6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
13 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
En ik zeide: Ik ben uitgestoten van voor Uw ogen; nochtans zal ik de tempel Uwer heiligheid weder aanschouwen.
Jona 2:4
Toen Jona deze woorden sprak, deed hij dit in de bitterheid van zijn hart; hij gevoelde dat hij uit Gods genadige tegenwoordigheid was verworpen. Doch hij moest iets gekend hebben van de liefelijkheid van Gods openbaring Zijner tegenwoordigheid; hij moet het gesmaakt hebben dat in die tegenwoordigheid de hemel lag besloten en dat al zijn geluk daarin als in één punt vernietigd was. Dit moet hij genoten hebben om te kunnen weten dat, zo Gods tegenwoordigheid niet in de ziel gevoeld wordt, er niets dan duisternis en dood in heerst, en dat „van voor Zijn ogen uitgestoten te zijn” het begin was van de hel op aarde.
Hier nu verschilt een levende ziel van alle anderen, of zij dood zijn in zonde, of dood in belijdenis. De overtuiging dat in God alleen waar geluk gevonden wordt, het gevoel van ellende en onvoldaanheid met al het andere buiten de Heere, en het gevoel van ledigheid buiten Zijn tegenwoordigheid, is het waarachtige kenmerk dat het leven Gods in de ziel eens mensen is uitgestort. Er zijn leraren die geen ellende, geen onvoldaanheid, geen verlatenheid gevoelen als God niet in hun ziel schijnt. Zolang de wereld hun toelacht en zij alles hebben wat het hart kan begeren; zolang zij staande gehouden worden door de hoop des huichelaars en in slaap worden gewiegd door de liefelijke koeltjes der vleierij, zijn zij tevreden met de stroom van een dode belijdenis af te drijven.
Maar zo is het niet bij hem, waar leven is in de ziel; somtijds hijgt hij naar een glimlach van God; dorst hij naar Zijn kennelijke tegenwoordigheid; gevoelt hij zich onvoldaan met de wereld en al wat zij geeft, wanneer hij de Heere niet vinden en het licht Zijns aanschijns niet genieten kan. Waar dit wordt ervaren, is het waarachtige kenmerk dat de genade Gods in het hart is uitgestort.
Verwerp mij van Uw aangezicht toch niet,
ai, laat van mij Uw heil’ge Geest niet scheiden!
Die kan alleen op ’t rechte spoor mij leiden.
Ps. 51:6
Aan de lezer…
Kent u dat bange gevoel, lezer, dat de Heere Zijn aangezicht van u heeft afgewend en dat alles in u donker en dood is? Dan spreekt Jona uit uw hart: „Ik ben uitgestoten van voor Uw ogen.” Maar weet dit: zulk een gemis kan alleen gevoeld worden door wie iets gesmaakt heeft van de liefelijkheid van Gods tegenwoordigheid. De dode belijder mist niets, zolang de wereld hem toelacht; maar u hijgt naar een glimlach van God en bent onvoldaan met al het andere.
Dat hijgen en die onvoldaanheid zijn geen tekenen dat God u heeft losgelaten, maar het waarachtige kenmerk dat Zijn leven in uw ziel is. Laat dan het „nochtans” van Jona ook het uwe zijn: nochtans zal ik de tempel Uwer heiligheid weder aanschouwen. Hij, Die die dorst in u verwekt heeft, zal hem niet onvervuld laten, en het licht Zijns aanschijns zal weder over u opgaan.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En ik zeide: Ik ben uitgestoten van voor Uw ogen; nochtans zal ik de tempel Uwer heiligheid weder aanschouwen.
Jona 2:4
Toen Jona deze woorden sprak, deed hij dat in de bitterheid van zijn hart. Hij voelde dat hij uit Gods genadige tegenwoordigheid was verworpen. Maar hij moet iets gekend hebben van de lieflijkheid van Gods openbaring van Zijn tegenwoordigheid. Hij moet ervaren hebben dat in die tegenwoordigheid de hemel besloten lag, en dat al zijn geluk daarin als in één punt was vernietigd. Dit moet hij genoten hebben om te kunnen weten dat er niets dan duisternis en dood in de ziel heerst wanneer Gods tegenwoordigheid daar niet gevoeld wordt, en dat „van voor Zijn ogen uitgestoten te zijn” het begin was van de hel op aarde.
Juist hierin verschilt een levende ziel van alle anderen, of zij nu dood zijn in de zonde of dood in hun belijdenis. De overtuiging dat alleen in God waar geluk te vinden is, het gevoel van ellende en onvoldaanheid bij alles buiten de Heere, en het gevoel van leegte buiten Zijn tegenwoordigheid: dat is het ware kenmerk dat het leven van God in de ziel van een mens is uitgestort. Er zijn leraars die geen ellende, geen onvoldaanheid en geen verlatenheid voelen wanneer God niet in hun ziel schijnt. Zolang de wereld hen toelacht en zij alles hebben wat het hart kan begeren, zolang zij staande gehouden worden door de hoop van de huichelaar en in slaap gewiegd worden door de zachte briesjes van de vleierij, zijn zij tevreden om met de stroom van een dode belijdenis mee te drijven.
Maar zo is het niet bij iemand in wiens ziel leven is. Soms hijgt hij naar een glimlach van God en dorst hij naar Zijn kennelijke tegenwoordigheid. Hij voelt zich onvoldaan met de wereld en met alles wat zij geeft, wanneer hij de Heere niet kan vinden en het licht van Zijn aangezicht niet kan genieten. Waar dit ervaren wordt, is dat het ware kenmerk dat de genade van God in het hart is uitgestort.
Verwerp mij van Uw aangezicht toch niet,
ai, laat van mij Uw heil’ge Geest niet scheiden!
Die kan alleen op ’t rechte spoor mij leiden.
Ps. 51:6
Aan de lezer…
Kent u dat bange gevoel, lezer, dat de Heere Zijn aangezicht van u heeft afgewend en dat alles in u donker en dood is? Dan spreekt Jona uit uw hart: „Ik ben uitgestoten van voor Uw ogen.” Maar weet dit: zo’n gemis kan alleen gevoeld worden door wie iets geproefd heeft van de lieflijkheid van Gods tegenwoordigheid. De dode belijder mist niets zolang de wereld hem toelacht, maar u hijgt naar een glimlach van God en bent onvoldaan met al het andere.
Dat hijgen en die onvoldaanheid zijn geen tekenen dat God u heeft losgelaten, maar het ware kenmerk dat Zijn leven in uw ziel is. Laat dan het „nochtans” van Jona ook het uwe zijn: nochtans zal ik de tempel Uwer heiligheid weder aanschouwen. Hij Die die dorst in u gewekt heeft, zal hem niet onvervuld laten, en het licht van Zijn aangezicht zal opnieuw over u opgaan.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Then I said, I am cast out of thy sight; yet I will look again toward thy holy temple.
Jonah 2:4
When poor Jonah spoke these words he uttered them in the very bitterness of his heart; he felt that he was cast out of God’s gracious presence. But he must have known something experimentally of the sweetness of God’s manifested presence; he must have tasted that heaven was in it, and that all his happiness centered there. He must have enjoyed this in order to know if God’s presence were not felt in the soul, there was but one barren scene of gloom and death; and that to be “cast out of His sight” was the commencement of hell upon earth.
Now here a living soul differs from all others, whether dead in sin, or dead in a profession. The persuasion that in God alone is true happiness; the feeling of misery and dissatisfaction with everything else but the Lord, and everything short of His manifested presence, is that which stamps the reality of the life of God in a man’s soul. Mere professors of religion feel no misery, dissatisfaction, or wretchedness, if God does not shine upon them. So long as the world smiles, and they have all that heart can wish, so long as they are buoyed up by the hypocrite’s hope, and lulled asleep by the soft breezes of flattery, they are well satisfied to sail down the stream of a dead profession.
But it is not so with the living soul; he is at times panting after the smiles of God; he is thirsting after His manifested presence; he feels dissatisfied with the world, and all that it presents, if he cannot find the Lord, and does not enjoy the light of His countenance. Where this is experienced, it stamps a man as having the grace of God in his heart.
To the reader…
Do you know that anxious feeling that the Lord has turned His face away from you and that everything within you is dark and dead? Then Jonah speaks from your heart: “I am cast out of Thy sight.” But know this: such a loss can only be felt by someone who has tasted something of the sweetness of God’s presence. The dead professor misses nothing as long as the world smiles on him, but you pant after a smile from God and are dissatisfied with everything else.
That panting and that dissatisfaction are no signs that God has let you go, but the true mark that His life is in your soul. Let Jonah’s “yet” be yours as well: yet I will look again toward Thy holy temple. He Who has awakened that thirst in you will not leave it unsatisfied, and the light of His countenance will rise upon you again.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y yo dije: Echado soy de delante de Tus ojos: mas aún veré Tu santo templo.
Jonás 2:4
Cuando el pobre Jonás pronunció estas palabras, las dijo en la misma amargura de su corazón; sentía que había sido echado de la presencia misericordiosa de Dios. Pero debía de haber conocido algo, por experiencia, de la dulzura de la presencia manifestada de Dios; debía de haber gustado que el cielo estaba en ella, y que toda su felicidad se centraba allí. Tenía que haber gozado de esto para saber que, si la presencia de Dios no se sentía en el alma, no había más que un escenario estéril de tinieblas y muerte; y que ser “echado de delante de Sus ojos” era el comienzo del infierno en la tierra.
Ahora bien, en esto un alma viva se diferencia de todas las demás, sean muertas en el pecado o muertas en una profesión. La persuasión de que solo en Dios está la verdadera felicidad; el sentimiento de miseria e insatisfacción con todo lo demás que no sea el Señor, y con todo lo que no llegue a Su presencia manifestada, es lo que imprime el sello de la realidad de la vida de Dios en el alma de un hombre. Los meros profesantes de la religión no sienten miseria, insatisfacción ni desdicha si Dios no resplandece sobre ellos. Mientras el mundo les sonríe y tienen todo lo que el corazón puede desear, mientras son sostenidos por la esperanza del hipócrita y adormecidos por las suaves brisas de la adulación, están muy satisfechos de navegar río abajo en la corriente de una profesión muerta.
Pero no es así con el alma viva; a veces jadea por las sonrisas de Dios; tiene sed de Su presencia manifestada; se siente insatisfecha con el mundo y todo lo que este ofrece, si no puede hallar al Señor y no goza de la luz de Su rostro. Donde se experimenta esto, ello marca a un hombre como alguien que tiene la gracia de Dios en su corazón.
Al lector…
¿Conoce usted ese sentimiento angustioso de que el Señor ha apartado Su rostro de usted y de que todo dentro de usted está oscuro y muerto? Entonces Jonás habla desde su corazón: “Echado soy de delante de Tus ojos”. Pero sepa esto: una pérdida así solo puede sentirla quien ha gustado algo de la dulzura de la presencia de Dios. El profesante muerto no echa nada de menos mientras el mundo le sonríe, pero usted jadea por una sonrisa de Dios y está insatisfecho con todo lo demás.
Ese jadear y esa insatisfacción no son señales de que Dios le haya soltado, sino la verdadera marca de que Su vida está en su alma. Que el “mas aún” de Jonás sea también el suyo: mas aún veré Tu santo templo. El que ha despertado esa sed en usted no la dejará sin saciar, y la luz de Su rostro volverá a alzarse sobre usted.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Christus’ zitten ter rechterhand Gods
Maar wij zien Jezus, met heerlijkheid en eer gekroond.
Hebreeën 2:9
„Maar wij zien Jezus.” Hebt u Hem ooit met eigen ogen gezien? Raadpleeg uw geweten — hebt u ooit met eigen ogen Jezus gezien? Ik bedoel niet uw natuurlijke, lichamelijke ogen, maar het oog van het geloof, het oog van de ziel. Ik zal u vertellen wat u hebt gevoeld als u ooit Jezus hebt gezien. Uw hart werd zacht en smolt, uw gevoelens werden hemelwaarts getrokken, uw ziel raakte doordrongen van dankbaarheid en lof, uw geweten werd besprenkeld met verzoenend bloed, uw geest verheven boven alle aardse dingen om zich te richten op de borst van de gezegende Immanuel.
Denkt u dus dat u Jezus hebt gezien door het oog van het geloof? Dan hebt u de volmaakte schoonheid gezien, het toppunt van zuivere aantrekkelijkheid; u hebt het beeld van de onzichtbare God gezien; u hebt alle volmaaktheden en het schitterende wezen van de Godheid zien stralen vanuit Degene Die aan het kruis werd genageld. Ik weet zeker dat een dergelijke aanblik het meest verstokte hart doet smelten en tranen ontlokt aan de hardste ogen; een dergelijke aanblik, door het geloof, van de schoonheid en heerlijkheid van de eniggeboren Zoon van God, moet wel de warmste, heiligste stroom tedere genegenheid ontsteken. Het heeft misschien niet lang geduurd. Deze gevoelens zijn vaak van zeer voorbijgaande aard. De wereld, zonde, verzoeking en ongeloof doen spoedig hun werk; ontrouw overvalt alles; de tijdelijke en zintuiglijke dingen komen spoedig langszij; maar zolang het duurde, waren dat de gevoelens die in meer of mindere mate werden opgewekt.
Welnu, als u Jezus ooit door het oog van het geloof hebt gezien, en ooit tedere genegenheid voor Hem hebt gevoeld, zult u Hem in hemelse heerlijkheid zien. Maar u zult Hem nooit in hemelse heerlijkheid zien als u Hem niet in de genade hebt gezien; u zult nooit tegenover Hem staan in het open beeld van eeuwige gelukzaligheid, tenzij u Hem op aarde hebt gezien door het geloof van Gods verkiezing in uw hart.
Lezen: Hebreeën 2
Aan de lezer…
Hebt u Hem ooit gezien, niet met het oog van het lichaam, maar met het oog van het geloof? Lieve lezer, misschien herinnert u zich een ogenblik waarin uw hart zacht werd en smolt, waarin uw ziel hemelwaarts getrokken werd en uw geweten de besprenkeling van Zijn bloed ervoer. En misschien zegt u nu: maar het duurde zo kort. De wereld, de zonde en het ongeloof kwamen spoedig weer langszij.
Laat dat u niet doen twijfelen aan wat u gezien hebt. Zulke gevoelens zijn vaak van voorbijgaande aard, maar de aanblik zelf was echt, en die laat een spoor achter in de ziel. Wie Jezus eenmaal in genade gezien heeft, zal Hem eens in hemelse heerlijkheid zien, met heerlijkheid en eer gekroond. Hebt u Hem nog nooit zo gezien, vraag dan dat Hij Zich aan u wil openbaren; Hij is het beeld van de onzichtbare God.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Maar wij zien Jezus, met heerlijkheid en eer gekroond.
Hebreeën 2:9
„Maar wij zien Jezus.” Hebt u Hem ooit met eigen ogen gezien? Vraag het uw geweten: hebt u Jezus ooit met eigen ogen gezien? Ik bedoel niet uw natuurlijke, lichamelijke ogen, maar het oog van het geloof, het oog van de ziel. Ik zal u vertellen wat u hebt gevoeld als u Jezus ooit gezien hebt. Uw hart werd zacht en smolt; uw gevoelens werden hemelwaarts getrokken; uw ziel werd vervuld van dankbaarheid en lof; uw geweten werd besprenkeld met verzoenend bloed; uw geest werd verheven boven alle aardse dingen, om te rusten aan de borst van de gezegende Immanuël.
Denkt u dus dat u Jezus hebt gezien met het oog van het geloof? Dan hebt u de volmaakte schoonheid gezien, het toppunt van reine lieflijkheid. U hebt het beeld van de onzienlijke God gezien; u hebt alle volmaaktheden en het stralende wezen van de Godheid zien schijnen in Hem Die aan het kruis werd genageld. Ik weet zeker dat zo’n aanblik het meest verstokte hart doet smelten en tranen brengt in de hardste ogen. Zo’n aanblik door het geloof van de schoonheid en heerlijkheid van de eniggeboren Zoon van God moet wel de warmste, heiligste stroom van tedere genegenheid doen ontvlammen.
Misschien heeft het niet lang geduurd. Deze gevoelens zijn vaak heel vluchtig. De wereld, de zonde, de verzoeking en het ongeloof doen spoedig hun werk; ontrouw overvalt alles; de tijdelijke en zichtbare dingen komen spoedig weer langszij. Maar zolang het duurde, waren dat de gevoelens die in meer of mindere mate werden opgewekt.
Welnu, als u Jezus ooit met het oog van het geloof hebt gezien en ooit tedere genegenheid voor Hem hebt gevoeld, zult u Hem in hemelse heerlijkheid zien. Maar u zult Hem nooit in hemelse heerlijkheid zien als u Hem niet in de genade hebt gezien. U zult nooit voor Hem staan in de onverhulde aanschouwing van eeuwige gelukzaligheid, tenzij u Hem op aarde hebt gezien door het geloof van Gods uitverkorenen in uw hart.
Lezen: Hebreeën 2
Aan de lezer…
Hebt u Hem ooit gezien, niet met het oog van het lichaam, maar met het oog van het geloof? Misschien, lezer, herinnert u zich een ogenblik waarin uw hart zacht werd en smolt, waarin uw ziel hemelwaarts getrokken werd en uw geweten de besprenkeling van Zijn bloed ervoer. En misschien zegt u nu: maar het duurde zo kort. De wereld, de zonde en het ongeloof kwamen spoedig weer langszij.
Laat dat u niet doen twijfelen aan wat u gezien hebt. Zulke gevoelens zijn vaak vluchtig, maar de aanblik zelf was echt, en die laat een spoor achter in de ziel. Wie Jezus eenmaal in genade gezien heeft, zal Hem eens in hemelse heerlijkheid zien, met heerlijkheid en eer gekroond. Hebt u Hem nog nooit zo gezien, vraag dan of Hij Zich aan u wil openbaren; Hij is het beeld van de onzienlijke God.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
But we see Jesus, … crowned with glory and honour.
Hebrews 2:9
“But we see Jesus.” Have you ever seen Him with your own eyes? Ask your conscience: have you ever seen Jesus with your own eyes? I do not mean your natural, bodily eyes, but the eye of faith, the eye of the soul. I will tell you what you felt if you have ever seen Jesus. Your heart was softened and melted; your affections were drawn heavenward; your soul was filled with gratitude and praise; your conscience was sprinkled with atoning blood; your spirit was lifted above all earthly things, to rest on the bosom of the blessed Immanuel.
Do you think, then, that you have seen Jesus with the eye of faith? Then you have seen perfect beauty, the very summit of pure loveliness. You have seen the image of the invisible God; you have seen all the perfections and the radiant being of the Godhead shining forth in Him Who was nailed to the cross. I am sure that such a sight melts the most obdurate heart and brings tears into the hardest eyes. Such a sight by faith of the beauty and glory of the only-begotten Son of God must kindle the warmest, holiest flow of tender affection.
Perhaps it did not last long. These feelings are often very fleeting. The world, sin, temptation and unbelief soon do their work; unfaithfulness overtakes everything; the things which are temporal and seen soon come alongside again. But while it lasted, these were the feelings that were stirred up in a greater or lesser degree.
Now, if you have ever seen Jesus with the eye of faith and ever felt tender affection for Him, you will see Him in heavenly glory. But you will never see Him in heavenly glory if you have not seen Him in grace. You will never stand before Him in the unveiled vision of eternal blessedness, unless you have seen Him on earth by the faith of God’s elect in your heart.
Reading: Hebrews 2
To the reader…
Have you ever seen Him, not with the eye of the body, but with the eye of faith? Perhaps, dear reader, you remember a moment when your heart was softened and melted, when your soul was drawn heavenward and your conscience felt the sprinkling of His blood. And perhaps you now say: but it lasted so short a time. The world, sin and unbelief soon came alongside again.
Do not let that make you doubt what you have seen. Such feelings are often fleeting, but the sight itself was real, and it leaves a mark in the soul. Whoever has once seen Jesus in grace will one day see Him in heavenly glory, crowned with glory and honour. If you have never yet seen Him so, then ask Him to reveal Himself to you; He is the image of the invisible God.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Empero vemos … a aquel Jesús … coronado de gloria y de honra.
Hebreos 2:9
“Empero vemos a aquel Jesús”. ¿Le ha visto usted alguna vez con sus propios ojos? Pregunte a su conciencia: ¿ha visto alguna vez a Jesús con sus propios ojos? No me refiero a sus ojos naturales y corporales, sino al ojo de la fe, al ojo del alma. Le diré lo que sintió si alguna vez ha visto a Jesús. Su corazón se ablandó y se derritió; sus afectos fueron atraídos hacia el cielo; su alma se llenó de gratitud y alabanza; su conciencia fue rociada con sangre expiatoria; su espíritu fue elevado por encima de todas las cosas terrenales, para reposar en el seno del bendito Emanuel.
¿Cree, pues, que ha visto a Jesús con el ojo de la fe? Entonces ha visto la hermosura perfecta, la cumbre misma de la pura belleza. Ha visto la imagen del Dios invisible; ha visto todas las perfecciones y el ser radiante de la Divinidad resplandeciendo en Aquel que fue clavado en la cruz. Estoy seguro de que tal visión derrite el corazón más obstinado y hace brotar lágrimas de los ojos más duros. Tal visión por la fe de la hermosura y la gloria del Hijo unigénito de Dios ha de encender el más cálido y santo torrente de tierno afecto.
Quizá no duró mucho. Estos sentimientos son a menudo muy pasajeros. El mundo, el pecado, la tentación y la incredulidad pronto hacen su obra; la infidelidad lo alcanza todo; las cosas que son temporales y se ven pronto vuelven a ponerse al lado. Pero mientras duró, estos fueron los sentimientos que se avivaron en mayor o menor grado.
Ahora bien, si alguna vez ha visto a Jesús con el ojo de la fe y alguna vez ha sentido tierno afecto por Él, Le verá en la gloria celestial. Pero nunca Le verá en la gloria celestial si no Le ha visto en la gracia. Nunca estará delante de Él en la visión sin velo de la bienaventuranza eterna, a menos que Le haya visto en la tierra por la fe de los escogidos de Dios en su corazón.
Lectura: Hebreos 2
Al lector…
¿Le ha visto alguna vez, no con el ojo del cuerpo, sino con el ojo de la fe? Quizá, querido lector, recuerda un momento en que su corazón se ablandó y se derritió, en que su alma fue atraída hacia el cielo y su conciencia sintió la aspersión de Su sangre. Y quizá dice ahora: pero duró tan poco. El mundo, el pecado y la incredulidad pronto volvieron a ponerse al lado.
No deje que eso le haga dudar de lo que ha visto. Tales sentimientos son a menudo pasajeros, pero la visión misma fue real, y deja una huella en el alma. Quien una vez ha visto a Jesús en la gracia, un día Le verá en la gloria celestial, coronado de gloria y de honra. Si nunca Le ha visto así todavía, pídale que se le revele; Él es la imagen del Dios invisible.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
In Welke gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met de Heilige Geest der belofte.
Efeze 1:13
Verzegeling volgt op het geloof. „In Welke gij ook, nadat gij geloofd hebt.” In wettelijke stukken gaat het schrijven daarvan altijd vóór de verzegeling. Dit is de laatste handeling, en volgt op de ondertekening van het stempel der getuigen, van het gehele document, van het eerste woord tot de laatste ondertekening. Alzo in de genade. De Geest begint het werk. Hij schrijft de eerste regels van de Goddelijke waarheid in de ziel; Hij maakt de eerste indruk in het stenen hart, dat onder Zijn bearbeiding een vlezen hart wordt. Hij schrijft iedere waarheid die Hij aldus bekendmaakt, op de vlezen tafelen des harten.
Op die wijze werkt Hij geloof en hoop; dan komt Hij met Zijn bijzonder, inwendig getuigenis en verzegelt de waarheid en de wezenlijkheid van Zijn eigen werk; niet alleen dat Hij dit duidelijk en klaar voorstelt, maar Hij bekrachtigt en bevestigt dit, zodat twijfel en vrees wegvallen, of bij onszelf, of bij anderen. Het werk van God in de ziel schijnt somtijds alsof het dood of slapende is; er gaat zo geen gebed op en geen antwoord wordt vernomen. Twijfelingen en vrezen komen op of het werk wel oprecht is, en dienstbaarheid en duisternis komen tastbaar over de ziel als een donkere, zwarte wolk, die het handschrift der Goddelijke vinger zeer onleesbaar maakt.
Welnu, de gezegende Geest verlevendigt Zijn werk door enige toepassing van het Woord met kracht, enige vernedering en smelting van het harde hart door Zijn Goddelijke invloed, door enige mededeling van de Geest des gebeds, enige ontdekking van de ontfermende Heere, enige versterking des geloofs, verlevendiging van de hoop en uithaling der liefde. Hij zet het zegel op Zijn eigen werk en bestempelt het als oprecht. Onder de aangenaamheid en zoete indrukken van dit verzegelend werk mag menig kind van God terugblikken op dit of dat getuigenis, dit en dat Eben-Haëzer, deze of die heuvel Mizar, deze of die uitredding, zegen, openbaring, antwoord op het gebed, bijzondere tijden onder de bediening des Woords of op zijn knieën, tijden die verdonkerd, bijna verloren en begraven waren door ongeloof en verwarring.
Doch meer bijzonder wanneer Hij met hun geest getuigt dat zij kinderen Gods zijn, en de liefde Gods in hun hart uitstort, Die in hen wordt „de Geest der aanneming, waardoor zij roepen: Abba, Vader”. Dan is Zijn verzegeling duidelijk en voltooid.
Aan de lezer…
Wanneer het werk van God in uw ziel soms dood of slapende schijnt, gaat er geen gebed op en wordt er geen antwoord vernomen, en ligt er een zwarte wolk over het handschrift van de Goddelijke vinger, zodat u het nauwelijks meer lezen kunt. Ik ken die tijden en verzwijg ze niet. Maar ik leer u ook dat de Geest Die het werk begon, het niet laat liggen. Hij schreef de eerste regels in uw hart; Hij zet er ook Zijn zegel op.
Soms doet Hij dat door een woord met kracht, door een smelten van het harde hart, door een nieuwe geest des gebeds. Dan komen ook de oude Eben-Haëzers weer boven, die door ongeloof bijna begraven waren. Wacht dan op Hem, Die verzegelt, nadat u geloofd hebt. Het zal een zalig uur zijn wanneer Hij met uw geest getuigt dat u een kind van God bent, en u mag roepen: Abba, Vader.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
In Welke gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met de Heilige Geest der belofte.
Efeze 1:13
Verzegeling volgt op het geloof. „In Welke gij ook, nadat gij geloofd hebt.” Bij wettelijke stukken gaat het schrijven altijd vóór de verzegeling. Die is de laatste handeling en volgt op de ondertekening en het stempel van de getuigen, op het gehele document, van het eerste woord tot de laatste handtekening. Zo is het ook in de genade. De Geest begint het werk. Hij schrijft de eerste regels van de Goddelijke waarheid in de ziel; Hij maakt de eerste indruk in het stenen hart, dat onder Zijn bewerking een vlezen hart wordt. Iedere waarheid die Hij zo bekendmaakt, schrijft Hij op de vlezen tafelen van het hart.
Op die manier werkt Hij geloof en hoop. Dan komt Hij met Zijn bijzonder, inwendig getuigenis en verzegelt Hij de waarheid en de echtheid van Zijn eigen werk. Hij stelt het niet alleen duidelijk en helder voor, maar Hij bekrachtigt en bevestigt het, zodat twijfel en vrees wegvallen, bij onszelf of bij anderen. Het werk van God in de ziel lijkt soms dood of slapend; er gaat dan geen gebed op en er wordt geen antwoord gehoord. Er komen twijfels en vrezen op of het werk wel oprecht is, en dienstbaarheid en duisternis komen voelbaar over de ziel als een donkere, zwarte wolk, die het handschrift van de Goddelijke vinger bijna onleesbaar maakt.
Maar dan verlevendigt de gezegende Geest Zijn werk. Hij doet dat door een toepassing van het Woord met kracht, door een vernedering en smelting van het harde hart door Zijn Goddelijke invloed, door een mededeling van de Geest van het gebed, een ontdekking van de ontfermende Heere, een versterking van het geloof, een verlevendiging van de hoop en het uitgaan van de liefde. Hij zet het zegel op Zijn eigen werk en stempelt het als oprecht. Onder de aangenaamheid en de zoete indrukken van dit verzegelend werk mag menig kind van God terugblikken op dit of dat getuigenis, dit of dat Eben-Haëzer, deze of die heuvel Mizar, deze of die uitredding, zegen, openbaring of gebedsverhoring, bijzondere tijden onder de bediening van het Woord of op de knieën. Het waren tijden die verduisterd, bijna verloren en begraven waren door ongeloof en verwarring.
Maar dit geldt vooral wanneer Hij met hun geest getuigt dat zij kinderen van God zijn, en de liefde van God in hun hart uitstort, Hij Die in hen wordt „de Geest der aanneming, waardoor zij roepen: Abba, Vader”. Dan is Zijn verzegeling duidelijk en voltooid.
Aan de lezer…
Wanneer het werk van God in uw ziel soms dood of slapend lijkt, gaat er geen gebed op en wordt er geen antwoord gehoord. Dan ligt er een zwarte wolk over het handschrift van de Goddelijke vinger, zodat u het nauwelijks meer kunt lezen. Ik ken die tijden en verzwijg ze niet. Maar ik leer u ook dat de Geest Die het werk begon, het niet laat liggen. Hij schreef de eerste regels in uw hart, en Hij zet er ook Zijn zegel op.
Soms doet Hij dat door een woord met kracht, door het smelten van het harde hart, of door een nieuwe geest van gebed. Dan komen ook de oude Eben-Haëzers weer boven, die door ongeloof bijna begraven waren. Wacht dan op Hem, Die verzegelt nadat u geloofd hebt. Het zal een zalig uur zijn wanneer Hij met uw geest getuigt dat u een kind van God bent, en u mag roepen: Abba, Vader.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
In whom also after that ye believed, ye were sealed with that Holy Spirit of promise.
Ephesians 1:13
Sealing is subsequent to believing—“In whom after you believed, you were sealed.” In legal documents the writing always precedes the sealing. That is the last act, and follows even the signing, putting an attesting stamp on the whole document, from the first word to the last signature. So in grace. The Spirit begins the work. He writes the first lines of divine truth on the soul; He makes the first impression on the heart of stone, which under His operation becomes a heart of flesh; He writes every truth that He thus makes known on the fleshy tables of the heart. He thus gives faith and hope, and then He comes with His special inward witness, and seals the truth and reality of His own work, so as not only to make it plain and clear, but to ratify and confirm it beyond all doubt and fear, questioning or dispute, either by our self or others.
The work of God on the soul sometimes seems to lie as if dead and dormant; little prayer goes up, little answer comes down. Then doubts and fears arise whether the work be genuine, and much bondage and darkness sensibly gather over the mind like a dark and gloomy cloud, which much obscures the handwriting of the divine finger. Now the blessed Spirit revives His work by some application of the Word with power, some softening and melting of the hard heart by His divine influence, some communication of a spirit of prayer, some discovery of the gracious Lord, some strengthening of faith, reviving of hope, and drawing forth of love. He thus puts the seal on His own work, and stamps it as genuine.
Under the sweetness and blessedness of this attesting seal many a poor child of God can look back to this and that testimony, this and that Ebenezer, this and that hill Mizar, this and that deliverance, blessing, manifestation, answer to prayer, special season under the Word or on his knees, which were almost lost and buried in unbelief and confusion. But especially when He bears witness with their spirit that they are the children of God, and shedding abroad the love of God in their heart becomes in them the Spirit of adoption, whereby they cry, “Abba, Father,” is His sealing manifest and complete.
To the reader…
When the work of God in your soul sometimes seems dead or asleep, no prayer goes up and no answer is heard. Then a dark cloud lies over the handwriting of the divine finger, so that you can hardly read it any more. I know those times and do not keep silent about them. But I also tell you that the Spirit Who began the work does not leave it lying. He wrote the first lines in your heart, and He also sets His seal upon it.
Sometimes He does this by a word with power, by melting the hard heart, or by a fresh spirit of prayer. Then the old Ebenezers come to light again, which had almost been buried by unbelief. Wait, then, for Him Who seals after you have believed. It will be a blessed hour when He bears witness with your spirit that you are a child of God, and you may cry: Abba, Father.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
En el cual también desde que creísteis, fuisteis sellados con el Espíritu Santo de la promesa.
Efesios 1:13
El sellar es posterior al creer: “En el cual también desde que creísteis, fuisteis sellados.” En los documentos legales la escritura precede siempre al sellado. Este es el último acto, y sigue incluso a la firma, poniendo un sello que da fe de todo el documento, desde la primera palabra hasta la última firma. Así es en la gracia. El Espíritu comienza la obra. Él escribe las primeras líneas de la verdad divina en el alma; hace la primera impresión en el corazón de piedra, que bajo Su operación se convierte en corazón de carne; escribe cada verdad que así da a conocer en las tablas de carne del corazón. Así da fe y esperanza, y luego viene con Su testimonio interior especial y sella la verdad y realidad de Su propia obra, no solo para hacerla clara y manifiesta, sino para ratificarla y confirmarla más allá de toda duda y temor, cuestionamiento o disputa, ya sea por nosotros mismos o por otros.
La obra de Dios en el alma parece a veces yacer como muerta y dormida; poca oración sube, poca respuesta baja. Entonces surgen dudas y temores sobre si la obra es genuina, y mucha servidumbre y oscuridad se juntan sensiblemente sobre la mente como una nube oscura y sombría, que oscurece mucho la escritura del dedo divino. Entonces el bendito Espíritu aviva Su obra por alguna aplicación de la Palabra con poder, algún ablandar y derretir del corazón duro por Su influencia divina, alguna comunicación de un espíritu de oración, algún descubrimiento del Señor lleno de gracia, algún fortalecimiento de la fe, avivamiento de la esperanza y despertar del amor. Así pone el sello sobre Su propia obra y la marca como genuina.
Bajo la dulzura y bienaventuranza de este sello que da fe, más de un pobre hijo de Dios puede mirar atrás a este y aquel testimonio, a este y aquel Ebenezer, a este y aquel monte Mizhar, a esta y aquella liberación, bendición, manifestación, respuesta a la oración, tiempo especial bajo la Palabra o de rodillas, que casi se habían perdido y quedado sepultados en la incredulidad y la confusión. Pero especialmente cuando Él da testimonio a su espíritu de que son hijos de Dios y, derramando el amor de Dios en su corazón, se convierte en ellos en el Espíritu de adopción, por el cual claman: “Abba, Padre”, es Su sellar manifiesto y completo.
Al lector…
Cuando la obra de Dios en su alma parece a veces muerta o dormida, no sube ninguna oración y no se oye ninguna respuesta. Entonces una nube oscura cubre la escritura del dedo divino, de modo que apenas puede leerla ya. Conozco esos tiempos y no los callo. Pero también le digo que el Espíritu que comenzó la obra no la deja abandonada. Él escribió las primeras líneas en su corazón, y también pone Su sello sobre ella.
A veces lo hace por una palabra con poder, derritiendo el corazón duro o por un espíritu de oración renovado. Entonces vuelven a salir a la luz los antiguos Ebenezer, que casi habían quedado sepultados por la incredulidad. Espere, pues, a Aquel que sella después de haber creído. Será una hora bendita cuando Él dé testimonio a su espíritu de que es usted hijo de Dios, y pueda clamar: Abba, Padre.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl