gisteren verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
8 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
13 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
3 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Doch zo wanneer het tot de Heere zal bekeerd zijn, zo wordt het deksel weggenomen.
2 Korinthe 3:16
De gezegende Geest, als een noodzakelijke voorbereiding voor Zijn eigen Goddelijk werk, overtuigt ons van onze onwetendheid, van de sluier van ongeloof, welke van nature over ons hart ligt uitgespreid, en van onze ganse onbekwaamheid om die weg te nemen. Zó groot is de duisternis als een zaak van persoonlijke ondervinding, dat zij, evenals de duisternis in Egypte, kan „getast” worden; zo diep die onwetendheid, dat alles, kennis of geschiktheid tot kennis, geheel en al verloren schijnt; zó groot, zó sterk is dit ongeloof, dat het geheel en al ongeneeslijk schijnt.
En toch breken te midden van die dikke wolk van onkunde, donkerheid en ongeloof nu en dan stralen van licht door, die, al schijnen zij dan alleen die duisternis te doen zien en die nog dieper te maken, toch een licht zijn dat naar de troon van God en het Lam leidt. Daar zit de Heere Jezus, in heerlijkheid gekroond, niet alleen als een bemiddelend Hogepriester om te zaligen, niet alleen als een verheven Koning om te heersen, maar als een genadig Profeet om te leren. Zo ervaart de ziel, wanneer de sluier die het hart bedekt te dik en te sterk is, dat er toch een gaan is tot de Heere met gebeden en smekingen, of Hij hem mocht wegnemen; en als het Hem behaagt, in antwoord op dat gebed, dit te doen, dan ziet men licht in Zijn licht; Zijn waarheid daalt aangenaam en lieflijk in de ziel neder, en het woord Zijner genade bestuurt en vormt het hart, de lippen en het leven.
Dan zal, na zoveel gunstbewijzen,
’t gezegend heidendom
’t geluk van deze Koning prijzen,
die Davids troon beklom.
Geloofd zij God, dat eeuwig Wezen,
bekleed met mogendheên.
De Heer, in Israël geprezen,
doet wond’ren, Hij alleen.
Ps. 72:10
Aan de lezer…
Hoe dikwijls ligt er een dikke sluier over uw hart, zodat u de duisternis haast kunt tasten! Schijnt alle kennis u ontgaan, en lijkt uw ongeloof ongeneeslijk? Weet dan dat het de gezegende Geest Zelf is Die u van die onwetendheid en onbekwaamheid overtuigt. Het is Zijn noodzakelijke voorbereiding, geen teken dat Hij u verlaten heeft. En als er nu en dan een straal van licht doorbreekt die uw duisternis alleen maar dieper schijnt te maken, veracht hem niet; hij leidt naar de troon van God en het Lam.
Daar zit de Heere Jezus, niet alleen als Hogepriester en Koning, maar ook als een genadig Profeet om te leren. Ga dan met uw gebeden en smekingen tot Hem, of Hij het deksel wil wegnemen. Als het Hem behaagt dat te doen, dan ziet u licht in Zijn licht, en Zijn waarheid daalt lieflijk in uw ziel neder, om uw hart, uw lippen en uw leven te vormen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Doch zo wanneer het tot de Heere zal bekeerd zijn, zo wordt het deksel weggenomen.
2 Korinthe 3:16
De gezegende Geest overtuigt ons, als een noodzakelijke voorbereiding op Zijn eigen Goddelijk werk, van onze onwetendheid, van de sluier van ongeloof die van nature over ons hart ligt uitgespreid, en van ons volstrekte onvermogen om die weg te nemen. Zó groot is de duisternis als een zaak van persoonlijke ervaring, dat zij, net als de duisternis in Egypte, „getast” kan worden. Zo diep is die onwetendheid, dat alles, kennis of geschiktheid tot kennis, volkomen verloren lijkt. Zó groot en zó sterk is dit ongeloof, dat het volkomen ongeneeslijk lijkt.
En toch breken te midden van die dikke wolk van onwetendheid, donkerheid en ongeloof nu en dan stralen van licht door. Ook al lijken zij alleen die duisternis zichtbaar te maken en haar nog dieper te maken, toch zijn zij een licht dat naar de troon van God en het Lam leidt. Daar zit de Heere Jezus, gekroond met heerlijkheid, niet alleen als een bemiddelende Hogepriester om zalig te maken, niet alleen als een verheven Koning om te regeren, maar ook als een genadige Profeet om te onderwijzen. Zo ervaart de ziel, wanneer de sluier die het hart bedekt te dik en te sterk is, dat zij toch met gebeden en smekingen naar de Heere kan gaan, of Hij hem wil wegnemen. En wanneer het Hem behaagt dat te doen in antwoord op dat gebed, dan ziet men licht in Zijn licht. Zijn waarheid daalt aangenaam en lieflijk in de ziel neer, en het woord van Zijn genade bestuurt en vormt het hart, de lippen en het leven.
Dan zal, na zoveel gunstbewijzen,
’t gezegend heidendom
’t geluk van deze Koning prijzen,
die Davids troon beklom.
Geloofd zij God, dat eeuwig Wezen,
bekleed met mogendheên.
De Heer, in Israël geprezen,
doet wond’ren, Hij alleen.
Ps. 72:10
Aan de lezer…
Hoe vaak ligt er een dikke sluier over uw hart, zodat u de duisternis bijna kunt tasten! Lijkt alle kennis u ontgaan, en lijkt uw ongeloof ongeneeslijk? Weet dan dat het de gezegende Geest Zelf is Die u van die onwetendheid en dat onvermogen overtuigt. Het is Zijn noodzakelijke voorbereiding, geen teken dat Hij u verlaten heeft. En als er nu en dan een straal van licht doorbreekt die uw duisternis alleen maar dieper lijkt te maken, veracht hem dan niet; hij leidt naar de troon van God en het Lam.
Daar zit de Heere Jezus, niet alleen als Hogepriester en Koning, maar ook als een genadige Profeet om te onderwijzen. Ga dan met uw gebeden en smekingen naar Hem, of Hij het deksel wil wegnemen. Als het Hem behaagt dat te doen, dan ziet u licht in Zijn licht, en daalt Zijn waarheid lieflijk in uw ziel neer, om uw hart, uw lippen en uw leven te vormen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Nevertheless when it shall turn to the Lord, the vail shall be taken away.
2 Corinthians 3:16
The blessed Spirit, as a needful preparation for His own divine instruction, convinces us of our ignorance, of the veil of unbelief that is by nature spread over our heart, and of our utter inability to take it away. So great is this darkness, as a matter of personal inward experience, that like the darkness in Egypt—so dark that it may be “felt;” so deep this ignorance that all knowledge or capability of knowledge seems utterly gone; so strong, so desperate this unbelief that it seems as if thoroughly incurable.
And yet amid all this deep and dense cloud of ignorance, darkness and unbelief, rays and beams of light every now and then break through, which, though they seem at the time only to show the darkness and make it deeper, yet really are a guiding light to the throne of God and the Lamb. There Jesus sits enthroned in glory, not only as an interceding High Priest to save, not only as an exalted King to rule, but as a most gracious Prophet to teach.
Thus, in soul experience, as the veil is felt to be thick and strong over the heart, there is a turning to the Lord with prayer and supplication that He would take it away; and as He, in answer to prayer, is pleased to do this, light is seen in His light, His truth drops with savor and sweetness into the soul, and the word of His grace sways and regulates the heart, lip, and life.
To the reader…
How often a thick veil lies over your heart, so that you can almost feel the darkness! Does all knowledge seem to have left you, and does your unbelief seem incurable? Then know that it is the blessed Spirit Himself Who convinces you of that ignorance and inability. It is His needful preparation, not a sign that He has forsaken you. And if now and then a ray of light breaks through that only seems to make your darkness deeper, do not despise it; it leads to the throne of God and the Lamb.
There the Lord Jesus sits, not only as High Priest and King, but also as a gracious Prophet to teach. Go to Him, then, with your prayers and supplications, that He would take the veil away. When it pleases Him to do so, you see light in His light, and His truth drops sweetly into your soul, to shape your heart, your lips, and your life.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Mas cuando se convirtieren al Señor, el velo se quitará.
2 Corintios 3:16
El bendito Espíritu, como preparación necesaria para Su propia instrucción divina, nos convence de nuestra ignorancia, del velo de incredulidad que por naturaleza está tendido sobre nuestro corazón, y de nuestra total incapacidad para quitarlo. Tan grande es esta oscuridad, como asunto de experiencia personal e interior, que es como las tinieblas de Egipto, tan oscuras que se pueden “palpar”; tan profunda esta ignorancia que todo conocimiento, o toda capacidad de conocer, parece haber desaparecido por completo; tan fuerte, tan desesperada esta incredulidad que parece del todo incurable.
Y sin embargo, en medio de toda esta profunda y densa nube de ignorancia, oscuridad e incredulidad, de vez en cuando atraviesan rayos y destellos de luz que, aunque en el momento parecen solo mostrar la oscuridad y hacerla más profunda, en realidad son una luz que guía al trono de Dios y del Cordero. Allí está Jesús entronizado en gloria, no solo como Sumo Sacerdote que intercede para salvar, no solo como Rey exaltado para gobernar, sino como un Profeta lleno de gracia para enseñar.
Así, en la experiencia del alma, cuando se siente que el velo es grueso y fuerte sobre el corazón, hay una conversión al Señor con oración y súplica para que Él lo quite; y cuando Él, en respuesta a la oración, tiene a bien hacerlo, se ve la luz en Su luz, Su verdad cae con sabor y dulzura en el alma, y la palabra de Su gracia gobierna y ordena el corazón, los labios y la vida.
Al lector…
¡Cuántas veces hay un velo grueso sobre su corazón, de modo que casi puede palpar la oscuridad! ¿Le parece que todo conocimiento le ha abandonado, y que su incredulidad es incurable? Entonces sepa que es el mismo bendito Espíritu quien le convence de esa ignorancia e incapacidad. Es Su preparación necesaria, no una señal de que Él le haya abandonado. Y si de vez en cuando atraviesa un rayo de luz que solo parece hacer más profunda su oscuridad, no lo menosprecie; conduce al trono de Dios y del Cordero.
Allí está sentado el Señor Jesús, no solo como Sumo Sacerdote y Rey, sino también como un Profeta lleno de gracia para enseñar. Vaya, pues, a Él con sus oraciones y súplicas, para que quite el velo. Cuando Le place hacerlo, usted ve la luz en Su luz, y Su verdad cae con dulzura en su alma, para dar forma a su corazón, sus labios y su vida.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Zie mij aan
Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht aan degenen, die Uw Naam beminnen.
Psalm 119:132
Als uw hart hard is, hebt u slechts één blik van de Heere nodig om het zacht te maken. Was dit niet het geval bij Petrus? Lezen we niet dat, toen Petrus zo ernstig had gezondigd, toen hij zijn Heere en Meester had verloochend, Jezus Zich omkeerde en hem aanzag? Wat was het gevolg? Het versteende hart verdween; de hardheid van zijn geest smolt, en we lezen: „En Petrus, naar buiten gaande, weende bitterlijk” (Luk. 22:62).
We voelen vaak enige hardheid en onboetvaardigheid in onszelf, maar de Heere hoeft slechts naar ons te kijken en ze smelten in een oogwenk weg. We voelen ook enige verachtelijkheid, zondigheid en slechtheid in ons, een gevoel als dit: „O, dat de Heere mij slechts zou aanzien (Ps. 119:132), hoewel ik de geringste aandacht nog niet verdien, of de kleinste gunst uit Zijn handen. O, dat Hij een medelijdende en meedogende blik op mij zou werpen, want ik kan niet zonder Hem.” Het houdt ook in dat de ziel een bepaalde onthulling van Gods genade en goedgunstigheid verlangt. David kon zich niet tevreden stellen met te horen over Gods genade of te lezen over Gods genade, noch met te weten dat er een volk was aan welk God genade toonde. Hij wilde dat de Heere hem zou aanzien, hem zou bezoeken, hem zou zegenen en Zich aan hem zou openbaren, in zijn hart zou komen, zijn ziel zou bezoeken, hem met zoete blijken van Zijn stervende liefde zou zegenen.
En is dit wat de ontroostbare zondaar aan de voetbank van de genade zou zeggen? Drukt dit niet hetzelfde gevoel uit dat hij aan de genadetroon heeft? „Zie mij aan; hier lig ik aan Uw voeten, één en al hulpeloosheid, zwakte, ellende, onvermogen. Ik verdien nog niet de geringste glimlach van Uw aangezicht; ik verdien nog niet de geringste fluistering van Uw mond; ik verdien het om te worden vertrapt onder Uw voeten in de eeuwige verdoemenis. Toch, Heere, kan ik niet zonder U. Zie mij aan. Schenk mij één blik van genade; schenk mij één blik van liefde; schenk mij één blik om datgene wat mijn hart wil ervaren in mijn ziel te brengen.”
Door het volk te zien, misschien op afstand, dat de Heere aanzag met zulke bijzondere blikken van medelijden, mededogen en liefde, moest hij wel iets van dezelfde zegening begeren; en zijn hart brandde in hem van verlangen dat de Heere hem dezelfde gunsten zou verlenen. Heeft uw ziel dit ooit zo ervaren?
Lezen: Psalm 56
Aan de lezer…
Misschien voelt u uw hart hard en onboetvaardig, en kunt u het met al uw moeite niet zacht maken. Denk dan aan Petrus. Hij had zijn Heere en Meester verloochend, en wat brak zijn hart? Geen dreiging, maar één blik: de Heere keerde Zich om en zag hem aan. En Petrus ging naar buiten en weende bitterlijk. Zo hoeft de Heere ook maar naar u te kijken, en uw hardheid smelt in een oogwenk weg.
Kunt u zich niet tevreden stellen met horen en lezen over Gods genade, maar wilt u die zelf ervaren? Ligt u aan Zijn voeten, één en al hulpeloosheid, en weet u dat u de geringste glimlach niet verdient? Zeg Hem dan eerlijk dat u niet zonder Hem kunt. Ziet u anderen op wie Hij met bijzondere blikken van liefde neerziet, laat dat uw verlangen aanwakkeren en niet doven. Blijf roepen: „Zie mij aan; schenk mij één blik van genade.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht aan degenen, die Uw Naam beminnen.
Psalm 119:132
Als uw hart hard is, hebt u maar één blik van de Heere nodig om het zacht te maken. Was dat niet zo bij Petrus? Lezen we niet dat Jezus Zich omkeerde en hem aanzag, toen Petrus zo zwaar gezondigd had en zijn Heere en Meester verloochend had? Wat was het gevolg? Het stenen hart verdween, de hardheid van zijn geest smolt, en we lezen: „En Petrus, naar buiten gaande, weende bitterlijk” (Luk. 22:62).
We voelen vaak iets van hardheid en onboetvaardigheid in onszelf, maar de Heere hoeft maar naar ons te kijken en ze smelten in een oogwenk weg. We voelen ook iets van verachtelijkheid, zondigheid en slechtheid in ons, en een gevoel als dit: „O, dat de Heere mij slechts zou aanzien (Ps. 119:132), hoewel ik de geringste aandacht nog niet verdien, of de kleinste gunst uit Zijn handen. O, dat Hij een medelijdende en meedogende blik op mij zou werpen, want ik kan niet zonder Hem.” De bede houdt ook in dat de ziel verlangt naar een bepaalde ontdekking van Gods genade en goedgunstigheid. David kon er niet mee tevreden zijn over Gods genade te horen of te lezen, en ook niet met de wetenschap dat er een volk was aan wie God genade bewees. Hij wilde dat de Heere hem zou aanzien, hem zou bezoeken, hem zou zegenen en Zich aan hem zou openbaren, in zijn hart zou komen, zijn ziel zou bezoeken en hem zou zegenen met zoete bewijzen van Zijn stervende liefde.
En is dit niet wat de ontroostbare zondaar aan de voetbank van de genade zou zeggen? Drukt dit niet precies uit wat hij voelt bij de troon van de genade? „Zie mij aan; hier lig ik aan Uw voeten, één en al hulpeloosheid, zwakte, ellende, onvermogen. Ik verdien nog niet de geringste glimlach van Uw aangezicht; ik verdien nog niet de geringste fluistering van Uw mond; ik verdien het om te worden vertrapt onder Uw voeten in de eeuwige verdoemenis. Toch, Heere, kan ik niet zonder U. Zie mij aan. Schenk mij één blik van genade; schenk mij één blik van liefde; schenk mij één blik om datgene wat mijn hart wil ervaren in mijn ziel te brengen.”
Doordat hij, misschien van een afstand, het volk zag dat de Heere met zulke bijzondere blikken van medelijden, ontferming en liefde aanzag, moest hij wel iets van dezelfde zegen begeren. Zijn hart brandde in hem van verlangen dat de Heere hem dezelfde gunsten zou bewijzen. Heeft uw ziel dit ooit zo ervaren?
Lezen: Psalm 56
Aan de lezer…
Misschien voelt u uw hart hard en onboetvaardig, en kunt u het met al uw moeite niet zacht maken. Denk dan aan Petrus. Hij had zijn Heere en Meester verloochend, en wat brak zijn hart? Geen dreiging, maar één blik: de Heere keerde Zich om en zag hem aan. En Petrus ging naar buiten en weende bitterlijk. Zo hoeft de Heere ook maar naar u te kijken, en uw hardheid smelt in een oogwenk weg.
Kunt u niet tevreden zijn met horen en lezen over Gods genade, maar wilt u die zelf ervaren? Ligt u aan Zijn voeten, één en al hulpeloosheid, en weet u dat u de geringste glimlach niet verdient? Zeg Hem dan eerlijk dat u niet zonder Hem kunt. Ziet u anderen op wie Hij met bijzondere blikken van liefde neerziet, laat dat uw verlangen dan aanwakkeren en niet doven. Blijf roepen: „Zie mij aan; schenk mij één blik van genade.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Look Thou upon me, and be merciful unto me, as Thou usest to do unto those that love Thy Name.
Psalm 119:132
If your heart is hard, you need but one look from the Lord to soften it. Was it not so with Peter? Do we not read that Jesus turned and looked upon him, when Peter had sinned so grievously and denied his Lord and Master? What was the effect? The heart of stone vanished, the hardness of his spirit melted, and we read, “And Peter went out, and wept bitterly” (Luke 22:62).
We often feel something of hardness and impenitence in ourselves, but the Lord has only to look upon us and they melt away in a moment. We also feel something of vileness, sinfulness and wickedness within us, and a feeling like this: “O that the Lord would but look upon me (Ps. 119:132), though I do not deserve the least notice, or the smallest favour at His hands. O that He would cast a pitying and compassionate look upon me, for I cannot do without Him.” The petition also implies that the soul longs for a certain discovery of God’s mercy and favour.
David could not be content to hear or read of God’s mercy, nor with the knowledge that there was a people to whom God showed mercy. He wanted the Lord to look upon him, to visit him, to bless him and to reveal Himself to him, to come into his heart, to visit his soul and to bless him with sweet tokens of His dying love.
And is not this what the disconsolate sinner would say at the footstool of mercy? Does it not express exactly what he feels at the throne of grace? “Look Thou upon me; here I lie at Thy feet, all helplessness, weakness, misery, inability. I do not deserve the least smile of Thy countenance; I do not deserve the least whisper of Thy mouth; I deserve to be trodden under Thy feet in eternal damnation. Yet, Lord, I cannot do without Thee. Look Thou upon me. Grant me one look of mercy; grant me one look of love; grant me one look to bring into my soul what my heart longs to experience.”
Seeing, perhaps from a distance, the people upon whom the Lord looked with such special looks of pity, compassion and love, he could not help desiring something of the same blessing. His heart burned within him with longing that the Lord would show him the same favours. Has your soul ever experienced it so?
Reading: Psalm 56
To the reader…
Perhaps you feel your heart hard and impenitent, and with all your efforts you cannot soften it. Then think of Peter. He had denied his Lord and Master, and what broke his heart? No threat, but one look: the Lord turned and looked upon him. And Peter went out and wept bitterly. So too the Lord has only to look upon you, and your hardness melts away in a moment.
Can you not be content with hearing and reading about God’s mercy, but do you want to experience it yourself? Are you lying at His feet, all helplessness, knowing that you do not deserve the least smile? Then tell Him honestly that you cannot do without Him. If you see others upon whom He looks with special looks of love, let that kindle your longing and not quench it. Keep crying, “Look Thou upon me; grant me one look of mercy.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Mírame, y ten misericordia de mí, como acostumbras con los que aman Tu Nombre.
Salmo 119:132
Si su corazón está duro, no necesita más que una mirada del Señor para ablandarlo. ¿No fue así con Pedro? ¿No leemos que Jesús se volvió y le miró, cuando Pedro había pecado tan gravemente y negado a su Señor y Maestro? ¿Cuál fue el efecto? El corazón de piedra desapareció, la dureza de su espíritu se derritió, y leemos: “Y saliendo fuera Pedro, lloró amargamente” (Lucas 22:62).
A menudo sentimos en nosotros algo de dureza e impenitencia, pero el Señor no tiene más que mirarnos y se derriten en un momento. También sentimos dentro de nosotros algo de vileza, pecaminosidad y maldad, y un sentimiento como este: “¡Oh, si el Señor tan solo me mirara (Salmo 119:132), aunque no merezco la menor atención ni el más pequeño favor de Sus manos! ¡Oh, si echara sobre mí una mirada de lástima y compasión, porque no puedo vivir sin Él!” La petición implica también que el alma anhela un cierto descubrimiento de la misericordia y el favor de Dios.
David no podía contentarse con oír o leer acerca de la misericordia de Dios, ni con saber que había un pueblo al que Dios mostraba misericordia. Quería que el Señor le mirara, que le visitara, que le bendijera y se le revelara, que entrara en su corazón, que visitara su alma y le bendijera con dulces prendas de Su amor que murió por él.
¿Y no es esto lo que el pecador desconsolado diría al estrado de la misericordia? ¿No expresa exactamente lo que siente ante el trono de la gracia? “Mírame; aquí estoy postrado a Tus pies, todo impotencia, debilidad, miseria, incapacidad. No merezco la menor sonrisa de Tu rostro; no merezco el menor susurro de Tu boca; merezco ser hollado bajo Tus pies en condenación eterna. Sin embargo, Señor, no puedo vivir sin Ti. Mírame. Concédeme una mirada de misericordia; concédeme una mirada de amor; concédeme una mirada que traiga a mi alma lo que mi corazón anhela experimentar.”
Al ver, quizá desde lejos, al pueblo al que el Señor miraba con tales miradas especiales de lástima, compasión y amor, no podía dejar de desear algo de la misma bendición. Su corazón ardía dentro de él con el anhelo de que el Señor le mostrara los mismos favores. ¿Lo ha experimentado así alguna vez su alma?
Lectura: Salmo 56
Al lector…
Quizá siente su corazón duro e impenitente, y con todos sus esfuerzos no logra ablandarlo. Piense entonces en Pedro. Había negado a su Señor y Maestro, y ¿qué quebrantó su corazón? Ninguna amenaza, sino una sola mirada: el Señor se volvió y le miró. Y Pedro salió fuera y lloró amargamente. Así también el Señor no tiene más que mirarle a usted, y su dureza se derrite en un momento.
¿No puede contentarse con oír y leer acerca de la misericordia de Dios, sino que quiere experimentarla usted mismo? ¿Está postrado a Sus pies, todo impotencia, sabiendo que no merece la menor sonrisa? Entonces dígale con sinceridad que no puede vivir sin Él. Si ve a otros a quienes Él mira con miradas especiales de amor, deje que eso encienda su anhelo y no que lo apague. Siga clamando: “Mírame; concédeme una mirada de misericordia.”
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Ziet, ulieder God zal ter wrake komen, met de vergelding Gods! Hij zal komen en ulieden verlossen.
Jesaja 35:4
„Ziet, uw God zal komen.” De Heere is dan nog niet gekomen, maar Hij zegt dat Hij komen zal, en de belofte van te zullen komen neemt de vrees weg. Hij zegt: „Ziet.” Zelfs dit kleine woord bevat iets waar wij op letten moeten. De Heere is op een afstand; Hij maakt Zijn wagen gereed, want Hij maakt de wolken tot Zijn wagen, en Hij rijdt op de vleugelen des winds. Gelijk de Heere tot Zijn discipelen zei: „Heft uw hoofden op, want uw verlossing is nabij”, zo is het met het woord „Ziet”.
De Heere wil de ogen van Zijn volk opheffen, die altijd naar beneden geslagen zijn, of maar altijd naar binnen zien op hun ellendig hart en op de moeilijkheden en gevaren van de weg. Heft op, wil Hij zeggen, heft op! Uw God komt om u te verlossen. Ik wens als het ware op elk woordje van de tekst acht te geven. De tittels en jota’s van Gods Woord zijn als diamantstof; het moet vergaderd en opgelegd worden. In de Schrift is dikwijls veel in het weinige; niet als in de predicatiën, daar is dikwijls weinig in het vele. Het Woord van God is overvloedig vol van de geest en het wezen der waarheid, meer bevattend en welriekender dan rozenolie.
Let op het volgend woord. Is het niet de kern der zaligheid? „Uw God.” Wat, is Hij uw God? Dat is de uitstraling der eeuwige liefde. In dit ene woord ligt het wezen van elke zegen van het Nieuwe Verbond. En indien God uw God is, dan kunnen uw twijfelingen, vrezen en misvattingen de banden van dit gezegend Verbond niet verbreken.
Gij zijt een huisvader, en uw echtgenote is door een ongesteldheid in haar hoofd aangetast, en de aard der krankheid is zodanig dat zij u nauwelijks herkent, aan uw genegenheid twijfelt en zelfs geheel niet gelooft dat gij haar man zijt. Zulke gevallen, weten wij, zijn bekend. Maar haar twijfelen of ontkennen van haar liefde maakt toch de huwelijksband niet los? De toestand van haar geest, hoe smartelijk ook, verandert niets aan de huwelijksbetrekking. Evenzo is het met de bruid des Heeren. Door de bestrijdingen van de satan betwijfelt zij haar vereniging met Hem, doch haar vrezen verbreken de trouwring toch niet, of maken de huwelijksacte niet ongedaan? Indien de verbondsliefde hen in eeuwigheid verbindt en de verbondsgenade hen hun handen doet ineenslaan, dan blijven het toch Zijn Hephziba’s en beminden; want het is de Heere, Die het verlaten haat.
Aan de lezer…
Er zijn dagen dat uw ogen alleen maar naar beneden geslagen zijn, op uw ellendig hart en op de gevaren van de weg. Dan spreekt de Heere tot u dat kleine woord: „Ziet.” Heft op, heft op! Hij is misschien nog niet gekomen zoals u Hem verlangt te ontmoeten, maar Hij zegt dat Hij komen zal, en die belofte is reeds genoeg om de vrees weg te nemen. Uw God komt om u te verlossen.
En let op dat woord „uw God”. Misschien twijfelt u, door de bestrijdingen van satan, of u ooit met Hem verenigd bent geweest. Gelijk een kranke vrouw haar eigen man niet meer herkent, zo kunt u soms aan Zijn liefde twijfelen. Maar uw vrezen verbreken de trouwring niet en maken de huwelijksacte niet ongedaan. Is Hij uw God, dan kunnen uw twijfelingen de banden van het Verbond niet verbreken. Want het is de Heere, Die het verlaten haat.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ziet, ulieder God zal ter wrake komen, met de vergelding Gods! Hij zal komen en ulieden verlossen.
Jesaja 35:4
„Ziet, uw God zal komen.” De Heere is dus nog niet gekomen, maar Hij zegt dat Hij zal komen, en die belofte dat Hij komen zal, neemt de vrees weg. Hij zegt: „Ziet.” Zelfs dit kleine woord bevat iets waarop wij moeten letten. De Heere is nog op een afstand; Hij maakt Zijn wagen gereed, want Hij maakt de wolken tot Zijn wagen en Hij rijdt op de vleugels van de wind. Zoals de Heere tegen Zijn discipelen zei: „Heft uw hoofden op, want uw verlossing is nabij”, zo is het met het woord „Ziet”.
De Heere wil de ogen van Zijn volk opheffen, die altijd neergeslagen zijn, of steeds maar naar binnen kijken, naar hun ellendig hart en naar de moeilijkheden en gevaren van de weg. Kijk op, wil Hij zeggen, kijk op! Uw God komt om u te verlossen. Ik wil als het ware op elk woordje van de tekst letten. De tittels en jota’s van Gods Woord zijn als diamantstof; het moet verzameld en bewaard worden. In de Schrift zit vaak veel in weinig; niet zoals in preken, waarin vaak weinig zit in veel. Het Woord van God is overvloedig vol van de geest en het wezen van de waarheid, rijker van inhoud en geuriger dan rozenolie.
Let op het volgende woord. Is dat niet de kern van de zaligheid? „Uw God.” Wat, is Hij uw God? Dat is de uitstraling van de eeuwige liefde. In dit ene woord ligt het wezen van elke zegen van het Nieuwe Verbond. En als God uw God is, dan kunnen uw twijfels, vrezen en misvattingen de banden van dit gezegende Verbond niet verbreken.
Stel, u bent huisvader en uw vrouw is getroffen door een aandoening in haar hoofd. De aard van de ziekte is zo, dat zij u nauwelijks herkent, aan uw genegenheid twijfelt en zelfs helemaal niet gelooft dat u haar man bent. Zulke gevallen komen, zoals wij weten, voor. Maar haar twijfel aan of ontkenning van haar liefde maakt de huwelijksband toch niet los? De toestand van haar geest, hoe pijnlijk ook, verandert niets aan de huwelijksverbintenis. Zo is het ook met de bruid van de Heere. Door de aanvallen van satan twijfelt zij aan haar vereniging met Hem, maar haar vrezen verbreken de trouwring toch niet, en maken de huwelijksakte toch niet ongedaan? Als de verbondsliefde hen voor eeuwig verbindt en de verbondsgenade hun handen in elkaar legt, dan blijven zij toch Zijn Hefzibba’s en geliefden; want het is de Heere, Die het verlaten haat.
Aan de lezer…
Er zijn dagen dat uw ogen alleen maar neergeslagen zijn, gericht op uw ellendig hart en op de gevaren van de weg. Dan spreekt de Heere tot u dat kleine woord: „Ziet.” Kijk op, kijk op! Hij is misschien nog niet gekomen zoals u verlangt Hem te ontmoeten, maar Hij zegt dat Hij komen zal, en die belofte is al genoeg om de vrees weg te nemen. Uw God komt om u te verlossen.
En let op dat woord „uw God”. Misschien twijfelt u, door de aanvallen van satan, of u ooit met Hem verenigd bent geweest. Zoals een zieke vrouw haar eigen man niet meer herkent, zo kunt u soms aan Zijn liefde twijfelen. Maar uw vrezen verbreken de trouwring niet en maken de huwelijksakte niet ongedaan. Is Hij uw God, dan kunnen uw twijfels de banden van het Verbond niet verbreken. Want het is de Heere, Die het verlaten haat.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Say to them that are of a fearful heart, Be strong, fear not: behold, your God will come with vengeance, even God with a recompence; He will come and save you.
Isaiah 35:4
“Behold, your God will come.” The Lord then has not yet come; but He says He will come, and the promise of His coming takes away the fear. He says, “Behold.” Even that little word contains something in it noteworthy. The Lord is in the distance; His chariot is making ready; for “He makes the clouds His chariot, and walks upon the wings of the wind.” As the Lord said to His disciples, “Lift up your heads, for your redemption draws near,” so by the word, “Behold,” the Lord would take the eyes of His people from being ever bent on the ground or ever looking at their own miserable hearts and the difficulties and dangers of the way. “Look up,” He would say, “look up; your God is coming to save you.”
I like to dwell on every crumb as it were of our text. The jots and tittles of God’s Word, like diamond dust, are to be gathered up and treasured. In Scripture there is much in a little; not like our sermons, where there is often little in much. The Word of God is full to overflowing with the very essence of concentrated truth. Look at the next crumb. Is it not the very quintessence of blessedness? “Your God.” What, is He your God? That is the very dropping of everlasting love. In that one word is concentrated the essence of every blessing of the new covenant. And if God is your God, your doubts, fears, and misgivings do not break that sacred covenant tie.
You are a husband, and your partner is afflicted with some mental disease; and the nature of the complaint may be such that she hardly recognizes your face, altogether doubts your affection, and does not believe you are her husband at all. Such cases we know are frequent. But do her doubts or denial dissolve your love, do they cancel the marriage tie? The state of her mind, however painful, does not alter the marriage relationship.
So if the Lord’s espoused ones, through Satan’s temptations, doubt their union with Him, do their fears break the wedding ring or cancel the marriage writings? If covenant love matched them in eternity, and covenant grace joined their hands in time, they are still His Hephzibahs and Beulahs, for “the Lord hates putting away.”
To the reader…
There are days when your eyes are only cast down, fixed on your miserable heart and on the dangers of the way. Then the Lord speaks to you that little word: “Behold.” Look up, look up! Perhaps He has not yet come as you long to meet Him, but He says that He will come, and that promise alone is enough to take away the fear. Your God is coming to save you.
And mark that word “your God.” Perhaps, through Satan’s attacks, you doubt whether you have ever been united to Him. As a sick wife may no longer recognize her own husband, so you may sometimes doubt His love. But your fears do not break the wedding ring or cancel the marriage writings. If He is your God, your doubts cannot break the bonds of the covenant. For it is the Lord Who hates putting away.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Decid a los de corazón apocado: Confortaos, no temáis: he aquí que vuestro Dios viene con venganza, con pago; Dios mismo vendrá, y os salvará.
Isaías 35:4
“He aquí que vuestro Dios viene.” El Señor, pues, aún no ha venido; pero dice que vendrá, y la promesa de Su venida quita el temor. Dice: “He aquí”. Aun esa pequeña palabra contiene algo digno de notarse. El Señor está a lo lejos; Su carro se está preparando; porque “Él pone las nubes por Su carroza, y anda sobre las alas del viento”. Así como el Señor dijo a Sus discípulos: “Levantad vuestras cabezas, porque vuestra redención está cerca”, así con la palabra “He aquí” el Señor quiere apartar los ojos de Su pueblo de estar siempre inclinados hacia el suelo, o siempre mirando sus propios corazones miserables y las dificultades y peligros del camino. “Mirad arriba”, quiere decir, “mirad arriba; vuestro Dios viene a salvaros.”
Me gusta detenerme en cada migaja, por así decirlo, de nuestro texto. Las jotas y tildes de la Palabra de Dios, como polvo de diamante, han de recogerse y atesorarse. En la Escritura hay mucho en poco; no como en nuestros sermones, donde a menudo hay poco en mucho. La Palabra de Dios está llena hasta rebosar de la esencia misma de la verdad concentrada. Mire la siguiente migaja. ¿No es la quintaesencia misma de la bienaventuranza? “Vuestro Dios.” ¿Cómo? ¿Es Él su Dios? Eso es el destilar mismo del amor eterno. En esa sola palabra está concentrada la esencia de toda bendición del nuevo pacto. Y si Dios es su Dios, sus dudas, temores y recelos no rompen ese sagrado lazo del pacto.
Usted es esposo, y su compañera está afligida por alguna enfermedad de la mente; y la naturaleza del mal puede ser tal que apenas reconozca su rostro, dude por completo de su afecto y no crea en absoluto que usted es su marido. Sabemos que tales casos son frecuentes. Pero ¿disuelven sus dudas o su negación el amor de usted? ¿Anulan el lazo matrimonial? El estado de su mente, por doloroso que sea, no altera la relación matrimonial.
Así, si las desposadas del Señor, por las tentaciones de Satanás, dudan de su unión con Él, ¿rompen sus temores el anillo de bodas o anulan el contrato matrimonial? Si el amor del pacto las unió en la eternidad y la gracia del pacto juntó sus manos en el tiempo, siguen siendo Sus Hefzi-bá y Beula, porque “Jehová aborrece que sea repudiado”.
Al lector…
Hay días en que sus ojos solo miran hacia abajo, fijos en su miserable corazón y en los peligros del camino. Entonces el Señor le dice esa pequeña palabra: “He aquí”. ¡Mire arriba, mire arriba! Quizá Él no ha venido todavía como usted anhela encontrarle, pero dice que vendrá, y esa sola promesa basta para quitar el temor. Su Dios viene a salvarle.
Y fíjese en esa palabra: “vuestro Dios”. Quizá, por los ataques de Satanás, duda usted de si alguna vez ha estado unido a Él. Así como una esposa enferma puede no reconocer ya a su propio marido, así puede usted a veces dudar de Su amor. Pero sus temores no rompen el anillo de bodas ni anulan el contrato matrimonial. Si Él es su Dios, sus dudas no pueden romper los lazos del pacto. Porque es el Señor quien aborrece el repudio.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl