resultado de cualquier asunto que emprendemos. Podemos comenzarlo con mucha esperanza, y hallar al final esas esperanzas tristemente defraudadas. Podemos comenzarlo con mucho temor, y hallar por el desenlace que esos temores carecían por completo de fundamento. Sea lo que sea que emprendamos, es muy raro que nuestras expectativas se cumplan del todo, porque una y otra vez tenemos que aprender que “el corazón del hombre piensa su camino: mas Jehová endereza sus pasos”, y que muchos pensamientos hay en el corazón del hombre, mas el consejo de Jehová, ese y solo ese, permanecerá.
Pero en cuanto estamos entre la familia de Dios, y como tales bajo una guía especial y una enseñanza y dirección divinas, se cumplan o no nuestras primeras expectativas, el fin imprime el sello de la sabiduría y la bondad sobre todos los tratos de Dios con nosotros, tanto en la providencia como en la gracia.
Por accidentado que haya sido su camino; por mucho que, como dice Job, sus pensamientos hayan sido arrancados, los designios de su corazón; por mucho que, cuando esperaba el bien, le vino el mal, y cuando esperaba luz vino la oscuridad; sean cuales sean las cosas amargas que Dios pareció escribir contra él cuando le hizo cargo de los pecados de su mocedad, tarde o temprano todo hijo de Dios podrá decir: “¡Cuán grande es Tu bien, que has guardado para los que Te temen!”, y esto le dará ánimo para añadir: “Ciertamente el bien y la misericordia me seguirán, como ya me han seguido, todos los días de mi vida: y en la casa de Jehová moraré por largos días”.
Al lector…
¡Cuántas veces se vieron frustrados sus planes y tristemente defraudadas sus expectativas! Ahora que el año llega a su fin, quizá mire usted atrás a todo ello. Esperaba luz y halló oscuridad; lo que le parecía bueno resultó para mal, y en ocasiones Dios pareció escribir cosas amargas contra usted. Nosotros pensamos nuestro camino, pero el Señor endereza nuestros pasos, y esa es una lección dura para la carne.
Sin embargo, mejor es el fin del negocio que su principio. Para un hijo de Dios, el fin imprime el sello de la sabiduría y la bondad sobre todos Sus tratos, en la providencia y en la gracia. Lo que ahora todavía no entiende, tarde o temprano lo reconocerá con asombro. Entonces dirá: “¡Cuán grande es Tu bien!”, y añadirá con confianza que el bien y la misericordia le han seguido todos los días de su vida.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Christus’ wederkomst
En Hij gezonden zal hebben Jezus Christus, Die u tevoren gepredikt is; Welke de hemel moet ontvangen tot de tijden der wederoprichting aller dingen.
Handelingen 3:20-21
Als we een blik op de heerlijkheid van Christus hebben verkregen, en Zijn wederkomst door een levend geloof beseft wordt, ziet de ziel voorbij deze tijdstoestand en alle zorgen en smarten van dit tranendal, naar die glorieuze dag waarop zij volmaakt overeen zal komen met het beeld van Christus, en nooit meer tegen Hem zal zondigen. Bij deze wederkomst zal Hij ons vernederd lichaam veranderen, opdat het gelijkvormig wordt aan Zijn heerlijk lichaam, naar de werking waardoor Hij ook alle dingen Zichzelven kan onderwerpen (Fil. 3:21). En „alsdan zal het woord geschieden, dat geschreven is: De dood is verslonden tot overwinning. Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning?” (1 Kor. 15:54, 55).
Welnu, als dit zo is, als Jezus is heengegaan om ons een plaats te bereiden, en heeft beloofd dat Hij wederkomt om ons tot Zich te nemen, opdat ook wij mogen zijn waar Hij is (Joh. 14:3), zal deze hemelse waarheid, indien ontvangen in een gelovig hart, dan niet een genadige invloed op onze dagelijkse levenswandel uitoefenen? Dat is tenminste het getuigenis van Johannes: „Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is. En een iegelijk, die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zichzelven, gelijk Hij rein is” (1 Joh. 3:2, 3).
Als we door goddelijk onderricht zijn gaan inzien dat deze tegenwoordige wereld een boze wereld is, waar Christus ons uit kwam verlossen door Zichzelf te geven voor onze zonden, en die als zodanig onder de toorn en vloek Gods verkeert; als we beseffen dat al hetgeen erin is door zonde en smart bedorven is, en door de genade erop vertrouwen dat, als de Heere verschijnt, we met Hem in heerlijkheid zullen verschijnen, zal dit ons dan niet in hart en geest van de wereld afscheiden, en ons met Gods hulp en zegen het Evangelie waardig doen wandelen (Filipp. 1:27), en doen spreken en handelen als een eigen volk, ijverig in goede werken (Tit. 2:14)?
Lezen: Johannes 14:1-14
Aan de lezer…
Misschien gaat uw blik in deze laatste dagen van het jaar niet verder dan de zorgen en smarten van dit tranendal. Kijk dan, door een levend geloof, eens voorbij deze tijdstoestand. Jezus is heengegaan om een plaats te bereiden, en Hij heeft beloofd weder te komen om de Zijnen tot Zich te nemen. Dan zal Hij ons vernederd lichaam veranderen, en dan zal de ziel nooit meer tegen Hem zondigen.
Zulk een hoop is geen droom die ons lui maakt, maar een kracht die ons reinigt. Wie deze hoop op Hem heeft, reinigt zichzelf, gelijk Hij rein is. Ziet u dat deze wereld een boze wereld is, waar Christus Zijn volk uit kwam verlossen door Zichzelf te geven, laat uw hart er dan niet langer aan kleven. Wandel het Evangelie waardig, en houd uw ogen gericht op die glorieuze dag waarop u Hem zult zien, gelijk Hij is.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En Hij gezonden zal hebben Jezus Christus, Die u tevoren gepredikt is; Welke de hemel moet ontvangen tot de tijden der wederoprichting aller dingen.
Handelingen 3:20-21
Als we iets van de heerlijkheid van Christus hebben gezien, en Zijn wederkomst door een levend geloof wordt beseft, dan ziet de ziel voorbij deze tijdelijke toestand en alle zorgen en smarten van dit tranendal. Zij ziet uit naar die heerlijke dag waarop zij volmaakt gelijkvormig zal zijn aan het beeld van Christus en nooit meer tegen Hem zal zondigen. Bij Zijn wederkomst zal Hij ons vernederd lichaam veranderen, opdat het gelijkvormig wordt aan Zijn heerlijk lichaam, naar de werking waardoor Hij ook alle dingen aan Zichzelf kan onderwerpen (Fil. 3:21). En „alsdan zal het woord geschieden, dat geschreven is: De dood is verslonden tot overwinning. Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning?” (1 Kor. 15:54, 55).
Welnu, als dit zo is, als Jezus is heengegaan om ons een plaats te bereiden en heeft beloofd dat Hij terugkomt om ons tot Zich te nemen, opdat ook wij zijn waar Hij is (Joh. 14:3), zal deze hemelse waarheid dan niet, als zij in een gelovig hart ontvangen wordt, een genadige invloed hebben op onze dagelijkse wandel? Dat is in elk geval het getuigenis van Johannes: „Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is. En een iegelijk, die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zichzelven, gelijk Hij rein is” (1 Joh. 3:2, 3).
Stel dat we door goddelijk onderwijs zijn gaan inzien dat deze tegenwoordige wereld een boze wereld is, waaruit Christus ons kwam verlossen door Zichzelf te geven voor onze zonden, en die als zodanig onder de toorn en de vloek van God ligt. Stel dat we beseffen dat alles wat erin is door zonde en smart bedorven is, en dat we door genade erop vertrouwen dat we, wanneer de Heere verschijnt, met Hem in heerlijkheid zullen verschijnen. Zal dit ons dan niet in hart en geest van de wereld afzonderen? Zal het ons dan niet, met Gods hulp en zegen, het Evangelie waardig doen wandelen (Filipp. 1:27), en doen spreken en handelen als een eigen volk, ijverig in goede werken (Tit. 2:14)?
Lezen: Johannes 14:1-14
Aan de lezer…
Misschien gaat uw blik in deze laatste dagen van het jaar niet verder dan de zorgen en smarten van dit tranendal. Kijk dan, door een levend geloof, eens voorbij deze tijdelijke toestand. Jezus is heengegaan om een plaats te bereiden, en Hij heeft beloofd terug te komen om de Zijnen tot Zich te nemen. Dan zal Hij ons vernederd lichaam veranderen, en dan zal de ziel nooit meer tegen Hem zondigen.
Zo’n hoop is geen droom die ons lui maakt, maar een kracht die ons reinigt. Wie deze hoop op Hem heeft, reinigt zichzelf, zoals Hij rein is. Ziet u dat deze wereld een boze wereld is, waaruit Christus Zijn volk kwam verlossen door Zichzelf te geven? Laat uw hart er dan niet langer aan vastzitten. Wandel het Evangelie waardig, en houd uw ogen gericht op die heerlijke dag waarop u Hem zult zien zoals Hij is.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And He shall send Jesus Christ, which before was preached unto you: Whom the heaven must receive until the times of restitution of all things.
Acts 3:20-21
If we have seen something of the glory of Christ, and His second coming is realised by a living faith, then the soul looks beyond this time-state and all the cares and sorrows of this vale of tears. She looks forward to that glorious day when she will be perfectly conformed to the image of Christ and will never sin against Him any more. At His coming He shall change our vile body, that it may be fashioned like unto His glorious body, according to the working whereby He is able even to subdue all things unto Himself (Phil. 3:21). And “then shall be brought to pass the saying that is written, Death is swallowed up in victory. O death, where is thy sting? O grave, where is thy victory?” (1 Cor. 15:54, 55).
Now if this be so, if Jesus has gone to prepare a place for us and has promised that He will come again to receive us unto Himself, that where He is, there we may be also (John 14:3), will not this heavenly truth, when received into a believing heart, have a gracious influence on our daily walk? That at any rate is the testimony of John: “Beloved, now are we the sons of God, and it doth not yet appear what we shall be: but we know that, when He shall appear, we shall be like Him; for we shall see Him as He is. And every man that hath this hope in Him purifieth himself, even as He is pure” (1 John 3:2, 3).
Suppose that by Divine teaching we have come to see that this present world is an evil world, from which Christ came to deliver us by giving Himself for our sins, and which as such lies under the wrath and curse of God. Suppose we realise that all that is in it is marred by sin and sorrow, and that by grace we trust that when the Lord shall appear, we shall appear with Him in glory. Will not this separate us from the world in heart and spirit? Will it not, with God’s help and blessing, make us walk as becometh the Gospel (Phil. 1:27), and speak and act as a peculiar people, zealous of good works (Titus 2:14)?
Reading: John 14:1-14
To the reader…
Perhaps in these last days of the year your gaze goes no further than the cares and sorrows of this vale of tears. Then look for once, by a living faith, beyond this time-state. Jesus has gone to prepare a place, and He has promised to come again to receive His own unto Himself. Then He will change our vile body, and then the soul will never sin against Him any more.
Such a hope is no dream that makes us idle, but a power that purifies us. Whoever has this hope in Him purifies himself, even as He is pure. Do you see that this world is an evil world, from which Christ came to deliver His people by giving Himself? Then let your heart no longer cling to it. Walk as becomes the Gospel, and keep your eyes fixed on that glorious day when you will see Him as He is.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y enviará a Jesucristo, que os fue antes anunciado: al cual de cierto es menester que el cielo tenga hasta los tiempos de la restauración de todas las cosas.
Hechos 3:20-21
Si hemos visto algo de la gloria de Cristo, y Su segunda venida es hecha real por una fe viva, entonces el alma mira más allá de este estado temporal y de todos los cuidados y dolores de este valle de lágrimas. Mira hacia adelante, a aquel día glorioso en que será perfectamente conformada a la imagen de Cristo y nunca más pecará contra Él. En Su venida Él transformará el cuerpo de nuestra bajeza, para que sea semejante al cuerpo de Su gloria, por la operación con la cual puede también sujetar a Sí todas las cosas (Fil. 3:21). Y “entonces se efectuará la palabra que está escrita: Sorbida es la muerte con victoria. ¿Dónde está, oh muerte, tu aguijón? ¿Dónde, oh sepulcro, tu victoria?” (1 Co. 15:54, 55).
Ahora bien, si esto es así, si Jesús ha ido a preparar lugar para nosotros y ha prometido que vendrá otra vez para tomarnos a Sí mismo, para que donde Él está, nosotros también estemos (Jn. 14:3), ¿no tendrá esta verdad celestial, cuando es recibida en un corazón creyente, una influencia llena de gracia en nuestro andar diario? Ese es, en todo caso, el testimonio de Juan: “Muy amados, ahora somos hijos de Dios, y aun no se ha manifestado lo que hemos de ser; empero sabemos que cuando Él apareciere, seremos semejantes a Él, porque le veremos como Él es. Y cualquiera que tiene esta esperanza en Él, se purifica, como Él también es limpio” (1 Jn. 3:2, 3).
Supongamos que por enseñanza divina hemos llegado a ver que este presente siglo es un siglo malo, del cual Cristo vino a librarnos dándose a Sí mismo por nuestros pecados, y que como tal está bajo la ira y la maldición de Dios. Supongamos que comprendemos que todo lo que hay en él está estropeado por el pecado y el dolor, y que por gracia confiamos en que, cuando el Señor se manifieste, nosotros también seremos manifestados con Él en gloria. ¿No nos separará esto del mundo en el corazón y en el espíritu? ¿No nos hará, con la ayuda y la bendición de Dios, andar como es digno del Evangelio (Fil. 1:27), y hablar y obrar como un pueblo propio, celoso de buenas obras (Tit. 2:14)?
Lectura: Juan 14:1-14
Al lector…
Quizá en estos últimos días del año su mirada no va más allá de los cuidados y dolores de este valle de lágrimas. Entonces mire por una vez, con una fe viva, más allá de este estado temporal. Jesús ha ido a preparar lugar, y ha prometido venir otra vez para tomar a los Suyos a Sí mismo. Entonces transformará el cuerpo de nuestra bajeza, y entonces el alma nunca más pecará contra Él.
Tal esperanza no es un sueño que nos vuelve ociosos, sino un poder que nos purifica. Cualquiera que tiene esta esperanza en Él se purifica, como Él también es limpio. ¿Ve usted que este mundo es un siglo malo, del cual Cristo vino a librar a Su pueblo dándose a Sí mismo? Entonces que su corazón no se aferre más a él. Ande como es digno del Evangelio, y mantenga los ojos puestos en aquel día glorioso en que le verá como Él es.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Een levende Steen, van de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en dierbaar.
1 Petrus 2:4
Ofschoon van de mensen verworpen, is de Heere Jezus Christus door God uitverkoren; en God, ik spreek met eerbied, kan geen onbezonnen keuze doen. Dit te denken zou zijn de allerhoogste Majesteit een dwaze eigenschap toe te schrijven. Hij is door God uitverkoren, omdat Hij alleen voor het werk geschikt was.
Het zou een aartsengel verbrijzeld hebben, had hij moeten dragen wat Jezus gedragen heeft. Geen blinkende engel, geen heerlijke seraf, geen geschapen wezen, hoe hoog ook verheven, had deze last der zonde kunnen dragen. En daarom kon niemand dan Gods eigen Zoon, niet als Zoon door Zijn bediening, maar door eeuwige generatie de Zoon des Vaders in waarheid en liefde, het gewicht der Hem toegerekende zonde en schuld dragen. Gelijk Hart zich uitdrukt:
Zo’n last van schuld, op Hem gelegd,
Was nauw’ voor Hem te dragen.
Maar Hij was door God uitverkoren, opdat Hij mocht zijn Sions Vertegenwoordiger, Sions Zondedrager en Sions heerlijk Hoofd; opdat er een fundament mocht zijn voor de kerk om op te rusten; op te rusten met al haar ellende, al haar zonden, al haar smarten, al haar snode afwijkingen en afgoderijen, al haar gewicht van smart en diepten van schuld. Om deze kerk te dragen met zulk een gewicht van verdorvenheid, schande en schaamte, vereist een krachtig fundament! Gods eigen Zoon, en niemand anders in de hemel of op de aarde, kon dit alles dragen. „Wendt u naar Mij toe en wordt behouden, alle gij einden der aarde, want Ik ben God en niemand meer.”
Hij was door God uitverkoren, reeds in de eeuwigheid, in de raad des vredes, opdat Hij Middelaar zou zijn. Hij was uitverkoren om mens te zijn, om te worden de Rots der eeuwen, de rustplaats van Sion, de haven, de ankerplaats, het huis. Daarom was Jezus te allen tijde, en Hij zal dit altijd zijn, onuitsprekelijk dierbaar voor het hart des Vaders. De mens veracht Hem; God eert Hem. De mens neemt Hem niet aan, maar God bemint Hem als Zijn volkomen gelijke Zoon.
God bemint Hem derhalve niet slechts als Zijn „Medegenoot” en heeft Hem uitverkoren om Middelaar te zijn, maar Hij is in Zijn ogen onuitsprekelijk dierbaar: dierbaar in Zijn Godheid, dierbaar in Zijn mensheid, dierbaar in Zijn bloed, dierbaar in Zijn gehoorzaamheid, dierbaar in Zijn lijden, dierbaar in Zijn dood, dierbaar in Zijn opstanding, dierbaar in Zijn hemelvaart, dierbaar aan de rechterhand Gods, dierbaar in de ogen Gods als de grote Hogepriester over het huis Gods en de enige Tussentreder tussen God en mensen. Is Hij niet waardig al uw krediet, al uw vertrouwen, al uw hoop, en dat gij Hem geheel aanneemt?
Zien wij waarheen wij willen, Hij is onze enige hoop. Ziet op de wereld: wat kunt gij daarvan rapen dan alleen een oogst van smart? Ziet men op alles wat de mensen goed en groot noemen, op al hetgeen men zo hoog waardeert, en dat misschien ook goed is voor de tijd, maar het is waardeloos voor de eeuwigheid.
Niemand meer dan ik kon misschien van hoger waarde schatten wat de natuurlijke mens als goed en groot acht, in het bijzonder menselijke geleerdheid en het verkrijgen van wetenschap. Toen ik ze echter beschouwde in het licht der eeuwigheid, was het slechts damp en rook, een damp die voor een wijle tijds gezien wordt en daarna verdwijnt. Maar de dingen der eeuwigheid, de vrede Gods in het hart, het werk des Geestes in de ziel, met al de gezegende vruchten der verlossing, deze zijn niet als de vluchtige dampen van de tijd, de dampen die uit de aarde opkomen en tot de aarde wederkeren; maar zij zullen de eeuwigheid verduren; zij behoren tot de onverderfelijke, onbevlekkelijke erfenis, die voor Gods kinderen is weggelegd in de hemelen.
Aan de lezer…
Er zijn dagen dat u zich moet afvragen of u met uw ellende, uw zonden en uw diepten van schuld rust op een fundament dat dit gewicht kan dragen. Geen engel, geen seraf, geen geschapen wezen kon die last torsen; het zou een aartsengel verbrijzeld hebben. Maar Gods eigen Zoon is daartoe door God uitverkoren, en Hij is sterk genoeg om de kerk met al haar snode afwijkingen en smarten te dragen. „Wendt u naar Mij toe en wordt behouden,” zegt Hij.
De mens veracht Hem nog, maar in de ogen des Vaders is Hij onuitsprekelijk dierbaar: in Zijn bloed, in Zijn gehoorzaamheid, in Zijn lijden en aan Gods rechterhand. Zou Hij dan voor u minder dierbaar mogen zijn? Al wat de wereld goed en groot noemt, is in het licht der eeuwigheid slechts damp en rook. Zie dan waarheen u wilt; Hij is de enige hoop. Geef Hem al uw vertrouwen; wat in Hem gegrond is, zal de eeuwigheid verduren.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Een levende Steen, van de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en dierbaar.
1 Petrus 2:4
Hoewel Hij door de mensen verworpen is, is de Heere Jezus Christus door God uitverkoren; en God, ik zeg het met eerbied, kan geen onbezonnen keuze maken. Dat te denken zou betekenen dat men de allerhoogste Majesteit een dwaze eigenschap toeschrijft. Hij is door God uitverkoren, omdat Hij alleen geschikt was voor het werk.
Het zou een aartsengel verbrijzeld hebben, als hij had moeten dragen wat Jezus gedragen heeft. Geen stralende engel, geen heerlijke serafijn, geen geschapen wezen, hoe hoog ook verheven, had deze last van de zonde kunnen dragen. Daarom kon niemand anders dan Gods eigen Zoon het gewicht dragen van de zonde en schuld die Hem werden toegerekend; niet Zoon door Zijn ambt, maar door eeuwige generatie de Zoon van de Vader in waarheid en liefde. Zoals Hart het uitdrukt:
Zo’n last van schuld, op Hem gelegd,
Was nauw’ voor Hem te dragen.
Maar Hij was door God uitverkoren om de Vertegenwoordiger van Sion te zijn, de Zondedrager van Sion en het heerlijke Hoofd van Sion; zodat er een fundament zou zijn waarop de kerk kon rusten. Rusten met al haar ellende, al haar zonden, al haar smarten, al haar snode afdwalingen en afgoderijen, al haar gewicht van smart en diepten van schuld. Om deze kerk te dragen met zo’n gewicht van verdorvenheid, schande en schaamte, is een sterk fundament nodig! Gods eigen Zoon, en niemand anders in de hemel of op de aarde, kon dit alles dragen. „Wendt u naar Mij toe en wordt behouden, alle gij einden der aarde, want Ik ben God en niemand meer.”
Hij was al in de eeuwigheid, in de raad van de vrede, door God uitverkoren om Middelaar te zijn. Hij was uitverkoren om mens te worden, om de Rots der eeuwen te worden, de rustplaats van Sion, de haven, de ankerplaats, het huis. Daarom was Jezus altijd onuitsprekelijk dierbaar voor het hart van de Vader, en dat zal Hij altijd blijven. De mens veracht Hem; God eert Hem. De mens neemt Hem niet aan, maar God heeft Hem lief als Zijn volkomen gelijke Zoon.
God heeft Hem dus niet alleen lief als Zijn „Medegenoot” en heeft Hem ook uitverkoren om Middelaar te zijn, maar Hij is in Zijn ogen onuitsprekelijk dierbaar: dierbaar in Zijn Godheid, dierbaar in Zijn mensheid, dierbaar in Zijn bloed, dierbaar in Zijn gehoorzaamheid, dierbaar in Zijn lijden, dierbaar in Zijn dood, dierbaar in Zijn opstanding, dierbaar in Zijn hemelvaart, dierbaar aan de rechterhand van God, dierbaar in de ogen van God als de grote Hogepriester over het huis van God en de enige Middelaar tussen God en mensen. Is Hij niet al uw krediet, al uw vertrouwen en al uw hoop waard, en dat u Hem helemaal aanneemt?
Waar wij ook kijken, Hij is onze enige hoop. Kijk naar de wereld: wat kunt u daar anders van oogsten dan een oogst van smart? Kijk naar alles wat de mensen goed en groot noemen, naar alles wat zo hoog gewaardeerd wordt; het mag misschien goed zijn voor de tijd, maar het is waardeloos voor de eeuwigheid.
Niemand kon misschien meer dan ik waarde hechten aan wat de natuurlijke mens goed en groot vindt, in het bijzonder menselijke geleerdheid en het verwerven van kennis. Maar toen ik die dingen bekeek in het licht van de eeuwigheid, waren zij niet meer dan damp en rook, een damp die een korte tijd gezien wordt en daarna verdwijnt. Maar de dingen van de eeuwigheid, de vrede van God in het hart, het werk van de Geest in de ziel, met alle gezegende vruchten van de verlossing, zijn niet als de vluchtige dampen van de tijd, de dampen die uit de aarde opkomen en tot de aarde terugkeren; zij zullen de eeuwigheid verduren; zij behoren tot de onverderfelijke, onbevlekte erfenis die voor Gods kinderen in de hemel is weggelegd.
Aan de lezer…
Er zijn dagen dat u zich moet afvragen of u met uw ellende, uw zonden en uw diepten van schuld rust op een fundament dat dit gewicht kan dragen. Geen engel, geen serafijn, geen geschapen wezen kon die last torsen; het zou een aartsengel verbrijzeld hebben. Maar Gods eigen Zoon is daartoe door God uitverkoren, en Hij is sterk genoeg om de kerk met al haar snode afdwalingen en smarten te dragen. „Wendt u naar Mij toe en wordt behouden,” zegt Hij.
De mens veracht Hem nog, maar in de ogen van de Vader is Hij onuitsprekelijk dierbaar: in Zijn bloed, in Zijn gehoorzaamheid, in Zijn lijden en aan Gods rechterhand. Zou Hij dan voor u minder dierbaar mogen zijn? Alles wat de wereld goed en groot noemt, is in het licht van de eeuwigheid niet meer dan damp en rook. Kijk dan waar u wilt; Hij is de enige hoop. Geef Hem al uw vertrouwen; wat in Hem gegrond is, zal de eeuwigheid verduren.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“A living stone, disallowed indeed of men, but chosen of God, and precious.”
1 Peter 2:4
Though “disallowed of men,” the Lord Jesus Christ is “chosen by God;” and God, I speak it with reverence, cannot make an unwise choice. To think that, would be to attribute folly to the Most High. He is “chosen of God,” because He alone was fitted for the work. It would have crushed an archangel to bear what Jesus bore. No bright angel, nor glorious seraph, no created being, however exalted, could have borne the load of sin; and therefore none but God’s own Son, not by office, but by eternal generation, the Son of the Father in truth and love, could bear the weight of imputed sin and guilt. As Hart says—
“Such loads of guilt were on Him put,
He alone could sustain the weight.”
But He was “chosen of God” that He might be Zion’s Representative, Zion’s Sin-bearer, and Zion’s glorious Head; that there might be a foundation for the Church to rest upon with all her miseries, all her sins, all her sorrows, all her base backslidings and idolatries, all her weight of woe and depths of guilt. It need be a strong foundation to bear this Church, so loaded with degradation, ignominy, and shame! God’s own Son, and none else in heaven or in earth, could bear all this. “Look unto Me, and be saved, for I am God, and there is none else.”
He was “chosen of God” in eternity, in the divine councils, that He might be a Mediator. He was “chosen” to become man; chosen to become the Rock of Ages, Zion’s resting-place, harbor, anchorage, and home. Jesus was ever, therefore, and ever will be, unspeakably “precious” to the Father’s heart. Man despises Him, but God honors Him; man disallows Him, but God values Him as His co-equal Son.
God, therefore, not only values Him as His “fellow,” and has chosen Him to be the Mediator, but He is in His eyes unspeakably “precious;” precious in His Deity, precious in His humanity, precious in His blood, precious in His obedience, precious in His sufferings, precious in His death, precious in His resurrection, precious in His ascension to God’s right hand, precious in the eyes of God as the Great High Priest over the house of God, and the only Mediator between God and man.
Is He not worthy of all your trust, all your confidence, all your hope, and all your acceptance? Look where we will, He is our only hope. Look at the world, what can you reap from that but a harvest of sorrow? Look at everything men call good and great; all that man highly values, good perhaps for time, but valueless for eternity. Perhaps no one could put a higher value than I upon what man naturally regards as good and great, especially upon human learning, and attainments in knowledge and science. Yet I have seen them as compared with eternity, to be but breath and smoke—a vapor that passes away and is no more seen.
But the things of eternity, the peace of God in the heart, the work of the Spirit upon the soul, with all the blessed realities of salvation—these are not like the airy mists of time, the vapors that spring out of earth and return to earth again, but are enduring and eternal, “an inheritance incorruptible, and undefiled, and that fades not away.”
To the reader…
There are days when you have to ask yourself whether, with your misery, your sins and your depths of guilt, you rest on a foundation that can bear this weight. No angel, no seraph, no created being could carry that burden; it would have crushed an archangel. But God’s own Son was chosen by God for this, and He is strong enough to bear the Church with all her base backslidings and sorrows. “Look unto Me, and be ye saved,” He says.
Man still despises Him, but in the eyes of the Father He is unspeakably precious: in His blood, in His obedience, in His sufferings and at God’s right hand. Should He then be less precious to you? All that the world calls good and great is, in the light of eternity, no more than vapor and smoke. Look where you will; He is the only hope. Give Him all your trust; what is founded in Him will endure for eternity.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Piedra viva, reprobada cierto de los hombres, empero elegida de Dios, preciosa.”
1 Pedro 2:4
Aunque “reprobada de los hombres”, el Señor Jesucristo es “elegido de Dios”; y Dios, lo digo con reverencia, no puede hacer una elección insensata. Pensar eso sería atribuir necedad al Altísimo. Él es “elegido de Dios” porque solo Él era apto para la obra. Habría aplastado a un arcángel llevar lo que Jesús llevó. Ningún ángel resplandeciente, ningún serafín glorioso, ningún ser creado, por exaltado que fuera, podría haber llevado la carga del pecado; y por tanto nadie sino el propio Hijo de Dios, no por oficio, sino por generación eterna, el Hijo del Padre en verdad y en amor, podía llevar el peso del pecado y la culpa imputados. Como dice Hart:
“Tales cargas de culpa fueron puestas sobre Él,
que solo Él podía sostener el peso.”
Pero fue “elegido de Dios” para ser el Representante de Sion, el que lleva el pecado de Sion y la gloriosa Cabeza de Sion; para que hubiera un fundamento sobre el cual la Iglesia descansara con todas sus miserias, todos sus pecados, todas sus penas, todas sus viles rebeliones e idolatrías, todo su peso de aflicción y sus profundidades de culpa. ¡Bien fuerte ha de ser el fundamento que sostenga a esta Iglesia, tan cargada de degradación, ignominia y vergüenza! El propio Hijo de Dios, y ningún otro en el cielo ni en la tierra, podía llevar todo esto. “Mirad a Mí, y sed salvos, porque Yo soy Dios, y no hay más.”
Fue “elegido de Dios” en la eternidad, en los consejos divinos, para ser Mediador. Fue “elegido” para hacerse hombre; elegido para ser la Roca de los siglos, el lugar de reposo de Sion, su puerto, su fondeadero y su hogar. Por tanto, Jesús fue siempre, y siempre será, indeciblemente “precioso” para el corazón del Padre. El hombre Le desprecia, pero Dios Le honra; el hombre Le reprueba, pero Dios Le estima como Su Hijo coigual.
Dios, pues, no solo Le estima como Su “compañero” y Le ha elegido para ser el Mediador, sino que Él es a Sus ojos indeciblemente “precioso”: precioso en Su Deidad, precioso en Su humanidad, precioso en Su sangre, precioso en Su obediencia, precioso en Sus sufrimientos, precioso en Su muerte, precioso en Su resurrección, precioso en Su ascensión a la diestra de Dios, precioso a los ojos de Dios como el gran Sumo Sacerdote sobre la casa de Dios y el único Mediador entre Dios y los hombres.
¿No es Él digno de toda su confianza, de toda su seguridad, de toda su esperanza y de toda su aceptación? Miremos donde miremos, Él es nuestra única esperanza. Mire al mundo: ¿qué puede cosechar de él sino una cosecha de dolor? Mire todo lo que los hombres llaman bueno y grande; todo lo que el hombre estima en mucho, bueno quizá para el tiempo, pero sin valor para la eternidad. Quizá nadie podría dar más valor que yo a lo que el hombre considera naturalmente bueno y grande, especialmente al saber humano y a los logros en el conocimiento y la ciencia. Sin embargo, comparados con la eternidad, los he visto como no más que aliento y humo, un vapor que pasa y no se ve más.
Pero las cosas de la eternidad, la paz de Dios en el corazón, la obra del Espíritu en el alma, con todas las benditas realidades de la salvación, no son como las brumas vaporosas del tiempo, los vapores que brotan de la tierra y vuelven otra vez a la tierra, sino que son duraderas y eternas, “una herencia incorruptible, y que no puede contaminarse, ni marchitarse”.
Al lector…
Hay días en que usted tiene que preguntarse si, con su miseria, sus pecados y sus profundidades de culpa, descansa sobre un fundamento que pueda sostener este peso. Ningún ángel, ningún serafín, ningún ser creado podría llevar esa carga; habría aplastado a un arcángel. Pero el propio Hijo de Dios fue elegido por Dios para esto, y Él es lo bastante fuerte para sostener a la Iglesia con todas sus viles rebeliones y penas. “Mirad a Mí, y sed salvos”, dice Él.
El hombre todavía Le desprecia, pero a los ojos del Padre Él es indeciblemente precioso: en Su sangre, en Su obediencia, en Sus sufrimientos y a la diestra de Dios. ¿Habría de ser entonces menos precioso para usted? Todo lo que el mundo llama bueno y grande no es, a la luz de la eternidad, más que vapor y humo. Mire donde quiera; Él es la única esperanza. Dele toda su confianza; lo que está fundado en Él permanecerá por la eternidad.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl