4 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
11 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Omdat uw hart week geworden is, en gij u voor het aangezicht des Heeren vernederd hebt, … zo heb Ik u ook verhoord.
2 Koningen 22:19
Die weekheid van het hart was een teken in Josia op hetwelk God, om zo te zeggen, Zijn vinger legde; het was een kennelijk teken ten goede, dat God uit alle andere uitkoos als een getuigenis te zijnen gunste. Het hart, door God met Zijn vinger aangeraakt, is week, daar die weekheid de vrucht is der aanraking van de hand des Heeren aan het geweten. Men moet het verschil tussen een natuurlijk geweten en een hart dat week is in de vreze Gods, daarin kennen, dat het natuurlijk geweten altijd achterdochtig en onzeker is; zoals de Heere zegt: „het zuigt de mug door en zwelgt een kemel in.”
Het geeft buitengewoon acht op zelfopgelegde strenge voorschriften en is zeer schroomvallig omtrent het verbreken van eigen regelen; en terwijl het een zonde zal begaan, welke een mens die de vreze des Heeren heeft, voor geen werelden zou willen bedrijven, zal het terugdeinzen voor onbelangrijke kleinigheden, waarvoor een opgeklaarde ziel niet de minste schroom zal hebben. Maar dit is een teken van een hart, week in de vreze Gods: het is in beweging als God de Heilige Geest erop werkt.
Het is gelijk het kompas van de zeeman, dat, eens door de magneetnaald aangeraakt, steeds naar het noorden draait; zij moge slingeren en achter- en voorwaarts trillen, maar toch zal zij naar de pool terugkeren, en eindelijk op het punt blijven staan waarvan zij tijdelijk verwijderd was. Zo mag het hart, wanneer het door de Heilige Geest is aangeraakt en in de vreze Gods week is geworden, voor enige tijd ter rechter- of ter linkerzijde afwijken, maar het beeft en dobbert tot het naar God wijst, als het enige en eeuwige middelpunt van zijn geluk en zaligheid.
Verlicht ons hart, dat duister is,
wil ons naar Uw getuigenis
doen vlieden alle kwade paân
en ijv’rig in Uw wegen gaan!
Morgenzang 5
Aan de lezer…
U die een hart hebt dat week geworden is in de vreze Gods, weet wat hier bedoeld wordt. Niet een geweten dat angstvallig let op zelfgemaakte regels en ondertussen de mug doorzuigt en de kemel inzwelgt, maar een hart dat de Heere met Zijn vinger heeft aangeraakt. U klaagt misschien dat het zo vaak ter rechter- of ter linkerzijde afwijkt, dat het slingert en trilt en geen rust vindt. Maar ziet: juist dat beven is een teken ten goede.
Een hart dat God heeft aangeraakt, kan niet blijvend rust vinden buiten Hem; het keert terug, zoals de naald naar de pool, tot het weer naar God wijst als het enige middelpunt van zijn geluk. Dat onrustige wenden naar Hem is niet uw werk, maar de vrucht van Zijn hand aan uw geweten. Vernedert u dan voor Zijn aangezicht, zoals Josia deed; Hij heeft gezegd dat Hij zulken verhoort.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Omdat uw hart week geworden is, en gij u voor het aangezicht des Heeren vernederd hebt, … zo heb Ik u ook verhoord.
2 Koningen 22:19
Die weekheid van het hart was een teken in Josia waarop God als het ware Zijn vinger legde. Het was een duidelijk teken ten goede, dat God uit alle andere uitkoos als een getuigenis in zijn voordeel. Het hart dat God met Zijn vinger heeft aangeraakt, is week, omdat die weekheid de vrucht is van de aanraking van het geweten door de hand van de Heere. Het verschil tussen een natuurlijk geweten en een hart dat week is in de vreze Gods, moet men hieraan herkennen: het natuurlijke geweten is altijd achterdochtig en onzeker. Zoals de Heere zegt: „het zuigt de mug door en zwelgt een kemel in.”
Het let buitengewoon nauw op zelfopgelegde strenge voorschriften en is zeer angstig om de eigen regels te overtreden. Het zal een zonde begaan die een mens met de vreze des Heeren voor geen wereld zou willen bedrijven, en tegelijk terugdeinzen voor onbelangrijke kleinigheden waarvoor een verlichte ziel niet de minste schroom zou hebben. Maar dit is een teken van een hart dat week is in de vreze Gods: het komt in beweging wanneer God de Heilige Geest erop werkt.
Het is als het kompas van de zeeman. Wanneer de naald eenmaal door de magneet is aangeraakt, draait zij steeds naar het noorden. Zij mag slingeren en heen en weer trillen, toch keert zij naar de pool terug en blijft zij ten slotte staan op het punt waarvan zij tijdelijk was afgeweken. Zo kan ook het hart, wanneer het door de Heilige Geest is aangeraakt en in de vreze Gods week is geworden, een tijdlang naar rechts of naar links afwijken. Maar het beeft en schommelt totdat het naar God wijst, het enige en eeuwige middelpunt van zijn geluk en zaligheid.
Verlicht ons hart, dat duister is,
wil ons naar Uw getuigenis
doen vlieden alle kwade paân
en ijv’rig in Uw wegen gaan!
Morgenzang 5
Aan de lezer…
U die een hart hebt dat week geworden is in de vreze Gods, weet wat hier bedoeld wordt. Niet een geweten dat angstvallig let op zelfgemaakte regels en ondertussen de mug doorzuigt en de kemel inzwelgt, maar een hart dat de Heere met Zijn vinger heeft aangeraakt. Misschien klaagt u dat het zo vaak naar rechts of naar links afwijkt, dat het slingert en trilt en geen rust vindt. Maar zie: juist dat beven is een teken ten goede.
Een hart dat God heeft aangeraakt, kan buiten Hem geen blijvende rust vinden. Het keert terug, zoals de naald naar de pool, totdat het weer naar God wijst als het enige middelpunt van zijn geluk. Dat onrustige zich wenden naar Hem is niet uw werk, maar de vrucht van Zijn hand aan uw geweten. Verneder u dan voor Zijn aangezicht, zoals Josia deed; Hij heeft gezegd dat Hij zulke mensen verhoort.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Because thine heart was tender, and thou hast humbled thyself before the LORD, when thou heardest what I spake against this place, and against the inhabitants thereof, that they should become a desolation and a curse, and hast rent thy clothes, and wept before Me; I also have heard thee, saith the LORD.
2 Kings 22:19
This tenderness of heart was a mark in Josiah, on which the Lord, so to speak, put His finger; it was a special token for good which God selected from all the rest, as a testimony in his favor. The heart is always tender which God has touched with His finger; this tenderness being the fruit of the impression of the Lord’s hand upon the conscience. You may know the difference between a natural conscience and a heart tender in God’s fear by this—that the natural conscience is always superstitious and uncertain; as the Lord says, it “strains out a gnat, and swallows a camel.” It is exceedingly observant of self-inflicted austerities, and very fearful of breaking through self-imposed rules; and while it will commit sin which a man who has the fear of God in his heart would not do for the world—it will stumble at mere unimportant trifles at which an enlightened soul would not feel the least scruple.
But here is the mark of a heart tender in God’s fear—it moves as God the Spirit works upon it. It is like the mariner’s compass, which having been once touched by the magnet, always turns toward the north; it may indeed oscillate and tremble backwards and forwards, but still it will return to the pole, and ultimately remain fixed at the point whence it was temporarily disturbed. So when the heart has been touched by the Spirit, and has been made tender in God’s fear, it may for a time waver to the right hand or to the left, but it is always trembling and fluctuating until it points towards God, as the only and eternal center of its happiness and holiness.
To the reader…
You whose heart has been made tender in the fear of God know what is meant here. Not a conscience that anxiously keeps self-made rules while it strains at a gnat and swallows a camel, but a heart the Lord has touched with His finger. Perhaps you complain that it so often turns aside to the right hand or to the left, that it wavers and trembles and finds no rest. But see: that very trembling is a token for good.
A heart that God has touched can find no lasting rest apart from Him. It returns, as the needle to the pole, until it points once more to God as the only centre of its happiness. That restless turning towards Him is not your own work, but the fruit of His hand upon your conscience. Humble yourself, then, before His face, as Josiah did; He has said that He hears such as these.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y tu corazón se enterneció, y te humillaste delante de Jehová, cuando oíste lo que yo he pronunciado contra este lugar y contra sus moradores, que vendrían á ser asolados y malditos, y rasgaste tus vestidos, y lloraste en mi presencia, también yo te he oído, dice Jehová.
2 Reyes 22:19
Esta ternura de corazón fue una marca en Josías sobre la cual el Señor, por así decirlo, puso Su dedo; fue una señal especial para bien que Dios escogió entre todas las demás como testimonio a su favor. El corazón que Dios ha tocado con Su dedo es siempre tierno; esta ternura es el fruto de la impresión de la mano del Señor sobre la conciencia. Puede usted conocer la diferencia entre una conciencia natural y un corazón tierno en el temor de Dios por esto: que la conciencia natural es siempre supersticiosa e incierta; como dice el Señor, “cuela el mosquito, y traga el camello.” Es sumamente observante de austeridades que ella misma se impone, y muy temerosa de quebrantar reglas que ella misma se ha puesto; y mientras comete pecados que un hombre que tiene el temor de Dios en su corazón no cometería por nada del mundo, tropieza en meras pequeñeces sin importancia ante las cuales un alma iluminada no sentiría el menor escrúpulo.
Pero he aquí la marca de un corazón tierno en el temor de Dios: se mueve según Dios el Espíritu obra sobre él. Es como la brújula del marinero, que, habiendo sido tocada una vez por el imán, se vuelve siempre hacia el norte; puede, en verdad, oscilar y temblar de un lado a otro, pero aun así volverá al polo, y al final quedará fija en el punto del cual fue momentáneamente apartada. Así, cuando el corazón ha sido tocado por el Espíritu y hecho tierno en el temor de Dios, puede por un tiempo vacilar a la derecha o a la izquierda, pero siempre está temblando y fluctuando hasta que apunta hacia Dios, como el único y eterno centro de su felicidad y santidad.
Al lector…
Usted, cuyo corazón ha sido hecho tierno en el temor de Dios, sabe lo que aquí se quiere decir. No una conciencia que guarda ansiosamente reglas inventadas por ella misma mientras cuela el mosquito y traga el camello, sino un corazón que el Señor ha tocado con Su dedo. Quizá se queja de que tan a menudo se desvía a la derecha o a la izquierda, de que vacila y tiembla y no halla reposo. Pero mire: precisamente ese temblor es una señal para bien.
Un corazón que Dios ha tocado no puede hallar reposo duradero fuera de Él. Vuelve, como la aguja al polo, hasta que apunta de nuevo hacia Dios como el único centro de su felicidad. Ese inquieto volverse hacia Él no es obra suya, sino fruto de Su mano sobre su conciencia. Humíllese, pues, delante de Su rostro, como lo hizo Josías; Él ha dicho que oye a los tales.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Leren wat nut is
Alzo zegt de Heere, uw Verlosser, de Heilige Israëls: Ik ben de Heere, uw God, Die u leert, wat nut is, Die u leidt op de weg die gij gaan moet.
Jesaja 48:17
Er zijn velen onder Gods uitverkorenen die nog nooit hun vleselijke bestaan zijn kwijtgeraakt; bij wie nog nooit de pezen van hun eigendunk zijn doorgesneden; die nog nooit, in de wanhoop van hun wegzinkende ziel, in lichaam noch geest, in het stof zijn gevallen voor het aangezicht van God. Maar het heeft voor hen geen zin over „een gezegende Jezus” te praten, als ze niet op dit punt zijn geweest; het heeft geen zin dat ze het bloed en de rechtvaardigheid van Christus, en hemel en zaligheid en al zulke prachtige dingen, verheerlijken. Deze eeuwige feiten zijn bij hen volkomen misplaatst; ze hebben ze niet op de juiste wijze verkregen.
Daarom komen alle mooie uitingen en de gloedvolle beschrijvingen van Christus, en van Zijn glorieuze Persoon en ambten, die veel welbespraakte dienstknechten de mensen voorleggen, niet op hun hoorders over. Het is net als Arabisch spreken tegen mensen die alleen Engels verstaan. Ze begrijpen de taal niet; die klinkt hun volkomen vreemd in de oren. Ze vinden de vreemde taal, de melodieuze klanken van de taal van Kanaän, wellicht heel mooi klinken, maar de echte betekenis, welk getuigenis van God in hun geweten dan ook, of enig sprankje van Christus’ heerlijkheid in hun hart kennen ze net zomin als u of ik een dialect uit het midden van Afrika kennen.
Het proces dat eigendunk geheel, met wortel en tak, in stukken snijdt in de ziel, is het enige proces dat de heerlijke genieting brengt van evangeliezegeningen. Veel mensen vergissen zich zo in de weg. Als ik vanochtend in plaats van naar het westen naar het oosten was gegaan, zou ik nu beslist niet hier zijn geweest. Op soortgelijke wijze kan iemand nooit in de hemel komen als hij niet hemelwaarts, Sion-waarts, reist, op de manier die God Zijn kinderen heeft aangegeven. Het is een misvatting te denken dat we naar de hemel gaan als we niet iets van de goddelijke leer in de ziel afweten.
Lezen: Handelingen 9:1-22
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u ooit in het stof gevallen bent voor het aangezicht van God. Zijn de pezen van uw eigendunk doorgesneden, zodat u niets meer van uzelf verwachten kon? Het is een pijnlijke weg, en het vlees schrikt ervoor terug. Maar zonder die weg blijft de taal van Kanaän een vreemde taal, mooi in het oor, maar zonder kracht in het hart.
Ligt u nu neer in de wanhoop van een wegzinkende ziel, en meent u dat het met u verloren is? Ziet dan of het niet juist hier is dat God Zijn kinderen de weg wijst, Sion-waarts. Wat u nu lijdt, snijdt de eigendunk met wortel en tak weg, opdat het bloed en de gerechtigheid van Christus voor u geen mooie woorden blijven, maar de heerlijke genieting van evangeliezegeningen worden. Hij Die u zo leidt, leert u wat nut is.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Alzo zegt de Heere, uw Verlosser, de Heilige Israëls: Ik ben de Heere, uw God, Die u leert, wat nut is, Die u leidt op de weg die gij gaan moet.
Jesaja 48:17
Er zijn velen onder Gods uitverkorenen die hun vleselijk bestaan nog nooit zijn kwijtgeraakt; bij wie de pezen van hun eigendunk nog nooit zijn doorgesneden; die nog nooit, in de wanhoop van hun wegzinkende ziel, naar lichaam of geest in het stof zijn gevallen voor het aangezicht van God. Maar het heeft voor hen geen zin om over „een gezegende Jezus” te praten als ze niet op dit punt zijn geweest; het heeft geen zin dat ze het bloed en de gerechtigheid van Christus, en de hemel en de zaligheid en al zulke prachtige dingen verheerlijken. Deze eeuwige werkelijkheden zijn bij hen volkomen misplaatst; ze hebben ze niet langs de juiste weg verkregen.
Daarom komen alle mooie uitspraken en gloedvolle beschrijvingen van Christus en van Zijn heerlijke Persoon en ambten, die veel welbespraakte dienstknechten hun hoorders voorhouden, bij die hoorders niet over. Het is net als Arabisch spreken tegen mensen die alleen Engels verstaan. Ze begrijpen de taal niet; die klinkt hun volkomen vreemd in de oren. Misschien vinden ze de vreemde taal, de melodieuze klanken van de taal van Kanaän, heel mooi klinken. Maar de werkelijke betekenis, enig getuigenis van God in hun geweten of enig sprankje van Christus’ heerlijkheid in hun hart kennen ze net zomin als u of ik een dialect uit het hart van Afrika kennen.
Het proces dat de eigendunk in de ziel helemaal, met wortel en tak, in stukken snijdt, is het enige proces dat het heerlijke genieten van de zegeningen van het Evangelie brengt. Veel mensen vergissen zich zo in de weg. Als ik vanochtend niet naar het westen maar naar het oosten was gegaan, zou ik nu beslist niet hier zijn geweest. Op dezelfde manier kan iemand nooit in de hemel komen als hij niet hemelwaarts, Sion-waarts, reist, op de manier die God Zijn kinderen heeft gewezen. Het is een vergissing te denken dat we naar de hemel gaan als we niet iets van het goddelijk onderwijs in de ziel kennen.
Lezen: Handelingen 9:1-22
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u ooit in het stof gevallen bent voor het aangezicht van God. Zijn de pezen van uw eigendunk doorgesneden, zodat u niets meer van uzelf kon verwachten? Het is een pijnlijke weg, en het vlees schrikt ervoor terug. Maar zonder die weg blijft de taal van Kanaän een vreemde taal: mooi in het oor, maar zonder kracht in het hart.
Ligt u nu neer in de wanhoop van een wegzinkende ziel, en meent u dat het met u verloren is? Zie dan of het niet juist hier is dat God Zijn kinderen de weg wijst, Sion-waarts. Wat u nu lijdt, snijdt de eigendunk met wortel en tak weg, zodat het bloed en de gerechtigheid van Christus voor u geen mooie woorden blijven, maar het heerlijke genieten van de zegeningen van het Evangelie worden. Hij Die u zo leidt, leert u wat nut is.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Thus saith the LORD, thy Redeemer, the Holy One of Israel; I am the LORD thy God which teacheth thee to profit, which leadeth thee by the way that thou shouldest go.
Isaiah 48:17
There are many among God’s elect who have never yet lost their fleshly standing; whose sinews of self-righteousness have never been cut; who have never yet, in the despair of their sinking soul, fallen in body or spirit into the dust before the face of God. But it is of no use for them to talk of “a blessed Jesus” if they have not been brought to this point; it is of no use for them to extol the blood and righteousness of Christ, and heaven and salvation and all such glorious things. These eternal realities are altogether out of place with them; they have not come by them in the right way.
Therefore all the fine sayings and glowing descriptions of Christ and of His glorious Person and offices, which many eloquent ministers set before their hearers, do not reach those hearers. It is like speaking Arabic to people who understand only English. They do not understand the language; it sounds altogether strange in their ears. Perhaps they think the strange tongue, the melodious sounds of the language of Canaan, sound very beautiful. But the real meaning, any witness of God in their conscience or any spark of Christ’s glory in their heart, they know no more than you or I know a dialect from the heart of Africa.
The process that cuts self-righteousness in the soul entirely to pieces, root and branch, is the only process that brings the glorious enjoyment of Gospel blessings. Many people make such a mistake about the way. If I had gone this morning not westward but eastward, I should certainly not be here now. In the same way a man can never come to heaven unless he travels heavenward, Zionward, in the way that God has shown His children. It is a mistake to think that we shall go to heaven if we know nothing of divine teaching in the soul.
Reading: Acts 9:1-22
To the reader…
It may be that you have at some time fallen into the dust before the face of God. Have the sinews of your self-righteousness been cut, so that you could expect nothing more from yourself? It is a painful way, and the flesh shrinks back from it. But without that way the language of Canaan remains a strange tongue: beautiful to the ear, but without power in the heart.
Are you lying low now in the despair of a sinking soul, and do you think that all is lost with you? Then see whether it is not just here that God shows His children the way, Zionward. What you are suffering now cuts self-righteousness away root and branch, so that the blood and righteousness of Christ do not remain fine words to you, but become the glorious enjoyment of Gospel blessings. He Who leads you so teaches you to profit.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Así ha dicho Jehová, Redentor tuyo, el Santo de Israel: Yo Jehová Dios tuyo, que te enseña provechosamente, que te encamina por el camino que andas.
Isaías 48:17
Hay muchos entre los escogidos de Dios que nunca han perdido todavía su posición carnal; cuyos tendones de justicia propia nunca han sido cortados; que nunca todavía, en la desesperación de su alma que se hunde, han caído en cuerpo o en espíritu en el polvo delante del rostro de Dios. Pero de nada les sirve hablar de “un bendito Jesús” si no han sido llevados a este punto; de nada les sirve ensalzar la sangre y la justicia de Cristo, y el cielo y la salvación y todas esas cosas gloriosas. Estas realidades eternas están del todo fuera de lugar en ellos; no han llegado a ellas por el camino correcto.
Por eso todos los bellos dichos y las ardientes descripciones de Cristo y de Su gloriosa Persona y oficios, que muchos ministros elocuentes presentan a sus oyentes, no llegan a esos oyentes. Es como hablar árabe a gente que solo entiende inglés. No entienden el idioma; les suena del todo extraño en sus oídos. Quizá piensen que la lengua extraña, los sonidos melodiosos del lenguaje de Canaán, suenan muy hermosos. Pero el verdadero sentido, algún testimonio de Dios en su conciencia o alguna chispa de la gloria de Cristo en su corazón, no lo conocen más de lo que usted o yo conocemos un dialecto del corazón de África.
El proceso que corta del todo la justicia propia en el alma, de raíz y rama, es el único proceso que trae el glorioso goce de las bendiciones del Evangelio. Mucha gente se equivoca tanto en cuanto al camino. Si esta mañana yo no hubiera ido hacia el oeste sino hacia el este, ciertamente no estaría aquí ahora. Del mismo modo un hombre nunca puede llegar al cielo a menos que viaje hacia el cielo, hacia Sion, por el camino que Dios ha mostrado a Sus hijos. Es un error pensar que iremos al cielo si no sabemos nada de la enseñanza divina en el alma.
Lectura: Hechos 9:1-22
Al lector…
Puede que usted haya caído alguna vez en el polvo delante del rostro de Dios. ¿Han sido cortados los tendones de su justicia propia, de modo que ya no podía esperar nada de sí mismo? Es un camino doloroso, y la carne retrocede ante él. Pero sin ese camino el lenguaje de Canaán sigue siendo una lengua extraña: hermosa al oído, pero sin poder en el corazón.
¿Yace usted ahora abatido en la desesperación de un alma que se hunde, y piensa que todo está perdido para usted? Mire entonces si no es justamente aquí donde Dios muestra a Sus hijos el camino, hacia Sion. Lo que usted sufre ahora corta la justicia propia de raíz y rama, para que la sangre y la justicia de Cristo no queden para usted en bellas palabras, sino que lleguen a ser el glorioso goce de las bendiciones del Evangelio. Aquel que así le conduce, le enseña provechosamente.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
God is getrouw, door Welke gij geroepen zijt tot de gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus, onze Heere.
1 Korinthe 1:9
Niets onderscheidt zozeer de zuivere godsdienst der kinderen Gods van de dode onheiligheid der openbare goddelozen en van de vormelijke lippendienst der levenloze belijders, dan de gemeenschap met God. Hoe duidelijk zien wij dit in de heiligen van oude tijden aangetoond. Abel zocht de gemeenschap Gods toen hij van de eerstelingen zijner kudde en van het vette daarvan de Heere offerde, want hij zag op het verzoenend bloed van het Lam Gods. De Heere zag Abel en zijn offer aan door Zijn Goddelijke goedkeuring eraan te hechten. Hier was gemeenschap tussen Abel en de Heere.
Enoch „wandelde met God”, doch hoe zullen twee tezamen wandelen, tenzij dat zij bijeengekomen zijn? En indien zij bijeengekomen zijn, dan is er gemeenschap onderling. Abraham werd de vriend Gods genaamd. De Heere sprak tot Mozes van aangezicht tot aangezicht. David was de man naar Gods hart. Al deze getuigenissen des Heiligen Geestes ten opzichte van hen allen duiden aan dat zij met God verzoend en nabij gebracht waren, en wandelden in de gemeenschap met de almachtige God.
Zo was het met al de heiligen van ouds, wier lijden en verrichtingen wij vinden opgetekend in Hebreeën 11. Zij leefden een leven des geloofs en des gebeds, een leven van gemeenschap met hun Vader en Vriend; en ofschoon zij zijn gestenigd geworden, in stukken gezaagd en met het zwaard ter dood gebracht; ofschoon zij gewandeld hebben in schaapsvellen en in geitenvellen, verlaten, verdrukt en kwalijk gehandeld zijn geworden; ofschoon zij in woestijnen hebben gedoold en op bergen, en in de spelonken en in holen der aarde, toch zijn zij ondersteund geworden in hun lijden en smarten door de Geest der genade en de tegenwoordigheid en kracht van de levende God, met Wie zij een zoete gemeenschap onderhielden. En ofschoon zij gepijnigd zijn geworden, hebben zij de aangeboden verlossing niet aangenomen en hun Heere niet verloochend, opdat zij een betere opstanding verkrijgen zouden. En nu zien zij Hem, gelijk Hij is in heerlijkheid, door Wiens genade zij op aarde met Hem in gemeenschap zijn gebracht geworden.
Tot deze zelfde gemeenschap roept God Zijn volk ook nu, gelijk wij lezen: „God is getrouw, door Welke gij geroepen zijt tot de gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus, onze Heere.” Gemeenschap te hebben met Zijn Zoon, is gemeenschap te hebben met Hem. En gelijk Hij Abraham riep uit het land der Chaldeeën, zo roept Hij Zijn uitverkorenen uit de wereld, uit de duisternis, zonde en dood, uit de schijn der eigengerechtigheid, uit een bedrieglijke belijdenis, om gemeenschap te hebben met Hem en gezegend te worden met de bekendmaking van Zijn liefde en genade. Al Zijn handelingen met hun ziel dienen ertoe; al hun verdrukkingen, beproevingen en smarten worden daartoe gezonden, om hen tot Zich te brengen. En in het schenken van de bewijzen van Zijn heilige gemeenschap hier, geeft Hij hun de voorsmaakjes en voorproefjes van de eeuwige zaligheid, die zij zullen genieten door Zijn tegenwoordigheid en liefde, wanneer de tijd verslonden zal zijn in de eeuwigheid.
Aan de lezer…
Soms is het goed te vragen wat uw godsdienst onderscheidt van een vormelijke lippendienst. Niet de kennis, niet de belijdenis, maar de gemeenschap met God. Kent u iets van dat wandelen met Hem, al is het met wankele schreden? Of hebt u het moeten missen, en zucht u omdat u Zijn nabijheid niet gewaarwordt? Bedenk dan dat Hij getrouw is, Die u geroepen heeft tot de gemeenschap van Zijn Zoon; Zijn trouw hangt niet aan uw gevoel.
Ook uw verdrukkingen, beproevingen en smarten worden u daartoe gezonden, om u tot Zich te brengen. Wat u nu bitter is, kan het middel zijn waardoor Hij u uit de schijn der eigengerechtigheid en uit een bedrieglijke belijdenis roept. De heiligen van ouds werden in hun lijden ondersteund door Zijn tegenwoordigheid; die zelfde Heere is ook nu nabij. En wat u hier van Zijn liefde smaakt, is slechts een voorproefje van wat Zijn volk eeuwig zal genieten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
God is getrouw, door Welke gij geroepen zijt tot de gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus, onze Heere.
1 Korinthe 1:9
Niets onderscheidt de zuivere godsdienst van de kinderen van God zozeer van de dode onheiligheid van de openlijk goddelozen en van de vormelijke lippendienst van levenloze belijders als de gemeenschap met God. Hoe duidelijk zien we dit bij de heiligen uit oude tijden. Abel zocht de gemeenschap met God toen hij de Heere offerde van de eerstelingen van zijn kudde en van hun vet, want hij zag op het verzoenend bloed van het Lam van God. De Heere zag Abel en zijn offer aan en schonk er Zijn Goddelijke goedkeuring aan. Hier was gemeenschap tussen Abel en de Heere.
Henoch „wandelde met God”, maar hoe zullen twee samen wandelen, tenzij zij bij elkaar gekomen zijn? En als zij bij elkaar gekomen zijn, dan is er gemeenschap tussen hen. Abraham werd de vriend van God genoemd. De Heere sprak met Mozes van aangezicht tot aangezicht. David was de man naar Gods hart. Al deze getuigenissen van de Heilige Geest over hen allen laten zien dat zij met God verzoend en nabij gebracht waren, en dat zij wandelden in gemeenschap met de almachtige God.
Zo was het met alle heiligen van vroeger, van wie het lijden en de daden zijn opgetekend in Hebreeën 11. Zij leefden een leven van geloof en gebed, een leven van gemeenschap met hun Vader en Vriend. Zij zijn gestenigd, in stukken gezaagd en met het zwaard gedood. Zij hebben rondgezworven in schaapsvellen en geitenvellen, verlaten, verdrukt en mishandeld. Zij hebben gedoold in woestijnen en op bergen, in spelonken en in holen van de aarde. Toch zijn zij in hun lijden en smarten ondersteund door de Geest van de genade en door de tegenwoordigheid en kracht van de levende God, met Wie zij een zoete gemeenschap onderhielden.
En hoewel zij gepijnigd zijn, hebben zij de aangeboden verlossing niet aangenomen en hun Heere niet verloochend, om een betere opstanding te verkrijgen. En nu zien zij Hem zoals Hij is in heerlijkheid, Hem door Wiens genade zij op aarde in gemeenschap met Hem gebracht zijn.
Tot diezelfde gemeenschap roept God ook nu Zijn volk, zoals we lezen: „God is getrouw, door Welke gij geroepen zijt tot de gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus, onze Heere.” Gemeenschap hebben met Zijn Zoon is gemeenschap hebben met Hem. En zoals Hij Abraham riep uit het land van de Chaldeeën, zo roept Hij Zijn uitverkorenen uit de wereld, uit duisternis, zonde en dood, uit de schijn van eigengerechtigheid en uit een bedrieglijke belijdenis. Hij roept hen om gemeenschap met Hem te hebben en gezegend te worden met de bekendmaking van Zijn liefde en genade. Al Zijn handelingen met hun ziel dienen daartoe; al hun verdrukkingen, beproevingen en smarten worden daarvoor gezonden, om hen tot Zich te brengen.
En door hier de bewijzen van Zijn heilige gemeenschap te schenken, geeft Hij hun een voorsmaak en voorproefje van de eeuwige zaligheid. Die zullen zij genieten door Zijn tegenwoordigheid en liefde, wanneer de tijd verslonden zal zijn in de eeuwigheid.
Aan de lezer…
Soms is het goed te vragen wat uw godsdienst onderscheidt van een vormelijke lippendienst. Dat is niet de kennis en niet de belijdenis, maar de gemeenschap met God. Kent u iets van dat wandelen met Hem, al is het met wankele schreden? Of hebt u het moeten missen, en zucht u omdat u Zijn nabijheid niet ervaart? Bedenk dan dat Hij getrouw is, Die u geroepen heeft tot de gemeenschap van Zijn Zoon; Zijn trouw hangt niet af van uw gevoel.
Ook uw verdrukkingen, beproevingen en smarten worden u daarvoor gezonden: om u tot Zich te brengen. Wat nu bitter voor u is, kan het middel zijn waardoor Hij u roept uit de schijn van eigengerechtigheid en uit een bedrieglijke belijdenis. De heiligen van vroeger werden in hun lijden ondersteund door Zijn tegenwoordigheid; diezelfde Heere is ook nu nabij. En wat u hier van Zijn liefde proeft, is slechts een voorsmaak van wat Zijn volk eeuwig zal genieten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
God is faithful, by Whom ye were called unto the fellowship of His Son Jesus Christ our Lord.
1 Corinthians 1:9
Nothing distinguishes the divine religion of the saint of God, not only from the dead profanity of the openly ungodly, but from the formal lip-service of the lifeless professor, so much as communion with God.
How clearly do we see this exemplified in the saints of old. Abel sought after fellowship with God when “he brought of the firstlings of his flock, and of the fat thereof,” for he looked to the atoning blood of the Lamb of God. God accepted the offering, and “testified of his gifts” by manifesting His divine approbation. Here was fellowship between Abel and God. Enoch “walked with God;” but how can two walk together except they be agreed? And if agreed, they are in fellowship and communion. Abraham was “the friend of God;” “The Lord spoke to Moses face to face;” David was “the man after God’s own heart;”—all which testimonies of the Holy Spirit concerning them implied that they were reconciled, brought near, and walked in holy communion with the Lord God Almighty.
So all the saints of old, whose sufferings and exploits are recorded in Hebrews 11, lived a life of faith and prayer, a life of fellowship and communion with their Father and their Friend; and though “they were stoned, sawn asunder, and slain with the sword;” though “they wandered about in sheep-skins and goat-skins, being destitute, afflicted, tormented;” though “they wandered in deserts and in mountains, and in dens and caves of the earth,” yet they all were sustained in their sufferings and sorrows by the Spirit and grace, the presence and power of the living God, with Whom they held sweet communion; and, though tortured, would “accept no deliverance,” by denying their Lord, “that they might obtain a better resurrection,” and see Him as He is in glory, by Whose grace they were brought into fellowship with Him on earth.
This same communion with Himself is that which God now calls His saints unto, as we read, “God is faithful, by Whom you were called unto the fellowship of His Son Jesus Christ our Lord,” for to have fellowship with His Son is to have fellowship with Him. As then He called Abraham out of the land of the Chaldees, so He calls elect souls out of the world, out of darkness, sin, and death, out of formality and self-righteousness, out of a deceptive profession, to have fellowship with Himself, to be blessed with manifestations of His love and mercy. To this point all His dealings with their souls tend; to bring them near to Himself, all their afflictions, trials, and sorrows are sent; and in giving them tastes of holy fellowship here, He grants them foretastes of that eternity of bliss which will be theirs when time shall be no more, in being forever swallowed up with His presence and love.
To the reader…
Sometimes it is good to ask what distinguishes your religion from a formal lip-service. It is not knowledge, nor profession, but fellowship with God. Do you know something of walking with Him, even with faltering steps? Or have you had to go without it, and do you sigh because you do not feel His nearness? Remember, then, that He is faithful Who has called you unto the fellowship of His Son; His faithfulness does not depend on your feelings.
Your afflictions, trials and sorrows, too, are sent to you for this very end: to bring you near to Himself. What is bitter to you now may be the means by which He calls you out of the appearance of self-righteousness and out of a deceptive profession. The saints of old were sustained in their sufferings by His presence; that same Lord is near today. And what you taste of His love here is only a foretaste of what His people will enjoy forever.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Fiel es Dios, por el cual sois llamados a la participación de Su Hijo Jesucristo nuestro Señor.
1 Corintios 1:9
Nada distingue tanto la religión divina del santo de Dios, no solo de la muerta profanidad del abiertamente impío, sino también del culto formal de labios del profesante sin vida, como la comunión con Dios.
¡Con cuánta claridad vemos esto ejemplificado en los santos de la antigüedad! Abel buscó la comunión con Dios cuando “trajo de los primogénitos de sus ovejas, y de su grosura”, porque miraba a la sangre expiatoria del Cordero de Dios. Dios aceptó la ofrenda, y “dio testimonio de sus presentes” al manifestarle Su divina aprobación. He aquí comunión entre Abel y Dios. Enoc “caminó con Dios”; pero ¿cómo andarán dos juntos si no estuvieren de acuerdo? Y si están de acuerdo, están en comunión y trato mutuo. Abraham fue “amigo de Dios”; “Hablaba Jehová a Moisés cara a cara”; David fue “varón según el corazón de Dios”; todos estos testimonios del Espíritu Santo acerca de ellos implicaban que estaban reconciliados, que habían sido acercados y que andaban en santa comunión con el Señor Dios Todopoderoso.
Así todos los santos de la antigüedad, cuyos sufrimientos y hazañas están registrados en Hebreos 11, vivieron una vida de fe y oración, una vida de trato y comunión con su Padre y su Amigo; y aunque “fueron apedreados, aserrados, muertos a cuchillo”; aunque “anduvieron de acá para allá cubiertos de pieles de ovejas y de cabras, pobres, angustiados, maltratados”; aunque “anduvieron perdidos por los desiertos, por los montes, por las cuevas y por las cavernas de la tierra”, todos ellos fueron sostenidos en sus sufrimientos y dolores por el Espíritu y la gracia, la presencia y el poder del Dios vivo, con Quien tenían dulce comunión; y, aunque atormentados, “no aceptaron el rescate”, negando a su Señor, “para ganar mejor resurrección”, y verle tal como Él es en la gloria, por Cuya gracia habían sido traídos a la comunión con Él en la tierra.
A esta misma comunión consigo mismo es a la que Dios llama ahora a Sus santos, como leemos: “Fiel es Dios, por el cual sois llamados a la participación de Su Hijo Jesucristo nuestro Señor”, porque tener comunión con Su Hijo es tener comunión con Él. Así como entonces llamó a Abraham de la tierra de los caldeos, así llama a las almas escogidas del mundo, de las tinieblas, del pecado y de la muerte, del formalismo y de la propia justicia, de una profesión engañosa, para que tengan comunión con Él mismo y sean bendecidas con manifestaciones de Su amor y misericordia. A este fin tienden todos Sus tratos con sus almas; para acercarlas a Sí mismo les son enviadas todas sus aflicciones, pruebas y dolores; y al darles a gustar aquí la santa comunión, les concede anticipos de aquella eternidad de dicha que será suya cuando el tiempo ya no sea más, al quedar para siempre absortos en Su presencia y Su amor.
Al lector…
A veces es bueno preguntarse qué distingue su religión de un culto formal de labios. No es el conocimiento, ni la profesión, sino la comunión con Dios. ¿Conoce usted algo de andar con Él, aunque sea con pasos vacilantes? ¿O ha tenido que pasar sin ello, y suspira porque no siente Su cercanía? Recuerde, entonces, que fiel es Aquel que le ha llamado a la comunión de Su Hijo; Su fidelidad no depende de sus sentimientos.
También sus aflicciones, pruebas y dolores le son enviados precisamente con este fin: acercarle a Sí mismo. Lo que ahora le resulta amargo puede ser el medio por el cual Él le llama a salir de la apariencia de la propia justicia y de una profesión engañosa. Los santos de la antigüedad fueron sostenidos en sus sufrimientos por Su presencia; ese mismo Señor está cerca hoy. Y lo que usted gusta aquí de Su amor es solo un anticipo de lo que Su pueblo disfrutará para siempre.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl