Nieuw verschenenHet woord van Gods genadePreken · 6 dagen geleden
Joseph Charles Philpot J.C. Philpot Bevindelijke geschriften & prediking
Steun

Korenaren

 

 

Vandaag

Korenaren Uit De Volle Oogst

30 oktober Korenaren uit de volle oogst

Waarom Hij in alles de broederen moest gelijk worden, opdat Hij een barmhartige en een getrouwe Hogepriester zoude zijn, in de dingen, die bij God te doen waren, om de zonden des volks te verzoenen.
Hebreeën 2:17

Welk hart kan de oneindige diepte ervan begrijpen, welke tong kan haar uitdrukken: die diepe vernedering van de Verlosser, dat Hij zo Zijn broeders gelijk werd? Dat de Zoon van God een eindige natuur moest aannemen, onderworpen aan de zondeloze zwakheden die onvermijdelijk verbonden waren aan een tijdelijk bestaan en een leven op aarde. Dat Hij de schoot van Zijn Vader moest verlaten, waarin Hij gelegen had van vóór de werelden er waren, en vrijwillig een Bewoner moest worden van deze wereld van tranen. Dat Hij aardse lucht moest inademen, ooggetuige moest zijn van menselijke smarten en er zelf in moest delen. Dat Hij dagelijks het schouwspel van menselijke zonden moest aanzien, en zo lang verbannen uit Zijn eigen woning moest leven. Dat Hij honger, vermoeidheid en dorst moest verduren, en onderworpen moest zijn aan de vervolgingen van de mensen, de vlucht van Zijn discipelen en het verraad van een van hen, wiens hand met Hem aan dezelfde tafel was geweest. Dat Hij Zijn aangezicht niet verborg voor de smaad en het spuwen, maar bespot, geslagen, gelasterd en gegeseld moest worden, en ten slotte een smadelijke dood tussen twee misdadigers moest sterven, te midden van hoon en smaad, en bedekt, zoals de mensen dachten, met eeuwige schaamte en schande!

O, wat een oneindige, neerbuigende liefde en barmhartigheid spreekt er uit dat lijden en die smarten van een vleesgeworden God! Moge de Heere ons geloof geven om op Hem te zien als Degene Die alles leed om onzentwil!

Heilig zijn, o God, uw wegen,
niemand spreek’ uw hoogheid tegen!
Wie, wie is een God als Gij,
groot van macht en heerschappij?
Ja, Gij zijt die God, die d’ oren
wond’ren doet op wond’ren horen.
Gij hebt uwe roem alom
groot gemaakt bij ’t heidendom.

Ps. 77:8

Aan de lezer…

Hier wordt u gevraagd stil te staan bij die diepe vernedering. Dat de Zoon van God de schoot van Zijn Vader verliet en een bewoner werd van deze wereld van tranen; dat Hij honger, vermoeidheid en dorst verdroeg; dat Hij verraden werd door iemand die met Hem aan tafel had gezeten, en dat Hij Zijn aangezicht niet verborg voor de smaad en het spuwen: welk hart kan het begrijpen, welke tong kan het uitdrukken?

En dat alles om de zonden van het volk te verzoenen. Bent u dan beproefd, vermoeid, verlaten door wie u vertrouwde? Hij is in alles de broederen gelijk geworden, om een barmhartige en getrouwe Hogepriester te zijn. Uw smart is Hem niet vreemd. Zie dan op Hem als Degene Die alles leed om uwentwil, en bid dat de Heere u het geloof geeft om in die neerbuigende liefde te rusten.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina

365 Dagen Met Philpot

30 oktober 365 dagen met Philpot

Mijn hoop is op U

Verlos mij van al mijn overtredingen.
Psalm 39:9

Het is een verborgenheid en het zal altijd een verborgenheid blijven. Dezelfde man die plechtig zijn toevlucht tot God nam, zodat hij alleen wachtte op Zijn glimlach en de getuigenissen van Zijn goedkeuring – zodat al zijn hoop op Hem gericht was en al zijn geestelijke aandoeningen naar Hem toestroomden en in Hem rustten – diezelfde man werd in zijn ziel zo sterk verzocht, in zijn geest zo zwaar beproefd en door de onophoudelijke strijd tussen natuur en genade zo geplaagd, dat hij als een ontroostbare zondaar aan de voetbank van de genade uitriep: „Verlos mij van al mijn overtredingen.” Is het geen heerlijke bemoediging voor een arme, met zonden beladen ziel, dat deze heilige man zo geoefend werd?

Stel dat u alleen de lichte kant van Davids karakter kende – zijn heiligheid, zijn geestelijkheid, zijn hemelsgezindheid en zijn liefde tot God – en niet zijn donkere kanten: zijn verdorvenheden, verzoekingen, onrust en strijd. Stel dat de Heilige Geest slechts één deel van Davids bevinding had geopenbaard, zijn zegeningen en ontdekkingen, en het roepen en kermen van zijn verontruste ziel niet had vermeld. Zouden Gods arme, beproefde en verzochte kinderen zich dan tot de Psalmen hebben gewend als tot een borst vol troost?

Maar de Geest van de Heere heeft in Zijn barmhartigheid beide kanten van Davids bevinding ontvouwd: de heldere, lichte kleuren en de donkere tinten – de werkingen van de genade en de werkingen van de natuur – het diepe zinken en de zoete verlossing. Hij heeft hem ons laten zien precies zoals hij was: niet de mens verheerlijkt, maar de genade van God in hem groot gemaakt. We kunnen in de Psalmen zijn bevinding vinden en dezelfde werkingen in ons eigen gemoed ervaren. Daartoe werden zij geopenbaard: om een blijvende troost te zijn, een borst met altijd vloeiende melk voor de armen en hulpbehoevenden die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid. Zo wordt bij Gods kinderen een zoet getuigenis in hun hart gewekt, dat zij in de voetstappen van de kudde gaan en dat hun toestand de toestand van Gods kinderen is.

Lezen: Psalm 32

Aan de lezer…

Hoe kunt u soms van uzelf schrikken! U die uw hoop op de Heere gesteld hebt en op Zijn glimlach wacht, en die toch zo verzocht, beproefd en geplaagd wordt door de strijd tussen natuur en genade, dat u als een ontroostbare zondaar moet uitroepen: „Verlos mij van al mijn overtredingen”? Denk dan niet dat dit u buiten de kudde plaatst. Dezelfde heilige man die zijn hoop op God stelde, riep zo.

De Geest van de Heere heeft ons in de Psalmen niet alleen Davids lichte kleuren, maar ook zijn donkere tinten laten zien, het diepe zinken en de zoete verlossing. Niet om de mens te verheerlijken, maar om de genade van God in hem groot te maken. Zo zijn de Psalmen een borst vol troost voor de arme en hulpbehoevende. Vindt u uzelf daarin terug, dan gaat u in de voetstappen van de kudde, en is uw toestand de toestand van Gods kinderen.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina

Door Baca's Vallei

30 oktober Door Baca’s vallei

Mijn volk blijft hangen aan de afkering van Mij.
Hosea 11:7

Wat een vreselijke dwaling is het om de afkeringen te ontkennen! Wat een onwetendheid toont dat in het hart van de mens! Hoe kenmerkt het de mens als iemand die de waarheid verdraait en die spot met de zonde en met Gods ongenoegen! Wie die zichzelf kent en de afgoderij van zijn gevallen natuur, durft te ontkennen dat hij voortdurend afkeert met zijn hart, zijn mond en zijn wandel? Kan iemand van ons ontkennen dat wij onze eerste liefde verlaten hebben? Dat wij zijn afgekeerd van de eenvoud en godvruchtige oprechtheid, afgekeerd van de eerbiedige en Goddelijke vrees, afgekeerd van de hemelsgezindheid, afgekeerd van het uitgaan van de genegenheden van ons hart naar de Heere?

En ook als wij ervoor bewaard zijn openlijk te zondigen, zodat wij door de bewarende hand van de Heere niet in het slijk zijn neergeworpen, kunnen wij ons dan vrijpleiten van het tweevoudige kwaad dat de Heere Zijn volk ten laste legt: „Zij hebben Mij, de Springader des levenden waters, verlaten, en zich bakken uitgehouwen, gebroken bakken, die geen water houden” (Jeremia 2:13)? En wat zijn de vruchten die wij van onze afkeringen oogsten? Oogsten wij genoegen, vertroosting of vrede? Hebben wij dan nog de glimlach van God, of het inwendig getuigenis van de Geest in ons geweten?

Als het geweten in onze binnenste spreekt, wat zegt het dan? Dat elke verwijdering van de Heere droefheid en smart veroorzaakt; dat u er zo ver vandaan bent uzelf te rechtvaardigen in het bedrijven van uw zonden, dat u wel tranen van bloed zou willen huilen om het goddeloze afwijken van de Heere. Het is enkel barmhartigheid dat de Heere ons niet heeft overgegeven aan verharding van het hart, dat ons geweten niet is toegeschroeid, zodat wij met het Israël van vroeger zouden zeggen: „Zekerlijk, ik ben onschuldig; ik heb niet gezondigd” (Jeremia 2:35); maar dat Hij ons heeft teruggevoerd met smeking en met geween.

Zijn sommigen van ons niet gedwongen geweest de Heere al huilend onze afkeringen te belijden: hoe wij Zijn vreze verlaten hebben en vreselijk tegen Hem gezondigd hebben? Hoe onwillig wij geweest zijn Zijn juk op ons te nemen en in Zijn geboden te wandelen? Zijn wij niet gedwongen geweest Hem te zeggen dat wij ongehoorzaam, weerspannig, vuil en dwaas zijn geweest? En heeft Hij ons niet, zij het in geringe mate, geleid om ons aangezicht naar Sion te wenden en onze rug te keren naar alle valse leraars en ijdele herders, naar alle kracht en wijsheid en gerechtigheid en wil van het schepsel, en heeft Hij ons eenvoud en oprechtheid van hart en geweten gegeven, waardoor wij ons aangezicht naar Sion gewend hebben, uitziend naar een zegen die uit Sion moet komen, uitziend naar genade en naar heerlijkheid?

„Ik zal u ook ziek maken (Eng. vertaling), u slaande en verwoestende om uw zonden” (Micha 6:13); dat zinspeelt op het gevoel van ziekte dat door een wond veroorzaakt wordt. „Ik ben zeer verwond” (1 Kon. 22:34). En hebben deze wonden in ons geweten ons niet in zekere mate ziek gemaakt van de wereld, ziek van de belijdende kerk, ziek van de huichelaars, ziek van de witgepleisterde Farizeeën, ziek van vleselijke belijders, ziek van onze afkeringen, ziek van alles, behalve van het Woord van God dat met kracht geopenbaard wordt? Ziek van alles, behalve van het bloed en de liefde van de Verlosser; van alle onderwijs, behalve van het onderwijs van de Heilige Geest; ziek van alle gezelschap, behalve van het gezelschap van de kinderen van God?

Kunt u zeggen dat u uw rug hebt gekeerd naar alles, behalve naar Christus, en Die gekruisigd? Dat u zich hebt afgekeerd van alle leerstellingen, behalve van die welke het bloed van het Lam als middelpunt hebben? Dat u zich hebt afgekeerd van algemene liefdadigheid en algemene mensenliefde, die in de plaats gekomen zijn van de kracht der godzaligheid (hoewel u uw medemens als mens graag zou willen liefhebben en dienen), en dat uw geestelijke genegenheden uitgaan naar God en Zijn volk?

En is er in uw ziel zo’n gevoel als bij Ruth, toen zij zei: „Uw volk is mijn volk en uw God mijn God”? Is er in uw ziel een gewillig antwoord op de stem van de Heere, wanneer Hij zegt: „Mijn zoon, geef Mij uw hart”? Kunt u dan zeggen: „Neem het, Heere, met al wat ik ben en heb”? Werpt u zich aan de voet van het kruis, en ligt daar de verzuchting tot de Heere van het leven en de heerlijkheid, dat Hij van vrede spreekt tot uw ziel?

Aan de lezer…

Kent u dat? U kunt niet ontkennen dat u afkeert. Moet u niet belijden dat u uw eerste liefde verlaten hebt, dat u zo vaak de Springader des levenden waters verliet voor gebroken bakken die geen water houden? Schrijnt het in uw geweten, zodat u wel tranen van bloed zou willen huilen? Dat is geen teken van verharding, maar van barmhartigheid. Het is enkel genade dat de Heere u niet heeft overgegeven, maar u met smeking en geween terugvoert.

Hebben de wonden u ziek gemaakt van de wereld, ziek van uzelf, ziek van alles behalve van het bloed en de liefde van de Verlosser? Wend dan uw aangezicht naar Sion, uitziend naar genade en naar heerlijkheid. Hoort u Zijn stem: „Mijn zoon, geef Mij uw hart”, werp u dan met al wat u bent en hebt aan de voet van het kruis neer en zucht daar tot Hem, dat Hij van vrede spreekt tot uw ziel.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina