6 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
11 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
2 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Het is wenselijk de Authorised Version te behouden
Philpot pleit in 1857 tegen een herziene Bijbelvertaling. Hij vreest verminking door dwalende geleerden, onzekerheid en verwarring bij Gods kinderen, en verlies van een gezaghebbende maatstaf en van een nationaal…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Waarom Hij in alles de broederen moest gelijk worden, opdat Hij een barmhartige en een getrouwe Hogepriester zoude zijn, in de dingen, die bij God te doen waren, om de zonden des volks te verzoenen.
Hebreeën 2:17
Welk hart kan de oneindige diepte begrijpen; welke tong kan ze uitdrukken – die diepe vernedering des Verlossers, dat Hij zo Zijn broederen gelijk werd; dat de Zone Gods een eindige natuur moest aannemen, onderworpen aan de zondeloze krankheden die noodzakelijk aan een tijdelijk bestaan en een wonen op aarde verbonden waren; dat Hij de schoot Zijns Vaders moest verlaten, waarin Hij gelegen had van vóór de werelden waren, en vrijwillig een Bewoner worden dezer wereld van tranen; dat Hij aardse lucht moest inademen, ooggetuige zijn van en zelf delen in menselijke smarten; dat Hij het dagelijks schouwspel van menselijke zonden moest aanschouwen; dat Hij zolang uit Zijn eigen woning verbannen moest leven; honger, vermoeienis en dorst verduren; onderworpen moest zijn aan de vervolgingen der mensen, de vlucht Zijner discipelen en het verraad van een hunner, wiens hand met Hem aan dezelfde tafel was geweest; dat Hij Zijn gelaat niet verborg voor de smaad en het spuwen, maar bespot, geslagen, gelasterd en gegeseld moest worden, en eindelijk een smadelijke dood tussen twee boosdoeners moest sterven, te midden van hoon en smaad, en bedekt, zoals de mensen dachten, met eeuwige schaamte en schande!
O, welk een oneindige nederbuigende liefde en barmhartigheid spreekt niet uit dat lijden en die smarten van een vleesgeworden God! De Heere geve ons geloof om op Hem te zien, als alles lijdende om onzentwille!
Heilig zijn, o God, uw wegen,
niemand spreek’ uw hoogheid tegen!
Wie, wie is een God als Gij,
groot van macht en heerschappij?
Ja, Gij zijt die God, die d’ oren
wond’ren doet op wond’ren horen.
Gij hebt uwe roem alom
groot gemaakt bij ’t heidendom.
Ps. 77:8
Aan de lezer…
Hier wordt u gevraagd stil te staan bij die diepe vernedering. Dat de Zone Gods de schoot Zijns Vaders verliet en een bewoner werd van deze wereld van tranen; dat Hij honger, vermoeienis en dorst verdroeg; dat Hij verraden werd door een die met Hem aan tafel had gezeten, en dat Hij Zijn gelaat niet verborg voor de smaad en het spuwen? Welk hart kan het begrijpen, welke tong kan het uitdrukken?
En dat alles om de zonden des volks te verzoenen. Bent u dan beproefd, vermoeid, verlaten door wie u vertrouwde? Hij is in alles de broederen gelijk geworden, opdat Hij een barmhartige en getrouwe Hogepriester zou zijn. Uw smart is Hem niet vreemd. Zie dan op Hem, als alles lijdende om uwentwil, en bid dat de Heere u het geloof geve om in die nederbuigende liefde te rusten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Waarom Hij in alles de broederen moest gelijk worden, opdat Hij een barmhartige en een getrouwe Hogepriester zoude zijn, in de dingen, die bij God te doen waren, om de zonden des volks te verzoenen.
Hebreeën 2:17
Welk hart kan de oneindige diepte ervan begrijpen, welke tong kan haar uitdrukken: die diepe vernedering van de Verlosser, dat Hij zo Zijn broeders gelijk werd? Dat de Zoon van God een eindige natuur moest aannemen, onderworpen aan de zondeloze zwakheden die onvermijdelijk verbonden waren aan een tijdelijk bestaan en een leven op aarde. Dat Hij de schoot van Zijn Vader moest verlaten, waarin Hij gelegen had van vóór de werelden er waren, en vrijwillig een Bewoner moest worden van deze wereld van tranen. Dat Hij aardse lucht moest inademen, ooggetuige moest zijn van menselijke smarten en er zelf in moest delen. Dat Hij dagelijks het schouwspel van menselijke zonden moest aanzien, en zo lang verbannen uit Zijn eigen woning moest leven. Dat Hij honger, vermoeidheid en dorst moest verduren, en onderworpen moest zijn aan de vervolgingen van de mensen, de vlucht van Zijn discipelen en het verraad van een van hen, wiens hand met Hem aan dezelfde tafel was geweest. Dat Hij Zijn aangezicht niet verborg voor de smaad en het spuwen, maar bespot, geslagen, gelasterd en gegeseld moest worden, en ten slotte een smadelijke dood tussen twee misdadigers moest sterven, te midden van hoon en smaad, en bedekt, zoals de mensen dachten, met eeuwige schaamte en schande!
O, wat een oneindige, neerbuigende liefde en barmhartigheid spreekt er uit dat lijden en die smarten van een vleesgeworden God! Moge de Heere ons geloof geven om op Hem te zien als Degene Die alles leed om onzentwil!
Heilig zijn, o God, uw wegen,
niemand spreek’ uw hoogheid tegen!
Wie, wie is een God als Gij,
groot van macht en heerschappij?
Ja, Gij zijt die God, die d’ oren
wond’ren doet op wond’ren horen.
Gij hebt uwe roem alom
groot gemaakt bij ’t heidendom.
Ps. 77:8
Aan de lezer…
Hier wordt u gevraagd stil te staan bij die diepe vernedering. Dat de Zoon van God de schoot van Zijn Vader verliet en een bewoner werd van deze wereld van tranen; dat Hij honger, vermoeidheid en dorst verdroeg; dat Hij verraden werd door iemand die met Hem aan tafel had gezeten, en dat Hij Zijn aangezicht niet verborg voor de smaad en het spuwen: welk hart kan het begrijpen, welke tong kan het uitdrukken?
En dat alles om de zonden van het volk te verzoenen. Bent u dan beproefd, vermoeid, verlaten door wie u vertrouwde? Hij is in alles de broederen gelijk geworden, om een barmhartige en getrouwe Hogepriester te zijn. Uw smart is Hem niet vreemd. Zie dan op Hem als Degene Die alles leed om uwentwil, en bid dat de Heere u het geloof geeft om in die neerbuigende liefde te rusten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Wherefore in all things it behoved Him to be made like unto His brethren, that He might be a merciful and faithful High Priest in things pertaining to God, to make reconciliation for the sins of the people.
Hebrews 2:17
What heart can conceive or tongue express, the infinite depths of the Redeemer’s condescension in thus being made like unto His brethren—that the Son of God should assume a finite nature, subject to the sinless infirmities necessarily connected with a time-state and a dwelling on earth; that He should leave the bosom of His Father in which He had lain before all worlds, and should consent to become an inhabitant of this world of tears; to breathe earthly air; to be an eye-witness of, and Himself share in human sorrows; to have before His eyes the daily spectacle of human sins; to be banished so long from His native home; to endure hunger, weariness, and thirst; to be subject to the persecutions of men, the flight of all His disciples, and the treachery of one among them whose hand had been with Him on the table; not to hide His face from shame and spitting, but to be mocked, struck, buffeted, and scourged, and at last to die an agonizing death between two malefactors, amid scorn and infamy, and covered, as men thought, with everlasting confusion and disgrace! O what infinite condescension and mercy are displayed in these sufferings and sorrows of an incarnate God! The Lord give us faith to look to Him as suffering them for our sake!
To the reader…
Here you are asked to stop and consider that deep humiliation. That the Son of God left the bosom of His Father and became an inhabitant of this world of tears; that He endured hunger, weariness, and thirst; that He was betrayed by one who had sat at the table with Him, and that He did not hide His face from shame and spitting: what heart can grasp it, what tongue can express it?
And all this to make reconciliation for the sins of the people. Are you tried, then, weary, forsaken by those you trusted? He was made like unto His brethren in all things, that He might be a merciful and faithful High Priest. Your sorrow is not strange to Him. Look to Him, then, as the One Who suffered all for your sake, and pray that the Lord would give you the faith to rest in that condescending love.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Por lo cual, debía ser en todo semejante a los hermanos, para venir a ser misericordioso y fiel Pontífice en lo que es para con Dios, para expiar los pecados del pueblo.
Hebreos 2:17
¿Qué corazón puede concebir, o qué lengua expresar, las profundidades infinitas de la condescendencia del Redentor al ser hecho así semejante a Sus hermanos? ¡Que el Hijo de Dios asumiera una naturaleza finita, sujeta a las debilidades sin pecado necesariamente unidas a un estado temporal y a una morada en la tierra; que dejara el seno de Su Padre, en el cual había estado antes de todos los siglos, y consintiera en hacerse habitante de este mundo de lágrimas; en respirar el aire terrenal; en ser testigo ocular de las aflicciones humanas y compartirlas Él mismo; en tener delante de Sus ojos el espectáculo diario de los pecados humanos; en estar desterrado tanto tiempo de Su hogar natal; en soportar hambre, cansancio y sed; en estar sujeto a las persecuciones de los hombres, a la huida de todos Sus discípulos y a la traición de uno de ellos cuya mano había estado con Él en la mesa; en no esconder Su rostro de la afrenta y de los esputos, sino ser escarnecido, golpeado, abofeteado y azotado, y al fin morir una muerte agonizante entre dos malhechores, en medio del desprecio y la infamia, y cubierto, según pensaban los hombres, de confusión y oprobio eternos! ¡Oh, qué infinita condescendencia y misericordia se muestran en estos sufrimientos y dolores de un Dios encarnado! ¡El Señor nos dé fe para mirarle a Él como Quien los padeció por amor de nosotros!
Al lector…
Aquí se le pide que se detenga a considerar esa profunda humillación. Que el Hijo de Dios dejara el seno de Su Padre y se hiciera habitante de este mundo de lágrimas; que soportara hambre, cansancio y sed; que fuera entregado por uno que se había sentado a la mesa con Él, y que no escondiera Su rostro de la afrenta y de los esputos: ¿qué corazón puede comprenderlo, qué lengua puede expresarlo?
Y todo esto para expiar los pecados del pueblo. ¿Está usted, pues, probado, cansado, abandonado por aquellos en quienes confiaba? Él fue hecho en todo semejante a Sus hermanos, para venir a ser misericordioso y fiel Pontífice. Su dolor no le es extraño. Mire, pues, a Él como Quien lo padeció todo por amor de usted, y pida que el Señor le dé la fe para descansar en ese amor condescendiente.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Mijn hoop is op U
Verlos mij van al mijn overtredingen.
Psalm 39:9
Het is een verborgenheid en het zal altijd een verborgenheid blijven, dat dezelfde man die plechtig zijn toevlucht tot God nam, zodat hij alleen wachtte op Zijn glimlach en de getuigenissen van Zijn goedkeuring – zodat al zijn hoop op Hem was gericht, en al zijn geestelijke aandoeningen naar Hem toestroomden en in Hem rustten – dat dezelfde man zo sterk verleid was in zijn ziel, zo sterk beproefd in zijn geest en zo sterk geplaagd door de onophoudelijke strijd tussen de natuur en de genade, dat hij als een ontroostbaar zondaar aan de voetenbank van genade uitriep: „Verlos mij van al mijn overtredingen.” Is het geen heerlijke bemoediging voor een arme, met zonden belaste ziel, dat deze heilige man op die wijze werd geoefend?
Stel dat u alleen de lichte kant van Davids karakter kende – zijn heiligheid, zijn geestelijkheid, zijn hemelse geestesgesteldheid en zijn liefde voor God – en niet zijn donkere kanten: zijn verdorvenheden, verzoekingen, onrust en strijd. Stel dat de Heilige Geest slechts één deel van Davids ervaring had geopenbaard, zijn zegeningen en bekendmakingen, en had verzuimd de uitroepen en het gekerm van zijn verontruste ziel te vermelden, zouden Gods arme, beproefde en verleide kinderen zich dan tot de Psalmen hebben gewend als tot een borst vol troost?
Maar de Geest des Heeren heeft op barmhartige wijze beide delen van Davids beleving ontvouwd: de heldere lichte kleuren en de donkere tinten – de werkingen van de genade en de werkingen van de natuur – het diepe zinken en de zoete verlossing, hem aan onze blik overgeleverd precies zoals hij was: de mens niet verheerlijkt, maar de genade van God in hem uitvergroot. We kunnen in de Psalmen zijn ervaring vinden, en dezelfde werkingen in ons eigen gemoed ervaren. Voor dit doel werden zij geopenbaard, opdat ze een blijvende troost, een borst met altijd vloeiende melk zijn voor de armen en hulpbehoevenden die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; opdat bij Gods kinderen op die wijze in hun hart een zoet getuigenis wordt opgewekt, dat ze in de voetstappen van de kudde treden en dat hun toestand de toestand van Gods kinderen is.
Lezen: Psalm 32
Aan de lezer…
Hoe kunt u soms van uzelf schrikken! U die uw hoop op de Heere gesteld hebt, die op Zijn glimlach wacht, en die toch zo verleid, beproefd en geplaagd wordt door de strijd tussen natuur en genade, dat u als een ontroostbaar zondaar moet uitroepen: „Verlos mij van al mijn overtredingen”? Denk dan niet dat dit u buiten de kudde plaatst. Dezelfde heilige man die zijn hoop op God stelde, riep zo.
De Geest des Heeren heeft ons in de Psalmen niet alleen Davids lichte kleuren, maar ook zijn donkere tinten laten zien, het diepe zinken en de zoete verlossing. Niet om de mens te verheerlijken, maar om de genade van God in hem uit te vergroten. Zo zijn de Psalmen een borst vol troost voor de arme en hulpbehoevende. Vindt u uzelf daarin terug, dan treedt u in de voetstappen van de kudde, en is uw toestand de toestand van Gods kinderen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Verlos mij van al mijn overtredingen.
Psalm 39:9
Het is een verborgenheid en het zal altijd een verborgenheid blijven. Dezelfde man die plechtig zijn toevlucht tot God nam, zodat hij alleen wachtte op Zijn glimlach en de getuigenissen van Zijn goedkeuring – zodat al zijn hoop op Hem gericht was en al zijn geestelijke aandoeningen naar Hem toestroomden en in Hem rustten – diezelfde man werd in zijn ziel zo sterk verzocht, in zijn geest zo zwaar beproefd en door de onophoudelijke strijd tussen natuur en genade zo geplaagd, dat hij als een ontroostbare zondaar aan de voetbank van de genade uitriep: „Verlos mij van al mijn overtredingen.” Is het geen heerlijke bemoediging voor een arme, met zonden beladen ziel, dat deze heilige man zo geoefend werd?
Stel dat u alleen de lichte kant van Davids karakter kende – zijn heiligheid, zijn geestelijkheid, zijn hemelsgezindheid en zijn liefde tot God – en niet zijn donkere kanten: zijn verdorvenheden, verzoekingen, onrust en strijd. Stel dat de Heilige Geest slechts één deel van Davids bevinding had geopenbaard, zijn zegeningen en ontdekkingen, en het roepen en kermen van zijn verontruste ziel niet had vermeld. Zouden Gods arme, beproefde en verzochte kinderen zich dan tot de Psalmen hebben gewend als tot een borst vol troost?
Maar de Geest van de Heere heeft in Zijn barmhartigheid beide kanten van Davids bevinding ontvouwd: de heldere, lichte kleuren en de donkere tinten – de werkingen van de genade en de werkingen van de natuur – het diepe zinken en de zoete verlossing. Hij heeft hem ons laten zien precies zoals hij was: niet de mens verheerlijkt, maar de genade van God in hem groot gemaakt. We kunnen in de Psalmen zijn bevinding vinden en dezelfde werkingen in ons eigen gemoed ervaren. Daartoe werden zij geopenbaard: om een blijvende troost te zijn, een borst met altijd vloeiende melk voor de armen en hulpbehoevenden die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid. Zo wordt bij Gods kinderen een zoet getuigenis in hun hart gewekt, dat zij in de voetstappen van de kudde gaan en dat hun toestand de toestand van Gods kinderen is.
Lezen: Psalm 32
Aan de lezer…
Hoe kunt u soms van uzelf schrikken! U die uw hoop op de Heere gesteld hebt en op Zijn glimlach wacht, en die toch zo verzocht, beproefd en geplaagd wordt door de strijd tussen natuur en genade, dat u als een ontroostbare zondaar moet uitroepen: „Verlos mij van al mijn overtredingen”? Denk dan niet dat dit u buiten de kudde plaatst. Dezelfde heilige man die zijn hoop op God stelde, riep zo.
De Geest van de Heere heeft ons in de Psalmen niet alleen Davids lichte kleuren, maar ook zijn donkere tinten laten zien, het diepe zinken en de zoete verlossing. Niet om de mens te verheerlijken, maar om de genade van God in hem groot te maken. Zo zijn de Psalmen een borst vol troost voor de arme en hulpbehoevende. Vindt u uzelf daarin terug, dan gaat u in de voetstappen van de kudde, en is uw toestand de toestand van Gods kinderen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Deliver me from all my transgressions.
Psalm 39:8
It is a mystery, and it will always remain a mystery. The same man who solemnly made his appeal to God, so that he waited only for His smile and the testimonies of His approbation (so that all his hope was centred in Him and all his spiritual affections flowed out to Him and rested in Him), that same man was so powerfully tempted in his soul, so sorely tried in his spirit and so harassed by the ceaseless conflict between nature and grace, that he cried out as a disconsolate sinner at the footstool of mercy, “Deliver me from all my transgressions.” Is it not a blessed encouragement to a poor, sin-burdened soul that this holy man was so exercised?
Suppose you knew only the bright side of David’s character (his holiness, his spirituality, his heavenly-mindedness and his love to God) and not his dark sides: his corruptions, temptations, disquiet and conflicts. Suppose the Holy Ghost had revealed only one part of David’s experience, his blessings and discoveries, and had not recorded the cries and groans of his troubled soul. Would God’s poor, tried and tempted children then have turned to the Psalms as to a breast full of consolation?
But the Spirit of the Lord in His mercy has unfolded both sides of David’s experience: the bright, light colours and the dark shades; the workings of grace and the workings of nature; the deep sinking and the sweet deliverance. He has shown him to us just as he was: not man exalted, but the grace of God in him magnified. We may find his experience in the Psalms and feel the same workings in our own mind.
For this end they were revealed: to be a lasting consolation, a breast of ever-flowing milk for the poor and needy who hunger and thirst after righteousness. So a sweet testimony is raised up in the hearts of God’s children, that they are going in the footsteps of the flock and that their case is the case of God’s children.
Reading: Psalm 32
To the reader…
How you can sometimes be startled at yourself! You who have set your hope on the Lord and wait for His smile, and who are yet so tempted, tried and harassed by the conflict between nature and grace, that you must cry out as a disconsolate sinner, “Deliver me from all my transgressions”? Do not think that this places you outside the flock. The same holy man who set his hope on God cried in just this way.
The Spirit of the Lord has shown us in the Psalms not only David’s light colours, but also his dark shades, the deep sinking and the sweet deliverance. Not to exalt man, but to magnify the grace of God in him. So the Psalms are a breast full of consolation for the poor and needy. If you find yourself there, you are going in the footsteps of the flock, and your case is the case of God’s children.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Líbrame de todas mis rebeliones.
Salmo 39:8
Es un misterio, y siempre seguirá siendo un misterio. El mismo hombre que solemnemente apeló a Dios, de modo que esperaba solo Su sonrisa y los testimonios de Su aprobación (de modo que toda su esperanza estaba centrada en Él y todos sus afectos espirituales fluían hacia Él y descansaban en Él), ese mismo hombre era tan poderosamente tentado en su alma, tan duramente probado en su espíritu y tan acosado por el incesante conflicto entre la naturaleza y la gracia, que clamó como un pecador desconsolado ante el estrado de la misericordia: “Líbrame de todas mis rebeliones.” ¿No es un bendito estímulo para un alma pobre y cargada de pecado que este santo hombre fuera así ejercitado?
Supongamos que usted conociera solo el lado luminoso del carácter de David (su santidad, su espiritualidad, su mente puesta en el cielo y su amor a Dios) y no sus lados oscuros: sus corrupciones, tentaciones, inquietudes y conflictos. Supongamos que el Espíritu Santo hubiera revelado solo una parte de la experiencia de David, sus bendiciones y descubrimientos, y no hubiera dejado constancia de los clamores y gemidos de su alma turbada. ¿Se habrían vuelto entonces los hijos pobres, probados y tentados de Dios a los Salmos como a un pecho lleno de consolación?
Pero el Espíritu del Señor, en Su misericordia, ha desplegado ambos lados de la experiencia de David: los colores claros y luminosos y las sombras oscuras; las obras de la gracia y las obras de la naturaleza; el hondo hundimiento y la dulce liberación. Nos lo ha mostrado tal como era: no exaltando al hombre, sino engrandeciendo la gracia de Dios en él. Podemos hallar su experiencia en los Salmos y sentir las mismas obras en nuestra propia mente.
Con este fin fueron revelados: para ser una consolación duradera, un pecho de leche que fluye siempre para los pobres y necesitados que tienen hambre y sed de justicia. Así se levanta en el corazón de los hijos de Dios un dulce testimonio de que van en las pisadas del rebaño y de que su caso es el caso de los hijos de Dios.
Lectura: Salmo 32
Al lector…
¡Cómo puede usted a veces asustarse de sí mismo! ¿Usted, que ha puesto su esperanza en el Señor y espera Su sonrisa, y que sin embargo es tan tentado, probado y acosado por el conflicto entre la naturaleza y la gracia, que tiene que clamar como un pecador desconsolado: “Líbrame de todas mis rebeliones”? No piense que esto le coloca fuera del rebaño. El mismo santo hombre que puso su esperanza en Dios clamó precisamente así.
El Espíritu del Señor nos ha mostrado en los Salmos no solo los colores claros de David, sino también sus sombras oscuras, el hondo hundimiento y la dulce liberación. No para exaltar al hombre, sino para engrandecer la gracia de Dios en él. Así los Salmos son un pecho lleno de consolación para los pobres y necesitados. Si se encuentra a sí mismo allí, usted va en las pisadas del rebaño, y su caso es el caso de los hijos de Dios.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Mijn volk blijft hangen aan de afkering van Mij.
Hosea 11:7
Wat een vreselijke dwaling is het om de afkeringen te loochenen! Wat een onkunde openbaart dit in des mensen hart! Hoe tekent het de mens als een verdraaier van de waarheid, en één die spot met de zonde en het ongenoegen Gods! Wie die zichzelf kent, en de afgodendienst van zijn gevallen natuur, durft het te loochenen dat hij voortdurend afkeert met zijn hart, mond en wandel? Kan iemand van ons het loochenen dat wij onze eerste liefde verlaten hebben? Afgekeerd zijn van de eenvoudigheid en godvruchtige oprechtheid; afgekeerd zijn van de eerbiedige en Goddelijke vrees; afgekeerd zijn van de hemelsgezindheid; afgekeerd zijn van onze genegenheden des harten tot de Heere te doen uitgaan?
En indien wij al bewaard zijn om openlijk te zondigen, zodat wij door de bewarende hand des Heeren niet in het slijk zijn terneder geworpen geweest, zijn wij dan vrij te pleiten van het tweevoudig kwaad dat de Heere Zijn volk ten laste legt: „Zij hebben Mij, de Springader des levenden waters, verlaten, en zich bakken uitgehouwen, gebroken bakken, die geen water houden” (Jeremia 2:13)? En wat zijn de vruchten die wij uit onze afkeringen oogsten? Rapen wij genoegen, vertroosting of vrede? Hebben wij nog de toelaching van God, of het inwendig getuigenis van de Geest in onze consciëntie?
Indien de consciëntie in onze boezem spreekt, wat zegt ze dan? Dat elke verwijdering van de Heere droefheid en smart veroorzaakt; dat gij zó ver ervandaan zijt om uzelf in het bedrijven uwer zonden te rechtvaardigen, dat gij wel tranen van bloed zou willen schreien om het goddeloze afwijken van de Heere. Het is enkel barmhartigheid dat de Heere ons niet heeft overgegeven aan de verharding des harten, en dat onze consciëntie niet is toegeschroeid, en dat wij met het Israël van ouds zouden zeggen: „Zekerlijk, ik ben onschuldig; ik heb niet gezondigd” (Jeremia 2:35); maar dat Hij ons heeft gevoerd met smeking en met geween.
Zijn niet sommigen onder ons genoodzaakt geweest al wenende de Heere onze afkeringen te belijden; hoe wij Zijn vreze verlaten hebben en schrikkelijk tegen Hem gezondigd hebben? Hoe onwillig wij geweest zijn Zijn juk op ons te nemen en te wandelen in Zijn geboden? Zijn wij niet genoodzaakt geweest Hem te zeggen dat wij ongehoorzaam, wederstrevig, vuil en dwaas zijn geweest; en heeft Hij niet, zij het in geringe mate, ons geleid om onze aangezichten naar Sion te wenden, om onze rug te keren naar alle valse leraars en ijdele herders, naar al de sterkte en wijsheid en gerechtigheid en wil van het schepsel; en ons gegeven eenvoudigheid en oprechtheid van hart en consciëntie, waardoor wij ons aangezicht naar Sion gewend hebben, uitziende naar een zegen die uit Sion komen moet, uitziende naar genade en naar heerlijkheid?
„Ik zal u ook ziek maken (Eng. vertaling), u slaande en verwoestende om uw zonden” (Micha 6:13), zinspelende op het gevoel van krankheid, veroorzaakt door een wond. „Ik ben zeer verwond” (1 Kon. 22:34). En hebben niet deze wonden in onze consciëntie in zekere mate ons ziek gemaakt van de wereld, ziek van de belijdende kerk, ziek van de huichelaars, ziek van de witgepleisterde Farizeeën, ziek van vleselijke belijders, ziek van onze afkeringen, ziek van alles, behalve van het Woord van God, geopenbaard met kracht? Ziek van alles, behalve van het bloed en de liefde van de Verlosser; van alle onderwijzingen, behalve van de onderwijzingen van de Heilige Geest; ziek van alle gezelschap, behalve van het gezelschap der kinderen Gods?
Kunt gij zeggen dat gij uw rug gekeerd hebt naar alles, behalve naar Christus, en Die gekruisigd? Dat gij u afgekeerd hebt van alle leerstellingen, behalve van die welke het bloed van het Lam tot middelpunt hebben? Dat gij u afgekeerd hebt van algemene liefdadigheid en algemene mensenliefde, in de plaats gekomen van de kracht der godzaligheid (ofschoon gij uw medemens als mens zou begeren te beminnen en te dienen), en dat uw geestelijke genegenheden uitgaan naar God en Zijn volk?
En is in uw ziel zulk een gevoel als bij Ruth, toen zij zeide: „Uw volk is mijn volk en uw God mijn God”? Is er enig gewillig antwoord in uw ziel op de stem des Heeren, als Hij zegt: „Mijn zoon, geef Mij uw hart”? Kunt gij dan zeggen: „Neem het, Heere, met al wat ik ben en heb”? Is er enig werpen van uzelf aan de voet van het kruis, en ligt daar de verzuchting tot de Heere des levens en der heerlijkheid, dat Hij van vrede spreke tot uw ziel?
Aan de lezer…
Kent u dat? U kunt het niet loochenen dat u afkeert. Moet u niet belijden dat u uw eerste liefde verlaten hebt, dat u zo dikwijls de Springader des levenden waters verliet voor gebroken bakken die geen water houden? Schrijnt het in uw consciëntie, zodat u wel tranen van bloed zou willen schreien? Dat is geen teken van verharding, maar van barmhartigheid. Het is enkel genade dat de Heere u niet heeft overgegeven, maar u met smeking en geween terugvoert.
Hebben de wonden u ziek gemaakt van de wereld, ziek van uzelf, ziek van alles behalve van het bloed en de liefde van de Verlosser? Wend dan uw aangezicht naar Sion, uitziende naar genade en naar heerlijkheid. Hoort u Zijn stem: „Mijn zoon, geef Mij uw hart”, werp u dan, met al wat u bent en hebt, aan de voet van het kruis neer en zucht daar tot Hem, dat Hij van vrede spreke tot uw ziel.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Mijn volk blijft hangen aan de afkering van Mij.
Hosea 11:7
Wat een vreselijke dwaling is het om de afkeringen te ontkennen! Wat een onwetendheid toont dat in het hart van de mens! Hoe kenmerkt het de mens als iemand die de waarheid verdraait en die spot met de zonde en met Gods ongenoegen! Wie die zichzelf kent en de afgoderij van zijn gevallen natuur, durft te ontkennen dat hij voortdurend afkeert met zijn hart, zijn mond en zijn wandel? Kan iemand van ons ontkennen dat wij onze eerste liefde verlaten hebben? Dat wij zijn afgekeerd van de eenvoud en godvruchtige oprechtheid, afgekeerd van de eerbiedige en Goddelijke vrees, afgekeerd van de hemelsgezindheid, afgekeerd van het uitgaan van de genegenheden van ons hart naar de Heere?
En ook als wij ervoor bewaard zijn openlijk te zondigen, zodat wij door de bewarende hand van de Heere niet in het slijk zijn neergeworpen, kunnen wij ons dan vrijpleiten van het tweevoudige kwaad dat de Heere Zijn volk ten laste legt: „Zij hebben Mij, de Springader des levenden waters, verlaten, en zich bakken uitgehouwen, gebroken bakken, die geen water houden” (Jeremia 2:13)? En wat zijn de vruchten die wij van onze afkeringen oogsten? Oogsten wij genoegen, vertroosting of vrede? Hebben wij dan nog de glimlach van God, of het inwendig getuigenis van de Geest in ons geweten?
Als het geweten in onze binnenste spreekt, wat zegt het dan? Dat elke verwijdering van de Heere droefheid en smart veroorzaakt; dat u er zo ver vandaan bent uzelf te rechtvaardigen in het bedrijven van uw zonden, dat u wel tranen van bloed zou willen huilen om het goddeloze afwijken van de Heere. Het is enkel barmhartigheid dat de Heere ons niet heeft overgegeven aan verharding van het hart, dat ons geweten niet is toegeschroeid, zodat wij met het Israël van vroeger zouden zeggen: „Zekerlijk, ik ben onschuldig; ik heb niet gezondigd” (Jeremia 2:35); maar dat Hij ons heeft teruggevoerd met smeking en met geween.
Zijn sommigen van ons niet gedwongen geweest de Heere al huilend onze afkeringen te belijden: hoe wij Zijn vreze verlaten hebben en vreselijk tegen Hem gezondigd hebben? Hoe onwillig wij geweest zijn Zijn juk op ons te nemen en in Zijn geboden te wandelen? Zijn wij niet gedwongen geweest Hem te zeggen dat wij ongehoorzaam, weerspannig, vuil en dwaas zijn geweest? En heeft Hij ons niet, zij het in geringe mate, geleid om ons aangezicht naar Sion te wenden en onze rug te keren naar alle valse leraars en ijdele herders, naar alle kracht en wijsheid en gerechtigheid en wil van het schepsel, en heeft Hij ons eenvoud en oprechtheid van hart en geweten gegeven, waardoor wij ons aangezicht naar Sion gewend hebben, uitziend naar een zegen die uit Sion moet komen, uitziend naar genade en naar heerlijkheid?
„Ik zal u ook ziek maken (Eng. vertaling), u slaande en verwoestende om uw zonden” (Micha 6:13); dat zinspeelt op het gevoel van ziekte dat door een wond veroorzaakt wordt. „Ik ben zeer verwond” (1 Kon. 22:34). En hebben deze wonden in ons geweten ons niet in zekere mate ziek gemaakt van de wereld, ziek van de belijdende kerk, ziek van de huichelaars, ziek van de witgepleisterde Farizeeën, ziek van vleselijke belijders, ziek van onze afkeringen, ziek van alles, behalve van het Woord van God dat met kracht geopenbaard wordt? Ziek van alles, behalve van het bloed en de liefde van de Verlosser; van alle onderwijs, behalve van het onderwijs van de Heilige Geest; ziek van alle gezelschap, behalve van het gezelschap van de kinderen van God?
Kunt u zeggen dat u uw rug hebt gekeerd naar alles, behalve naar Christus, en Die gekruisigd? Dat u zich hebt afgekeerd van alle leerstellingen, behalve van die welke het bloed van het Lam als middelpunt hebben? Dat u zich hebt afgekeerd van algemene liefdadigheid en algemene mensenliefde, die in de plaats gekomen zijn van de kracht der godzaligheid (hoewel u uw medemens als mens graag zou willen liefhebben en dienen), en dat uw geestelijke genegenheden uitgaan naar God en Zijn volk?
En is er in uw ziel zo’n gevoel als bij Ruth, toen zij zei: „Uw volk is mijn volk en uw God mijn God”? Is er in uw ziel een gewillig antwoord op de stem van de Heere, wanneer Hij zegt: „Mijn zoon, geef Mij uw hart”? Kunt u dan zeggen: „Neem het, Heere, met al wat ik ben en heb”? Werpt u zich aan de voet van het kruis, en ligt daar de verzuchting tot de Heere van het leven en de heerlijkheid, dat Hij van vrede spreekt tot uw ziel?
Aan de lezer…
Kent u dat? U kunt niet ontkennen dat u afkeert. Moet u niet belijden dat u uw eerste liefde verlaten hebt, dat u zo vaak de Springader des levenden waters verliet voor gebroken bakken die geen water houden? Schrijnt het in uw geweten, zodat u wel tranen van bloed zou willen huilen? Dat is geen teken van verharding, maar van barmhartigheid. Het is enkel genade dat de Heere u niet heeft overgegeven, maar u met smeking en geween terugvoert.
Hebben de wonden u ziek gemaakt van de wereld, ziek van uzelf, ziek van alles behalve van het bloed en de liefde van de Verlosser? Wend dan uw aangezicht naar Sion, uitziend naar genade en naar heerlijkheid. Hoort u Zijn stem: „Mijn zoon, geef Mij uw hart”, werp u dan met al wat u bent en hebt aan de voet van het kruis neer en zucht daar tot Hem, dat Hij van vrede spreekt tot uw ziel.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And My people are bent to backsliding from Me.
Hosea 11:7
What a dreadful error it is to deny backsliding! What ignorance it manifests of a man’s own heart! How it stamps a man as a perverter of truth, and one that trifles with sin and the displeasure of the Most High! Who that knows himself and the idolatry of his fallen nature, dares deny that he backslides perpetually in heart, lip, or life?
Can any of us deny that we have backslidden from our first love? backslidden from simplicity and godly sincerity, backslidden from reverence and godly fear, backslidden from spirituality and heavenly-mindedness, backslidden from the breathings of affection and pouring forth of the heart into the bosom of the Lord? And if we have not been allowed to backslide into open sin, if the Lord has kept us, and not allowed us to be cast down into the mire, yet have we not committed that twofold evil which the Lord charges upon His people—“They have forsaken Me, the fountain of living waters, and hewed them out cisterns, broken cisterns, that can hold no water” (Jeremiah 2:13)?
And what do we reap from backsliding? do we reap pleasure, comfort, or peace? do we reap the smiles of God, or the solemn testimony of the Spirit in the conscience? No. If conscience speaks in your bosom, what does it say? That every departure from the Lord has brought grief and trouble; that so far from justifying yourself in your sin, you have been ready almost to weep tears of blood, that you have so wickedly departed from the Lord. It has been our mercy that the Lord has not given us up to hardness of heart and searedness of conscience, that we have not been allowed to say with Israel of old, “I am innocent, I have not sinned” (Jer. 2:35); but that He has “led us with weeping and with supplications.”
Have not some of us (I am sure I have for one) been obliged “to go and weep,” and tell the Lord a piteous tale of backsliding; how we have departed from His fear, and sinned basely against Him; how unwilling we have been to take His yoke upon us, and walk in His precepts? Have we not been forced to tell Him that we have been disobedient and stubborn, filthy and vile, and has He not, in some faint measure, led us “to turn our faces Zionward,” to turn our back upon all false ministers, upon all idol shepherds, upon all the strength and wisdom and righteousness and will of the creature, and given to us some simplicity, uprightness, and integrity of heart and conscience, whereby we have turned our face Zionward, looking for a blessing to come out of Zion, looking for grace, looking for glory?
“I will make you sick in smiting you,” says the Lord (Micah 6:13), alluding to the feeling of sickness produced by a wound, (“I am made sick,” 1 Kings 22:34, margin.) And have not these wounds in our conscience made us, in our measure, sick of the world, sick of the professing church, sick of hypocrites, sick of whitewashed Pharisees, sick of carnal professors, sick of our backslidings, sick of all but the Word of God revealed with power, sick of all but the blood and love of the Redeemer, of all teachings but the teachings of the Holy Spirit, of all company but the company of the children of God?
Can you say thus much? that you have turned your back upon everything but Christ, and Him crucified? that you have turned away from all doctrines but those which center in the blood of the Lamb? that you have turned away from universal charity and general philanthropy, as substituted for the power of vital godliness, (though you would desire to love and serve your fellow men as men,) and that your spiritual affections are toward God and His people?
And has there been in your soul any such feeling as Ruth had when she said, “Your people shall be my people, and your God my God?” Any sweet response in your bosom to the voice of the Lord, “My son, give Me your heart?” “Take it, Lord, with all that I have and am!” Any casting yourself at the foot of the cross, and there entreating the Lord of life and glory to speak peace to your soul?
To the reader…
Do you know this? You cannot deny that you backslide. Must you not confess that you have left your first love, that so often you forsook the Fountain of living waters for broken cisterns that can hold no water? Does it smart in your conscience, so that you could almost weep tears of blood? That is no sign of hardness, but of mercy. It is pure grace that the Lord has not given you up, but leads you back with weeping and supplications.
Have the wounds made you sick of the world, sick of yourself, sick of everything but the blood and love of the Redeemer? Then turn your face toward Zion, looking for grace and for glory. If you hear His voice, “My son, give Me thine heart,” then cast yourself, with all you are and have, at the foot of the cross, and sigh there to Him that He would speak peace to your soul.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Entre tanto, Mi pueblo está adherido a la rebelión contra Mí.
Oseas 11:7
¡Qué error tan terrible es negar que nos apartamos de Dios! ¡Qué ignorancia manifiesta del propio corazón del hombre! ¡Cómo marca a un hombre como pervertidor de la verdad, y como uno que juega con el pecado y con el desagrado del Altísimo! ¿Quién que se conozca a sí mismo y la idolatría de su naturaleza caída se atreve a negar que se aparta perpetuamente en el corazón, en los labios o en la vida?
¿Puede alguno de nosotros negar que nos hemos apartado de nuestro primer amor? ¿Que nos hemos apartado de la sencillez y la sinceridad piadosa, de la reverencia y el temor piadoso, de la espiritualidad y la mente celestial, de los suspiros del afecto y del derramar el corazón en el seno del Señor? Y si no se nos ha permitido caer en pecado abierto, si el Señor nos ha guardado y no ha permitido que fuéramos arrojados al cieno, ¿no hemos cometido sin embargo aquel doble mal que el Señor imputa a Su pueblo: “Dejáronme a Mí, fuente de agua viva, por cavar para sí cisternas, cisternas rotas que no detienen aguas” (Jeremías 2:13)?
¿Y qué cosechamos de nuestros extravíos? ¿Cosechamos placer, consuelo o paz? ¿Cosechamos las sonrisas de Dios, o el solemne testimonio del Espíritu en la conciencia? No. Si la conciencia habla en su pecho, ¿qué dice? Que cada alejamiento del Señor ha traído pena y angustia; que, lejos de justificarse en su pecado, ha estado a punto de llorar lágrimas de sangre por haberse apartado tan perversamente del Señor. Ha sido una misericordia para nosotros que el Señor no nos haya entregado a la dureza de corazón y a una conciencia cauterizada; que no se nos haya permitido decir como el Israel de antaño: “Soy inocente… no he pecado” (Jer. 2:35); sino que Él nos haya “guiado con lloro y con ruegos.”
¿No nos hemos visto algunos de nosotros (yo por mi parte, estoy seguro de ello) obligados a “ir andando y llorando,” y a contar al Señor una historia lastimosa de nuestros extravíos: cómo nos hemos apartado de Su temor y hemos pecado vilmente contra Él; cuán poco dispuestos hemos estado a tomar Su yugo sobre nosotros y andar en Sus preceptos? ¿No nos hemos visto forzados a decirle que hemos sido desobedientes y obstinados, inmundos y viles? ¿Y no nos ha llevado Él, en alguna débil medida, a “volver nuestros rostros hacia Sion,” a dar la espalda a todos los falsos ministros, a todos los pastores ídolos, a toda la fuerza, sabiduría, justicia y voluntad de la criatura, y no nos ha dado alguna sencillez, rectitud e integridad de corazón y conciencia, por la cual hemos vuelto nuestro rostro hacia Sion, esperando que de Sion salga una bendición, esperando gracia, esperando gloria?
“Te haré enfermar hiriéndote,” dice el Señor (Miqueas 6:13), aludiendo al sentimiento de malestar que produce una herida (“estoy herido,” literalmente “estoy enfermo,” 1 Reyes 22:34, al margen). ¿Y no nos han hecho estas heridas en nuestra conciencia, en nuestra medida, estar hartos del mundo, hartos de la iglesia profesante, hartos de los hipócritas, hartos de los fariseos blanqueados, hartos de los profesantes carnales, hartos de nuestros extravíos, hartos de todo excepto de la Palabra de Dios revelada con poder, hartos de todo excepto de la sangre y el amor del Redentor, de toda enseñanza excepto la enseñanza del Espíritu Santo, de toda compañía excepto la compañía de los hijos de Dios?
¿Puede usted decir esto? ¿Que ha dado la espalda a todo excepto a Cristo, y a Este crucificado? ¿Que se ha apartado de todas las doctrinas excepto de las que tienen su centro en la sangre del Cordero? ¿Que se ha apartado de la caridad universal y la filantropía general como sustitutos del poder de la piedad vital (aunque desea amar y servir a sus semejantes como hombres), y que sus afectos espirituales se dirigen hacia Dios y Su pueblo?
¿Y ha habido en su alma algún sentimiento como el que tuvo Rut cuando dijo: “Tu pueblo será mi pueblo, y tu Dios mi Dios”? ¿Alguna dulce respuesta en su pecho a la voz del Señor: “Dame, hijo Mío, tu corazón”? “¡Tómalo, Señor, con todo lo que tengo y soy!” ¿Algún arrojarse al pie de la cruz, y suplicar allí al Señor de la vida y de la gloria que hable paz a su alma?
Al lector…
¿Conoce usted esto? No puede negar que se aparta. ¿No tiene que confesar que ha dejado su primer amor, que tantas veces abandonó la Fuente de agua viva por cisternas rotas que no detienen aguas? ¿Le escuece en la conciencia, de modo que casi podría llorar lágrimas de sangre? Eso no es señal de dureza, sino de misericordia. Es pura gracia que el Señor no le haya abandonado, sino que le haga volver con lloro y con ruegos.
¿Le han hecho las heridas estar harto del mundo, harto de sí mismo, harto de todo excepto de la sangre y el amor del Redentor? Entonces vuelva su rostro hacia Sion, esperando gracia y gloria. Si oye Su voz: “Dame, hijo Mío, tu corazón,” arrójese entonces, con todo lo que es y tiene, al pie de la cruz, y suspire allí a Él para que hable paz a su alma.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl