vandaag verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
7 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
12 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
2 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Mijn duive, zijnde in de kloven der steenrotsen.
Hooglied van Salomo 2:14
Jezus is de Schuilplaats, de enige Schuilplaats tegen de zonde en tegen zichzelf. „Gij zijt mijn Schuilplaats”, zeide David in vroegere dagen. Dit werd aan Mozes in een beeld voorgesteld, toen de Heere hem in een rotskloof plaatste, hetwelk Toplady zo schoon bezongen heeft, om het smachtende verlangen zijner ziel uit te drukken:
„Rots der Eeuwen, voor mij gekloofd,
Laat ik mij in U verbergen!”
Het is op die „Rots der Eeuwen” dat God Zijn gemeente heeft gebouwd. Als een rotssteen is Hij zowel diep als hoog: zó diep, dat Hij de diepte van de val onder Zich heeft; zó hoog, dat Hij Gode gelijk is, zittende aan Zijn rechterhand. Als een rotssteen is Hij breed zowel als lang: breed genoeg om miljoenen levende stenen, op Hem gebouwd, te dragen, en lang genoeg om te reiken van eeuwigheid tot eeuwigheid. Daarom bidt de apostel dat de gemeente te Efeze met al de heiligen mocht begrijpen „welke is de breedte, en lengte, en diepte, en hoogte, en de liefde van Christus kennen, welke alle verstand te boven gaat”.
Gij zijt mij, Heer, ter schuilplaats in gevaren,
Gij zult mij voor benauwdheid trouw bewaren.
G’ omringt me, daar Ge mij in ruimte stelt,
met blij gezang, dat mijn verlossing meldt.
Mijn leer zal u, o mens, naar ’t recht doen hand’len
en wijzen u de weg, die gij zult wand’len.
Ik zal u trouw verzellen met mijn raad,
terwijl mijn oog op u gevestigd staat.
Ps. 32:4
Aan de lezer…
Waar vlucht u heen, waarde lezer, wanneer de zonde u achtervolgt en u uzelf niet meer vertrouwen kunt? Er is één Schuilplaats, en die is niet in u, maar in Jezus, de Rots der Eeuwen, voor zondaars gekloofd. Gelijk de duive zich verbergt in de kloven der steenrotsen, zo mag een bevreesde ziel zich in Hem verbergen, niet omdat zij sterk is, maar omdat Hij het is.
Zie hoe diep Hij is: diep genoeg om de diepte van de val onder Zich te hebben, zodat u niet te diep gevallen bent voor Hem. Zie hoe breed Hij is: breed genoeg om miljoenen levende stenen te dragen, zodat er ook voor u plaats is. En Hij reikt van eeuwigheid tot eeuwigheid. Smeek dan om iets te begrijpen van de breedte en lengte en diepte en hoogte van Zijn liefde, welke alle verstand te boven gaat.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Mijn duive, zijnde in de kloven der steenrotsen.
Hooglied van Salomo 2:14
Jezus is de Schuilplaats, de enige Schuilplaats tegen de zonde en tegen zichzelf. „Gij zijt mijn Schuilplaats”, zei David in vroegere dagen. Dit werd aan Mozes in een beeld voorgesteld toen de Heere hem in een rotskloof zette, wat Toplady zo mooi bezongen heeft om het smachtende verlangen van zijn ziel uit te drukken:
„Rots der Eeuwen, voor mij gekloofd,
Laat ik mij in U verbergen!”
Het is op die „Rots der Eeuwen” dat God Zijn gemeente heeft gebouwd. Als een rots is Hij zowel diep als hoog: zo diep dat Hij de diepte van de val onder Zich heeft; zo hoog dat Hij God gelijk is en aan Zijn rechterhand zit. Als een rots is Hij zowel breed als lang: breed genoeg om miljoenen levende stenen te dragen die op Hem gebouwd zijn, en lang genoeg om te reiken van eeuwigheid tot eeuwigheid. Daarom bidt de apostel dat de gemeente te Efeze met alle heiligen zou mogen begrijpen „welke is de breedte, en lengte, en diepte, en hoogte, en de liefde van Christus kennen, welke alle verstand te boven gaat”.
Gij zijt mij, Heer, ter schuilplaats in gevaren,
Gij zult mij voor benauwdheid trouw bewaren.
G’ omringt me, daar Ge mij in ruimte stelt,
met blij gezang, dat mijn verlossing meldt.
Mijn leer zal u, o mens, naar ’t recht doen hand’len
en wijzen u de weg, die gij zult wand’len.
Ik zal u trouw verzellen met mijn raad,
terwijl mijn oog op u gevestigd staat.
Ps. 32:4
Aan de lezer…
Waar vlucht u heen wanneer de zonde u achtervolgt en u uzelf niet meer kunt vertrouwen? Er is één Schuilplaats, en die is niet in u, maar in Jezus, de Rots der Eeuwen, voor zondaars gekloofd. Zoals de duif zich verbergt in de kloven van de rotsen, zo mag een bange ziel zich in Hem verbergen, niet omdat zij sterk is, maar omdat Hij het is.
Zie hoe diep Hij is: diep genoeg om de diepte van de val onder Zich te hebben, zodat u niet te diep gevallen bent voor Hem. Zie hoe breed Hij is: breed genoeg om miljoenen levende stenen te dragen, zodat er ook voor u plaats is. En Hij reikt van eeuwigheid tot eeuwigheid. Smeek dan om iets te begrijpen van de breedte en lengte en diepte en hoogte van Zijn liefde, die alle verstand te boven gaat.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
O my dove, that art in the clefts of the rock.
Song of Solomon 2:14
Jesus is the hiding-place, the only hiding-place from sin and self. “You are my hiding-place,” said David of old. This was shown to Moses, in figure, when the Lord put him into the cleft of a rock, which Toplady has so beautifully versified, to paint the longing desires of his soul—
“Rock of Ages, cleft for me,
Let me hide myself in Thee!”
It is on this “Rock of Ages” that God has built His Church. As a rock, He is deep as well as high—so deep as to have under-bottomed the depths of the fall, so high as to be God’s fellow, seated at His right hand. As a rock, also, He is broad as well as long—broad enough to bear millions of living stones built on Him, and long enough to reach from eternity to eternity. The Apostle, therefore, prays that the Church at Ephesus may comprehend with all saints, “what is the breadth and length, and depth and height, and know the love of Christ which passes knowledge.”
To the reader…
Where do you flee when sin pursues you and you can no longer trust yourself? There is one Hiding-place, and it is not in you, but in Jesus, the Rock of Ages, cleft for sinners. As the dove hides in the clefts of the rock, so a fearful soul may hide in Him, not because it is strong, but because He is.
See how deep He is: deep enough to have the depths of the fall beneath Him, so that you have not fallen too deep for Him. See how broad He is: broad enough to bear millions of living stones, so that there is room for you too. And He reaches from eternity to eternity. Plead, then, to comprehend something of the breadth and length and depth and height of His love, which passes knowledge.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Paloma mía, que estás en los agujeros de la peña.
Cantar de los Cantares 2:14
Jesús es el escondedero, el único escondedero del pecado y del yo. “Tú eres mi refugio”, dijo David antiguamente. Esto le fue mostrado a Moisés, en figura, cuando el Señor lo puso en una hendidura de la peña, lo cual Toplady ha puesto en verso tan hermosamente para pintar los anhelos de su alma:
“Roca de los siglos, hendida por mí,
¡déjame esconderme en Ti!”
Sobre esta “Roca de los siglos” ha edificado Dios Su Iglesia. Como roca, Él es tan profundo como alto: tan profundo que está por debajo del fondo de los abismos de la caída, tan alto que es el compañero de Dios, sentado a Su diestra. Como roca, también es tan ancho como largo: lo bastante ancho para sostener millones de piedras vivas edificadas sobre Él, y lo bastante largo para alcanzar de eternidad a eternidad. Por eso el Apóstol ora para que la iglesia de Éfeso pueda comprender con todos los santos “cuál sea la anchura y la longura, y la profundidad y la altura, y conocer el amor de Cristo, que excede a todo conocimiento”.
Al lector…
¿Adónde huye usted cuando el pecado le persigue y ya no puede fiarse de sí mismo? Hay un solo Escondedero, y no está en usted, sino en Jesús, la Roca de los siglos, hendida por los pecadores. Así como la paloma se esconde en los agujeros de la peña, así un alma temerosa puede esconderse en Él, no porque ella sea fuerte, sino porque Él lo es.
Vea cuán profundo es: lo bastante profundo para tener debajo de Sí los abismos de la caída, de modo que usted no ha caído demasiado hondo para Él. Vea cuán ancho es: lo bastante ancho para sostener millones de piedras vivas, de modo que hay lugar también para usted. Y Él alcanza de eternidad a eternidad. Ruegue, pues, poder comprender algo de la anchura y la longura, la profundidad y la altura de Su amor, que excede a todo conocimiento.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Hebt de wereld niet lief
Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is; zo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem. Want al wat in de wereld is, namelijk de begeerlijkheid des vleses, en de begeerlijkheid der ogen en de grootsheid des levens, is niet uit de Vader, maar is uit de wereld. En de wereld gaat voorbij, en haar begeerlijkheid, maar die de wil van God doet, blijft in der eeuwigheid.
1 Johannes 2:15-17
U zult merken dat dit voorschrift een vérstrekkende betekenis heeft; het luidt: „Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is.” Dit is een heel ruime zin. Hij plaatst ons als het ware boven op een hoge berg, zoals die waarop de Heere stond toen Hij door de duivel in verzoeking werd gebracht, en hij vertelt ons: „Zie om u heen: welnu, niet één van deze dingen moet u liefhebben.” Hij neemt ons vervolgens mee naar de straten in een drukke stad; hij laat ons etalages zien, gevuld met prachtige voorwerpen; hij wijst ons op alle rijkdom en pracht van de rijken en adellijken, en op alles wat het menselijk hart bewondert en liefheeft.
En als hij ons aldus, net als de duivel onze Heere op de hoge berg, de koninkrijken van deze wereld heeft laten zien, zegt hij, niet zoals die deed: „Dit alles zal ik u geven”, maar: „Dit alles zal ik u afnemen. Geen van deze dingen is voor u bestemd. U dient geen enkele van deze glinsterende snuisterijen lief te hebben; u moet geen enkele aanraken en er nauwelijks naar kijken, opdat niet, zoals bij Achan, de gouden tong en het Babylonisch overkleed u ertoe verleiden ze te nemen en te verbergen in uw tent.”
Het gebod neemt ons mee door de wereld zoals een moeder een kind door een winkel meeneemt, met speelgoed en sieraden aan alle kanten, en zegt: „Je mag geen van deze dingen aanraken.” Op ongeveer dezelfde wijze neemt het gebod ons als het ware mee door de wereld, en als we naar al het speelgoed en al de sieraden hebben gekeken, zal in onze oren klinken: „Raak er geen enkele aan; ze zijn niet van u; niet voor u om over te beschikken, niet voor u om zelfs maar te begeren.” Kan iets minder dan dit met die woorden bedoeld zijn, die voor altijd in de oren van de kinderen van God zouden moeten klinken: „Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is”?
Lezen: Jozua 7
Aan de lezer…
Hoe dikwijls blijft uw oog hangen aan de glinsterende snuisterijen van deze wereld! U loopt door haar straten als een kind door een winkel vol speelgoed, en uw hand strekt zich uit voordat u het weet. Denk dan aan Achan: hij zag, hij begeerde, hij nam, en hij verborg het in zijn tent. Zo begint het nog altijd, met een blik die blijft rusten waar hij niet rusten mag.
Hoor dan de stem van het gebod niet als de stem van een harde meester, maar als die van een liefhebbende ouder: „Raak het niet aan; het is niet voor u.” Wat de duivel aanbiedt met de woorden „dit alles zal ik u geven”, is een strik voor uw ziel. Maar de wereld gaat voorbij, en wie de wil van God doet, blijft in der eeuwigheid. Bid dan dat uw ogen afgewend worden van de ijdelheid, opdat u niets in uw tent verbergt dat de Heere u niet gegeven heeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is; zo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem. Want al wat in de wereld is, namelijk de begeerlijkheid des vleses, en de begeerlijkheid der ogen en de grootsheid des levens, is niet uit de Vader, maar is uit de wereld. En de wereld gaat voorbij, en haar begeerlijkheid, maar die de wil van God doet, blijft in der eeuwigheid.
1 Johannes 2:15-17
U zult merken dat dit voorschrift een verstrekkende betekenis heeft. Het luidt: „Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is.” Dat is een heel ruime zin. Hij zet ons als het ware boven op een hoge berg, zoals die waarop de Heere stond toen Hij door de duivel verzocht werd, en zegt tegen ons: „Zie om u heen: welnu, niet één van deze dingen moet u liefhebben.” Daarna neemt hij ons mee door de straten van een drukke stad. Hij laat ons etalages zien vol prachtige voorwerpen, hij wijst ons op alle rijkdom en pracht van de rijken en de adel, en op alles wat het menselijk hart bewondert en liefheeft.
En als hij ons zo, zoals de duivel onze Heere op de hoge berg, de koninkrijken van deze wereld heeft laten zien, zegt hij niet, zoals de duivel deed: „Dit alles zal ik u geven”, maar: „Dit alles zal ik u afnemen. Geen van deze dingen is voor u bestemd. U dient geen enkele van deze glinsterende snuisterijen lief te hebben; u moet geen enkele aanraken en er nauwelijks naar kijken, opdat niet, zoals bij Achan, de gouden tong en het Babylonisch overkleed u ertoe verleiden ze te nemen en te verbergen in uw tent.”
Het gebod neemt ons mee door de wereld, zoals een moeder een kind meeneemt door een winkel met aan alle kanten speelgoed en sieraden, en zegt: „Je mag geen van deze dingen aanraken.” Op ongeveer dezelfde manier neemt het gebod ons als het ware mee door de wereld. En als we naar al het speelgoed en alle sieraden hebben gekeken, klinkt in onze oren: „Raak er geen enkele aan; ze zijn niet van u; niet voor u om over te beschikken, niet voor u om zelfs maar te begeren.” Kan er met die woorden iets minder dan dit bedoeld zijn, die altijd in de oren van de kinderen van God zouden moeten klinken: „Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is”?
Lezen: Jozua 7
Aan de lezer…
Hoe vaak blijft uw oog hangen aan de glinsterende snuisterijen van deze wereld! U loopt door haar straten als een kind door een winkel vol speelgoed, en uw hand strekt zich uit voordat u het weet. Denk dan aan Achan: hij zag, hij begeerde, hij nam, en hij verborg het in zijn tent. Zo begint het nog altijd, met een blik die blijft rusten waar hij niet mag rusten.
Hoor de stem van het gebod dan niet als de stem van een harde meester, maar als die van een liefhebbende ouder: „Raak het niet aan; het is niet voor u.” Wat de duivel aanbiedt met de woorden „dit alles zal ik u geven”, is een strik voor uw ziel. Maar de wereld gaat voorbij, en wie de wil van God doet, blijft in der eeuwigheid. Bid dan dat uw ogen worden afgewend van de ijdelheid, zodat u niets in uw tent verbergt wat de Heere u niet gegeven heeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Love not the world, neither the things that are in the world. If any man love the world, the love of the Father is not in him. For all that is in the world, the lust of the flesh, and the lust of the eyes, and the pride of life, is not of the Father, but is of the world. And the world passeth away, and the lust thereof: but he that doeth the will of God abideth for ever.
1 John 2:15-17
You will notice that this precept has a far-reaching meaning. It runs, “Love not the world, neither the things that are in the world.” That is a very wide sentence. It sets us, as it were, on the top of a high mountain, like that on which the Lord stood when He was tempted by the devil, and says to us, “Look around you: now, not one of these things are you to love.” Then it takes us through the streets of a busy city. It shows us shop windows full of beautiful objects, it points out to us all the wealth and splendour of the rich and the nobility, and all that the human heart admires and loves.
And when it has thus shown us, as the devil showed our Lord on the high mountain, the kingdoms of this world, it does not say, as the devil did, “All these things will I give thee,” but, “All these things will I take from you. None of these things is meant for you. You are not to love a single one of these glittering baubles; you must not touch one and scarcely look at them, lest, as with Achan, the wedge of gold and the goodly Babylonish garment tempt you to take them and hide them in your tent.”
The precept takes us through the world as a mother takes a child through a shop with toys and trinkets on every side, and says, “You may not touch any of these things.” In much the same way the precept takes us, as it were, through the world. And when we have looked at all the toys and all the trinkets, it sounds in our ears: “Touch none of them; they are not yours; not yours to dispose of, not yours even to covet.” Can anything less than this be meant by those words which should ever sound in the ears of the children of God: “Love not the world, neither the things that are in the world”?
Reading: Joshua 7
To the reader…
How often your eye lingers on the glittering baubles of this world! You walk through its streets like a child through a shop full of toys, and your hand reaches out before you know it. Think, then, of Achan: he saw, he coveted, he took, and he hid it in his tent. So it still begins, with a look that rests where it ought not to rest.
Hear the voice of the precept, then, not as the voice of a hard master, but as that of a loving parent: “Do not touch it; it is not for you.” What the devil offers with the words “All these things will I give thee” is a snare for your soul. But the world passes away, and he that doeth the will of God abideth for ever. Pray, then, that your eyes may be turned away from beholding vanity, so that you hide nothing in your tent which the Lord has not given you.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
No améis al mundo, ni las cosas que están en el mundo. Si alguno ama al mundo, el amor del Padre no está en él. Porque todo lo que hay en el mundo, la concupiscencia de la carne, y la concupiscencia de los ojos, y la soberbia de la vida, no es del Padre, mas es del mundo. Y el mundo se pasa, y su concupiscencia; mas el que hace la voluntad de Dios, permanece para siempre.
1 Juan 2:15-17
Notará que este precepto tiene un significado de largo alcance. Dice así: “No améis al mundo, ni las cosas que están en el mundo”. Es una sentencia muy amplia. Nos coloca, por así decirlo, en la cumbre de un monte alto, como aquel en que estuvo el Señor cuando fue tentado por el diablo, y nos dice: “Mira a tu alrededor: ni una sola de estas cosas has de amar”. Luego nos lleva por las calles de una ciudad concurrida. Nos muestra escaparates llenos de objetos hermosos, nos señala toda la riqueza y el esplendor de los ricos y de la nobleza, y todo lo que el corazón humano admira y ama.
Y cuando así nos ha mostrado, como el diablo mostró a nuestro Señor en el monte alto, los reinos de este mundo, no dice, como dijo el diablo: “Todo esto te daré”, sino: “Todo esto te lo quitaré. Ninguna de estas cosas es para ti. No has de amar ni uno solo de estos relucientes oropeles; no debes tocar ninguno y apenas mirarlos, no sea que, como a Acán, el lingote de oro y el hermoso manto babilónico te tienten a tomarlos y esconderlos en tu tienda”.
El precepto nos lleva por el mundo como una madre lleva a un niño por una tienda con juguetes y baratijas por todas partes, y le dice: “No puedes tocar ninguna de estas cosas”. De manera muy parecida nos lleva el precepto, por así decirlo, a través del mundo. Y cuando hemos mirado todos los juguetes y todas las baratijas, resuena en nuestros oídos: “No toques ninguno; no son tuyos; no son tuyos para disponer de ellos, ni siquiera para codiciarlos”. ¿Puede significar algo menos que esto aquellas palabras que siempre deberían resonar en los oídos de los hijos de Dios: “No améis al mundo, ni las cosas que están en el mundo”?
Lectura: Josué 7
Al lector…
¡Cuán a menudo se detiene su mirada en los relucientes oropeles de este mundo! Usted anda por sus calles como un niño por una tienda llena de juguetes, y su mano se extiende antes de que se dé cuenta. Piense, pues, en Acán: vio, codició, tomó, y lo escondió en su tienda. Así sigue comenzando todavía, con una mirada que se detiene donde no debería detenerse.
Escuche, pues, la voz del precepto, no como la voz de un amo duro, sino como la de un padre amoroso: “No lo toques; no es para ti”. Lo que el diablo ofrece con las palabras “Todo esto te daré” es un lazo para su alma. Pero el mundo se pasa, y el que hace la voluntad de Dios permanece para siempre. Ore, pues, para que sus ojos sean apartados de mirar la vanidad, a fin de que no esconda en su tienda nada que el Señor no le haya dado.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Dit gebod beveel ik u, mijn zoon Timotheüs, dat gij naar de profetieën, die van u voorgegaan zijn, in dezelve de goede strijd strijdt. Houdende het geloof en een goede consciëntie, welke sommigen verstoten hebbende, van het geloof schipbreuk geleden hebben.
1 Timotheüs 1:18-19
Deze goede strijd wordt gevoerd tegen drie voorname vijanden: het vlees, de wereld en de duivel. En al deze vijanden spannen zo nauw samen, en elk van hen is zo sterk en zo vijandig, dat zij ons gewisselijk overwinnen moeten, tenzij wij versterkt worden met kracht naar de inwendige mens. Daar is het vlees met al zijn aanlokselen, liefkozingen en bedriegelijke aantrekkingskracht, ons voortdurend netten en strikken voor de voeten uitspannend, telkens ons verstrikkende in enig kwaad woord of kwaad werk, en wij daartegenover ten enenmale weerloos. Zei ik weerloos? Ja, begerig om gehoor te geven, gelijk een onbedachtzame vogel, die de graankorrels voor zich ziet uitgespreid in de val, maar er niet aan denkt, wanneer hij eromheen fladdert, dat de steen zal vallen en hij als een gevangene zal worden opgesloten. Alzo ook wij: aangelokt door enige graankorrels, voor ons oog uitgespreid, zien wij dikwijls de strik niet, totdat wij erin gevangen zijn.
Het geloof dan is dat oog der ziel, dat de verborgen haak ziet; door het geloof roepen wij de Heere aan om ons te verlossen van te luisteren naar de aanlokking; en door het geloof, als een geestelijk wapen, snijden wij bij tijden de strik aan stukken. O, hoe weerloos zijn wij, als de verzoekingen en aanlokselen van het vlees pleiten voor inwilliging, tenzij het geloof in oefening is, tenzij het geloof vaststelt de haat van God tegen de zonde en in onze consciëntie een gevoel afdrukt van het hartdoorzoekend oog van God en Zijn toorn tegen alle ongerechtigheid! Doch waar de Heere het wapen des geloofs in de hand van Zijn soldaat geeft, wil Hij dikwijls zijn armen sterken om het te handhaven in deze tijden van uiterste nood, zelfs in geval het wapen hemzelf zou snijden en verwonden.
Hoe werd Jozef niet in staat gesteld om de strikken, voor zijn voeten uitgespannen, te ontwijken door zich de tegenwoordigheid Gods in gedachten te brengen! Hoe werd hij bekrachtigd om de band, vast rondom zijn hart gespannen, in stukken te breken, toen het geloof in zijn ziel zich deed gelden en hij zeide: „Hoe zou ik zulk een groot kwaad doen en zondigen tegen God?” Zie hoe die drie mannen op het punt stonden in de brandende oven geworpen te worden, tenzij zij het gouden beeld, dat Nebukadnezar opgericht had, wilden aanbidden; hoe zij werden belaagd door die vreselijke verzoeking om hun God te verloochenen en hun geloof te verzaken, maar ook hoe zij overwonnen door het levendig geloof! O, welk een kostelijk wapen is het geloof, als de Heere ons kracht verleent om het te hanteren!
Snijdt de weg door massa’s duiv’len,
wijl zij vallen voor het Woord.
Maar wanneer de zonde, de verzoeking en het ongeloof dit wapen ons uit de handen slaan; wanneer het schijnbaar bevende aan onze voeten ligt en wij geen ander zodanig zwaard uit Gods tuighuis krijgen kunnen, hoe naakt en weerloos staan wij dan voor onze vijanden! Daarom hebben wij niet alleen deze hemelse genade in onze zielen nodig, maar hebben wij ook nodig haar vast te houden en niet te laten gaan, opdat de toveres onze voet niet zou verstrikken in haar wargaren. En wederom, wanneer de satan met zijn krachtige verzoekingen en vurige pijlen bij ons aan boord komt, wat anders dan het geloof kan ons in staat stellen om hem te weerstaan? Gelijk de apostel zegt: „Bovenal aangenomen hebbende het schild des geloofs, waarmede gij al de vurige pijlen des bozen zult kunnen uitblussen.”
Niets dan het geloof in God, in Zijn kracht en tegenwoordigheid; niets dan het geloof in Jezus, in Zijn bloed en Zijn gerechtigheid; niets dan het geloof in de Heilige Geest, Die een banier in het hart opricht door middel van Zijn Goddelijke werking; niets dan het geloof in een drie-enig God kan de ziel in staat stellen te strijden tegen de aanvallen van de satan. Zie derhalve hoe onmisbaar het geloof is om de goede strijd te strijden; zo noodzakelijk, dat de goede strijd nadrukkelijk genoemd wordt: „de strijd des geloofs”. „Strijd de goede strijd des geloofs”: te kennen gevende dat het ware geloof de mens in staat stelt als meer dan overwinnaar uit de strijd te treden en elke tegenstand te overleven.
Aan de lezer…
Kent u dat? U voelt zich weerloos tegenover het vlees, de wereld en de duivel. Bent u als die onbedachtzame vogel, die de graankorrels ziet en de val niet bemerkt, totdat de steen valt? Het is zo; uit uzelf bent u niet alleen weerloos, maar zelfs begerig om naar de aanlokking te luisteren. Wees daarover eerlijk voor God, want juist zo leert u dat u een ander wapen nodig hebt dan uw eigen kracht.
Dat wapen is het geloof: het oog der ziel dat de verborgen haak ziet, het schild dat de vurige pijlen des bozen uitblust. En ligt het u schijnbaar uit de handen geslagen aan uw voeten, roep dan tot de Heere, Die het wapen geeft en Die ook de armen van Zijn soldaat sterkt. Zoals Jozef de tegenwoordigheid Gods gedacht en de drie mannen in de oven niet bogen, zo kan Hij u doen staan, en meer dan overwinnaar doen zijn.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Dit gebod beveel ik u, mijn zoon Timotheüs, dat gij naar de profetieën, die van u voorgegaan zijn, in dezelve de goede strijd strijdt. Houdende het geloof en een goede consciëntie, welke sommigen verstoten hebbende, van het geloof schipbreuk geleden hebben.
1 Timotheüs 1:18-19
Deze goede strijd wordt gevoerd tegen drie voorname vijanden: het vlees, de wereld en de duivel. Al deze vijanden spannen zo nauw samen, en elk van hen is zo sterk en zo vijandig, dat zij ons zeker zullen overwinnen, tenzij wij met kracht worden versterkt naar de inwendige mens. Daar is het vlees met al zijn verlokkingen, vleierij en bedrieglijke aantrekkingskracht. Het spant voortdurend netten en strikken voor onze voeten en verstrikt ons telkens in een of ander kwaad woord of kwade daad, en wij staan daar volkomen weerloos tegenover. Zei ik weerloos? Ja, zelfs begerig om eraan toe te geven, zoals een onbedachtzame vogel die de graankorrels in de val voor zich uitgestrooid ziet, maar er bij het rondfladderen niet aan denkt dat de steen zal vallen en hij als een gevangene zal worden opgesloten. Zo gaat het ook met ons: aangelokt door wat graankorrels die voor onze ogen zijn uitgestrooid, zien wij de strik vaak niet, totdat wij erin gevangen zitten.
Het geloof is dan het oog van de ziel dat de verborgen haak ziet. Door het geloof roepen wij de Heere aan om ons ervoor te bewaren naar de verlokking te luisteren, en door het geloof, als een geestelijk wapen, snijden wij soms de strik aan stukken. O, hoe weerloos zijn wij wanneer de verzoekingen en verlokkingen van het vlees aandringen om toe te geven, tenzij het geloof in oefening is! Tenzij het geloof de haat van God tegen de zonde vasthoudt en in ons geweten een besef drukt van Gods hartdoorzoekend oog en van Zijn toorn tegen alle ongerechtigheid. Maar waar de Heere het wapen van het geloof in de hand van Zijn soldaat geeft, wil Hij vaak ook zijn armen sterken om het in die tijden van uiterste nood te hanteren, zelfs als het wapen hemzelf zou snijden en verwonden.
Hoe werd Jozef in staat gesteld de strikken die voor zijn voeten gespannen waren te ontwijken, doordat hij zich de tegenwoordigheid van God voor ogen stelde! Hoe werd hij gesterkt om de band die stevig om zijn hart gespannen was te verbreken, toen het geloof in zijn ziel zich liet gelden en hij zei: „Hoe zou ik zulk een groot kwaad doen en zondigen tegen God?” Zie hoe die drie mannen op het punt stonden in de brandende oven geworpen te worden als zij het gouden beeld dat Nebukadnezar had opgericht niet wilden aanbidden; hoe zij belaagd werden door die vreselijke verzoeking om hun God te verloochenen en hun geloof te verzaken, maar ook hoe zij overwonnen door het levend geloof! O, wat een kostbaar wapen is het geloof, wanneer de Heere ons kracht geeft om het te hanteren!
Snijdt de weg door massa’s duiv’len,
wijl zij vallen voor het Woord.
Maar wanneer de zonde, de verzoeking en het ongeloof ons dit wapen uit de handen slaan; wanneer het, zo lijkt het, trillend aan onze voeten ligt en wij geen ander zwaard als dit uit Gods wapenhuis kunnen krijgen, hoe naakt en weerloos staan wij dan voor onze vijanden! Daarom hebben wij niet alleen deze hemelse genade in onze ziel nodig, maar moeten wij haar ook vasthouden en niet loslaten, zodat de verleidster onze voet niet verstrikt in haar warnet. En verder: wanneer satan met zijn krachtige verzoekingen en vurige pijlen bij ons aan boord komt, wat anders dan het geloof kan ons in staat stellen hem te weerstaan? Zoals de apostel zegt: „Bovenal aangenomen hebbende het schild des geloofs, waarmede gij al de vurige pijlen des bozen zult kunnen uitblussen.”
Niets dan het geloof in God, in Zijn kracht en tegenwoordigheid; niets dan het geloof in Jezus, in Zijn bloed en Zijn gerechtigheid; niets dan het geloof in de Heilige Geest, Die door Zijn goddelijke werking een banier in het hart opricht; niets dan het geloof in een drie-enig God kan de ziel in staat stellen te strijden tegen de aanvallen van satan. Zie daarom hoe onmisbaar het geloof is om de goede strijd te strijden; zo noodzakelijk dat de goede strijd uitdrukkelijk „de strijd des geloofs” genoemd wordt. „Strijd de goede strijd des geloofs”: daarmee wordt aangegeven dat het ware geloof een mens in staat stelt als meer dan overwinnaar uit de strijd te komen en elke tegenstand te doorstaan.
Aan de lezer…
Kent u dat? U voelt zich weerloos tegenover het vlees, de wereld en de duivel. Bent u als die onbedachtzame vogel, die de graankorrels ziet en de val niet opmerkt, totdat de steen valt? Het is zo: uit uzelf bent u niet alleen weerloos, maar zelfs begerig om naar de verlokking te luisteren. Wees daar eerlijk over voor God, want juist zo leert u dat u een ander wapen nodig hebt dan uw eigen kracht.
Dat wapen is het geloof: het oog van de ziel dat de verborgen haak ziet, het schild dat de vurige pijlen van de boze uitblust. En ligt het u, zo lijkt het, uit de handen geslagen aan uw voeten, roep dan tot de Heere, Die het wapen geeft en Die ook de armen van Zijn soldaat sterkt. Zoals Jozef aan de tegenwoordigheid van God dacht en de drie mannen bij de oven niet bogen, zo kan Hij u doen staan, en meer dan overwinnaar doen zijn.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“This charge I commit unto thee, son Timothy, according to the prophecies which went before on thee, that thou by them mightest war a good warfare; holding faith, and a good conscience; which some having put away concerning faith have made shipwreck.”
1 Timothy 1:18, 19
This “good warfare” is carried on against three principal enemies—the flesh, the world, and the devil; and each of these enemies so closely allied to ourselves, and each so powerful and so hostile, that they must surely overcome us, unless we are “strengthened with might in the inner man.”
There is the FLESH, with all its baits, charms, and subtle attractions, continually laying its snares and traps for our feet, perpetually ensnaring us in some evil word or some evil work, and we in ourselves utterly defenseless against it. Said I defenseless? Yes, eager to run into it, like the silly bird that sees the grains of grain spread in the trap, but thinks not, when it flutters around it, that the trap will fall and confine it a prisoner. So we, allured by a few grains of grain spread before our eyes, often see not the snare, until we are fast entangled therein.
Faith then is that eye of the soul which sees the concealed hook; by faith we call upon the Lord to deliver us from snatching at the bait; and by faith, as a spiritual weapon, we cut at times the snare asunder. Oh, how defenseless are we, when the temptations and allurements of the flesh plead for indulgence, unless faith is in exercise, unless faith realizes the hatred of God against sin, and brings into our consciences a sense of God’s heart-searching eye, and His wrath against all transgression! But where the Lord has put this weapon of faith into the hand of His soldier, He will often strengthen his arm to wield it in these seasons of extremity, even though that weapon should cut and wound self.
How Joseph was enabled to resist the snares spread for his feet, by calling to mind the presence of the Lord! How he was strengthened to break asunder that bond which was fast twining round his heart, when faith sprang up in his soul, and he said, “How can I do this great wickedness, and sin against God?” How the three children who were about to be cast into the burning, fiery furnace, unless they would worship the golden image that Nebuchadnezzar had set up, overcame that dreadful temptation to renounce their God and prove apostates, by living faith! Oh, what a weapon faith is, when the Lord does but give us power to wield it! How, as Hart says, it—
“Cuts the way through hosts of devils,
While they fall before the word.”
But when sin, temptation, and unbelief beat this weapon out of our hands, when it lies seemingly shattered at our feet, and we cannot get another such sword from God’s armory, how we stand naked and defenseless before our enemies! Therefore what need we have not merely of this heavenly grace in our souls, but to hold it fast and not let it go, lest the enchantress should catch our feet in her wiles and snares.
So, again, when SATAN comes in with his fierce temptations and fiery darts, what but faith can enable the soul to stand up against them, as the Apostle says, “Above all, taking the shield of faith, with which you shall be able to quench all the fiery darts of the wicked one.” Nothing but faith in God, in His power and presence; nothing but faith in Jesus, in His blood and His righteousness; nothing but faith in the Holy Spirit, as lifting up a standard in the heart by means of His divine operations; nothing but faith in a triune God can enable the soul to battle against Satan’s assaults. Therefore see how indispensable faith is to fight a good fight, yes, so indispensable that a good fight is called emphatically “the fight of faith,” “fight the good fight of faith,” implying that true faith will enable a man to come off more than conqueror through every battle and to survive every conflict.
To the reader…
Do you know this? You feel defenseless against the flesh, the world and the devil. Are you like that thoughtless bird, which sees the grains and does not notice the trap until it falls? It is so: in yourself you are not only defenseless, but even eager to listen to the enticement. Be honest about that before God, for that is exactly how you learn that you need another weapon than your own strength.
That weapon is faith: the eye of the soul that sees the hidden hook, the shield that quenches the fiery darts of the wicked one. And if it lies, so it seems, beaten out of your hands at your feet, cry to the Lord, Who gives the weapon and Who also strengthens the arms of His soldier. As Joseph remembered the presence of God and the three men at the furnace did not bow, so He can make you stand, and be more than a conqueror.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Este mandamiento, hijo Timoteo, te encargo, para que, conforme a las profecías pasadas de ti, milites por ellas buena milicia; manteniendo la fe y buena conciencia, la cual echando de sí algunos, hicieron naufragio en la fe.”
1 Timoteo 1:18, 19
Esta “buena milicia” se libra contra tres enemigos principales: la carne, el mundo y el diablo; y cada uno de estos enemigos está tan estrechamente aliado con nosotros mismos, y cada uno es tan poderoso y tan hostil, que ciertamente nos vencerían si no fuéramos “corroborados con potencia en el hombre interior”.
Está la CARNE, con todos sus cebos, encantos y sutiles atractivos, tendiendo continuamente sus lazos y trampas a nuestros pies, enredándonos perpetuamente en alguna palabra mala o alguna obra mala, y nosotros en nosotros mismos completamente indefensos contra ella. ¿Dije indefensos? Sí, ansiosos de correr a ella, como el ave necia que ve los granos esparcidos en la trampa, pero no piensa, cuando revolotea a su alrededor, que la trampa caerá y la encerrará prisionera. Así nosotros, atraídos por unos pocos granos esparcidos ante nuestros ojos, a menudo no vemos el lazo hasta que estamos firmemente enredados en él.
La fe, pues, es aquel ojo del alma que ve el anzuelo escondido; por la fe invocamos al Señor para que nos libre de arrebatar el cebo; y por la fe, como arma espiritual, cortamos a veces el lazo. ¡Oh, cuán indefensos estamos, cuando las tentaciones y los halagos de la carne reclaman ser satisfechos, a menos que la fe esté en ejercicio, a menos que la fe perciba el odio de Dios contra el pecado y traiga a nuestra conciencia un sentido del ojo de Dios que escudriña el corazón, y de Su ira contra toda transgresión! Pero donde el Señor ha puesto esta arma de la fe en la mano de Su soldado, a menudo fortalecerá su brazo para manejarla en esos tiempos de extremidad, aunque esa arma corte y hiera al yo.
¡Cómo fue capacitado José para resistir los lazos tendidos a sus pies, trayendo a la memoria la presencia del Señor! ¡Cómo fue fortalecido para romper aquel lazo que se iba enroscando firmemente alrededor de su corazón, cuando la fe brotó en su alma y dijo: “¿Cómo, pues, haría yo este grande mal y pecaría contra Dios?” ¡Cómo los tres jóvenes que estaban a punto de ser echados en el horno de fuego ardiendo, a menos que adoraran la estatua de oro que Nabucodonosor había levantado, vencieron por la fe viva aquella terrible tentación de renunciar a su Dios y hacerse apóstatas! ¡Oh, qué arma es la fe, cuando el Señor nos da tan solo poder para manejarla! Cómo, como dice Hart, ella…
“Abre camino entre huestes de demonios,
mientras ellos caen ante la palabra.”
Pero cuando el pecado, la tentación y la incredulidad nos arrancan esta arma de las manos, cuando yace aparentemente hecha pedazos a nuestros pies, y no podemos conseguir otra espada semejante de la armería de Dios, ¡cómo quedamos desnudos e indefensos delante de nuestros enemigos! Por tanto, ¡cuánta necesidad tenemos, no solo de esta gracia celestial en nuestras almas, sino de retenerla firmemente y no soltarla, no sea que la hechicera atrape nuestros pies en sus artimañas y lazos!
Así también, cuando SATANÁS viene con sus fieras tentaciones y sus dardos de fuego, ¿qué sino la fe puede capacitar al alma para mantenerse en pie contra ellos, como dice el apóstol: “Sobre todo, tomando el escudo de la fe, con que podáis apagar todos los dardos de fuego del maligno”? Nada sino la fe en Dios, en Su poder y Su presencia; nada sino la fe en Jesús, en Su sangre y Su justicia; nada sino la fe en el Espíritu Santo, que levanta bandera en el corazón por medio de Sus operaciones divinas; nada sino la fe en un Dios trino puede capacitar al alma para luchar contra los asaltos de Satanás. Vea, pues, cuán indispensable es la fe para pelear una buena batalla; sí, tan indispensable, que la buena batalla se llama enfáticamente “la batalla de la fe”: “Pelea la buena batalla de la fe”, lo cual implica que la fe verdadera capacitará al hombre para salir más que vencedor de toda batalla y sobrevivir a todo conflicto.
Al lector…
¿Conoce usted esto? Se siente indefenso contra la carne, el mundo y el diablo. ¿Es usted como aquella ave irreflexiva, que ve los granos y no advierte la trampa hasta que cae? Así es: en sí mismo no solo está indefenso, sino incluso ansioso de escuchar el halago. Sea sincero en eso delante de Dios, porque precisamente así aprende que necesita otra arma que su propia fuerza.
Esa arma es la fe: el ojo del alma que ve el anzuelo escondido, el escudo que apaga los dardos de fuego del maligno. Y si yace, según parece, arrancada de sus manos a sus pies, clame al Señor, que da el arma y que también fortalece los brazos de Su soldado. Así como José recordó la presencia de Dios y los tres jóvenes junto al horno no se inclinaron, así Él puede hacerle estar firme y ser más que vencedor.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl