6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
13 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Opdat ik aanschouwe het goede uwer uitverkorenen.
Psalm 106:5
Hebt gij ooit iets goeds in Gods uitverkorenen aanschouwd? O! „hoe goed zijn uwe tenten, o Jacob! en uwe woningen, o Israël!” Hebt gij ooit aanschouwd met welk goed God Zijn volk gezegend heeft, en hoe goed het is tot dat volk te behoren? Al Gods volk ziet dat er een goed is voor Gods uitverkorenen, uitsluitend voor hen, en waarnaar zij zuchten en verlangen. Maar sommigen zullen zeggen: „Had David dat goede nooit aanschouwd?” Ja, voorzeker; hij had het aanschouwd. „Maar wenste hij niet het weder te aanschouwen?” Ja, hij had het uit het gezicht verloren; het lieflijke visioen was verdwenen; de oude sluier was teruggekeerd; zijn ogen waren dof; hij behoefde verse „ogenzalf”.
Zo is het ook met ons; wij hebben, naar wij vertrouwen, somtijds „het goede aanschouwd van Gods uitverkorenen”, wij hebben ons tot hen aangetrokken gevoeld en opgetrokken tot God, en hebben gezegd: „Wien heb ik nevens U in de hemel? Nevens U lust mij niets op aarde.” Dat was de aangename voorsmaak des hemels genieten. Maar al die zoete voorsmaken werden verduisterd; nevelen en wolken omringden ze en verborgen ze voor onze ogen. Nieuwe zonde bracht nieuwe schuld, en duisternis en dodigheid en twijfel en verzoeking en vrees en kwellingen van verschillende aard naderden, en dat alles benevelde ons oog.
Maar het verleden kunnen wij niet vergeten; wij kunnen ze niet vergeten, die plechtige ogenblikken toen wij met God wandelden en met God spraken, en die zoete gevoelens die Zijn tegenwoordigheid in ons ontbranden deed. Hoe donker, hoe doods, hoe troosteloos, hoe beproefd, gekweld en verzocht ook, dat kunnen wij niet vergeten. En „het goede van Gods uitverkorenen aanschouwd hebbende”, willen wij dat goede wederom zien en die hemelse spijze wederom smaken. „Dat ik aanschouwe het goede uwer uitverkorenen.”
Ik denk in ’t midden der gevaren
nog aan Uw gunst van vroeger jaren.
Ik tracht Uw werken na te gaan:
o God, wie kan U evenaren?
Hoe heerlijk zijn Uw wonderdaân!
Ps. 143:5
Aan de lezer…
Hoe vaak hebt u iets gezien van het goede dat God voor Zijn volk weggelegd heeft? Was er een tijd dat u met God wandelde en kon zeggen: „Wien heb ik nevens U in de hemel?” En is dat nu verduisterd door nieuwe zonde, nieuwe schuld, dodigheid en twijfel? Bedenk dat ook David het goede uit het oog verloor. De sluier keerde terug en zijn ogen werden dof.
Maar vergeten kunt u die ogenblikken niet, en dat is geen geringe zaak. Hoe donker en troosteloos het nu ook is, het verlangen blijft om dat goede wederom te zien en die hemelse spijze wederom te smaken. Breng dat verlangen dan tot de Heere met de bede van de psalmist: „Opdat ik aanschouwe het goede Uwer uitverkorenen.” Wat Hij eens liet zien, kan Hij opnieuw doen schijnen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Opdat ik aanschouwe het goede uwer uitverkorenen.
Psalm 106:5
Hebt u ooit iets goeds in Gods uitverkorenen aanschouwd? O, „hoe goed zijn uwe tenten, o Jacob! en uwe woningen, o Israël!” Hebt u ooit aanschouwd met welk goed God Zijn volk gezegend heeft, en hoe goed het is om tot dat volk te behoren? Heel Gods volk ziet dat er een goed is voor Gods uitverkorenen, alleen voor hen, en dat zij daarnaar zuchten en verlangen. Maar sommigen zullen zeggen: „Had David dat goede nooit aanschouwd?” Ja, zeker; hij had het aanschouwd. „Maar wenste hij niet het weder te aanschouwen?” Ja, hij had het uit het oog verloren; het lieflijke gezicht was verdwenen, de oude sluier was teruggekeerd, zijn ogen waren dof; hij had nieuwe „ogenzalf” nodig.
Zo is het ook met ons. Wij hebben, naar wij vertrouwen, soms „het goede aanschouwd van Gods uitverkorenen”. Wij hebben ons tot hen aangetrokken gevoeld en zijn opgetrokken tot God, en wij hebben gezegd: „Wien heb ik nevens U in de hemel? Nevens U lust mij niets op aarde.” Dat was het genieten van de aangename voorsmaak van de hemel. Maar al die zoete voorsmaken werden verduisterd; nevels en wolken omringden ze en verborgen ze voor onze ogen. Nieuwe zonde bracht nieuwe schuld, en duisternis, dodigheid, twijfel, verzoeking, vrees en allerlei kwellingen kwamen naderbij, en dat alles benevelde ons oog.
Maar het verleden kunnen wij niet vergeten. Wij kunnen ze niet vergeten, die plechtige ogenblikken waarin wij met God wandelden en met God spraken, en die zoete gevoelens die Zijn tegenwoordigheid in ons deed ontbranden. Hoe donker, hoe doods, hoe troosteloos, hoe beproefd, gekweld en verzocht wij ook zijn, dat kunnen wij niet vergeten. En „het goede van Gods uitverkorenen aanschouwd hebbende”, willen wij dat goede opnieuw zien en die hemelse spijs opnieuw smaken. „Dat ik aanschouwe het goede uwer uitverkorenen.”
Ik denk in ’t midden der gevaren
nog aan Uw gunst van vroeger jaren.
Ik tracht Uw werken na te gaan:
o God, wie kan U evenaren?
Hoe heerlijk zijn Uw wonderdaân!
Ps. 143:5
Aan de lezer…
Hoe vaak hebt u iets gezien van het goede dat God voor Zijn volk weggelegd heeft? Was er een tijd dat u met God wandelde en kon zeggen: „Wien heb ik nevens U in de hemel?” En is dat nu verduisterd door nieuwe zonde, nieuwe schuld, dodigheid en twijfel? Bedenk dat ook David het goede uit het oog verloor. De sluier keerde terug en zijn ogen werden dof.
Maar vergeten kunt u die ogenblikken niet, en dat is geen geringe zaak. Hoe donker en troosteloos het nu ook is, het verlangen blijft om dat goede opnieuw te zien en die hemelse spijs opnieuw te smaken. Breng dat verlangen dan bij de Heere met de bede van de psalmist: „Opdat ik aanschouwe het goede Uwer uitverkorenen.” Wat Hij eens liet zien, kan Hij opnieuw doen schijnen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
That I may see the good of thy chosen.
Psalm 106:5
Did you ever see any good in God’s chosen? Oh! “how goodly are your tents, O Jacob, and your tabernacles, O Israel!” Did you ever see what good God has blessed His people with, and how good it is to be one of them? All God’s people see that there is a “good” in God’s chosen family, peculiar to them, and that they sigh and long for.
But some will say–Had David never seen it when he penned this psalm? Yes, surely; he had seen it. But did he not need to see it again? Yes; he had lost the sight of it, the sweet vision of it had retired, the old veil had come back, his eyes were dim, he needed fresh “eye-salve.”
So with us; we have seen, we trust, at times “the good of God’s chosen ones,” have felt our affections drawn towards them, and drawn up towards God, and have said, “Whom have I in heaven but You? and there is none upon earth that I desire beside You.” That was to enjoy the sweet foretastes of heaven. But all these sweet foretastes became clouded; fogs and mists rested upon them, and hid them from our eye. Fresh sin brought fresh guilt–and darkness and deadness and doubts and temptations and fears and besetments came on of various kinds–and all these beclouded our sight.
But we cannot forget the past; we cannot forget the solemn moments when we walked with God and talked with God, nor the sweet feelings that His presence enkindled. However dark, however dead, however disconsolate, however tried, harassed, and tempted–we cannot forget that. And having “seen the good of God’s chosen ones,” we want to see again the good sight, to taste again that heavenly banquet. “That I may see the good of Your chosen ones.”
To the reader…
How often have you seen something of the good that God has laid up for His people? Was there a time when you walked with God and could say, “Whom have I in heaven but Thee?” And has that now been darkened by fresh sin, fresh guilt, deadness and doubt? Remember that David, too, lost sight of the good. The veil came back and his eyes grew dim.
But you cannot forget those moments, and that is no small thing. However dark and disconsolate it may be now, the longing remains to see that good again and to taste that heavenly food once more. Bring that longing to the Lord, then, with the psalmist’s prayer: “That I may see the good of Thy chosen.” What He once showed you, He can make to shine again.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Para que yo vea el bien de Tus escogidos.
Salmo 106:5
¿Ha visto usted alguna vez algún bien en los escogidos de Dios? ¡Oh! “¡Cuán hermosas son tus tiendas, oh Jacob, tus habitaciones, oh Israel!” ¿Ha visto alguna vez con qué bien ha bendecido Dios a Su pueblo, y cuán bueno es ser uno de ellos? Todo el pueblo de Dios ve que hay un “bien” en la familia escogida de Dios, propio de ellos, y por eso suspiran y anhelan.
Pero algunos dirán: ¿No lo había visto nunca David cuando escribió este salmo? Sí, ciertamente; lo había visto. Pero ¿no necesitaba verlo otra vez? Sí; había perdido de vista aquello, la dulce visión se había retirado, el viejo velo había vuelto, sus ojos estaban oscurecidos, necesitaba “colirio” nuevo.
Así es con nosotros; hemos visto, confiamos, a veces “el bien de los escogidos de Dios”, hemos sentido nuestros afectos atraídos hacia ellos, y elevados hacia Dios, y hemos dicho: “¿A quién tengo yo en los cielos sino a Ti? Y fuera de Ti nada deseo en la tierra”. Eso era gozar de los dulces anticipos del cielo. Pero todos estos dulces anticipos se nublaron; nieblas y brumas se posaron sobre ellos y los ocultaron de nuestros ojos. Nuevo pecado trajo nueva culpa, y vinieron tinieblas, muerte espiritual, dudas, tentaciones, temores y asedios de diversas clases, y todo esto nubló nuestra vista.
Pero no podemos olvidar el pasado; no podemos olvidar los momentos solemnes en que anduvimos con Dios y hablamos con Dios, ni los dulces sentimientos que Su presencia encendió. Por oscuros, por muertos, por desconsolados, por probados, acosados y tentados que estemos, no podemos olvidar eso. Y habiendo “visto el bien de los escogidos de Dios”, queremos ver otra vez esa buena visión, gustar otra vez ese banquete celestial. “Para que yo vea el bien de Tus escogidos”.
Al lector…
¿Cuántas veces ha visto usted algo del bien que Dios ha guardado para Su pueblo? ¿Hubo un tiempo en que anduvo con Dios y podía decir: “¿A quién tengo yo en los cielos sino a Ti?” ¿Y se ha oscurecido ahora eso por nuevo pecado, nueva culpa, muerte espiritual y duda? Recuerde que también David perdió de vista el bien. El velo volvió y sus ojos se oscurecieron.
Pero usted no puede olvidar aquellos momentos, y eso no es poca cosa. Por oscuro y desconsolado que esté ahora, permanece el anhelo de ver de nuevo ese bien y de gustar una vez más ese alimento celestial. Lleve, pues, ese anhelo al Señor, con la oración del salmista: “Para que yo vea el bien de Tus escogidos”. Lo que Él le mostró una vez, puede hacerlo brillar de nuevo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Christus’ zitten ter rechterhand Gods
Het is u nut, dat Ik wegga; want indien Ik niet wegga, zo zal de Trooster tot u niet komen; maar indien Ik heenga, zo zal Ik Hem tot u zenden.
Johannes 16:7
De gave van de Trooster was afhankelijk van de opstanding, hemelvaart en verhoging van Jezus. „Doch Ik zeg u de waarheid: Het is u nut, dat Ik wegga; want indien Ik niet wegga, zo zal de Trooster tot u niet komen; maar indien Ik heenga, zo zal Ik Hem tot u zenden” (Joh. 16:7). Dus wordt gezegd dat Hij de Trooster zal zenden (Joh. 15:26), hetgeen Hij alleen doet ingevolge Zijn verheffing en verheerlijking aan de rechterhand van God, zoals de heilige Johannes zegt: „En dit zeide Hij van de Geest, Den welken ontvangen zouden, die in Hem geloven; want de Heilige Geest was nog niet, overmits Jezus nog niet verheerlijkt was” (Joh. 7:39).
Niemand kan de zegening van deze gave, de gave van de Trooster, begrijpen of beschrijven. Hoe doeltreffend Zijn leringen! Hoe goddelijk Zijn werkzaamheden! Hoe hemels Zijn invloeden! Hoe heilig Zijn zalvingen! Hoe zoet Zijn vertroostingen, en toch, hoe diep Zijn overtuigingen! Hoe oprecht Zijn uitroepen! Hoe vurig Zijn inblazingen! Hoe onuitsprekelijk Zijn gekerm! Wat zouden we kunnen weten, voelen, zijn, hebben of doen; wat zouden we kunnen denken of zeggen; wat zouden we kunnen geloven, hopen of liefhebben; betreuren, gadeslaan of vragen; voorleggen of ondergaan; verkondigen, horen of schrijven; hoe zouden we kunnen leven; en bovenal, en als laatste, hoe zouden we kunnen sterven, zonder deze heilige en gezegende Trooster?
Maar als Jezus niet was verhoogd als Sions Koning, zou deze uitstorting van de gaven en genaden van de gezegende Geest niet kunnen plaatsvinden. Het is omdat God „Hem macht gegeven heeft over alle vlees, opdat al wat God Hem gegeven heeft, Hij hun het eeuwige leven geve”. Dit „eeuwige leven” is geestelijk leven, want de zegen ervan is dat degenen aan wie Hij het schenkt „U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt” (Joh. 17:2, 3).
Lezen: Johannes 16:5-22
Aan de lezer…
Misschien hebt u er nooit bij stilgestaan hoe u zou leven, en bovenal hoe u zou sterven zonder de Trooster. Misschien voelt u Zijn vertroostingen nu maar weinig. Misschien kent u meer van Zijn overtuigingen dan van Zijn zalving, meer van Zijn onuitsprekelijk gekerm in u dan van Zijn blijdschap. Ook dat is Zijn werk. Wie zou in een hard hart zuchten wekken, als Hij het niet deed?
En weet waar die gave vandaan komt. De Trooster wordt gezonden door Hem Die verhoogd is aan de rechterhand van God. Omdat Jezus verheerlijkt is, ontvangen allen die in Hem geloven de Geest. Uw hoop hangt dus niet aan uw gestalte, maar aan Zijn verhoging. Hij heeft macht over alle vlees, om al wie de Vader Hem gegeven heeft het eeuwige leven te geven: de enige waarachtige God te kennen, en Jezus Christus, Dien Hij gezonden heeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Het is u nut, dat Ik wegga; want indien Ik niet wegga, zo zal de Trooster tot u niet komen; maar indien Ik heenga, zo zal Ik Hem tot u zenden.
Johannes 16:7
De gave van de Trooster hing af van de opstanding, de hemelvaart en de verhoging van Jezus. „Doch Ik zeg u de waarheid: Het is u nut, dat Ik wegga; want indien Ik niet wegga, zo zal de Trooster tot u niet komen; maar indien Ik heenga, zo zal Ik Hem tot u zenden” (Joh. 16:7). Daarom wordt gezegd dat Hij de Trooster zal zenden (Joh. 15:26). Dat doet Hij alleen op grond van Zijn verhoging en verheerlijking aan de rechterhand van God, zoals de heilige Johannes zegt: „En dit zeide Hij van de Geest, Den welken ontvangen zouden, die in Hem geloven; want de Heilige Geest was nog niet, overmits Jezus nog niet verheerlijkt was” (Joh. 7:39).
Niemand kan de zegen van deze gave, de gave van de Trooster, bevatten of beschrijven. Hoe krachtig is Zijn onderwijs! Hoe goddelijk Zijn werkingen! Hoe hemels Zijn invloeden! Hoe heilig Zijn zalvingen! Hoe zoet Zijn vertroostingen, en toch hoe diep Zijn overtuigingen! Hoe oprecht Zijn roepen! Hoe vurig Zijn inblazingen! Hoe onuitsprekelijk Zijn zuchtingen! Wat zouden we kunnen weten, voelen, zijn, hebben of doen; wat zouden we kunnen denken of zeggen; wat zouden we kunnen geloven, hopen of liefhebben; betreuren, opmerken of vragen; voorleggen of ondergaan; verkondigen, horen of schrijven; hoe zouden we kunnen leven; en bovenal, en als laatste, hoe zouden we kunnen sterven, zonder deze heilige en gezegende Trooster?
Maar als Jezus niet als Koning van Sion verhoogd was, zou deze uitstorting van de gaven en genaden van de gezegende Geest niet kunnen plaatsvinden. Het is omdat God „Hem macht gegeven heeft over alle vlees, opdat al wat God Hem gegeven heeft, Hij hun het eeuwige leven geve”. Dit „eeuwige leven” is geestelijk leven, want de zegen ervan is dat zij aan wie Hij het schenkt, „U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt” (Joh. 17:2, 3).
Lezen: Johannes 16:5-22
Aan de lezer…
Misschien hebt u er nooit bij stilgestaan hoe u zou leven, en bovenal hoe u zou sterven zonder de Trooster. Misschien voelt u Zijn vertroostingen nu maar weinig. Misschien kent u meer van Zijn overtuigingen dan van Zijn zalving, meer van Zijn onuitsprekelijke zuchtingen in u dan van Zijn blijdschap. Ook dat is Zijn werk. Wie zou in een hard hart zuchten wekken, als Hij het niet deed?
En weet waar die gave vandaan komt. De Trooster wordt gezonden door Hem Die verhoogd is aan de rechterhand van God. Omdat Jezus verheerlijkt is, ontvangen allen die in Hem geloven de Geest. Uw hoop hangt dus niet aan uw gestalte, maar aan Zijn verhoging. Hij heeft macht over alle vlees, om allen die de Vader Hem gegeven heeft het eeuwige leven te geven: de enige waarachtige God te kennen, en Jezus Christus, Die Hij gezonden heeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
It is expedient for you that I go away: for if I go not away, the Comforter will not come unto you; but if I depart, I will send Him unto you.
John 16:7
The gift of the Comforter depended upon the resurrection, ascension and exaltation of Jesus. “Nevertheless I tell you the truth; It is expedient for you that I go away: for if I go not away, the Comforter will not come unto you; but if I depart, I will send Him unto you” (John 16:7). Therefore it is said that He will send the Comforter (John 15:26). This He does only on the ground of His exaltation and glorification at the right hand of God, as holy John says: “But this spake He of the Spirit, which they that believe on Him should receive: for the Holy Ghost was not yet given; because that Jesus was not yet glorified” (John 7:39).
No one can grasp or describe the blessing of this gift, the gift of the Comforter. How powerful His teaching! How divine His operations! How heavenly His influences! How holy His anointings! How sweet His consolations, and yet how deep His convictions! How sincere His cries! How fervent His breathings! How unutterable His groanings! What could we know, feel, be, have or do; what could we think or say; what could we believe, hope or love; mourn over, observe or ask; lay before God or endure; preach, hear or write; how could we live; and above all, and last of all, how could we die, without this holy and blessed Comforter?
But if Jesus had not been exalted as King of Zion, this outpouring of the gifts and graces of the blessed Spirit could not take place. It is because God has “given Him power over all flesh, that He should give eternal life to as many as Thou hast given Him.” This “eternal life” is spiritual life, for the blessing of it is that those to whom He gives it “might know Thee the only true God, and Jesus Christ, whom Thou hast sent” (John 17:2, 3).
Reading: John 16:5-22
To the reader…
Perhaps you have never stopped to think how you would live, and above all how you would die, without the Comforter. Perhaps you feel little of His consolations now. Perhaps you know more of His convictions than of His anointing, more of His unutterable groanings within you than of His joy. That too is His work. Who would raise sighs in a hard heart, if He did not?
And know where that gift comes from. The Comforter is sent by Him Who is exalted at the right hand of God. Because Jesus is glorified, all who believe in Him receive the Spirit. Your hope, then, does not hang on your frame of mind, but on His exaltation. He has power over all flesh, to give eternal life to all whom the Father has given Him: to know the only true God, and Jesus Christ, Whom He has sent.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Os es necesario que Yo vaya: porque si Yo no fuese, el Consolador no vendría a vosotros; mas si Yo fuere, os Le enviaré.
Juan 16:7
El don del Consolador dependía de la resurrección, la ascensión y la exaltación de Jesús. “Empero Yo os digo la verdad: Os es necesario que Yo vaya: porque si Yo no fuese, el Consolador no vendría a vosotros; mas si Yo fuere, os Le enviaré” (Juan 16:7). Por eso se dice que Él enviará al Consolador (Juan 15:26). Esto lo hace solo sobre la base de Su exaltación y glorificación a la diestra de Dios, como dice el santo Juan: “Y esto dijo del Espíritu que habían de recibir los que creyesen en Él: pues aún no había venido el Espíritu Santo; porque Jesús no estaba aún glorificado” (Juan 7:39).
Nadie puede comprender ni describir la bendición de este don, el don del Consolador. ¡Qué poderosa Su enseñanza! ¡Qué divinas Sus operaciones! ¡Qué celestiales Sus influencias! ¡Qué santas Sus unciones! ¡Qué dulces Sus consolaciones, y sin embargo qué profundas Sus convicciones! ¡Qué sinceros Sus clamores! ¡Qué fervientes Sus aspiraciones! ¡Qué indecibles Sus gemidos! ¿Qué podríamos saber, sentir, ser, tener o hacer; qué podríamos pensar o decir; qué podríamos creer, esperar o amar; por qué lamentarnos, qué observar o pedir; qué presentar delante de Dios o soportar; predicar, oír o escribir; cómo podríamos vivir; y sobre todo, y por último, cómo podríamos morir, sin este santo y bendito Consolador?
Pero si Jesús no hubiera sido exaltado como Rey de Sion, este derramamiento de los dones y gracias del bendito Espíritu no podría tener lugar. Es porque Dios “Le ha dado la potestad de toda carne, para que dé vida eterna a todos los que Le diste”. Esta “vida eterna” es vida espiritual, porque su bendición es que aquellos a quienes Él la da “Te conozcan el solo Dios verdadero, y a Jesucristo, al cual has enviado” (Juan 17:2, 3).
Lectura: Juan 16:5-22
Al lector…
Quizá nunca se ha detenido a pensar cómo viviría, y sobre todo cómo moriría, sin el Consolador. Quizá siente ahora poco de Sus consolaciones. Quizá conoce más de Sus convicciones que de Su unción, más de Sus gemidos indecibles dentro de usted que de Su gozo. También eso es obra Suya. ¿Quién levantaría suspiros en un corazón duro, si Él no lo hiciera?
Y sepa de dónde viene ese don. El Consolador es enviado por Aquel que está exaltado a la diestra de Dios. Porque Jesús está glorificado, todos los que creen en Él reciben el Espíritu. Su esperanza, pues, no depende de su estado de ánimo, sino de Su exaltación. Él tiene potestad sobre toda carne, para dar vida eterna a todos los que el Padre Le ha dado: que conozcan al solo Dios verdadero, y a Jesucristo, al cual ha enviado.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Houdende het geloof en een goede consciëntie; hetwelk sommigen verstoten hebbende, van het geloof schipbreuk geleden hebben.
1 Timotheüs 1:19
Wij vinden dat er in de tijd van de apostel sommige personen waren die het geloof hielden, of liever wat zij geloof noemden, en een goede consciëntie verstootten. Hij noemt hen bij name: Hymeneüs en Alexander, die hij de satan had overgegeven, dat is: hen van de kerk had uitgesloten als ketters en lasteraars. Maar indien een goede consciëntie te verstoten geacht wordt ongeschikt te zijn voor de gemeenschap met de zichtbare kerk van God, dan betaamt het ons te onderzoeken of wij dit wapen aan onze zijde en in onze hand hebben.
Wat verstaat dan de apostel onder „een goede consciëntie”? Ik geloof dat hij bedoelt een consciëntie levende in de vreze Gods, een geestelijk gezinde consciëntie, een tedere consciëntie; hij noemt ze op een andere plaats „een reine consciëntie”. Houdende het geloof in een reine consciëntie, dat is gereinigd van onkunde, van schuld, van de kracht of het geweld der zonde; het is een consciëntie, wars en afkerig om God of mensen te beledigen. Overal dan ook waar het levend geloof in de ziel is, daar gaat dit gepaard met een goede consciëntie. De Heere zendt nooit een soldaat in de strijd met het wapen des geloofs alleen. Hij geeft het geloof in de ene en een goede consciëntie in de andere hand. En hij die uitgaat met wat hij denkt het geloof te zijn, en een goede consciëntie veracht, zal zich openbaren als één van die personen die van het geloof schipbreuk lijden.
Maar waarom wordt zij een goede consciëntie genoemd? Omdat zij afdaalt van God, Die de Auteur is van alle goed, de Gever van alle goede gift en volmaakte gave. Er is niet een goed dan alleen van God, en er is niets goeds dan wat Hij Zelf plant en mededeelt. Het wapen van een goede consciëntie, waarmede de Heere Zijn soldaten wapent, werkt gelijkelijk met het geloof, zodat het zowel de oprechtheid van het geloof bewijst, als de oprechtheid en waarheid daarvan beproeft. Het geloof zonder een goede consciëntie is een dood geloof. Het draagt het merkteken der natuur, en hoe hoog het ook in vertrouwen mag opstijgen, of overvloedig schijnt te zijn in goede werken, het is niet het geloof van Gods uitverkorenen, waarvan het einde is de zaligheid der ziel.
Doch er kan gevraagd worden: Hoe werkt een goede consciëntie met het geloof? Wat is het verband tussen deze twee wapenen, en hoe ondersteunen en versterken zij elkander onderling? Wat het geloof betreft, daarvan heeft de consciëntie gevoel; wat het geloof ontvangt, dat houdt de consciëntie vast; wat het geloof omhelst, prent zich de consciëntie in. Wanneer het geloof zwak is, is de consciëntie ook zwak, en wanneer het geloof sterk is, is de consciëntie werkzaam. Zij groeien gelijkelijk en nemen ook gelijkelijk af; en gelijk twee stammen uit één wortel, bloeien zij tezamen en verwelken zij tezamen.
Hij dan alleen strijdt de goede strijd, die voortgaat met het geloof in de ene en een goede consciëntie in de andere hand. Het geloof versterkt de consciëntie, en de consciëntie versterkt het geloof; elk van die oefenende hun onderscheidene bediening tot een zelfde einde. Elk van die vervullende het werk dat de Heere bepaald heeft, en elk strijdende de strijd des Heeren, en het beveiligt de krijgsman en doet hem zijn vijand overwinnen.
Aan de lezer…
Er zijn tijden dat u zich ernstig moet afvragen of u naast het geloof ook een tedere consciëntie gekregen hebt. Het is een ernstige vraag, want wie een goede consciëntie verstoot, lijdt schipbreuk aan het geloof, hoe hoog zijn vertrouwen ook schijnt te gaan. Maar misschien beeft u juist omdat uw consciëntie u zo vaak aanklaagt, en vreest u dat er bij u geen echt geloof is. Weet dan dat een consciëntie die wars is van het beledigen van God, geen vrucht van de natuur is. Zij daalt af van God, de Gever van alle goede gift.
De Heere zendt Zijn soldaten nooit uit met het wapen des geloofs alleen. Hij geeft het geloof in de ene en een goede consciëntie in de andere hand. Is uw geloof zwak, dan is ook uw consciëntie zwak; maar wat Hij geplant heeft, zal Hij doen groeien. Vraag Hem dan om beide te versterken, opdat u de goede strijd mag strijden tot het einde.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Houdende het geloof en een goede consciëntie; hetwelk sommigen verstoten hebbende, van het geloof schipbreuk geleden hebben.
1 Timotheüs 1:19
We lezen dat er in de tijd van de apostel sommige personen waren die het geloof hielden, of liever wat zij geloof noemden, en een goede consciëntie verstootten. Hij noemt hen bij naam: Hymeneüs en Alexander, die hij aan de satan had overgegeven, dat wil zeggen: die hij als ketters en lasteraars uit de kerk had gesloten. Maar als het verstoten van een goede consciëntie iemand ongeschikt maakt voor de gemeenschap met de zichtbare kerk van God, dan past het ons te onderzoeken of we dit wapen aan onze zijde en in onze hand hebben.
Wat verstaat de apostel dan onder „een goede consciëntie”? Ik geloof dat hij bedoelt: een consciëntie die leeft in de vreze Gods, een geestelijk gezinde consciëntie, een tedere consciëntie. Op een andere plaats noemt hij haar „een reine consciëntie”. Het geloof houden in een reine consciëntie, dat wil zeggen: een consciëntie die gereinigd is van onwetendheid, van schuld, van de kracht of het geweld van de zonde; een consciëntie die er afkerig van is God of mensen te beledigen. Overal waar het levende geloof in de ziel is, gaat het daarom gepaard met een goede consciëntie. De Heere zendt nooit een soldaat de strijd in met alleen het wapen van het geloof. Hij geeft het geloof in de ene hand en een goede consciëntie in de andere. En wie uittrekt met wat hij voor het geloof houdt, en een goede consciëntie veracht, zal blijken één van die personen te zijn die schipbreuk lijden aan het geloof.
Maar waarom wordt zij een goede consciëntie genoemd? Omdat zij afdaalt van God, Die de Auteur is van alle goed, de Gever van alle goede gift en volmaakte gave. Er is geen goed dan alleen van God, en er is niets goeds dan wat Hij Zelf plant en meedeelt. Het wapen van een goede consciëntie, waarmee de Heere Zijn soldaten wapent, werkt samen met het geloof, zodat het zowel de oprechtheid van het geloof bewijst als de oprechtheid en waarheid ervan beproeft. Geloof zonder een goede consciëntie is een dood geloof. Het draagt het merkteken van de natuur, en hoe hoog het ook in vertrouwen mag opstijgen, of hoe overvloedig het ook in goede werken lijkt te zijn, het is niet het geloof van Gods uitverkorenen, waarvan het einde de zaligheid van de ziel is.
Maar men kan vragen: Hoe werkt een goede consciëntie samen met het geloof? Wat is het verband tussen deze twee wapens, en hoe ondersteunen en versterken zij elkaar? Wat het geloof betreft: de consciëntie voelt het; wat het geloof ontvangt, houdt de consciëntie vast; wat het geloof omhelst, prent de consciëntie zich in. Wanneer het geloof zwak is, is de consciëntie ook zwak, en wanneer het geloof sterk is, is de consciëntie werkzaam. Zij groeien samen en nemen ook samen af; en als twee stammen uit één wortel bloeien zij samen en verwelken zij samen.
Alleen hij strijdt dan de goede strijd die voortgaat met het geloof in de ene hand en een goede consciëntie in de andere. Het geloof versterkt de consciëntie, en de consciëntie versterkt het geloof; elk van beide oefent zijn eigen bediening uit tot hetzelfde doel. Elk van beide verricht het werk dat de Heere bepaald heeft, en elk strijdt de strijd van de Heere; en zo wordt de strijder beveiligd en overwint hij zijn vijand.
Aan de lezer…
Er zijn tijden dat u zich ernstig moet afvragen of u naast het geloof ook een tedere consciëntie gekregen hebt. Het is een ernstige vraag, want wie een goede consciëntie verstoot, lijdt schipbreuk aan het geloof, hoe hoog zijn vertrouwen ook lijkt te gaan. Maar misschien beeft u juist omdat uw consciëntie u zo vaak aanklaagt, en vreest u dat er bij u geen echt geloof is. Weet dan dat een consciëntie die er afkerig van is God te beledigen, geen vrucht van de natuur is. Zij daalt af van God, de Gever van alle goede gift.
De Heere zendt Zijn soldaten nooit uit met alleen het wapen van het geloof. Hij geeft het geloof in de ene hand en een goede consciëntie in de andere. Is uw geloof zwak, dan is ook uw consciëntie zwak; maar wat Hij geplant heeft, zal Hij laten groeien. Vraag Hem dan om beide te versterken, opdat u de goede strijd mag strijden tot het einde.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Holding faith, and a good conscience; which some having put away concerning faith have made shipwreck.
1 Timothy 1:19
We find that, in the Apostle’s time, there were people who held faith, or rather what they called faith, and put away “good conscience.” He mentions by name, “Hymeneus and Alexander, whom he had delivered unto Satan,” that is, excommunicated them out of the Church, as heretics and blasphemers. But if to have put good conscience away, stamps a man as unfit for the visible Church of God, it behooves us to search whether we have this weapon at our side, and in our hand.
What does the Apostle, then, mean by “a good conscience?” I believe he means a conscience alive in God’s fear, a spiritual conscience, a tender conscience, what he calls, in another part, “a pure conscience;” “holding faith in a pure conscience,” that is, purified from ignorance, from guilt, from the power of sin, “a conscience void of offence toward God and men.” Wherever, then, there is living faith in the soul, there will be united with it “a good conscience.” The Lord never sends forth a soldier to fight His battles with the weapon of faith only; He puts faith in one hand and “a good conscience” in the other. And he that goes forth with what he thinks to be faith, and casts aside “a good conscience,” will manifest himself to be one of those characters, who, “concerning faith make shipwreck.”
But why is it called “a good conscience?” Because it comes down from God, Who is the Author of all good, the Giver of “every good gift, and every perfect gift.” There is none good but He, and there is nothing good but what He Himself implants and communicates. This weapon of a good conscience, that the Lord arms His soldiers with, works with faith, as well as proves the sincerity of faith, and tests its genuineness and reality. Faith, without a good conscience, is dead. It bears upon it the mark of nature, and however high it may rise in confidence, or however it may seem to abound in good works, it is not the faith of God’s elect, of which the end is the salvation of the soul.
But it may be asked, How does a good conscience work with faith? What is the connection between these two weapons, and how do they mutually support and strengthen each other? In this way. What faith believes, good conscience feels; what faith receives, good conscience holds; what faith embraces, good conscience rivets fast; when faith is weak, good conscience is feeble; and when faith is strong, good conscience is active. They grow and they wane together, and like two stems from one root together do they flourish and fade.
He then alone wars the good warfare, who goes forth with faith in the one hand, and “good conscience” in the other; faith strengthening conscience, and conscience strengthening faith; each doing their separate office, but still tending to one end; each accomplishing the work which the Lord has appointed, and yet each fighting the Lord’s battles, and bringing the soldier safe and victorious over his enemy.
To the reader…
There are times when you must seriously ask yourself whether, besides faith, you have also been given a tender conscience. It is a serious question, for whoever puts away a good conscience makes shipwreck concerning faith, however high his confidence may seem to rise. But perhaps you tremble precisely because your conscience accuses you so often, and you fear that there is no true faith in you. Then know that a conscience which shrinks from offending God is no fruit of nature. It comes down from God, the Giver of every good gift.
The Lord never sends out His soldiers with the weapon of faith alone. He puts faith in the one hand and a good conscience in the other. If your faith is weak, your conscience is weak too; but what He has planted He will cause to grow. Ask Him, then, to strengthen both, so that you may fight the good fight to the end.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Manteniendo la fe y buena conciencia, la cual echando de sí algunos, hicieron naufragio en la fe.
1 Timoteo 1:19
Hallamos que en tiempos del apóstol había personas que mantenían la fe, o más bien lo que ellos llamaban fe, y echaban de sí la “buena conciencia”. Menciona por nombre a “Himeneo y Alejandro, los cuales entregué a Satanás”, es decir, los excomulgó de la Iglesia como herejes y blasfemos. Pero si haber echado de sí la buena conciencia marca a un hombre como no apto para la Iglesia visible de Dios, nos conviene examinar si tenemos esta arma a nuestro lado y en nuestra mano.
¿Qué quiere decir, pues, el apóstol con “buena conciencia”? Creo que se refiere a una conciencia viva en el temor de Dios, una conciencia espiritual, una conciencia tierna, lo que en otro lugar llama “limpia conciencia”: “que tengan el misterio de la fe con limpia conciencia”, es decir, limpiada de la ignorancia, de la culpa, del poder del pecado; “conciencia sin remordimiento acerca de Dios y acerca de los hombres”. Dondequiera, pues, que haya fe viva en el alma, irá unida a ella una “buena conciencia”. El Señor nunca envía a un soldado a pelear Sus batallas solo con el arma de la fe; pone la fe en una mano y la “buena conciencia” en la otra. Y el que sale con lo que él cree que es fe, y desecha la “buena conciencia”, se mostrará como uno de aquellos que “hicieron naufragio en la fe”.
Pero ¿por qué se llama “buena conciencia”? Porque desciende de Dios, que es el Autor de todo bien, el Dador de “toda buena dádiva y todo don perfecto”. No hay ninguno bueno sino Él, y no hay nada bueno sino lo que Él mismo implanta y comunica. Esta arma de la buena conciencia, con la cual el Señor arma a Sus soldados, obra junto con la fe, a la vez que prueba la sinceridad de la fe y examina su autenticidad y realidad. La fe sin buena conciencia está muerta. Lleva la marca de la naturaleza y, por alto que se eleve en confianza o por mucho que parezca abundar en buenas obras, no es la fe de los escogidos de Dios, cuyo fin es la salvación del alma.
Pero puede preguntarse: ¿cómo obra la buena conciencia junto con la fe? ¿Cuál es la conexión entre estas dos armas, y cómo se sostienen y fortalecen mutuamente? De esta manera. Lo que la fe cree, la buena conciencia lo siente; lo que la fe recibe, la buena conciencia lo retiene; lo que la fe abraza, la buena conciencia lo afianza; cuando la fe es débil, la buena conciencia es endeble; y cuando la fe es fuerte, la buena conciencia es activa. Crecen y menguan juntas, y como dos tallos de una misma raíz, juntas florecen y se marchitan.
Solo milita, pues, la buena milicia aquel que sale con la fe en una mano y la “buena conciencia” en la otra; la fe fortaleciendo la conciencia, y la conciencia fortaleciendo la fe; cada una cumpliendo su oficio propio, pero tendiendo ambas a un mismo fin; cada una realizando la obra que el Señor le ha señalado, y sin embargo ambas peleando las batallas del Señor y llevando al soldado sano y salvo, victorioso sobre su enemigo.
Al lector…
Hay momentos en que debe preguntarse seriamente si, además de la fe, se le ha dado también una conciencia tierna. Es una pregunta seria, porque quien echa de sí la buena conciencia hace naufragio en la fe, por alta que parezca elevarse su confianza. Pero quizá tiemble usted precisamente porque su conciencia le acusa tan a menudo, y teme que no haya en usted fe verdadera. Sepa entonces que una conciencia que retrocede ante ofender a Dios no es fruto de la naturaleza. Desciende de Dios, el Dador de toda buena dádiva.
El Señor nunca envía a Sus soldados solo con el arma de la fe. Pone la fe en una mano y la buena conciencia en la otra. Si su fe es débil, también su conciencia es débil; pero lo que Él ha plantado lo hará crecer. Pídale, pues, que fortalezca ambas, para que pueda pelear la buena batalla hasta el fin.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl