5 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
God, die rijk is in barmhartigheid.
Efeze 2:4
Genade is geschikt voor de gevoelige zondaar. De rijkdom van Gods genade past daarentegen bij hen van wie de ziel diep vernederd is en die voelen hoe overvloedig Hij moet zijn in de grote rijkdom van Zijn genade, zodat zij de hoop koesteren om bij het verbond te horen, dat hen gezocht heeft in hun lage staat van vernedering. Wij voelden en ondervonden barmhartigheid voordat wij de liefde kenden. Liefde is eerst in God, en niet eerst in onze kennis ervan. Evenmin gaan wij tot God voordat wij een behoefte aan vergeving voelen, alsof wij de voorwerpen van Zijn liefde zouden zijn, of het idee zouden durven hebben dat zo’n heilige God zo’n slechte zondaar zou kunnen liefhebben.
Maar wij gaan tot Hem om genade te verkrijgen, zoals de apostel zegt: „Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en de genade vinden om geholpen te worden ter bekwamer tijd” (Hebreeën 4:16). Barmhartigheid is het eerste wat bij de troon der genade moet worden gezocht. En wanneer deze barmhartigheid is verkregen, dan wordt de genade altijd voortdurend gezocht, om de hulpeloze en afhankelijke ziel te hulp te komen in alle tijden van nood. Deze nood duurt het hele leven door, totdat deze genade wordt verzwolgen in de heerlijkheid. Was het eenvoudige gebed van de tollenaar in de tempel niet: „O God! wees mij zondaar genadig”? En dit is altijd het smeekgebed geweest van een ieder die door Gods vinger in het hart wordt getroffen.
Gena, o God, gena, hoor mijn gebed,
verschoon mij toch naar Uw barmhartigheden,
delg uit mijn schuld, vergeef mijn overtreden;
Uw goedheid wordt noch paal noch perk gezet.
Ach, was mij wel van ongerechtigheid.
Mijn schuld is zwaar, ik heb Uw wet geschonden!
Zie mijn berouw, hoor hoe een boet’ling pleit
en reinig mij van al mijn vuile zonden.
Ps. 51:1
Aan de lezer…
Durft u nauwelijks te denken dat zo’n heilige God zo’n slechte zondaar zou kunnen liefhebben? Ik begrijp dat. Wij gaan niet tot God omdat wij ons zeker weten van Zijn liefde, maar omdat wij vergeving nodig hebben. Barmhartigheid is het eerste wat bij de troon der genade gezocht wordt. En juist de diep vernederde ziel ontdekt dat God rijk is in barmhartigheid, rijk genoeg om haar in haar lage staat te zoeken.
Laat dan uw onwaardigheid u niet terughouden. De weg is open: „Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen.” Het eenvoudige gebed van de tollenaar, „O God! wees mij zondaar genadig”, is altijd het gebed geweest van ieder die door Gods vinger in het hart getroffen is. Bid het dan ook, en blijf het bidden; want de nood duurt het hele leven, maar de genade is er altijd, totdat zij eens in heerlijkheid verzwolgen wordt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
God, die rijk is in barmhartigheid.
Efeze 2:4
Genade past bij de gevoelige zondaar. De rijkdom van Gods genade past daarentegen bij hen van wie de ziel diep vernederd is en die voelen hoe overvloedig Hij moet zijn in de grote rijkdom van Zijn genade, zodat zij de hoop koesteren dat zij bij het verbond horen dat hen gezocht heeft in hun lage staat van vernedering. Wij voelden en ondervonden barmhartigheid voordat wij de liefde kenden. De liefde is eerst in God, en niet eerst in onze kennis ervan. Evenmin gaan wij tot God voordat wij behoefte aan vergeving voelen, alsof wij de voorwerpen van Zijn liefde zouden zijn, of alsof wij zouden durven denken dat zo’n heilige God zo’n slechte zondaar zou kunnen liefhebben.
Maar wij gaan tot Hem om genade te verkrijgen, zoals de apostel zegt: „Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en de genade vinden om geholpen te worden ter bekwamer tijd” (Hebreeën 4:16). Barmhartigheid is het eerste wat bij de troon van de genade gezocht moet worden. En wanneer deze barmhartigheid verkregen is, wordt de genade voortdurend gezocht, om de hulpeloze en afhankelijke ziel te hulp te komen in alle tijden van nood. Deze nood duurt het hele leven door, totdat deze genade wordt verzwolgen in de heerlijkheid. Was het eenvoudige gebed van de tollenaar in de tempel niet: „O God! wees mij zondaar genadig”? En dit is altijd het smeekgebed geweest van ieder die door Gods vinger in het hart getroffen wordt.
Gena, o God, gena, hoor mijn gebed,
verschoon mij toch naar Uw barmhartigheden,
delg uit mijn schuld, vergeef mijn overtreden;
Uw goedheid wordt noch paal noch perk gezet.
Ach, was mij wel van ongerechtigheid.
Mijn schuld is zwaar, ik heb Uw wet geschonden!
Zie mijn berouw, hoor hoe een boet’ling pleit
en reinig mij van al mijn vuile zonden.
Ps. 51:1
Aan de lezer…
Durft u nauwelijks te denken dat zo’n heilige God zo’n slechte zondaar zou kunnen liefhebben? Ik begrijp dat. Wij gaan niet tot God omdat wij zeker zijn van Zijn liefde, maar omdat wij vergeving nodig hebben. Barmhartigheid is het eerste wat bij de troon van de genade gezocht wordt. En juist de diep vernederde ziel ontdekt dat God rijk is in barmhartigheid, rijk genoeg om haar in haar lage staat te zoeken.
Laat uw onwaardigheid u dan niet tegenhouden. De weg is open: „Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen.” Het eenvoudige gebed van de tollenaar, „O God! wees mij zondaar genadig”, is altijd het gebed geweest van ieder die door Gods vinger in het hart getroffen is. Bid het dan ook, en blijf het bidden. Want de nood duurt het hele leven, maar de genade is er altijd, totdat zij eens in heerlijkheid verzwolgen wordt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
God, Who is rich in mercy.
Ephesians 2:4
Mercy well suits a sensible sinner; and the riches of God’s mercy especially suit those who are brought down in real extremity of soul to see and feel how abundant He must be in mercy, how overflowing in the exceeding riches of His grace, that they may venture to entertain a hope of a saving interest in it, as freely coming down to them in their low and lost estate. We know mercy, feelingly and experimentally, before we know love.
Love is first in God, but it is not first in our experience of it; nor do we go to God when made first to feel our need of mercy, as if we were objects of His love, or could venture to entertain the remotest idea that a God so holy could love a sinner so vile; but we go to Him to obtain mercy, as the Apostle speaks—“Let us therefore come boldly unto the throne of grace, that we may obtain mercy, and find grace to help in time of need” (Hebrews 4:16).
Mercy is the first thing sought for at the throne of grace; and when this mercy is obtained, then grace is ever after continually sought for to help the helpless and dependent soul in every time of need, which need lasts all through life; and until grace is swallowed up in glory. Was not the simple plea for mercy the publican’s prayer in the temple, “God be merciful to me a sinner”? And such has been the prayer of all and every one, whose heart has been touched by the finger of God.
To the reader…
Do you hardly dare to think that so holy a God could love so vile a sinner? I understand that. We do not go to God because we are sure of His love, but because we need forgiveness. Mercy is the first thing sought at the throne of grace. And it is precisely the deeply humbled soul that discovers God is rich in mercy, rich enough to seek it out in its low estate.
So do not let your unworthiness hold you back. The way is open: “Let us therefore come boldly unto the throne of grace, that we may obtain mercy.” The simple prayer of the publican, “God be merciful to me a sinner,” has always been the prayer of everyone whose heart has been touched by the finger of God. Pray it, then, and keep on praying it. For the need lasts all through life, but grace is always there, until one day it is swallowed up in glory.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Dios, que es rico en misericordia.
Efesios 2:4
La misericordia conviene bien a un pecador consciente de su estado; y las riquezas de la misericordia de Dios convienen especialmente a aquellos que son abatidos a una verdadera extremidad del alma, para ver y sentir cuán abundante en misericordia ha de ser Él, cuán desbordante en las abundantes riquezas de Su gracia, para que se atrevan a abrigar la esperanza de tener una parte salvadora en ella, descendiendo libremente hasta ellos en su estado bajo y perdido. Conocemos la misericordia, con sentimiento y por experiencia, antes de conocer el amor.
El amor es lo primero en Dios, pero no es lo primero en nuestra experiencia de él; ni vamos a Dios, cuando se nos hace sentir por primera vez nuestra necesidad de misericordia, como si fuéramos objetos de Su amor, o pudiéramos atrevernos a abrigar la más remota idea de que un Dios tan santo pudiera amar a un pecador tan vil; sino que vamos a Él para alcanzar misericordia, como dice el apóstol: “Lleguémonos pues confiadamente al trono de la gracia, para alcanzar misericordia, y hallar gracia para el oportuno socorro” (Hebreos 4:16).
La misericordia es lo primero que se busca ante el trono de la gracia; y cuando se ha alcanzado esta misericordia, entonces se busca continuamente la gracia para socorrer al alma impotente y dependiente en todo tiempo de necesidad, necesidad que dura toda la vida, hasta que la gracia sea absorbida en la gloria. ¿No fue la simple súplica de misericordia la oración del publicano en el templo: “Dios, sé propicio a mí pecador”? Y tal ha sido la oración de todos y cada uno de aquellos cuyo corazón ha sido tocado por el dedo de Dios.
Al lector…
¿Apenas se atreve usted a pensar que un Dios tan santo pudiera amar a un pecador tan vil? Lo comprendo. No vamos a Dios porque estemos seguros de Su amor, sino porque necesitamos perdón. La misericordia es lo primero que se busca ante el trono de la gracia. Y es precisamente el alma profundamente humillada la que descubre que Dios es rico en misericordia, lo bastante rico para buscarla en su bajo estado.
No deje, pues, que su indignidad le detenga. El camino está abierto: “Lleguémonos pues confiadamente al trono de la gracia, para alcanzar misericordia”. La sencilla oración del publicano, “Dios, sé propicio a mí pecador”, ha sido siempre la oración de todos aquellos cuyo corazón ha sido tocado por el dedo de Dios. Órela, pues, y siga orándola. Porque la necesidad dura toda la vida, pero la gracia está siempre ahí, hasta que un día sea absorbida en la gloria.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
De wonderen van Christus
De blinden worden ziende, en de kreupelen wandelen; de melaatsen worden gereinigd, en de doven horen; de doden worden opgewekt, en de armen wordt het Evangelie verkondigd. En zalig is hij, die aan Mij niet zal geërgerd worden.
Mattheüs 11:5, 6
De Heere sluit Zijn boodschap aan Johannes af door een zegen voor een zeker persoon uit te spreken: „En zalig is hij, die aan Mij niet zal geërgerd worden” (Matth. 11:6). Wat is de betekenis van het woord „geërgerd”? Het betekent gestruikeld. Dit is de betekenis van het woord in het Nieuwe Testament.
Nu is er veel in Jezus dat ons van nature doet struikelen. Heeft Zijn Goddelijkheid u niet laten struikelen? Is uw gezonde verstand niet volkomen aan het wankelen gebracht, en is niet elke ongelovige verdenking door uw hoofd gegaan met betrekking hiertoe? Dat was struikelen. Laten de voorschriften van de Heere des levens en der heerlijkheid de meeste mensen niet struikelen? Zijn ze niet te hoog voor hen om te overschrijden, en een struikelblok op hun pad waar ze niet overheen kunnen komen? Is Jezus niet over het algemeen een struikelblok voor de mensenkinderen?
Toen God de steen in Sion legde, was dit niet voor twee doeleinden – voor Zijn volk een fundament te zijn en voor Zijn vijanden een steen des aanstoots en een struikelblok te zijn? Allen, behalve Gods kinderen, worden dus aan Jezus geërgerd. Ze struikelen over die struikelsteen. Zijn voorschriften zijn te streng – Zijn juk is te zwaar – Zijn kruis te lastig. Zijn kostbare evangelie is onsmakelijk voor de vleselijke geest; daarom worden alle natuurlijke mensen geërgerd, en struikelen ze. Ze houden niet van het zuivere evangelie. Het onvoorwaardelijke evangelie wordt niet voldoende verlaagd tot hun vleselijke hart.
Maar de kinderen van de Heere worden door goddelijk onderwijs door deze moeilijkheden heengeleid. Ze kunnen soms struikelen, zelfs op pijnlijke wijze, over de oneindige Goddelijkheid van Jezus. Ze kunnen erover struikelen hoe Zijn bloed van zonden kan reinigen; duizend moeilijkheden kunnen hun verstand verbijsteren: maar ze struikelen niet zo dat ze vallen. Ze kunnen wankelen en waggelen, maar niet struikelen en helemaal vallen.
Lezen: Romeinen 9:16-33
Aan de lezer…
Bent u, lezer, wel eens gestruikeld over de Heere Jezus? Over Zijn Goddelijkheid, die uw verstand te boven ging? Over de vraag hoe Zijn bloed van zonden kan reinigen? Zijn er ongelovige gedachten door uw hoofd gegaan die u nauwelijks durfde uit te spreken? U bent niet de enige, en het is goed dat u het eerlijk erkent.
Maar luister naar het onderscheid dat hier gemaakt wordt. Gods kinderen kunnen wankelen en waggelen, soms pijnlijk, maar zij struikelen niet zo dat zij vallen. De steen die God in Sion gelegd heeft, is voor de een een steen des aanstoots, maar voor Zijn volk een fundament. Laat u daarom door goddelijk onderwijs door uw moeilijkheden heen leiden. Er rust een zegen op wie niet aan Hem geërgerd wordt, en die zegen is ook bestemd voor een wankelende ziel.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De blinden worden ziende, en de kreupelen wandelen; de melaatsen worden gereinigd, en de doven horen; de doden worden opgewekt, en de armen wordt het Evangelie verkondigd. En zalig is hij, die aan Mij niet zal geërgerd worden.
Mattheüs 11:5, 6
De Heere sluit Zijn boodschap aan Johannes af met een zegen over een bepaald persoon: „En zalig is hij, die aan Mij niet zal geërgerd worden” (Matth. 11:6). Wat betekent het woord „geërgerd”? Het betekent: gestruikeld. Dat is de betekenis van het woord in het Nieuwe Testament.
Nu is er veel in Jezus waarover wij van nature struikelen. Heeft Zijn Godheid u niet doen struikelen? Is uw gezonde verstand daardoor niet helemaal aan het wankelen gebracht, en is niet elke ongelovige verdenking daarover door uw hoofd gegaan? Dat was struikelen. Doen de voorschriften van de Heere van het leven en van de heerlijkheid de meeste mensen niet struikelen? Zijn ze niet te hoog voor hen om eroverheen te stappen, een struikelblok op hun pad waar ze niet overheen kunnen komen? Is Jezus niet in het algemeen een struikelblok voor de mensenkinderen?
Toen God de steen in Sion legde, was dat niet met een tweeledig doel: voor Zijn volk een fundament te zijn en voor Zijn vijanden een steen des aanstoots en een struikelblok? Allen, behalve Gods kinderen, worden dus aan Jezus geërgerd. Zij struikelen over die steen. Zijn voorschriften zijn te streng, Zijn juk is te zwaar, Zijn kruis te lastig. Zijn kostbaar Evangelie is onsmakelijk voor de vleselijke geest; daarom worden alle natuurlijke mensen geërgerd en struikelen ze. Ze houden niet van het zuivere Evangelie. Het onvoorwaardelijke Evangelie is niet genoeg aangepast aan hun vleselijk hart.
Maar de kinderen van de Heere worden door goddelijk onderwijs door deze moeilijkheden heen geleid. Soms kunnen ze struikelen over de oneindige Godheid van Jezus, zelfs op pijnlijke wijze. Ze kunnen erover struikelen hoe Zijn bloed van zonden kan reinigen; duizend moeilijkheden kunnen hun verstand verbijsteren. Maar ze struikelen niet zo dat ze vallen. Ze kunnen wankelen en waggelen, maar niet struikelen en helemaal vallen.
Lezen: Romeinen 9:16-33
Aan de lezer…
Bent u, lezer, wel eens gestruikeld over de Heere Jezus? Over Zijn Godheid, die uw verstand te boven ging? Over de vraag hoe Zijn bloed van zonden kan reinigen? Zijn er ongelovige gedachten door uw hoofd gegaan die u nauwelijks durfde uit te spreken? U bent niet de enige, en het is goed dat u het eerlijk erkent.
Maar luister naar het onderscheid dat hier gemaakt wordt. Gods kinderen kunnen wankelen en waggelen, soms pijnlijk, maar zij struikelen niet zo dat zij vallen. De steen die God in Sion gelegd heeft, is voor de een een steen des aanstoots, maar voor Zijn volk een fundament. Laat u daarom door goddelijk onderwijs door uw moeilijkheden heen leiden. Er rust een zegen op wie niet aan Hem geërgerd wordt, en die zegen is ook bestemd voor een wankelende ziel.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
The blind receive their sight, and the lame walk, the lepers are cleansed, and the deaf hear, the dead are raised up, and the poor have the gospel preached to them. And blessed is he, whosoever shall not be offended in Me.
Matthew 11:5, 6
The Lord closes His message to John with a blessing on a certain person: “And blessed is he, whosoever shall not be offended in Me” (Matthew 11:6). What does the word “offended” mean? It means: made to stumble. That is the meaning of the word in the New Testament.
Now there is much in Jesus over which we stumble by nature. Has not His Godhead made you stumble? Has not your sound reason been quite staggered by it, and has not every unbelieving suspicion about it passed through your head? That was stumbling. Do not the precepts of the Lord of life and glory make most people stumble? Are they not too high for them to step over, a stumbling-block in their path which they cannot get past? Is not Jesus in general a stumbling-block to the children of men?
When God laid the stone in Zion, was it not with a twofold purpose: to be a foundation for His people and a stone of stumbling and rock of offence for His enemies? All, then, except God’s children, are offended in Jesus. They stumble at that stone. His precepts are too strict, His yoke too heavy, His cross too burdensome. His precious gospel is unsavoury to the carnal mind; therefore all natural men are offended and stumble. They do not love the pure gospel. The unconditional gospel is not suited enough to their carnal heart.
But the children of the Lord are led through these difficulties by divine teaching. At times they may stumble at the infinite Godhead of Jesus, even painfully. They may stumble at how His blood can cleanse from sin; a thousand difficulties may perplex their reason. But they do not stumble so as to fall. They may stagger and reel, but not stumble and fall altogether.
Reading: Romans 9:16-33
To the reader…
Have you ever stumbled, reader, over the Lord Jesus? Over His Godhead, which went beyond your reason? Over the question how His blood can cleanse from sin? Have unbelieving thoughts passed through your head that you scarcely dared to speak? You are not the only one, and it is good that you honestly admit it.
But listen to the distinction made here. God’s children may stagger and reel, sometimes painfully, but they do not stumble so as to fall. The stone which God has laid in Zion is to some a stone of stumbling, but to His people a foundation. So let yourself be led through your difficulties by divine teaching. A blessing rests on him who is not offended in Him, and that blessing is meant for a staggering soul as well.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Los ciegos ven, y los cojos andan; los leprosos son limpiados, y los sordos oyen; los muertos son resucitados, y a los pobres es anunciado el evangelio. Y bienaventurado es el que no fuere escandalizado en Mí.
Mateo 11:5, 6
El Señor termina Su mensaje a Juan con una bienaventuranza sobre cierta persona: “Y bienaventurado es el que no fuere escandalizado en Mí” (Mateo 11:6). ¿Qué significa la palabra “escandalizado”? Significa: hecho tropezar. Ese es el sentido de la palabra en el Nuevo Testamento.
Ahora bien, hay mucho en Jesús en lo cual tropezamos por naturaleza. ¿No le ha hecho tropezar a usted Su Deidad? ¿No ha quedado su sano juicio del todo tambaleante ante ella, y no ha pasado por su cabeza toda sospecha incrédula al respecto? Eso era tropezar. ¿No hacen tropezar los preceptos del Señor de la vida y de la gloria a la mayoría de las personas? ¿No son demasiado altos para que los pasen por encima, una piedra de tropiezo en su senda que no pueden sortear? ¿No es Jesús, en general, una piedra de tropiezo para los hijos de los hombres?
Cuando Dios puso la piedra en Sion, ¿no fue con un doble propósito: ser fundamento para Su pueblo y piedra de tropiezo y piedra de caída para Sus enemigos? Todos, pues, excepto los hijos de Dios, se escandalizan en Jesús. Tropiezan en esa piedra. Sus preceptos son demasiado estrictos, Su yugo demasiado pesado, Su cruz demasiado gravosa. Su precioso evangelio es desabrido para la mente carnal; por eso todos los hombres naturales se escandalizan y tropiezan. No aman el evangelio puro. El evangelio incondicional no se ajusta lo bastante a su corazón carnal.
Pero los hijos del Señor son conducidos a través de estas dificultades por la enseñanza divina. A veces pueden tropezar en la infinita Deidad de Jesús, incluso dolorosamente. Pueden tropezar en cómo Su sangre puede limpiar del pecado; mil dificultades pueden dejar perpleja su razón. Pero no tropiezan hasta caer. Pueden tambalearse y vacilar, pero no tropezar y caer del todo.
Lectura: Romanos 9:16-33
Al lector…
¿Ha tropezado alguna vez, lector, en el Señor Jesús? ¿En Su Deidad, que iba más allá de su razón? ¿En la pregunta de cómo Su sangre puede limpiar del pecado? ¿Han pasado por su cabeza pensamientos incrédulos que apenas se atrevía a expresar? No es usted el único, y es bueno que lo reconozca sinceramente.
Pero escuche la distinción que aquí se hace. Los hijos de Dios pueden tambalearse y vacilar, a veces dolorosamente, pero no tropiezan hasta caer. La piedra que Dios ha puesto en Sion es para unos piedra de tropiezo, pero para Su pueblo un fundamento. Déjese, pues, conducir a través de sus dificultades por la enseñanza divina. Una bienaventuranza descansa sobre el que no se escandaliza en Él, y esa bienaventuranza es también para un alma que se tambalea.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
En mijn landpale vermeerderen zult.
1 Kronieken 4:10
Een kust (Eng. vert.) betekent een grens- of landpaal, die het ene gebied van het andere scheidt of begrenst, zoals de zeekust de grenslijn is van ons eiland. Elke levendgemaakte ziel heeft ook een grenslijn, dat wil zeggen, dat zij door een inwendige bevinding is afgezonderd, overeenkomstig de lijn, die de Heilige Geest in haar consciëntie getrokken heeft. Zoals de Heere de stammen vaneen scheidde, toen Hij hen deed vallen in het snoer hunner erfenis, Psalm 78:55, zo ook heeft Hij het lot geworpen voor elk vat der barmhartigheid en Zijn hand heeft het hun uitgedeeld met het richtsnoer, Jes. 34:17. Dit is als het ware de speelruimte, die elke levendgemaakte ziel als haar toegewezen deel gegeven is, namelijk haar eigen bevinding.
Binnen deze ruimte mag zij wandelen, grazen en nederliggen. Er is voedsel genoeg voor haar in het strookje weide, dat haar toebedeeld is. Zij kan en durft het koord, dat rondom haar tedere consciëntie gespannen is, niet verbreken, en iedere uitweiding buiten haar terrein, om zich te beroemen over eens andermans bevinding, verwondt en kwetst de tedere consciëntie. Doch de levendgemaakte ziel kan niet dan ernstig begeren, dat haar landpalen verwijd worden. Zij heeft meer licht nodig, meer leven, meer gevoel, meer vrijheid, meer kennis van God in Christus, meer geloof, hoop en liefde.
En zij heeft van node, dat haar eng, ineengekrompen en besloten hart moge verwijd worden in het gebed, in haar meditaties, in gemeenschap, in toegenegenheid tot het volk van God. Zij is niet vergenoegd met de schrale weide, haar toebedeeld, maar wenst een meerdere mate van hemelse onderwijzing, om gevoed te worden met een meer kinderlijk vertrouwen en toegang tot God, en om meer ontheven te worden van de vrees, die pijnigt. „God breide Japhet uit en hij wone in Sems tenten”, Gen. 9:27. „Ik zal de weg Uwer geboden lopen, als Gij mijn hart zult verwijd hebben”, Psalm 119:32. Deze verwijding van hun landpalen had de Heere aan Israël gezworen, dat Hij hun het land geven zou, dat Hij hun vaderen beloofd had. En daarom zeide Hij: „Zing vrolijk, gij onvruchtbare, die niet gebaard heeft”; en Hij voegt eraan toe: „Maak de plaats uwer tenten wijd en dat men de gordijnen uwer woning uitbreide; verhinder het niet, maak uw koorden lang en steek uw pinnen vast in”, Jes. 54:1, 2.
Hebt gij enige van deze vurige begeerten naar licht, liefde en vrijheid? Dat de wereld, hoogmoed, vleselijke lusten, ongeloof, gierigheid uw hart niet mogen bezetten, maar dat gij de liefde van Christus moogt kennen, die alle verstand te boven gaat, om zo vervuld te worden met al de volheid Gods? Dit zijn goede begeerten en zeer onderscheiden van die der inbeelding en het praten over vrijheid, terwijl men slaaf is van de verdorvenheid. Het is één zaak, door het hekwerk te kijken, en een andere zaak, de vruchten van het landgoed te genieten; maar het is veel beter door het hekwerk te kijken met een begerig verlangen, dan door de omheining heen te breken als een overtreder. Op de koffer te zien is niet in het bezit gesteld te zijn van de daarin aanwezige geschriften, maar het is beter te wachten en te vragen om de sleutel Davids, dan ze open te breken en de oorkonden te stelen. En hij, die in het nauwe, nauwe pad tussen luiheid en inbeelding gehouden wordt, zal op bepaalde tijden met Jabez uitroepen: „O, dat Gij mijn landpalen vermeerderen mocht!”
Aan de lezer…
Lezer, voelt u zich vaak eng en ineengekrompen, alsof uw weide maar een smal strookje is? U durft niet te spreken over wat u niet bevonden hebt, en het kwetst uw consciëntie als u zich een bevinding van een ander toe-eigent. Dat is geen zwakheid, maar tederheid. Uw eigen deel is u met het richtsnoer toegemeten, en ook in die kleine ruimte is voedsel genoeg.
Toch mag u met heel uw hart begeren dat uw landpalen verwijd worden: meer licht, meer leven, meer geloof en liefde, meer vrijheid van de vrees die pijnigt. Het is beter met een begerig hart door het hekwerk te kijken dan als een overtreder door de omheining heen te breken. Blijf dan op het nauwe pad tussen luiheid en inbeelding, en roep met Jabez: „O, dat Gij mijn landpalen vermeerderen mocht!” De Heere hoort zulk een bede.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En mijn landpale vermeerderen zult.
1 Kronieken 4:10
Een kust (Eng. vert.) betekent een grens of landpaal die het ene gebied van het andere scheidt of afbakent, zoals de zeekust de grenslijn van ons eiland is. Ook elke levendgemaakte ziel heeft een grenslijn. Dat wil zeggen dat zij door een innerlijke bevinding is afgezonderd, overeenkomstig de lijn die de Heilige Geest in haar geweten getrokken heeft. Zoals de Heere de stammen van elkaar scheidde toen Hij hen deed vallen in het snoer van hun erfenis, Psalm 78:55, zo heeft Hij ook voor elk vat der barmhartigheid het lot geworpen, en Zijn hand heeft het hun met het richtsnoer toegedeeld, Jes. 34:17. Dit is als het ware de speelruimte die elke levendgemaakte ziel als haar toegewezen deel gegeven is, namelijk haar eigen bevinding.
Binnen deze ruimte mag zij wandelen, grazen en neerliggen. Er is voedsel genoeg voor haar op het strookje weide dat haar is toebedeeld. Zij kan en durft het koord dat rondom haar tedere geweten gespannen is niet te verbreken, en iedere uitweiding buiten haar eigen terrein, om zich te beroemen op de bevinding van een ander, wondt en kwetst het tedere geweten. Maar de levendgemaakte ziel kan niet anders dan ernstig begeren dat haar landpalen verwijd worden. Zij heeft meer licht nodig, meer leven, meer gevoel, meer vrijheid, meer kennis van God in Christus, meer geloof, hoop en liefde.
En zij heeft het nodig dat haar enge, ineengekrompen en beklemde hart verwijd wordt in het gebed, in haar overdenkingen, in de gemeenschap en in de genegenheid tot het volk van God. Zij is niet tevreden met de schrale weide die haar is toebedeeld, maar verlangt naar een grotere mate van hemels onderwijs, om gevoed te worden met een meer kinderlijk vertrouwen en toegang tot God, en om meer bevrijd te worden van de vrees die pijn heeft. „God breide Japhet uit en hij wone in Sems tenten”, Gen. 9:27. „Ik zal de weg Uwer geboden lopen, als Gij mijn hart zult verwijd hebben”, Psalm 119:32. Deze verwijding van hun landpalen had de Heere aan Israël gezworen, namelijk dat Hij hun het land zou geven dat Hij hun vaderen beloofd had. En daarom zei Hij: „Zing vrolijk, gij onvruchtbare, die niet gebaard heeft”; en Hij voegt eraan toe: „Maak de plaats uwer tenten wijd en dat men de gordijnen uwer woning uitbreide; verhinder het niet, maak uw koorden lang en steek uw pinnen vast in”, Jes. 54:1, 2.
Hebt u iets van deze vurige begeerten naar licht, liefde en vrijheid? Verlangt u dat de wereld, hoogmoed, vleselijke lusten, ongeloof en gierigheid uw hart niet in bezit nemen, maar dat u de liefde van Christus mag kennen, die de kennis te boven gaat, om zo vervuld te worden tot al de volheid van God? Dat zijn goede begeerten, die sterk verschillen van de begeerten van de inbeelding en van het praten over vrijheid terwijl men een slaaf van de verdorvenheid is. Het is één ding door het hek te kijken, en iets anders de vruchten van het landgoed te genieten; maar het is veel beter met een begerig verlangen door het hek te kijken dan als een overtreder door de omheining heen te breken. Naar de kist te kijken is nog niet in het bezit gesteld zijn van de akten die erin liggen; maar het is beter te wachten en te vragen om de sleutel van David dan de kist open te breken en de oorkonden te stelen. En wie op het smalle, smalle pad tussen luiheid en inbeelding gehouden wordt, zal op bepaalde tijden met Jabez uitroepen: „O, dat Gij mijn landpalen vermeerderen mocht!”
Aan de lezer…
Lezer, voelt u zich vaak eng en ineengekrompen, alsof uw weide maar een smal strookje is? U durft niet te spreken over wat u niet bevonden hebt, en het kwetst uw geweten als u zich de bevinding van een ander toe-eigent. Dat is geen zwakheid, maar tederheid. Uw eigen deel is u met het richtsnoer toegemeten, en ook in die kleine ruimte is voedsel genoeg.
Toch mag u met heel uw hart begeren dat uw landpalen verwijd worden: meer licht, meer leven, meer geloof en liefde, meer vrijheid van de vrees die pijn heeft. Het is beter met een begerig hart door het hek te kijken dan als een overtreder door de omheining heen te breken. Blijf dan op het smalle pad tussen luiheid en inbeelding, en roep met Jabez: „O, dat Gij mijn landpalen vermeerderen mocht!” De Heere hoort zo’n gebed.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And enlarge my coast.
1 Chronicles 4:10
A coast means a boundary line such as divides one territory from another, or terminates a country, as the sea coast is the boundary of our island. Every quickened soul has a coast; that is, a territory of inward experience, which is limited and bounded by the line that the Holy Spirit has drawn in his conscience. As the Lord divided the tribes, to cast their inheritance by line (Psalm 78:55), so has He cast the lot for every vessel of mercy, and His hand has divided it unto them by line (Isaiah 34:17).
This is as it were the tether which fastens down every quickened soul to his own appointed portion of inward experience. Within this tether he may walk, feed, and lie down. It is “the food convenient for him,” the strip of pasture allotted him. He cannot, he dare not break this tether, which is fastened round a tender conscience, and every stretching forth beyond his measure to boast in another man’s line of things, cuts into and galls this tender conscience.
But the living soul cannot but earnestly desire to have his coast enlarged. He wants more light, more life, more feeling, more liberty, more knowledge of God in Christ, more faith, hope, and love, and to have his narrow, contracted, shut-up heart enlarged in prayer, in meditation, in communion, in affection to the people of God.
He is not satisfied with the scanty pasture allotted him, but wants a larger measure of heavenly teaching, to be indulged with more filial confidence in, and access unto God, and be more delivered from that fear which has torment. “God shall enlarge Japheth, and he shall dwell in the tents of Shem” (Gen. 9:27). “I will run the way of your commandments, when you shall enlarge my heart” (Psalm 119:32).
This enlargement of their border the Lord had sworn to Israel, and to give them all the land which He had promised unto their fathers; and therefore when He had said, “Sing, O barren, you that did not bear,” He adds, “enlarge the place of your tent, and let them stretch forth the curtains of your habitations; spare not, lengthen your cords, and strengthen your stakes” (Isaiah 54:1, 2).
Have you any of these fervent desires after light, love, and liberty, that the world, pride, lust, unbelief, covetousness, and carnality may not shut up your heart, but that you may know the love of Christ that passes knowledge, so as to be filled with all the fullness of God? These are good desires, and very different from rushing presumptuously forward, and chattering about liberty while you are slaves of corruption. It is one thing to look through the park gates, and another to enjoy the estate; but it is far better to look through the gates with wishful desires, than to break down the fence as a trespasser. To look upon the coffer is not to be put into possession of the writings, but it is better to wait and cry for the key of David than break it open, and steal the deeds. And he that is kept in the narrow, narrow path between sloth and presumption will be at solemn seasons crying out with Jabez, “O that you would enlarge my coast!”
To the reader…
Dear reader, do you often feel narrow and shrunken, as though your pasture were only a small strip? You dare not speak of what you have not experienced, and it wounds your conscience when you lay claim to someone else’s experience. That is not weakness, but tenderness. Your own portion has been measured out to you by line, and even in that small space there is food enough.
Yet you may desire with all your heart that your coast be enlarged: more light, more life, more faith and love, more freedom from the fear that hath torment. It is better to look through the gate with a longing heart than to break through the fence as a trespasser. Keep, then, to the narrow path between sloth and presumption, and cry out with Jabez, “Oh that Thou wouldest enlarge my coast!” The Lord hears such a prayer.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y ensancharas mi término.
1 Crónicas 4:10
Un término significa una línea de límite, como la que divide un territorio de otro o pone fin a un país, así como la costa del mar es el límite de nuestra isla. Toda alma vivificada tiene un término; es decir, un territorio de experiencia interior, que está limitado y cercado por la línea que el Espíritu Santo ha trazado en su conciencia. Así como el Señor repartió a las tribus su herencia con cuerdas (Salmo 78:55), así ha echado Él las suertes para cada vaso de misericordia, y Su mano les ha repartido su porción con cordel (Isaías 34:17).
Esta es, por así decirlo, la soga que ata a cada alma vivificada a su propia porción señalada de experiencia interior. Dentro del alcance de esta soga puede andar, pacer y echarse. Es “el pan que le es necesario”, la franja de pasto que le ha sido asignada. No puede, no se atreve a romper esta soga, que está atada alrededor de una conciencia tierna; y todo extenderse más allá de su medida para gloriarse en la regla de otro corta y lastima esta conciencia tierna.
Pero el alma viviente no puede sino desear ardientemente que su término sea ensanchado. Quiere más luz, más vida, más sentimiento, más libertad, más conocimiento de Dios en Cristo, más fe, esperanza y amor, y que su corazón estrecho, encogido y cerrado sea ensanchado en la oración, en la meditación, en la comunión y en el afecto hacia el pueblo de Dios.
No se contenta con el escaso pasto que le ha sido asignado, sino que desea una medida mayor de enseñanza celestial, ser favorecido con más confianza filial en Dios y más acceso a Él, y ser más librado de aquel temor que tiene pena. “Engrandezca Dios a Jafet, y habite en las tiendas de Sem” (Gén. 9:27). “Por el camino de Tus mandamientos correré, cuando ensanchares mi corazón” (Salmo 119:32).
Este ensanchamiento de su frontera el Señor lo había jurado a Israel, y también darle toda la tierra que había prometido a sus padres; y por eso, cuando había dicho: “Alégrate, oh estéril, la que no paría”, añade: “Ensancha el sitio de tu cabaña, y las cortinas de tus tiendas sean extendidas; no seas escasa; alarga tus cuerdas, y fortifica tus estacas” (Isaías 54:1, 2).
¿Tiene usted algunos de estos deseos fervientes de luz, amor y libertad, para que el mundo, el orgullo, la concupiscencia, la incredulidad, la avaricia y la carnalidad no cierren su corazón, sino que conozca el amor de Cristo que excede a todo conocimiento, para ser lleno de toda la plenitud de Dios? Estos son buenos deseos, y muy diferentes de lanzarse presuntuosamente hacia adelante y parlotear de libertad mientras uno es esclavo de la corrupción. Una cosa es mirar a través de las verjas del parque, y otra disfrutar de la finca; pero es mucho mejor mirar a través de las verjas con deseos anhelantes que derribar la cerca como un intruso. Mirar el cofre no es ser puesto en posesión de los documentos, pero es mejor esperar y clamar por la llave de David que forzarlo y robar las escrituras. Y el que es guardado en la senda estrecha, muy estrecha, entre la pereza y la presunción, clamará en tiempos solemnes con Jabes: “¡Oh, si ensancharas mi término!”
Al lector…
Querido lector, ¿se siente a menudo estrecho y encogido, como si su pasto fuera solo una pequeña franja? No se atreve a hablar de lo que no ha experimentado, y le hiere la conciencia cuando se atribuye la experiencia de otro. Eso no es debilidad, sino ternura. Su propia porción le ha sido medida con cordel, y aun en ese pequeño espacio hay alimento suficiente.
Con todo, puede desear de todo corazón que su término sea ensanchado: más luz, más vida, más fe y amor, más libertad del temor que tiene pena. Es mejor mirar a través de la verja con un corazón anhelante que atravesar la cerca como un intruso. Manténgase, pues, en la senda estrecha entre la pereza y la presunción, y clame con Jabes: “¡Oh, si ensancharas mi término!” El Señor oye tal oración.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl