4 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
11 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Tot Uw Naam en tot Uw gedachtenis is de begeerte onzer ziele.
Jesaja 26:8
Hoe lieflijk en betekenisvol is de uitdrukking: „de begeerte onzer ziele”! Hoe schijnt zij onze gevoelens met zich te voeren! Hoe schijnt zij het verlangen en de uitdrukking ener ziel te beschrijven, waarin God Zijn adem des Geestes van genade en barmhartigheid geblazen heeft! „De begeerte onzer ziele” — de uitgang van ons hart; het verlangen van ons inwendig zijn; de kreet, de zucht, het verlangen onzer nieuwe natuur; het zwoegen, het smachten, het uitzien, het hijgen, het hongeren, het dorsten, het zich uiten van de nieuwe mens van genade — alle zijn uitgedrukt in die lieflijke en gezegende woorden: „De begeerte onzer ziele!”
En welk een barmhartigheid is het dat er altijd in ons zijn moet: „de begeerte” ener levende ziel; dat, ofschoon de rechtvaardige wegen Gods moeilijk en gestreng en altijd in strijd zijn met alles wat de natuur wil, er toch in het hart die barmhartigheid, liefde en genade moet worden uitgestort, die de begeerte der ziel doet ontstaan naar de Naam van God. Dit wordt uitgedrukt in de woorden die hierop volgen: „Met mijn ziel heb ik U begeerd in de nacht!” Indien gij niets meer kunt zeggen van het werk der genade in uw hart dan dat — kunt gij dan vrijelijk deze woorden gebruiken, als uitdrukkende wat gij inwendig gevoelt: „Met mijn ziel heb ik U begeerd in de nacht!”
Verlangt uw ziel naar de Heere Jezus Christus? Is het altijd in de nacht dat gij hijgend uitziet naar de openbaring Zijner tegenwoordigheid, hongerig en dorstig zijt naar het ontvangen van een woord van Zijn lippen, van een zoet gefluister Zijner liefde tot uw ziel? Dit zijn bewijzen van genade. De vleselijke, onwedergeboren, ongodsdienstige mens heeft zulke begeerte en gevoelens als deze niet; er is niets in zijn hart dat in overeenstemming is met de begeerte der ziel tot de Naam van God. Maar zulks is wel het geval met de rechtvaardige; want „de begeerte des rechtvaardigen zal voldaan worden”.
„Dewijl zijn ziel Mij teer bemint,”
dus laat God zelf zich horen,
„heb Ik voor hem als voor Mijn vrind
een heilrijk lot beschoren.”
Psalm 91:7
Aan de lezer…
Hoe vaak kunt u van het werk der genade in uw hart weinig meer zeggen dan dit: dat er een begeerte is! Een zucht, een hijgen, een uitzien naar de Heere Jezus Christus, vooral in de nacht? Veracht dat geringe niet. De vleselijke, onwedergeboren mens kent zulk een verlangen niet; er is niets in zijn hart dat naar de Naam van God uitgaat. Waar die begeerte leeft, daar heeft God Zelf de adem van Zijn Geest geblazen.
Misschien zijn Gods wegen met u moeilijk en gestreng, en gaan zij in tegen alles wat de natuur wil. Toch blijft dat verlangen naar een woord van Zijn lippen, naar een zoet gefluister van Zijn liefde. Houd dan vast aan de belofte die erbij gegeven is: de begeerte des rechtvaardigen zal voldaan worden. Hij, Die het hongeren gaf, zal de hongerige ziel niet ledig wegzenden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Tot Uw Naam en tot Uw gedachtenis is de begeerte onzer ziele.
Jesaja 26:8
Hoe lieflijk en betekenisvol is de uitdrukking: „de begeerte onzer ziele”! Hoe lijkt zij onze gevoelens met zich mee te voeren! Hoe lijkt zij het verlangen en de uiting te beschrijven van een ziel waarin God de adem van Zijn Geest van genade en barmhartigheid geblazen heeft! „De begeerte onzer ziele” — het uitgaan van ons hart; het verlangen van ons inwendige wezen; de kreet, de zucht, het verlangen van onze nieuwe natuur; het zwoegen, het smachten, het uitzien, het hijgen, het hongeren, het dorsten, het zich uiten van de nieuwe mens van de genade — dat alles is uitgedrukt in die lieflijke en gezegende woorden: „De begeerte onzer ziele!”
En wat een barmhartigheid is het dat er altijd in ons „de begeerte” van een levende ziel moet zijn! De rechtvaardige wegen van God zijn wel moeilijk en streng, en altijd in strijd met alles wat de natuur wil; en toch moet er in het hart die barmhartigheid, liefde en genade worden uitgestort die de begeerte van de ziel naar de Naam van God doet ontstaan. Dit wordt uitgedrukt in de woorden die erop volgen: „Met mijn ziel heb ik U begeerd in de nacht!” Als u van het werk van de genade in uw hart niets meer kunt zeggen dan dat, kunt u dan vrijmoedig deze woorden gebruiken als uitdrukking van wat u inwendig voelt: „Met mijn ziel heb ik U begeerd in de nacht!”?
Verlangt uw ziel naar de Heere Jezus Christus? Is het altijd in de nacht dat u hijgend uitziet naar de openbaring van Zijn tegenwoordigheid, dat u hongert en dorst naar een woord van Zijn lippen, naar een zoet gefluister van Zijn liefde tot uw ziel? Dat zijn bewijzen van genade. De vleselijke, onwedergeboren, ongodsdienstige mens heeft zulke begeerten en gevoelens niet; er is niets in zijn hart dat overeenstemt met de begeerte van de ziel naar de Naam van God. Maar bij de rechtvaardige is dat wel zo; want „de begeerte des rechtvaardigen zal voldaan worden”.
„Dewijl zijn ziel Mij teer bemint,”
dus laat God zelf zich horen,
„heb Ik voor hem als voor Mijn vrind
een heilrijk lot beschoren.”
Psalm 91:7
Aan de lezer…
Hoe vaak kunt u van het werk van de genade in uw hart weinig meer zeggen dan dit: dat er een begeerte is! Een zucht, een hijgen, een uitzien naar de Heere Jezus Christus, vooral in de nacht? Veracht dat geringe niet. De vleselijke, onwedergeboren mens kent zo’n verlangen niet; er is niets in zijn hart dat naar de Naam van God uitgaat. Waar die begeerte leeft, daar heeft God Zelf de adem van Zijn Geest geblazen.
Misschien zijn Gods wegen met u moeilijk en streng, en gaan zij in tegen alles wat de natuur wil. Toch blijft dat verlangen naar een woord van Zijn lippen, naar een zoet gefluister van Zijn liefde. Houd dan vast aan de belofte die erbij gegeven is: de begeerte van de rechtvaardige zal voldaan worden. Hij Die het hongeren gaf, zal de hongerige ziel niet leeg wegsturen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
The desire of our soul is to Thy name, and to the remembrance of Thee.
Isaiah 26:8
How sweet and expressive is the phrase, “The desire of our soul!” How it seems to carry our feelings with it! How it seems to describe the longings and utterings of a soul into which God has breathed the spirit of grace and mercy! “The desire of our soul,”—the breathing of our heart, the longing of our inmost being; the cry, the sigh, the panting of our new nature; the heavings, gaspings, lookings, longings, pantings, hungerings, thirstings, and ventings forth of the new man of grace—all are expressed in those sweet and blessed words, “The desire of our soul!”
And what a mercy it is, that there should ever be in us “the desire” of a living soul; that though the righteous dealings of God are painful and severe, running contrary to everything nature loves; yet that with all these, there should be dropped into the heart that mercy, love, and grace, which draw forth the desire of the soul toward the Name of God.
This is expressed in the words that follow, “With my soul have I desired You in the night!” If you can say no more about the work of grace upon your heart than that—can you really use these words as descriptive of feelings experienced within, “With my soul have I desired You in the night?” Is your soul longing after the Lord Jesus Christ? Is it ever in the night season panting after the manifestation of His presence? hungering and thirsting after the dropping-in of some word from His lips, some sweet whisper of His love to your soul?
These are marks of grace. The carnal, the unregenerate, the ungodly, have no such desires and feelings as these; there is nothing in their heart corresponding with “the desire of the soul” unto the Name of God. But it is the case with all the righteous; for “the desire of the righteous shall be satisfied.”
To the reader…
How often you can say little more about the work of grace in your heart than this: that there is a desire! A sigh, a panting, a looking out for the Lord Jesus Christ, especially in the night? Do not despise that small thing. The carnal, unregenerate man knows no such longing; there is nothing in his heart that goes out after the Name of God. Where that desire lives, God Himself has breathed the breath of His Spirit.
Perhaps God’s ways with you are hard and severe, running against everything nature wants. Yet that longing remains for a word from His lips, for a sweet whisper of His love. Hold fast, then, to the promise that goes with it: the desire of the righteous shall be satisfied. He Who gave the hunger will not send the hungry soul away empty.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
A tu nombre y á tu memoria es el deseo del alma.
Isaías 26:8
¡Cuán dulce y expresiva es la frase: “El deseo del alma”! ¡Cómo parece llevar consigo nuestros sentimientos! ¡Cómo parece describir los anhelos y las expresiones de un alma en la que Dios ha soplado el espíritu de gracia y misericordia! “El deseo del alma”: el aliento de nuestro corazón, el anhelo de lo más íntimo de nuestro ser; el clamor, el suspiro, el jadeo de nuestra nueva naturaleza; los gemidos, las ansias, las miradas, los anhelos, los jadeos, el hambre, la sed y los desahogos del nuevo hombre de la gracia: todo se expresa en esas dulces y benditas palabras: “¡El deseo del alma!”
¡Y qué misericordia es que haya alguna vez en nosotros “el deseo” de un alma viva; que, aunque los tratos justos de Dios sean dolorosos y severos, yendo en contra de todo lo que la naturaleza ama, sin embargo, con todo ello, se deje caer en el corazón aquella misericordia, amor y gracia que hacen brotar el deseo del alma hacia el Nombre de Dios!
Esto se expresa en las palabras que siguen: “Con mi alma te he deseado en la noche.” Si no puede decir más de la obra de la gracia en su corazón que esto, ¿puede usted de veras usar estas palabras como descripción de sentimientos experimentados por dentro: “Con mi alma te he deseado en la noche”? ¿Anhela su alma al Señor Jesucristo? ¿Jadea alguna vez, en la noche, por la manifestación de Su presencia? ¿Tiene hambre y sed de que caiga en ella alguna palabra de Sus labios, algún dulce susurro de Su amor a su alma?
Estas son marcas de la gracia. Los carnales, los no regenerados, los impíos, no tienen deseos ni sentimientos como estos; no hay nada en su corazón que corresponda al “deseo del alma” hacia el Nombre de Dios. Pero así sucede con todos los justos; porque “á los justos les será dado lo que desean.”
Al lector…
¡Cuántas veces no puede usted decir de la obra de la gracia en su corazón mucho más que esto: que hay un deseo! ¿Un suspiro, un jadeo, un mirar en busca del Señor Jesucristo, sobre todo en la noche? No desprecie esa pequeña cosa. El hombre carnal, no regenerado, no conoce tal anhelo; no hay nada en su corazón que salga en busca del Nombre de Dios. Donde vive ese deseo, Dios mismo ha soplado el aliento de Su Espíritu.
Quizá los caminos de Dios con usted son duros y severos, y van en contra de todo lo que la naturaleza quiere. Sin embargo, permanece ese anhelo de una palabra de Sus labios, de un dulce susurro de Su amor. Aférrese, pues, a la promesa que lo acompaña: a los justos les será dado lo que desean. Aquel que dio el hambre no despedirá vacía al alma hambrienta.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Roepende tot de Heere
Doch roepende tot de HEERE in de benauwdheid die zij hadden, verloste Hij hen uit hun angsten.
Psalm 107:13
Sommige van Gods kinderen denken dat ze slechts hoeven te smachten, en dat zodra ze smachten, de zegen wel komt; dat ze alleen maar hoeven te dorsten, en dat zodra ze dorsten, God hun zeker een voorraad zal sturen. Maar dit is niet zo. Honger en dorst moeten eerst een bepaalde werkzaamheid hebben. Wat is deze werkzaamheid? Hun zielen in hen te overstelpen, ze van alle geestelijke kracht te beroven en ze te verzwakken tot verhongeren toe.
En wees er zeker van dat u nooit echt honger en dorst hebt geleden als uw ziel nooit overstelpt is geweest: overstelpt door de zwakheid die is voortgekomen uit het afwijzen van geestelijk voedsel — overstelpt vanwege de moeilijkheden die u hebt moeten doorstaan — overstelpt door de lasten die op uw schouders zijn gelegd — overstelpt door het woeste en smalle pad waarlangs u hebt moeten reizen. Wat zijn vele van Gods kinderen tot dit punt gebracht, waarop ze alles als verloren moeten opgeven! Wat zijn er vele in wanhoop verzonken, omdat de Heere hun geen aandacht schenkt als ze Zijn Naam aanroepen — dat Hij niet tot hun zielen spreekt, ofschoon ze Hem zo vaak hebben gesmeekt te luisteren en te antwoorden — dat Hij niet de lasten van hun schouders wil afnemen waaronder ze wegzakken — dat Hij hun niet die bewijzen, getuigenissen en glimpen wil geven waarnaar hun hart snakt!
Maar de Heere heeft met dit alles een bijzondere bedoeling. Het is Zijn oogmerk dat hun zielen in hen overstelpt raken. Dit was het geval bij Jona: „Als mijn ziel in mij overstelpt was, dacht ik aan de HEERE, en mijn gebed kwam tot U, in de tempel Uwer heiligheid” (Jona 2:7). We moeten tot de rand van uitputting worden gebracht. En net zo is het met geestelijke honger en dorst; ze moeten doorgaan tot de ziel uitgeput is; dit is de bedoeling ervan. Tot de ziel uitgeput is, wil zij geen steun; de eeuwige armen worden versmaad — op het hart van Jezus wordt niet gesteund.
Lezen: Psalm 102:1-16
Aan de lezer…
Hebt u, bestreden ziel, al zo vaak geroepen en gesmeekt, en lijkt het of de Heere geen acht op u slaat? Spreekt Hij niet tot uw hart, neemt Hij de last niet van uw schouders, geeft Hij niet het bewijs waar u zo naar snakt? Denk dan niet te snel dat alles verloren is. De Heere heeft met dit lange wachten een bijzondere bedoeling: Hij laat uw ziel in u overstelpt raken, zoals bij Jona in de diepte.
Zolang wij nog wat kracht in onszelf menen te hebben, versmaden wij de eeuwige armen en leunen wij niet op het hart van Jezus. Maar wanneer de ziel uitgeput is, wordt zij gewillig gemaakt om alleen op Hem te steunen. Zo werd Jona’s nood het uur waarin hij aan de HEERE dacht en zijn gebed tot Hem doordrong. Laat dan uw uitputting u niet van Hem afdrijven, maar tot Hem heen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Doch roepende tot de HEERE in de benauwdheid die zij hadden, verloste Hij hen uit hun angsten.
Psalm 107:13
Sommige van Gods kinderen denken dat ze alleen maar hoeven te smachten, en dat de zegen komt zodra ze smachten; dat ze alleen maar dorst hoeven te hebben, en dat God hun zeker voorraad zal sturen zodra ze dorsten. Maar zo is het niet. Honger en dorst moeten eerst een bepaalde uitwerking hebben. Wat is die uitwerking? Dat hun ziel in hen overstelpt raakt, dat ze van alle geestelijke kracht beroofd worden en verzwakt tot ze bijna van honger omkomen.
En weet zeker dat u nooit werkelijk honger en dorst hebt gehad als uw ziel nooit overstelpt is geweest: overstelpt door de zwakheid die voortkwam uit het gemis aan geestelijk voedsel, overstelpt door de moeiten die u hebt moeten doorstaan, overstelpt door de lasten die op uw schouders zijn gelegd, overstelpt door het ruwe en smalle pad waarlangs u hebt moeten reizen. Hoeveel van Gods kinderen zijn op dit punt gebracht, waar ze alles als verloren moeten opgeven! Hoeveel zijn er in wanhoop weggezonken, omdat de Heere geen acht op hen slaat als ze Zijn Naam aanroepen; omdat Hij niet tot hun ziel spreekt, hoewel ze Hem zo vaak hebben gesmeekt te horen en te antwoorden; omdat Hij de lasten waaronder ze wegzakken niet van hun schouders wil nemen; omdat Hij hun niet de bewijzen, getuigenissen en blijken wil geven waarnaar hun hart snakt!
Maar de Heere heeft met dit alles een bijzondere bedoeling. Het is Zijn oogmerk dat hun ziel in hen overstelpt raakt. Zo was het bij Jona: „Als mijn ziel in mij overstelpt was, dacht ik aan de HEERE, en mijn gebed kwam tot U, in de tempel Uwer heiligheid” (Jona 2:7). We moeten tot de rand van uitputting worden gebracht. Zo is het ook met geestelijke honger en dorst: ze moeten doorgaan tot de ziel uitgeput is; dat is hun bedoeling. Zolang de ziel niet uitgeput is, wil zij geen steun; dan worden de eeuwige armen versmaad en wordt er niet op het hart van Jezus geleund.
Lezen: Psalm 102:1-16
Aan de lezer…
Hebt u, bestreden ziel, al zo vaak geroepen en gesmeekt, en lijkt het alsof de Heere geen acht op u slaat? Spreekt Hij niet tot uw hart, neemt Hij de last niet van uw schouders, geeft Hij niet het bewijs waar u zo naar snakt? Denk dan niet te snel dat alles verloren is. De Heere heeft met dit lange wachten een bijzondere bedoeling: Hij laat uw ziel in u overstelpt raken, zoals bij Jona in de diepte.
Zolang wij nog wat kracht in onszelf menen te hebben, versmaden wij de eeuwige armen en leunen wij niet op het hart van Jezus. Maar wanneer de ziel uitgeput is, wordt zij gewillig gemaakt om alleen op Hem te steunen. Zo werd Jona’s nood het uur waarin hij aan de HEERE dacht en zijn gebed tot Hem doordrong. Laat uw uitputting u dan niet van Hem wegdrijven, maar naar Hem toe.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Then they cried unto the LORD in their trouble, and He saved them out of their distresses.
Psalm 107:13
Some of God’s children think they have only to languish, and that the blessing comes as soon as they languish; that they have only to thirst, and that God will surely send them supplies as soon as they thirst. But it is not so. Hunger and thirst must first have a certain effect. What is that effect? That their soul faints in them, that they are stripped of all spiritual strength and weakened until they are almost perishing with hunger.
And be sure of this, that you have never really hungered and thirsted if your soul has never fainted: fainted through the weakness that came from the want of spiritual food, fainted through the troubles you have had to endure, fainted through the burdens laid upon your shoulders, fainted through the rough and narrow path along which you have had to travel. How many of God’s children have been brought to this point, where they must give up all as lost! How many have sunk in despair, because the Lord takes no notice of them when they call upon His Name; because He does not speak to their soul, though they have so often begged Him to hear and answer; because He will not take from their shoulders the burdens under which they are sinking; because He will not give them the evidences, testimonies and tokens for which their heart is panting!
But the Lord has a special purpose in all this. It is His design that their soul should faint in them. So it was with Jonah: “When my soul fainted within me I remembered the LORD: and my prayer came in unto Thee, into Thine holy temple” (Jonah 2:7). We must be brought to the brink of exhaustion. So it is with spiritual hunger and thirst also: they must go on until the soul is exhausted; that is their purpose. As long as the soul is not exhausted, it wants no support; then the everlasting arms are despised and there is no leaning upon the bosom of Jesus.
Reading: Psalm 102:1-16
To the reader…
Have you, tried soul, cried and begged so often already, and does it seem as if the Lord takes no notice of you? Does He not speak to your heart, does He not take the burden from your shoulders, does He not give the evidence for which you are so panting? Then do not think too quickly that all is lost. The Lord has a special purpose in this long waiting: He lets your soul faint within you, as with Jonah in the deep.
As long as we still think we have some strength in ourselves, we despise the everlasting arms and do not lean upon the bosom of Jesus. But when the soul is exhausted, it is made willing to lean upon Him alone. So Jonah’s distress became the hour in which he remembered the LORD and his prayer came in unto Him. Then let your exhaustion not drive you away from Him, but towards Him.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Luego que clamaron a Jehová en su angustia, librolos de sus aflicciones.
Salmo 107:13
Algunos de los hijos de Dios piensan que solo tienen que languidecer, y que la bendición viene tan pronto como languidecen; que solo tienen que tener sed, y que Dios ciertamente les enviará provisión tan pronto como tengan sed. Pero no es así. El hambre y la sed tienen primero que producir cierto efecto. ¿Cuál es ese efecto? Que su alma desfallezca en ellos, que sean despojados de toda fuerza espiritual y debilitados hasta casi perecer de hambre.
Y esté seguro de esto: nunca ha tenido usted verdaderamente hambre y sed si su alma nunca ha desfallecido; desfallecido por la debilidad que vino de la falta de alimento espiritual, desfallecido por las aflicciones que ha tenido que soportar, desfallecido por las cargas puestas sobre sus hombros, desfallecido por el camino áspero y estrecho por el que ha tenido que viajar. ¡A cuántos de los hijos de Dios se los ha llevado a este punto, en que tienen que darlo todo por perdido! ¡Cuántos se han hundido en la desesperación, porque el Señor no hace caso de ellos cuando invocan Su Nombre; porque no habla a su alma, aunque tantas veces le han rogado que oiga y responda; porque no quiere quitar de sus hombros las cargas bajo las cuales se están hundiendo; porque no quiere darles las evidencias, testimonios y señales por los que su corazón anhela!
Pero el Señor tiene un propósito especial en todo esto. Es Su designio que su alma desfallezca en ellos. Así fue con Jonás: “Cuando mi alma desfallecía en mí, me acordé de Jehová; y mi oración entró hasta Ti en Tu santo templo” (Jon. 2:7). Tenemos que ser llevados al borde del agotamiento. Así es también con el hambre y la sed espirituales: tienen que continuar hasta que el alma esté agotada; ese es su propósito. Mientras el alma no está agotada, no quiere apoyo; entonces se desprecian los brazos eternos y no hay un apoyarse en el seno de Jesús.
Lectura: Salmo 102:1-16
Al lector…
Alma probada, ¿ha clamado y rogado ya tantas veces, y le parece como si el Señor no hiciera caso de usted? ¿No habla a su corazón, no quita la carga de sus hombros, no da la evidencia por la que tanto anhela? Entonces no piense demasiado pronto que todo está perdido. El Señor tiene un propósito especial en esta larga espera: deja que su alma desfallezca dentro de usted, como con Jonás en lo profundo.
Mientras todavía pensamos que tenemos alguna fuerza en nosotros mismos, despreciamos los brazos eternos y no nos apoyamos en el seno de Jesús. Pero cuando el alma está agotada, es hecha dispuesta a apoyarse solo en Él. Así la angustia de Jonás llegó a ser la hora en que se acordó de Jehová y su oración entró hasta Él. Que su agotamiento, pues, no le aleje de Él, sino que le lleve hacia Él.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Zoveel treffelijker geworden dan de engelen, als Hij uitnemender Naam boven hen geërfd heeft.
Hebreeën 1:4
Christus was zoveel treffelijker geworden dan de engelen, niet als de Zoon van God, omdat Hij alreeds treffelijker was, zijnde in waarheid hun Maker en Schepper. Ook is Hij niet de Zoon van God geworden omdat Hij de Erfgenaam van alles was en dat Hij door die erfenis een Naam heeft verkregen die boven de naam van alle hemelse legerscharen uitgaat. Indien ik een enige zoon heb en hij mijn eigendom erft, dan maakt dit hem, omdat hij mijn erfgenaam is, niet tot mijn zoon; maar omdat hij mijn zoon is, wordt hij mijn erfgenaam. Zo is de gezegende Heere Jezus de Erfgenaam Gods. Maar de schoonheid en gelukzaligheid, de genade en heerlijkheid, de blijdschap en vertroosting die eruit voortvloeien dat Hij de Erfgenaam van alles is, liggen hierin, dat Hij dit is in onze natuur.
Dezelfde gezegende Immanuël, Die hier op aarde smartte en weende, leed en bloedde, is nu aan de rechterhand des Vaders als onze Hogepriester, Middelaar, Advocaat, Vertegenwoordiger en Voorspraak. Hem is als de Godmens alle macht gegeven in de hemel en op de aarde (Matth. 28:18), en de Vader heeft Hem gezet aan Zijn rechterhand in de hemel, ver boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij en alle naam die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende (Efeze 1:20, 21).
Maar al deze voortreffelijkheid en heerlijkheid maakten Hem niet tot de Zoon van God; het was omdat Hij als de Zoon van God het geen roof geacht heeft Gode even gelijk te zijn, en Zichzelf vernietigd heeft, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, en Hij de mensen in alles gelijk geworden is, Zichzelf vernederd heeft, gehoorzaam zijnde tot de dood, ja, de dood des kruises. Daarom heeft God Hem uitermate verhoogd en heeft Hem een Naam gegeven welke boven alle naam is, opdat in de Naam van Jezus zich zoude buigen alle knie dergenen die in de hemel en die op de aarde zijn, en alle tong zou belijden dat Jezus Christus de Heere zij, tot heerlijkheid Gods des Vaders (Fil. 2:6-11). De vreugde des hemels daarboven, het vermaak der heiligen hier beneden, hun enige hoop en hulp, sterkte en wijsheid, vloeien hieruit voort, dat de Zoon van God verhoogd is aan de rechterhand des Vaders in dezelfde natuur die Hij aannam in de baarmoeder der maagd.
Aan de lezer…
Er zijn tijden dat de hemel u zo ver en hoog lijkt, en dat u zich daar beneden zo klein en ellendig voelt. Maar zie wie daar aan de rechterhand des Vaders zit. Het is dezelfde gezegende Immanuël, Die hier op aarde smartte en weende, leed en bloedde. Hij heeft Zichzelf vernederd tot de dood des kruises, en nu draagt Hij een Naam boven alle naam, niet buiten onze natuur, maar in diezelfde natuur die Hij aannam.
Daarin ligt de troost voor een arme, beproefde ziel. Uw Hogepriester en Voorspraak kent uw tranen, want Hij heeft ze Zelf geweend. Alle macht is Hem gegeven in de hemel en op de aarde, en die macht gebruikt Hij voor het volk dat Hij liefheeft. Zoekt u hoop en hulp, sterkte en wijsheid? Zij vloeien alle uit Hem voort. Buig dan uw knie voor Hem, en belijd met uw tong en uw hart dat Jezus Christus de Heere is.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Zoveel treffelijker geworden dan de engelen, als Hij uitnemender Naam boven hen geërfd heeft.
Hebreeën 1:4
Christus was zoveel voortreffelijker geworden dan de engelen, niet als de Zoon van God, want als zodanig was Hij al voortreffelijker, omdat Hij in waarheid hun Maker en Schepper is. Ook is Hij niet de Zoon van God geworden doordat Hij de Erfgenaam van alles was en door die erfenis een Naam heeft verkregen die boven de naam van alle hemelse legerscharen uitgaat. Als ik een enige zoon heb en hij erft mijn bezit, dan maakt het feit dat hij mijn erfgenaam is hem niet tot mijn zoon; maar omdat hij mijn zoon is, wordt hij mijn erfgenaam. Zo is de gezegende Heere Jezus de Erfgenaam van God. Maar de schoonheid en gelukzaligheid, de genade en heerlijkheid, de blijdschap en vertroosting die eruit voortvloeien dat Hij de Erfgenaam van alles is, liggen hierin, dat Hij dit is in onze natuur.
Dezelfde gezegende Immanuël, Die hier op aarde smart leed en weende, leed en bloedde, is nu aan de rechterhand van de Vader als onze Hogepriester, Middelaar, Advocaat, Vertegenwoordiger en Voorspraak. Hem is als de Godmens alle macht gegeven in de hemel en op de aarde (Matth. 28:18). En de Vader heeft Hem gezet aan Zijn rechterhand in de hemel, ver boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij en alle naam die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende (Efeze 1:20, 21).
Maar al deze voortreffelijkheid en heerlijkheid maakten Hem niet tot de Zoon van God. Het was juist omdat Hij als de Zoon van God het geen roof geacht heeft Gode even gelijk te zijn, en Zichzelf vernietigd heeft, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, en Hij de mensen in alles gelijk geworden is, Zichzelf vernederd heeft, gehoorzaam zijnde tot de dood, ja, de dood des kruises. Daarom heeft God Hem uitermate verhoogd en heeft Hem een Naam gegeven welke boven alle naam is, opdat in de Naam van Jezus zich zoude buigen alle knie dergenen die in de hemel en die op de aarde zijn, en alle tong zou belijden dat Jezus Christus de Heere zij, tot heerlijkheid Gods des Vaders (Fil. 2:6-11). De vreugde van de hemel daarboven, de vreugde van de heiligen hier beneden, hun enige hoop en hulp, sterkte en wijsheid, vloeien hieruit voort: dat de Zoon van God verhoogd is aan de rechterhand van de Vader in dezelfde natuur die Hij aannam in de schoot van de maagd.
Aan de lezer…
Er zijn tijden dat de hemel u zo ver en hoog lijkt, en dat u zich daar beneden zo klein en ellendig voelt. Maar zie wie daar aan de rechterhand van de Vader zit. Het is dezelfde gezegende Immanuël, Die hier op aarde smart leed en weende, leed en bloedde. Hij heeft Zichzelf vernederd tot de dood van het kruis, en nu draagt Hij een Naam boven alle naam, niet buiten onze natuur, maar in diezelfde natuur die Hij aannam.
Daarin ligt de troost voor een arme, beproefde ziel. Uw Hogepriester en Voorspraak kent uw tranen, want Hij heeft ze Zelf geweend. Alle macht is Hem gegeven in de hemel en op de aarde, en die macht gebruikt Hij voor het volk dat Hij liefheeft. Zoekt u hoop en hulp, sterkte en wijsheid? Zij vloeien allemaal uit Hem voort. Buig dan uw knie voor Hem, en belijd met uw tong en uw hart dat Jezus Christus de Heere is.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Being made so much better than the angels, as he hath by inheritance obtained a more excellent name than they.”
Hebrews 1:4
Christ was made so much better than the angels, not as the Son of God, because as that He was better than they already, being, indeed, their Maker and Creator. Nor did He become God’s Son by being “appointed heir of all things,” and “obtaining by inheritance a more excellent name” than all the angelic host. If I have an only son, and he inherits my property, his being my heir does not make him my son, but his being my son makes him my heir. So the blessed Jesus is God’s heir.
But the beauty and blessedness, the grace and glory, the joy and consolation of His being “the heir of all things,” lies in this, that He is such in our nature—that the same blessed Immanuel Who groaned and wept, suffered and bled here below, is now at the right hand of the Father as our High Priest, Mediator, Advocate, Representative, and Intercessor; that all power is given unto Him in heaven and earth as the God-man (Matt. 28:18); and that the Father has “set Him at His own right hand in the heavenly places, far above all principality, and power, and might, and dominion, and every name that is named, not only in this world, but also in that which is to come” (Eph. 1:20, 21).
But He has all this pre-eminence and glory not to make Him the Son of God, but because He Who, as the Son of God, “Who, being in very nature God, did not consider equality with God something to be grasped, but made Himself nothing, taking the very nature of a servant, being made in human likeness. And being found in appearance as a man, He humbled Himself and became obedient to death—even death on a cross! Therefore God exalted Him to the highest place and gave Him the Name that is above every name, that at the Name of Jesus every knee should bow, in heaven and on earth and under the earth, and every tongue confess that Jesus Christ is Lord, to the glory of God the Father.” (Phil. 2:6-11).
The joy of heaven above, the delight of the saints here below, their only hope and help, strength and wisdom, spring from this, that the Son of God is exalted to the right hand of the Father in the very nature which He assumed in the womb of the virgin.
To the reader…
There are times when heaven seems to you so far and so high, and you feel so small and wretched down here below. But see Who sits there at the right hand of the Father. It is the same blessed Immanuel Who here on earth groaned and wept, suffered and bled. He humbled Himself unto the death of the cross, and now He bears a Name above every name, not outside our nature, but in that very nature which He assumed.
Therein lies the comfort for a poor, tried soul. Your High Priest and Advocate knows your tears, for He wept them Himself. All power is given to Him in heaven and on earth, and He uses that power for the people He loves. Are you seeking hope and help, strength and wisdom? They all flow from Him. Bow your knee to Him, then, and confess with your tongue and your heart that Jesus Christ is Lord.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Hecho tanto más excelente que los ángeles, cuanto alcanzó por herencia más excelente nombre que ellos.
Hebreos 1:4
Cristo fue hecho tanto más excelente que los ángeles, no como Hijo de Dios, porque como tal Él era ya más excelente que ellos, siendo, en verdad, su Hacedor y Creador. Ni llegó a ser Hijo de Dios por ser “constituido heredero de todo” y “alcanzar por herencia más excelente nombre” que toda la hueste angélica. Si yo tengo un hijo único y él hereda mis bienes, el ser mi heredero no le hace mi hijo, sino que el ser mi hijo le hace mi heredero. Así el bendito Jesús es heredero de Dios.
Pero la hermosura y la bienaventuranza, la gracia y la gloria, el gozo y la consolación de que Él sea “heredero de todo” consisten en esto: que lo es en nuestra naturaleza; que el mismo bendito Emanuel que gimió y lloró, sufrió y sangró aquí abajo, está ahora a la diestra del Padre como nuestro Sumo Sacerdote, Mediador, Abogado, Representante e Intercesor; que toda potestad le es dada en el cielo y en la tierra como Dios-hombre (Mat. 28:18); y que el Padre le ha “colocado a Su diestra en los lugares celestiales, sobre todo principado, y potestad, y potencia, y señorío, y todo nombre que se nombra, no solo en este siglo, mas aun en el venidero” (Ef. 1:20, 21).
Pero Él tiene toda esta preeminencia y gloria no para hacerle Hijo de Dios, sino porque Él, como Hijo de Dios, “siendo en forma de Dios, no tuvo por usurpación ser igual a Dios; sin embargo, se anonadó a Sí mismo, tomando forma de siervo, hecho semejante a los hombres; y hallado en la condición como hombre, se humilló a Sí mismo, hecho obediente hasta la muerte, y muerte de cruz. Por lo cual Dios también le ensalzó a lo sumo, y le dio un Nombre que es sobre todo nombre; para que en el Nombre de Jesús se doble toda rodilla de los que están en los cielos, y de los que en la tierra, y de los que debajo de la tierra; y toda lengua confiese que Jesucristo es el Señor, a la gloria de Dios Padre” (Fil. 2:6-11).
El gozo del cielo en lo alto, el deleite de los santos aquí abajo, su única esperanza y ayuda, fuerza y sabiduría, brotan de esto: que el Hijo de Dios está exaltado a la diestra del Padre en la misma naturaleza que asumió en el seno de la virgen.
Al lector…
Hay momentos en que el cielo le parece tan lejano y tan alto, y usted se siente tan pequeño y miserable aquí abajo. Pero mire quién está sentado allí, a la diestra del Padre. Es el mismo bendito Emanuel que aquí en la tierra gimió y lloró, sufrió y sangró. Él se humilló hasta la muerte de cruz, y ahora lleva un Nombre que es sobre todo nombre, no fuera de nuestra naturaleza, sino en esa misma naturaleza que asumió.
Ahí está el consuelo para una pobre alma probada. Su Sumo Sacerdote y Abogado conoce sus lágrimas, porque Él mismo las lloró. Toda potestad le es dada en el cielo y en la tierra, y Él usa esa potestad en favor del pueblo que ama. ¿Busca esperanza y ayuda, fuerza y sabiduría? Todas fluyen de Él. Doble, pues, su rodilla ante Él, y confiese con su lengua y con su corazón que Jesucristo es el Señor.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl