30 de diciembre
Een levende Steen, van de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en dierbaar.
1 Petrus 2:4
Ofschoon van de mensen verworpen, is de Heere Jezus Christus door God uitverkoren; en God, ik spreek met eerbied, kan geen onbezonnen keuze doen. Dit te denken zou zijn de allerhoogste Majesteit een dwaze eigenschap toe te schrijven. Hij is door God uitverkoren, omdat Hij alleen voor het werk geschikt was.
Het zou een aartsengel verbrijzeld hebben, had hij moeten dragen wat Jezus gedragen heeft. Geen blinkende engel, geen heerlijke seraf, geen geschapen wezen, hoe hoog ook verheven, had deze last der zonde kunnen dragen. En daarom kon niemand dan Gods eigen Zoon, niet als Zoon door Zijn bediening, maar door eeuwige generatie de Zoon des Vaders in waarheid en liefde, het gewicht der Hem toegerekende zonde en schuld dragen. Gelijk Hart zich uitdrukt:
Zo’n last van schuld, op Hem gelegd,
Was nauw’ voor Hem te dragen.
Maar Hij was door God uitverkoren, opdat Hij mocht zijn Sions Vertegenwoordiger, Sions Zondedrager en Sions heerlijk Hoofd; opdat er een fundament mocht zijn voor de kerk om op te rusten; op te rusten met al haar ellende, al haar zonden, al haar smarten, al haar snode afwijkingen en afgoderijen, al haar gewicht van smart en diepten van schuld. Om deze kerk te dragen met zulk een gewicht van verdorvenheid, schande en schaamte, vereist een krachtig fundament! Gods eigen Zoon, en niemand anders in de hemel of op de aarde, kon dit alles dragen. „Wendt u naar Mij toe en wordt behouden, alle gij einden der aarde, want Ik ben God en niemand meer.”
Hij was door God uitverkoren, reeds in de eeuwigheid, in de raad des vredes, opdat Hij Middelaar zou zijn. Hij was uitverkoren om mens te zijn, om te worden de Rots der eeuwen, de rustplaats van Sion, de haven, de ankerplaats, het huis. Daarom was Jezus te allen tijde, en Hij zal dit altijd zijn, onuitsprekelijk dierbaar voor het hart des Vaders. De mens veracht Hem; God eert Hem. De mens neemt Hem niet aan, maar God bemint Hem als Zijn volkomen gelijke Zoon.
God bemint Hem derhalve niet slechts als Zijn „Medegenoot” en heeft Hem uitverkoren om Middelaar te zijn, maar Hij is in Zijn ogen onuitsprekelijk dierbaar: dierbaar in Zijn Godheid, dierbaar in Zijn mensheid, dierbaar in Zijn bloed, dierbaar in Zijn gehoorzaamheid, dierbaar in Zijn lijden, dierbaar in Zijn dood, dierbaar in Zijn opstanding, dierbaar in Zijn hemelvaart, dierbaar aan de rechterhand Gods, dierbaar in de ogen Gods als de grote Hogepriester over het huis Gods en de enige Tussentreder tussen God en mensen. Is Hij niet waardig al uw krediet, al uw vertrouwen, al uw hoop, en dat gij Hem geheel aanneemt?
Zien wij waarheen wij willen, Hij is onze enige hoop. Ziet op de wereld: wat kunt gij daarvan rapen dan alleen een oogst van smart? Ziet men op alles wat de mensen goed en groot noemen, op al hetgeen men zo hoog waardeert, en dat misschien ook goed is voor de tijd, maar het is waardeloos voor de eeuwigheid.
Niemand meer dan ik kon misschien van hoger waarde schatten wat de natuurlijke mens als goed en groot acht, in het bijzonder menselijke geleerdheid en het verkrijgen van wetenschap. Toen ik ze echter beschouwde in het licht der eeuwigheid, was het slechts damp en rook, een damp die voor een wijle tijds gezien wordt en daarna verdwijnt. Maar de dingen der eeuwigheid, de vrede Gods in het hart, het werk des Geestes in de ziel, met al de gezegende vruchten der verlossing, deze zijn niet als de vluchtige dampen van de tijd, de dampen die uit de aarde opkomen en tot de aarde wederkeren; maar zij zullen de eeuwigheid verduren; zij behoren tot de onverderfelijke, onbevlekkelijke erfenis, die voor Gods kinderen is weggelegd in de hemelen.
Aan de lezer…
Er zijn dagen dat u zich moet afvragen of u met uw ellende, uw zonden en uw diepten van schuld rust op een fundament dat dit gewicht kan dragen. Geen engel, geen seraf, geen geschapen wezen kon die last torsen; het zou een aartsengel verbrijzeld hebben. Maar Gods eigen Zoon is daartoe door God uitverkoren, en Hij is sterk genoeg om de kerk met al haar snode afwijkingen en smarten te dragen. „Wendt u naar Mij toe en wordt behouden,” zegt Hij.
De mens veracht Hem nog, maar in de ogen des Vaders is Hij onuitsprekelijk dierbaar: in Zijn bloed, in Zijn gehoorzaamheid, in Zijn lijden en aan Gods rechterhand. Zou Hij dan voor u minder dierbaar mogen zijn? Al wat de wereld goed en groot noemt, is in het licht der eeuwigheid slechts damp en rook. Zie dan waarheen u wilt; Hij is de enige hoop. Geef Hem al uw vertrouwen; wat in Hem gegrond is, zal de eeuwigheid verduren.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Een levende Steen, van de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en dierbaar.
1 Petrus 2:4
Hoewel Hij door de mensen verworpen is, is de Heere Jezus Christus door God uitverkoren; en God, ik zeg het met eerbied, kan geen onbezonnen keuze maken. Dat te denken zou betekenen dat men de allerhoogste Majesteit een dwaze eigenschap toeschrijft. Hij is door God uitverkoren, omdat Hij alleen geschikt was voor het werk.
Het zou een aartsengel verbrijzeld hebben, als hij had moeten dragen wat Jezus gedragen heeft. Geen stralende engel, geen heerlijke serafijn, geen geschapen wezen, hoe hoog ook verheven, had deze last van de zonde kunnen dragen. Daarom kon niemand anders dan Gods eigen Zoon het gewicht dragen van de zonde en schuld die Hem werden toegerekend; niet Zoon door Zijn ambt, maar door eeuwige generatie de Zoon van de Vader in waarheid en liefde. Zoals Hart het uitdrukt:
Zo’n last van schuld, op Hem gelegd,
Was nauw’ voor Hem te dragen.
Maar Hij was door God uitverkoren om de Vertegenwoordiger van Sion te zijn, de Zondedrager van Sion en het heerlijke Hoofd van Sion; zodat er een fundament zou zijn waarop de kerk kon rusten. Rusten met al haar ellende, al haar zonden, al haar smarten, al haar snode afdwalingen en afgoderijen, al haar gewicht van smart en diepten van schuld. Om deze kerk te dragen met zo’n gewicht van verdorvenheid, schande en schaamte, is een sterk fundament nodig! Gods eigen Zoon, en niemand anders in de hemel of op de aarde, kon dit alles dragen. „Wendt u naar Mij toe en wordt behouden, alle gij einden der aarde, want Ik ben God en niemand meer.”
Hij was al in de eeuwigheid, in de raad van de vrede, door God uitverkoren om Middelaar te zijn. Hij was uitverkoren om mens te worden, om de Rots der eeuwen te worden, de rustplaats van Sion, de haven, de ankerplaats, het huis. Daarom was Jezus altijd onuitsprekelijk dierbaar voor het hart van de Vader, en dat zal Hij altijd blijven. De mens veracht Hem; God eert Hem. De mens neemt Hem niet aan, maar God heeft Hem lief als Zijn volkomen gelijke Zoon.
God heeft Hem dus niet alleen lief als Zijn „Medegenoot” en heeft Hem ook uitverkoren om Middelaar te zijn, maar Hij is in Zijn ogen onuitsprekelijk dierbaar: dierbaar in Zijn Godheid, dierbaar in Zijn mensheid, dierbaar in Zijn bloed, dierbaar in Zijn gehoorzaamheid, dierbaar in Zijn lijden, dierbaar in Zijn dood, dierbaar in Zijn opstanding, dierbaar in Zijn hemelvaart, dierbaar aan de rechterhand van God, dierbaar in de ogen van God als de grote Hogepriester over het huis van God en de enige Middelaar tussen God en mensen. Is Hij niet al uw krediet, al uw vertrouwen en al uw hoop waard, en dat u Hem helemaal aanneemt?
Waar wij ook kijken, Hij is onze enige hoop. Kijk naar de wereld: wat kunt u daar anders van oogsten dan een oogst van smart? Kijk naar alles wat de mensen goed en groot noemen, naar alles wat zo hoog gewaardeerd wordt; het mag misschien goed zijn voor de tijd, maar het is waardeloos voor de eeuwigheid.
Niemand kon misschien meer dan ik waarde hechten aan wat de natuurlijke mens goed en groot vindt, in het bijzonder menselijke geleerdheid en het verwerven van kennis. Maar toen ik die dingen bekeek in het licht van de eeuwigheid, waren zij niet meer dan damp en rook, een damp die een korte tijd gezien wordt en daarna verdwijnt. Maar de dingen van de eeuwigheid, de vrede van God in het hart, het werk van de Geest in de ziel, met alle gezegende vruchten van de verlossing, zijn niet als de vluchtige dampen van de tijd, de dampen die uit de aarde opkomen en tot de aarde terugkeren; zij zullen de eeuwigheid verduren; zij behoren tot de onverderfelijke, onbevlekte erfenis die voor Gods kinderen in de hemel is weggelegd.
Aan de lezer…
Er zijn dagen dat u zich moet afvragen of u met uw ellende, uw zonden en uw diepten van schuld rust op een fundament dat dit gewicht kan dragen. Geen engel, geen serafijn, geen geschapen wezen kon die last torsen; het zou een aartsengel verbrijzeld hebben. Maar Gods eigen Zoon is daartoe door God uitverkoren, en Hij is sterk genoeg om de kerk met al haar snode afdwalingen en smarten te dragen. „Wendt u naar Mij toe en wordt behouden,” zegt Hij.
De mens veracht Hem nog, maar in de ogen van de Vader is Hij onuitsprekelijk dierbaar: in Zijn bloed, in Zijn gehoorzaamheid, in Zijn lijden en aan Gods rechterhand. Zou Hij dan voor u minder dierbaar mogen zijn? Alles wat de wereld goed en groot noemt, is in het licht van de eeuwigheid niet meer dan damp en rook. Kijk dan waar u wilt; Hij is de enige hoop. Geef Hem al uw vertrouwen; wat in Hem gegrond is, zal de eeuwigheid verduren.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“A living stone, disallowed indeed of men, but chosen of God, and precious.”
1 Peter 2:4
Though “disallowed of men,” the Lord Jesus Christ is “chosen by God;” and God, I speak it with reverence, cannot make an unwise choice. To think that, would be to attribute folly to the Most High. He is “chosen of God,” because He alone was fitted for the work. It would have crushed an archangel to bear what Jesus bore. No bright angel, nor glorious seraph, no created being, however exalted, could have borne the load of sin; and therefore none but God’s own Son, not by office, but by eternal generation, the Son of the Father in truth and love, could bear the weight of imputed sin and guilt. As Hart says—
“Such loads of guilt were on Him put,
He alone could sustain the weight.”
But He was “chosen of God” that He might be Zion’s Representative, Zion’s Sin-bearer, and Zion’s glorious Head; that there might be a foundation for the Church to rest upon with all her miseries, all her sins, all her sorrows, all her base backslidings and idolatries, all her weight of woe and depths of guilt. It need be a strong foundation to bear this Church, so loaded with degradation, ignominy, and shame! God’s own Son, and none else in heaven or in earth, could bear all this. “Look unto Me, and be saved, for I am God, and there is none else.”
He was “chosen of God” in eternity, in the divine councils, that He might be a Mediator. He was “chosen” to become man; chosen to become the Rock of Ages, Zion’s resting-place, harbor, anchorage, and home. Jesus was ever, therefore, and ever will be, unspeakably “precious” to the Father’s heart. Man despises Him, but God honors Him; man disallows Him, but God values Him as His co-equal Son.
God, therefore, not only values Him as His “fellow,” and has chosen Him to be the Mediator, but He is in His eyes unspeakably “precious;” precious in His Deity, precious in His humanity, precious in His blood, precious in His obedience, precious in His sufferings, precious in His death, precious in His resurrection, precious in His ascension to God’s right hand, precious in the eyes of God as the Great High Priest over the house of God, and the only Mediator between God and man.
Is He not worthy of all your trust, all your confidence, all your hope, and all your acceptance? Look where we will, He is our only hope. Look at the world, what can you reap from that but a harvest of sorrow? Look at everything men call good and great; all that man highly values, good perhaps for time, but valueless for eternity. Perhaps no one could put a higher value than I upon what man naturally regards as good and great, especially upon human learning, and attainments in knowledge and science. Yet I have seen them as compared with eternity, to be but breath and smoke—a vapor that passes away and is no more seen.
But the things of eternity, the peace of God in the heart, the work of the Spirit upon the soul, with all the blessed realities of salvation—these are not like the airy mists of time, the vapors that spring out of earth and return to earth again, but are enduring and eternal, “an inheritance incorruptible, and undefiled, and that fades not away.”
To the reader…
There are days when you have to ask yourself whether, with your misery, your sins and your depths of guilt, you rest on a foundation that can bear this weight. No angel, no seraph, no created being could carry that burden; it would have crushed an archangel. But God’s own Son was chosen by God for this, and He is strong enough to bear the Church with all her base backslidings and sorrows. “Look unto Me, and be ye saved,” He says.
Man still despises Him, but in the eyes of the Father He is unspeakably precious: in His blood, in His obedience, in His sufferings and at God’s right hand. Should He then be less precious to you? All that the world calls good and great is, in the light of eternity, no more than vapor and smoke. Look where you will; He is the only hope. Give Him all your trust; what is founded in Him will endure for eternity.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Piedra viva, reprobada cierto de los hombres, empero elegida de Dios, preciosa.”
1 Pedro 2:4
Aunque “reprobada de los hombres”, el Señor Jesucristo es “elegido de Dios”; y Dios, lo digo con reverencia, no puede hacer una elección insensata. Pensar eso sería atribuir necedad al Altísimo. Él es “elegido de Dios” porque solo Él era apto para la obra. Habría aplastado a un arcángel llevar lo que Jesús llevó. Ningún ángel resplandeciente, ningún serafín glorioso, ningún ser creado, por exaltado que fuera, podría haber llevado la carga del pecado; y por tanto nadie sino el propio Hijo de Dios, no por oficio, sino por generación eterna, el Hijo del Padre en verdad y en amor, podía llevar el peso del pecado y la culpa imputados. Como dice Hart:
“Tales cargas de culpa fueron puestas sobre Él,
que solo Él podía sostener el peso.”
Pero fue “elegido de Dios” para ser el Representante de Sion, el que lleva el pecado de Sion y la gloriosa Cabeza de Sion; para que hubiera un fundamento sobre el cual la Iglesia descansara con todas sus miserias, todos sus pecados, todas sus penas, todas sus viles rebeliones e idolatrías, todo su peso de aflicción y sus profundidades de culpa. ¡Bien fuerte ha de ser el fundamento que sostenga a esta Iglesia, tan cargada de degradación, ignominia y vergüenza! El propio Hijo de Dios, y ningún otro en el cielo ni en la tierra, podía llevar todo esto. “Mirad a Mí, y sed salvos, porque Yo soy Dios, y no hay más.”
Fue “elegido de Dios” en la eternidad, en los consejos divinos, para ser Mediador. Fue “elegido” para hacerse hombre; elegido para ser la Roca de los siglos, el lugar de reposo de Sion, su puerto, su fondeadero y su hogar. Por tanto, Jesús fue siempre, y siempre será, indeciblemente “precioso” para el corazón del Padre. El hombre Le desprecia, pero Dios Le honra; el hombre Le reprueba, pero Dios Le estima como Su Hijo coigual.
Dios, pues, no solo Le estima como Su “compañero” y Le ha elegido para ser el Mediador, sino que Él es a Sus ojos indeciblemente “precioso”: precioso en Su Deidad, precioso en Su humanidad, precioso en Su sangre, precioso en Su obediencia, precioso en Sus sufrimientos, precioso en Su muerte, precioso en Su resurrección, precioso en Su ascensión a la diestra de Dios, precioso a los ojos de Dios como el gran Sumo Sacerdote sobre la casa de Dios y el único Mediador entre Dios y los hombres.
¿No es Él digno de toda su confianza, de toda su seguridad, de toda su esperanza y de toda su aceptación? Miremos donde miremos, Él es nuestra única esperanza. Mire al mundo: ¿qué puede cosechar de él sino una cosecha de dolor? Mire todo lo que los hombres llaman bueno y grande; todo lo que el hombre estima en mucho, bueno quizá para el tiempo, pero sin valor para la eternidad. Quizá nadie podría dar más valor que yo a lo que el hombre considera naturalmente bueno y grande, especialmente al saber humano y a los logros en el conocimiento y la ciencia. Sin embargo, comparados con la eternidad, los he visto como no más que aliento y humo, un vapor que pasa y no se ve más.
Pero las cosas de la eternidad, la paz de Dios en el corazón, la obra del Espíritu en el alma, con todas las benditas realidades de la salvación, no son como las brumas vaporosas del tiempo, los vapores que brotan de la tierra y vuelven otra vez a la tierra, sino que son duraderas y eternas, “una herencia incorruptible, y que no puede contaminarse, ni marchitarse”.
Al lector…
Hay días en que usted tiene que preguntarse si, con su miseria, sus pecados y sus profundidades de culpa, descansa sobre un fundamento que pueda sostener este peso. Ningún ángel, ningún serafín, ningún ser creado podría llevar esa carga; habría aplastado a un arcángel. Pero el propio Hijo de Dios fue elegido por Dios para esto, y Él es lo bastante fuerte para sostener a la Iglesia con todas sus viles rebeliones y penas. “Mirad a Mí, y sed salvos”, dice Él.
El hombre todavía Le desprecia, pero a los ojos del Padre Él es indeciblemente precioso: en Su sangre, en Su obediencia, en Sus sufrimientos y a la diestra de Dios. ¿Habría de ser entonces menos precioso para usted? Todo lo que el mundo llama bueno y grande no es, a la luz de la eternidad, más que vapor y humo. Mire donde quiera; Él es la única esperanza. Dele toda su confianza; lo que está fundado en Él permanecerá por la eternidad.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl