4 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
11 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
De wijze vreest en wijkt van het kwade, maar de zot is oplopende toornig en zorgeloos.
Spreuken 14:16
Ik geloof dat geen levende ziel zich tevreden kan stellen met een denkbeeldige godsdienst; ofschoon hij een ellendig afzwerver is, in de woestijn gedreven om zwijnen te hoeden, kan hij zich niet voeden met hun draf, maar verlangt hij naar het brood in het huis van zijn Vader. Als zijn ogen opgeklaard zijn om de aard der zonde, de rechtvaardigheid en heiligheid Gods en zijn eigen onreinheid te zien, kan de levendgemaakte geen rust in iets anders vinden dan in de heerlijke ontdekking van het Lam Gods; en hoe meer de ziel geoefend wordt door beproevingen, verzoekingen, twijfelingen en aanvechtingen van allerlei aard, des te meer voelt zij behoefte aan dat bloed der besprenging, dat betere dingen spreekt dan dat van Abel.
Wat is de waarde van een christen zonder een inwendig sterven en strijden? Hoe dood en zielloos zijn onze gebeden, hoe koud en vormelijk, wanneer de ziel niet steeds beziggehouden wordt met inwendige strijd! Wat betekenen de zuchten, de kreten, het gekerm, het worstelen en het hijgen van een ziel die rustig is in Sion? De wereld is alles en Christus niets, wanneer wij rusten op onze droesem en niet van vat tot vat worden geledigd; maar inwendige strijd, vrees, benauwdheid en verzoekingen sporen de ziel aan tot roepen, tot bidden, tot vragen om erbarming. Dan worden de zekerheid, de kracht en de wezenlijkheid der eeuwige dingen gevoeld, wanneer schuld en toorn en vrees en onrust de ziel aangrijpen.
Loutere denkbeelden van Christus, valse hoop, een dood geloof, een eigenmachtig vertrouwen, een onreine gerustheid, alles wordt weggevaagd als even zoveel toevluchtsoorden van leugens, wanneer de ziel toebereid is om haar naaktheid en nietigheid, haar schuld en hulpeloosheid voor God te voelen. Zo baant al die inwendige strijd de weg tot het vinden van Christus – dat zien van Zijn bloed en Zijn gerechtigheid, die bij ervaring verkregen kennis van Zijn Persoon, Zijn liefde, Zijn genade en Zijn werk, hetwelk is leven en vrede.
Mijn geroep, uit angst en vrezen,
klimt tot God, het Opperwezen.
Ps. 77:1
Aan de lezer…
Misschien zucht u onder een strijd die maar niet ophoudt. Twijfelingen, verzoekingen, schuld en onrust grijpen uw ziel aan, en u vraagt: waarom toch? Was het niet beter rustig te zijn, zoals zovelen om u heen? Ik zeg u eerlijk dat een ziel die rust op haar droesem, koud en vormelijk wordt. De wereld is dan alles en Christus niets. Maar wie benauwd is, leert roepen; wie zijn naaktheid voelt, leert vragen om erbarming.
Waarde lezer, zo baant al die inwendige strijd de weg tot het vinden van Christus. Wat u nu zo zwaar valt, vaagt de toevluchten der leugen weg: de valse hoop, het dode geloof, de onreine gerustheid. En wat blijft er dan over? Het bloed der besprenging, dat betere dingen spreekt dan dat van Abel. Laat uw strijd u dus heendrijven naar het Lam Gods. In Hem alleen vindt de levendgemaakte rust, en in Hem is leven en vrede.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De wijze vreest en wijkt van het kwade, maar de zot is oplopende toornig en zorgeloos.
Spreuken 14:16
Ik geloof dat geen levende ziel zich tevreden kan stellen met een denkbeeldige godsdienst. Ook al is hij een ellendige zwerver, in de woestijn gedreven om zwijnen te hoeden, hij kan zich niet voeden met hun draf, maar verlangt naar het brood in het huis van zijn Vader. Als zijn ogen geopend zijn om de aard van de zonde, de rechtvaardigheid en heiligheid van God en zijn eigen onreinheid te zien, kan de levendgemaakte in niets anders rust vinden dan in de heerlijke ontdekking van het Lam van God. En hoe meer de ziel geoefend wordt door beproevingen, verzoekingen, twijfels en aanvechtingen van allerlei aard, des te meer voelt zij behoefte aan dat bloed der besprenging, dat betere dingen spreekt dan dat van Abel.
Wat is de waarde van een christen zonder een innerlijk sterven en strijden? Hoe dood en zielloos zijn onze gebeden, hoe koud en vormelijk, wanneer de ziel niet steeds bezig wordt gehouden door innerlijke strijd! Wat betekenen de zuchten, de kreten, het gekerm, het worstelen en het hijgen voor een ziel die gerust is in Sion? De wereld is alles en Christus niets, wanneer wij rusten op onze droesem en niet van vat tot vat worden overgegoten. Maar innerlijke strijd, vrees, benauwdheid en verzoekingen sporen de ziel aan tot roepen, tot bidden en tot vragen om ontferming. Dan worden de zekerheid, de kracht en de werkelijkheid van de eeuwige dingen gevoeld, wanneer schuld en toorn en vrees en onrust de ziel aangrijpen.
Loutere denkbeelden van Christus, valse hoop, een dood geloof, een eigenmachtig vertrouwen, een onreine gerustheid: alles wordt weggevaagd als zoveel toevluchten van leugens, wanneer de ziel toebereid is om haar naaktheid en nietigheid, haar schuld en hulpeloosheid voor God te voelen. Zo baant al die innerlijke strijd de weg tot het vinden van Christus: tot dat zien van Zijn bloed en Zijn gerechtigheid, tot die bevindelijke kennis van Zijn Persoon, Zijn liefde, Zijn genade en Zijn werk, die leven en vrede is.
Mijn geroep, uit angst en vrezen,
klimt tot God, het Opperwezen.
Ps. 77:1
Aan de lezer…
Misschien zucht u onder een strijd die maar niet ophoudt. Twijfels, verzoekingen, schuld en onrust grijpen uw ziel aan, en u vraagt: waarom toch? Was het niet beter rustig te zijn, zoals zovelen om u heen? Ik zeg u eerlijk dat een ziel die op haar droesem rust, koud en vormelijk wordt. De wereld is dan alles en Christus niets. Maar wie benauwd is, leert roepen; wie zijn naaktheid voelt, leert vragen om ontferming.
Zo baant al die innerlijke strijd de weg tot het vinden van Christus. Wat u nu zo zwaar valt, vaagt de toevluchten van de leugen weg: de valse hoop, het dode geloof, de onreine gerustheid. En wat blijft er dan over? Het bloed der besprenging, dat betere dingen spreekt dan dat van Abel. Laat uw strijd u dus heendrijven naar het Lam van God. In Hem alleen vindt de levendgemaakte rust, en in Hem is leven en vrede.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
A wise man feareth, and departeth from evil: but the fool rageth, and is confident.
Proverbs 14:16
I believe no true Christian can be satisfied with a notional religion—though a miserable backslider, and driven into the fields to feed swine, he cannot feed on their husks, but sighs after the bread of his Father’s house. The eyes being enlightened to see the nature of sin, the justice and holiness of God, and the miserable filthiness of self, the quickened soul can find no rest in anything short of a precious discovery of the Lamb of God; and the more that the soul is exercised with trials, difficulties, temptations, doubts, and besetments of various kinds, the more does it feel its need of that blood of sprinkling that speaks better things than that of Abel.
What is a Christian worth without inward trials and afflictions? How dead and lifeless are our prayers; how cold and formal when the soul is not kept alive by inward exercises! Where are the sighs, cries, groanings, wrestlings, and breathings of a soul that is at ease in Zion? The world is everything and Christ nothing, when we become settled on our lees, and are not emptied from vessel to vessel; but inward exercises, fears, straits, and temptations stir up the soul to cry, and pray, and beg for mercy. The certainty, the power, the reality of eternal things are then felt—when guilt, and wrath, and fear, and disquietude lay hold of the soul.
Mere notions alone of Christ, false hope, a dead faith, a presumptuous confidence, a rotten assurance, are all swept away as so many refuges of lies, when the soul is made to feel its nakedness and nothingness, its guilt and helplessness before God. And thus all these inward exercises pave the way for discoveries of Christ—those views of His blood and righteousness, that experimental acquaintance with His Person, love, grace, and work, which is life and peace.
To the reader…
Perhaps you are sighing under a conflict that will not end. Doubts, temptations, guilt and unrest lay hold of your soul, and you ask: why should this be? Would it not be better to be at ease, like so many around you? I tell you honestly that a soul settled on its lees grows cold and formal. The world is then everything and Christ nothing. But whoever is in straits learns to cry; whoever feels his nakedness learns to beg for mercy.
So all that inward conflict paves the way to finding Christ. What weighs so heavily on you now sweeps away the refuges of lies: the false hope, the dead faith, the unholy ease. And what is left then? The blood of sprinkling, that speaks better things than that of Abel. Let your conflict, then, drive you to the Lamb of God. In Him alone does the quickened soul find rest, and in Him is life and peace.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
El sabio teme, y se aparta del mal: mas el necio se arrebata, y confía.
Proverbios 14:16
Creo que ningún verdadero cristiano puede contentarse con una religión de nociones; aunque sea un miserable descarriado, echado a los campos a apacentar cerdos, no puede alimentarse de sus algarrobas, sino que suspira por el pan de la casa de su Padre. Estando los ojos iluminados para ver la naturaleza del pecado, la justicia y santidad de Dios, y la miserable inmundicia del yo, el alma vivificada no puede hallar descanso en nada que sea menos que un precioso descubrimiento del Cordero de Dios; y cuanto más es ejercitada el alma con pruebas, dificultades, tentaciones, dudas y asedios de diversas clases, tanto más siente su necesidad de aquella sangre del esparcimiento que habla mejor que la de Abel.
¿Qué vale un cristiano sin pruebas y aflicciones interiores? ¡Cuán muertas y sin vida son nuestras oraciones; cuán frías y formales cuando el alma no es mantenida viva por ejercicios interiores! ¿Dónde están los suspiros, los clamores, los gemidos, las luchas y los anhelos de un alma que está reposada en Sion? El mundo lo es todo y Cristo nada cuando reposamos sobre nuestra hez y no somos trasegados de vaso en vaso; pero los ejercicios interiores, los temores, las estrecheces y las tentaciones despiertan el alma a clamar, orar y rogar misericordia. La certeza, el poder y la realidad de las cosas eternas se sienten entonces, cuando la culpa, la ira, el temor y la inquietud se apoderan del alma.
Las meras nociones de Cristo, la esperanza falsa, la fe muerta, la confianza presuntuosa, la seguridad podrida, todas son barridas como otros tantos refugios de mentira cuando se hace sentir al alma su desnudez y su nada, su culpa y su impotencia delante de Dios. Y así todos estos ejercicios interiores preparan el camino para los descubrimientos de Cristo: aquellas vistas de Su sangre y justicia, aquel conocimiento experimental de Su Persona, Su amor, Su gracia y Su obra, que es vida y paz.
Al lector…
Quizá suspira usted bajo una lucha que no termina. Dudas, tentaciones, culpa e inquietud se apoderan de su alma, y pregunta: ¿por qué ha de ser así? ¿No sería mejor estar reposado, como tantos a su alrededor? Le digo con sinceridad que un alma que reposa sobre su hez se vuelve fría y formal. El mundo lo es entonces todo y Cristo nada. Pero quien está en estrechez aprende a clamar; quien siente su desnudez aprende a rogar misericordia.
Así toda esa lucha interior prepara el camino para hallar a Cristo. Lo que ahora pesa tanto sobre usted barre los refugios de mentira: la esperanza falsa, la fe muerta, el reposo impío. ¿Y qué queda entonces? La sangre del esparcimiento, que habla mejor que la de Abel. Deje, pues, que su lucha le lleve al Cordero de Dios. Solo en Él halla descanso el alma vivificada, y en Él hay vida y paz.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
De zegen van Jozef
Elk der takken loopt over de muur.
Genesis 49:22
Er wordt nog iets opmerkenswaardigs over Jozef gezegd: „Elk der takken loopt over de muur.” Men ziet dat de vruchtbaarheid die hem was verleend, niet alleen zorgde voor bladeren en vruchten, maar ook voor de lengte van de tak. Van alle bomen en struiken is de wijnstok het zwakst, zoals de profeet Ezechiël zegt: „Wordt daarvan hout genomen, om een stuk werk te maken? Neemt men daarvan een pin, om enig vat daaraan te hangen?” (Ez. 15:3). De wijnstok is hulpeloos en kruipend, en heeft daarom latwerk of een muur nodig om aan te hangen en tot zijn uiterste lengte uit te groeien. Wat is deze muur? Is het nodig dat ik het antwoord geef? U heeft het al in uw eigen gemoed gegeven: Jezus Christus, de Zoon van God!
Hij is de muur, zoals de Heilige Geest de fontein is; en zoals de takken van Jozef, de vruchtbare tak, over de muur liepen en er met al hun gewicht op rustten, zo rusten en hangen geloof, hoop en liefde en alle zich verspreidende ranken en takken van ware godsdienst aan de muur, Christus. Welnu, de groei van de wijnstok kent geen andere grens dan de lengte van de muur. Ik heb een wijnstok gezien die tien of twaalf huizen bedekte. Hij kan zo ver uitgroeien als de muur groot is, en de takken lopen eroverheen alsof ze het heerlijk vinden zich zo ver als ze kunnen te verspreiden.
Zo is het ook met het geloof, de hoop en de liefde van een kind van God. Als hij de stevige fundering vindt die de Zoon van God, God en Mens in één Persoon, Immanuël, God met ons, het geloof verschaft, breidt hij zijn hele ziel over Hem uit. Wat is de wijnstok zonder een muur? Kruipend, liggend op de grond. En wat zijn de vruchten zonder muur? Verpletterd in het stof, vertrapt onder de voeten van elke voorbijganger, gesleept door modder en vuil. Maar als hij door een muur wordt gesteund, worden de vruchten niet verpletterd, niet vertrapt, maar blijven zij behouden in al hun overvloed en schoonheid. We dragen geen vrucht ter ere van God, ten bate van Zijn volk en ten gunste van Zijn Kerk, tenzij we op Christus rusten.
Lezen: Jesaja 32:1-8
Aan de lezer…
Hoe zwak is de wijnstok, waarvan men zelfs geen pin kan maken! Voelt u zich ook zo zwak? Hulpeloos, kruipend, geneigd om op de grond te liggen? Wees daar niet over verwonderd. De wijnstok is niet gemaakt om op eigen kracht te staan, maar om te rusten op een muur. En die muur is Jezus Christus, de Zoon van God, Immanuël, God met ons.
Zonder Hem wordt de vrucht vertrapt in het stof; op Hem gesteund blijft zij bewaard in haar overvloed en schoonheid. Probeer dan niet langer uw eigen stut te zijn. Laat uw geloof, uw hoop en uw liefde zich met al hun gewicht over Hem uitspreiden. De groei van de wijnstok kent geen andere grens dan de lengte van de muur, en wie zou de grenzen van Christus’ volheid kunnen meten? Er is in Hem ruimte genoeg voor de zwakste rank. Rust daar, en u zult vrucht dragen tot eer van God.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Elk der takken loopt over de muur.
Genesis 49:22
Er wordt over Jozef nog iets opmerkelijks gezegd: „Elk der takken loopt over de muur.” We zien dat de vruchtbaarheid die hem was geschonken, niet alleen zorgde voor bladeren en vruchten, maar ook voor de lengte van de tak. Van alle bomen en struiken is de wijnstok de zwakste, zoals de profeet Ezechiël zegt: „Wordt daarvan hout genomen, om een stuk werk te maken? Neemt men daarvan een pin, om enig vat daaraan te hangen?” (Ez. 15:3). De wijnstok is hulpeloos en kruipt over de grond, en heeft daarom latwerk of een muur nodig om zich aan vast te houden en tot zijn volle lengte uit te groeien. Wat is deze muur? Moet ik het antwoord nog geven? U hebt het in uw eigen hart al gegeven: Jezus Christus, de Zoon van God!
Hij is de muur, zoals de Heilige Geest de fontein is. Zoals de takken van Jozef, de vruchtbare tak, over de muur liepen en er met al hun gewicht op rustten, zo rusten en hangen geloof, hoop en liefde en alle zich uitbreidende ranken en takken van ware godsdienst aan de muur, die Christus is. De groei van de wijnstok kent geen andere grens dan de lengte van de muur. Ik heb een wijnstok gezien die tien of twaalf huizen bedekte. Hij kan zo ver uitgroeien als de muur groot is, en de takken lopen eroverheen alsof ze het heerlijk vinden zich zo ver mogelijk uit te breiden.
Zo is het ook met het geloof, de hoop en de liefde van een kind van God. Wanneer hij de vaste grond vindt die de Zoon van God, God en Mens in één Persoon, Immanuël, God met ons, aan het geloof geeft, breidt hij zijn hele ziel over Hem uit. Wat is de wijnstok zonder muur? Kruipend, liggend op de grond. En wat zijn de vruchten zonder muur? Verpletterd in het stof, vertrapt onder de voeten van iedere voorbijganger, door modder en vuil gesleept. Maar als hij door een muur wordt gesteund, worden de vruchten niet verpletterd en niet vertrapt, maar blijven zij bewaard in al hun overvloed en schoonheid. We dragen geen vrucht tot eer van God, tot nut van Zijn volk en tot welzijn van Zijn Kerk, als we niet op Christus rusten.
Lezen: Jesaja 32:1-8
Aan de lezer…
Hoe zwak is de wijnstok, waarvan men zelfs geen pin kan maken! Voelt u zich ook zo zwak? Hulpeloos, kruipend, geneigd om op de grond te blijven liggen? Verwonder u daar niet over. De wijnstok is niet gemaakt om op eigen kracht te staan, maar om op een muur te rusten. En die muur is Jezus Christus, de Zoon van God, Immanuël, God met ons.
Zonder Hem wordt de vrucht vertrapt in het stof; door Hem gesteund blijft zij bewaard in haar overvloed en schoonheid. Probeer dan niet langer uw eigen steun te zijn. Laat uw geloof, uw hoop en uw liefde zich met al hun gewicht over Hem uitspreiden. De groei van de wijnstok kent geen andere grens dan de lengte van de muur, en wie zou de grenzen van Christus’ volheid kunnen meten? In Hem is ruimte genoeg voor de zwakste rank. Rust daar, en u zult vrucht dragen tot eer van God.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Whose branches run over the wall.
Genesis 49:22
Something else remarkable is said of Joseph: “whose branches run over the wall.” We see that the fruitfulness given to him produced not only leaves and fruit, but also length of branch. Of all trees and shrubs the vine is the weakest, as the prophet Ezekiel says: “Shall wood be taken thereof to do any work? or will men take a pin of it to hang any vessel thereon?” (Ezek. 15:3). The vine is helpless and creeps along the ground, and therefore needs a trellis or a wall to cling to and to grow out to its full length. What is this wall? Need I give the answer? You have already given it in your own heart: Jesus Christ, the Son of God!
He is the wall, as the Holy Ghost is the well. As the branches of Joseph, the fruitful bough, ran over the wall and rested on it with all their weight, so faith, hope and love and all the spreading shoots and branches of true religion rest and hang upon the wall, which is Christ. The growth of the vine knows no other limit than the length of the wall. I have seen a vine that covered ten or twelve houses. It can grow out as far as the wall is large, and the branches run over it as though they delighted to spread out as far as possible.
So it is with the faith, hope and love of a child of God. When he finds the firm ground that the Son of God, God and Man in one Person, Immanuel, God with us, gives to faith, he spreads his whole soul over Him. What is the vine without a wall? Creeping, lying on the ground. And what is the fruit without a wall? Crushed in the dust, trodden under the feet of every passer-by, dragged through mud and dirt. But when the vine is supported by a wall, the fruit is not crushed and not trodden down, but is preserved in all its abundance and beauty. We bear no fruit to the glory of God, to the profit of His people and to the good of His Church, unless we rest upon Christ.
Reading: Isaiah 32:1-8
To the reader…
How weak is the vine, of which one cannot even make a pin! Do you feel so weak too? Helpless, creeping, inclined to stay lying on the ground? Do not wonder at it. The vine was not made to stand in its own strength, but to rest upon a wall. And that wall is Jesus Christ, the Son of God, Immanuel, God with us.
Without Him the fruit is trodden into the dust; supported by Him it is preserved in its abundance and beauty. Do not try any longer, then, to be your own support. Let your faith, your hope and your love spread themselves over Him with all their weight. The growth of the vine knows no other limit than the length of the wall, and who could measure the bounds of Christ’s fulness? In Him there is room enough for the weakest branch. Rest there, and you will bear fruit to the glory of God.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Cuyos vástagos se extienden sobre el muro.
Génesis 49:22
Se dice de José algo más que es notable: “cuyos vástagos se extienden sobre el muro”. Vemos que la fecundidad que le fue dada no solo produjo hojas y fruto, sino también largura de rama. De todos los árboles y arbustos la vid es el más débil, como dice el profeta Ezequiel: “¿Tomarán de ella madera para hacer alguna obra? ¿Tomarán de ella una estaca para colgar en ella algún vaso?” (Ez. 15:3). La vid es impotente y se arrastra por el suelo, y por eso necesita una espaldera o un muro al cual asirse y crecer hasta su plena longitud. ¿Qué es este muro? ¿Necesito dar la respuesta? Usted ya la ha dado en su propio corazón: ¡Jesucristo, el Hijo de Dios!
Él es el muro, como el Espíritu Santo es la fuente. Así como los vástagos de José, el ramo fructífero, se extendían sobre el muro y descansaban en él con todo su peso, así la fe, la esperanza y el amor y todos los brotes y ramas extendidos de la verdadera religión descansan y penden del muro, que es Cristo. El crecimiento de la vid no conoce otro límite que la longitud del muro. He visto una vid que cubría diez o doce casas. Puede extenderse tanto como grande es el muro, y los vástagos se extienden sobre él como si se deleitaran en esparcirse lo más posible.
Así sucede con la fe, la esperanza y el amor de un hijo de Dios. Cuando halla el terreno firme que el Hijo de Dios, Dios y Hombre en una Persona, Emmanuel, Dios con nosotros, da a la fe, extiende toda su alma sobre Él. ¿Qué es la vid sin muro? Arrastrándose, tendida en el suelo. ¿Y qué es el fruto sin muro? Aplastado en el polvo, pisoteado por los pies de todo transeúnte, arrastrado por el barro y la suciedad. Pero cuando la vid está sostenida por un muro, el fruto no es aplastado ni pisoteado, sino que se conserva en toda su abundancia y hermosura. No llevamos fruto para la gloria de Dios, para provecho de Su pueblo y para bien de Su Iglesia, a menos que descansemos en Cristo.
Lectura: Isaías 32:1-8
Al lector…
¡Cuán débil es la vid, de la cual ni siquiera puede hacerse una estaca! ¿Se siente usted también tan débil? ¿Impotente, arrastrándose, inclinado a quedarse tendido en el suelo? No se extrañe. La vid no fue hecha para sostenerse en su propia fuerza, sino para descansar en un muro. Y ese muro es Jesucristo, el Hijo de Dios, Emmanuel, Dios con nosotros.
Sin Él el fruto es pisoteado en el polvo; sostenido por Él se conserva en su abundancia y hermosura. No intente, pues, ser más su propio sostén. Deje que su fe, su esperanza y su amor se extiendan sobre Él con todo su peso. El crecimiento de la vid no conoce otro límite que la longitud del muro, ¿y quién podría medir los límites de la plenitud de Cristo? En Él hay espacio suficiente para la rama más débil. Descanse allí, y llevará fruto para la gloria de Dios.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Grijp naar het eeuwige leven.
1 Tim. 6:12
De hoofdwerkzaamheid van de hand is te grijpen, een voorwerp vast te pakken. De hand van de mens is het meesterstuk van de ontleedkunde; de vingers en de daar vlak tegenoverstaande duim zijn daartoe met een bepaald doel door hun Goddelijke Kunstenaar geformeerd, namelijk om een voorwerp te grijpen en vast te houden. Daarom spannen iedere spier, slagader, ader en zenuw tezamen om deze bestemde handeling uit te voeren. Is er ook in de oefening des geloofs niet iets wat daarmede overeenstemt? Wat zegt de Heere? „Of hij moest Mijn sterkte aangrijpen; hij zal vrede met Mij maken; vrede zal hij met Mij maken.” Er is dus een aangrijpen van Gods sterkte.
Geschiedt dit niet door het geloof? Is er een andere genade van de Geest die de Heere aangrijpt, gelijk Jacob de worstelende engel aangreep, en een zinkende Petrus de hand van de Heere Jezus? „Grijp naar het eeuwige leven”, is Paulus’ bevel aan Timotheüs. Maar hoe wordt het eeuwige leven, en in het bijzonder Jezus, „het Leven”, aangegrepen anders dan door het geloof? „Die in Mij gelooft,” zegt Jezus, „heeft het eeuwige leven.” Hij heeft het door Hem aan te grijpen.
Zo lezen wij ook: „Die de toevlucht genomen hebben om de voorgestelde hoop vast te houden” (Hebr. 6:18). Gelijk de doodslager om een toevlucht vlood naar de aangewezen stad, en behouden was als hij de deur der poort had vastgegrepen, zo is het ook gelegen met schuldige zondaren, als zij om toevlucht vlieden tot de Heere Jezus en door het geloof de voorgestelde hoop in het Evangelie der genade Gods vasthouden.
Aan de lezer…
Kent u dat gevoel, als iemand die zinkt? Dan weet u misschien beter dan velen wat het is om te grijpen. Zoals een hand gemaakt is om vast te pakken en vast te houden, zo is het geloof de hand van de ziel, waarmee zij de sterkte des Heeren aangrijpt. „Grijp naar het eeuwige leven.” Dat is geen woord voor sterken die het zelf wel redden, maar een roepstem voor hen die zonder Hem verloren zijn.
Denk aan de doodslager die naar de vrijstad vluchtte: hij was behouden zodra hij de deur der poort had vastgegrepen. Zo mag een schuldige zondaar tot de Heere Jezus vlieden en de voorgestelde hoop vasthouden. Is uw hand zwak en bevend? Het is niet de kracht van uw greep die u behoudt, maar Hij Die u aangrijpt. „Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven.” Strek dan uw hand naar Hem uit, en laat Hem niet los.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Grijp naar het eeuwige leven.
1 Tim. 6:12
De voornaamste taak van de hand is grijpen, een voorwerp vastpakken. De hand van de mens is het meesterstuk van de anatomie; de vingers en de duim die daar recht tegenover staat, zijn door hun Goddelijke Kunstenaar met een bepaald doel gevormd, namelijk om een voorwerp te grijpen en vast te houden. Daarom werken iedere spier, slagader, ader en zenuw samen om deze bestemde handeling uit te voeren. Is er ook in de oefening van het geloof niet iets wat daarmee overeenkomt? Wat zegt de Heere? „Of hij moest Mijn sterkte aangrijpen; hij zal vrede met Mij maken; vrede zal hij met Mij maken.” Er is dus een aangrijpen van Gods sterkte.
Gebeurt dat niet door het geloof? Is er een andere genade van de Geest die de Heere aangrijpt, zoals Jakob de worstelende engel aangreep, en een zinkende Petrus de hand van de Heere Jezus? „Grijp naar het eeuwige leven”, is het bevel van Paulus aan Timotheüs. Maar hoe wordt het eeuwige leven, en in het bijzonder Jezus, „het Leven”, anders aangegrepen dan door het geloof? „Die in Mij gelooft,” zegt Jezus, „heeft het eeuwige leven.” Hij heeft het doordat hij Hem aangrijpt.
Zo lezen wij ook: „Die de toevlucht genomen hebben om de voorgestelde hoop vast te houden” (Hebr. 6:18). Zoals de doodslager naar de aangewezen stad vluchtte om een toevlucht te vinden, en behouden was wanneer hij de deur van de poort had vastgegrepen, zo is het ook met schuldige zondaren wanneer zij hun toevlucht nemen tot de Heere Jezus en door het geloof de hoop vasthouden die in het Evangelie van Gods genade wordt voorgesteld.
Aan de lezer…
Kent u dat gevoel, als iemand die zinkt? Dan weet u misschien beter dan velen wat het is om te grijpen. Zoals een hand gemaakt is om vast te pakken en vast te houden, zo is het geloof de hand van de ziel, waarmee zij de sterkte van de Heere aangrijpt. „Grijp naar het eeuwige leven.” Dat is geen woord voor sterken die het zelf wel redden, maar een roepstem voor hen die zonder Hem verloren zijn.
Denk aan de doodslager die naar de vrijstad vluchtte: hij was behouden zodra hij de deur van de poort had vastgegrepen. Zo mag een schuldige zondaar tot de Heere Jezus vluchten en de voorgestelde hoop vasthouden. Is uw hand zwak en bevend? Het is niet de kracht van uw greep die u behoudt, maar Hij Die u vasthoudt. „Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven.” Strek dan uw hand naar Hem uit, en laat Hem niet los.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Lay hold on eternal life.
1 Timothy 6:12
The main office of the hand is to take hold of and grasp an object. The human hand is a masterpiece of anatomy, the fingers and the strong matching thumb being expressly constructed by their Divine Craftsman to seize and retain objects; and therefore every muscle, artery, vein, and nerve conspire together to fulfill this destined office. Is there not in the office of faith something analogous to and corresponding with this? What says the Lord? “Let him take hold of My strength that he may make peace with Me, and he shall make peace with Me.” There is a taking hold, then, of God’s strength. Is not this by faith?
Is there any other grace of the Spirit which takes hold of the Lord, as Jacob took hold of the wrestling angel, or as sinking Peter laid hold of the hand of Jesus? “Lay hold on eternal life,” is Paul’s charge to Timothy. But how is eternal life, and especially Jesus, “the Life,” laid hold of, except by faith? “He that believes on Me,” says Jesus, “has everlasting life.” He has it by laying hold of it.
So we read also of “fleeing for refuge to lay hold upon the hope set before us” (Heb. 6:18). As the manslayer fled for refuge to the appointed city, and when his hand grasped the gates was safe, so guilty sinners flee for refuge to the Lord Jesus, and by faith lay hold upon the hope set before them in the gospel of the grace of God.
To the reader…
Do you know that feeling, like someone who is sinking? Then perhaps you know better than many what it is to grasp. Just as a hand is made to take hold and to hold fast, so faith is the hand of the soul, with which it lays hold of the Lord’s strength. “Lay hold on eternal life.” That is not a word for the strong who can manage by themselves, but a call to those who are lost without Him.
Think of the manslayer who fled to the city of refuge: he was safe as soon as he had grasped the gate. So a guilty sinner may flee to the Lord Jesus and hold fast the hope set before him. Is your hand weak and trembling? It is not the strength of your grip that saves you, but He Who holds you fast. “He that believeth on Me hath everlasting life.” Stretch out your hand to Him, then, and do not let Him go.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Echa mano de la vida eterna.
1 Timoteo 6:12
El oficio principal de la mano es tomar y asir un objeto. La mano humana es una obra maestra de la anatomía; los dedos y el pulgar fuerte que les corresponde han sido construidos expresamente por su divino Artífice para asir y retener objetos; y por eso cada músculo, arteria, vena y nervio concurren a cumplir este oficio al que están destinados. ¿No hay en el oficio de la fe algo análogo y correspondiente a esto? ¿Qué dice el Señor? “Eche mano de Mi fortaleza, y haga conmigo paz; sí, haga paz conmigo.” Hay, pues, un echar mano de la fortaleza de Dios. ¿No es esto por la fe?
¿Hay alguna otra gracia del Espíritu que eche mano del Señor, como Jacob echó mano del ángel que luchaba con él, o como Pedro, hundiéndose, echó mano de la mano de Jesús? “Echa mano de la vida eterna”, es el encargo de Pablo a Timoteo. Pero ¿cómo se echa mano de la vida eterna, y especialmente de Jesús, “la Vida”, sino por la fe? “El que cree en Mí”, dice Jesús, “tiene vida eterna.” La tiene echando mano de ella.
Así leemos también de los que “nos acogemos a trabarnos de la esperanza propuesta” (Hebreos 6:18). Así como el homicida huía a la ciudad señalada en busca de refugio, y cuando su mano asía las puertas estaba a salvo, así los pecadores culpables huyen en busca de refugio al Señor Jesús, y por la fe echan mano de la esperanza que se les propone en el evangelio de la gracia de Dios.
Al lector…
¿Conoce usted ese sentimiento, como de alguien que se está hundiendo? Entonces quizá sabe mejor que muchos lo que es asir. Así como la mano está hecha para tomar y retener, así la fe es la mano del alma, con la cual echa mano de la fortaleza del Señor. “Echa mano de la vida eterna.” No es una palabra para los fuertes que pueden arreglárselas solos, sino un llamado a los que están perdidos sin Él.
Piense en el homicida que huía a la ciudad de refugio: estaba a salvo en cuanto había asido la puerta. Así un pecador culpable puede huir al Señor Jesús y retener la esperanza propuesta. ¿Es su mano débil y temblorosa? No es la fuerza con que usted ase lo que le salva, sino Aquel que le sostiene. “El que cree en Mí, tiene vida eterna.” Extienda, pues, su mano hacia Él, y no Le suelte.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl