27 de agosto
Tot Uw Naam en tot Uw gedachtenis is de begeerte onzer ziele.
Jesaja 26:8
Hoe lieflijk en betekenisvol is de uitdrukking: „de begeerte onzer ziele”! Hoe schijnt zij onze gevoelens met zich te voeren! Hoe schijnt zij het verlangen en de uitdrukking ener ziel te beschrijven, waarin God Zijn adem des Geestes van genade en barmhartigheid geblazen heeft! „De begeerte onzer ziele” — de uitgang van ons hart; het verlangen van ons inwendig zijn; de kreet, de zucht, het verlangen onzer nieuwe natuur; het zwoegen, het smachten, het uitzien, het hijgen, het hongeren, het dorsten, het zich uiten van de nieuwe mens van genade — alle zijn uitgedrukt in die lieflijke en gezegende woorden: „De begeerte onzer ziele!”
En welk een barmhartigheid is het dat er altijd in ons zijn moet: „de begeerte” ener levende ziel; dat, ofschoon de rechtvaardige wegen Gods moeilijk en gestreng en altijd in strijd zijn met alles wat de natuur wil, er toch in het hart die barmhartigheid, liefde en genade moet worden uitgestort, die de begeerte der ziel doet ontstaan naar de Naam van God. Dit wordt uitgedrukt in de woorden die hierop volgen: „Met mijn ziel heb ik U begeerd in de nacht!” Indien gij niets meer kunt zeggen van het werk der genade in uw hart dan dat — kunt gij dan vrijelijk deze woorden gebruiken, als uitdrukkende wat gij inwendig gevoelt: „Met mijn ziel heb ik U begeerd in de nacht!”
Verlangt uw ziel naar de Heere Jezus Christus? Is het altijd in de nacht dat gij hijgend uitziet naar de openbaring Zijner tegenwoordigheid, hongerig en dorstig zijt naar het ontvangen van een woord van Zijn lippen, van een zoet gefluister Zijner liefde tot uw ziel? Dit zijn bewijzen van genade. De vleselijke, onwedergeboren, ongodsdienstige mens heeft zulke begeerte en gevoelens als deze niet; er is niets in zijn hart dat in overeenstemming is met de begeerte der ziel tot de Naam van God. Maar zulks is wel het geval met de rechtvaardige; want „de begeerte des rechtvaardigen zal voldaan worden”.
„Dewijl zijn ziel Mij teer bemint,”
dus laat God zelf zich horen,
„heb Ik voor hem als voor Mijn vrind
een heilrijk lot beschoren.”
Psalm 91:7
Aan de lezer…
Hoe vaak kunt u van het werk der genade in uw hart weinig meer zeggen dan dit: dat er een begeerte is! Een zucht, een hijgen, een uitzien naar de Heere Jezus Christus, vooral in de nacht? Veracht dat geringe niet. De vleselijke, onwedergeboren mens kent zulk een verlangen niet; er is niets in zijn hart dat naar de Naam van God uitgaat. Waar die begeerte leeft, daar heeft God Zelf de adem van Zijn Geest geblazen.
Misschien zijn Gods wegen met u moeilijk en gestreng, en gaan zij in tegen alles wat de natuur wil. Toch blijft dat verlangen naar een woord van Zijn lippen, naar een zoet gefluister van Zijn liefde. Houd dan vast aan de belofte die erbij gegeven is: de begeerte des rechtvaardigen zal voldaan worden. Hij, Die het hongeren gaf, zal de hongerige ziel niet ledig wegzenden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Tot Uw Naam en tot Uw gedachtenis is de begeerte onzer ziele.
Jesaja 26:8
Hoe lieflijk en betekenisvol is de uitdrukking: „de begeerte onzer ziele”! Hoe lijkt zij onze gevoelens met zich mee te voeren! Hoe lijkt zij het verlangen en de uiting te beschrijven van een ziel waarin God de adem van Zijn Geest van genade en barmhartigheid geblazen heeft! „De begeerte onzer ziele” — het uitgaan van ons hart; het verlangen van ons inwendige wezen; de kreet, de zucht, het verlangen van onze nieuwe natuur; het zwoegen, het smachten, het uitzien, het hijgen, het hongeren, het dorsten, het zich uiten van de nieuwe mens van de genade — dat alles is uitgedrukt in die lieflijke en gezegende woorden: „De begeerte onzer ziele!”
En wat een barmhartigheid is het dat er altijd in ons „de begeerte” van een levende ziel moet zijn! De rechtvaardige wegen van God zijn wel moeilijk en streng, en altijd in strijd met alles wat de natuur wil; en toch moet er in het hart die barmhartigheid, liefde en genade worden uitgestort die de begeerte van de ziel naar de Naam van God doet ontstaan. Dit wordt uitgedrukt in de woorden die erop volgen: „Met mijn ziel heb ik U begeerd in de nacht!” Als u van het werk van de genade in uw hart niets meer kunt zeggen dan dat, kunt u dan vrijmoedig deze woorden gebruiken als uitdrukking van wat u inwendig voelt: „Met mijn ziel heb ik U begeerd in de nacht!”?
Verlangt uw ziel naar de Heere Jezus Christus? Is het altijd in de nacht dat u hijgend uitziet naar de openbaring van Zijn tegenwoordigheid, dat u hongert en dorst naar een woord van Zijn lippen, naar een zoet gefluister van Zijn liefde tot uw ziel? Dat zijn bewijzen van genade. De vleselijke, onwedergeboren, ongodsdienstige mens heeft zulke begeerten en gevoelens niet; er is niets in zijn hart dat overeenstemt met de begeerte van de ziel naar de Naam van God. Maar bij de rechtvaardige is dat wel zo; want „de begeerte des rechtvaardigen zal voldaan worden”.
„Dewijl zijn ziel Mij teer bemint,”
dus laat God zelf zich horen,
„heb Ik voor hem als voor Mijn vrind
een heilrijk lot beschoren.”
Psalm 91:7
Aan de lezer…
Hoe vaak kunt u van het werk van de genade in uw hart weinig meer zeggen dan dit: dat er een begeerte is! Een zucht, een hijgen, een uitzien naar de Heere Jezus Christus, vooral in de nacht? Veracht dat geringe niet. De vleselijke, onwedergeboren mens kent zo’n verlangen niet; er is niets in zijn hart dat naar de Naam van God uitgaat. Waar die begeerte leeft, daar heeft God Zelf de adem van Zijn Geest geblazen.
Misschien zijn Gods wegen met u moeilijk en streng, en gaan zij in tegen alles wat de natuur wil. Toch blijft dat verlangen naar een woord van Zijn lippen, naar een zoet gefluister van Zijn liefde. Houd dan vast aan de belofte die erbij gegeven is: de begeerte van de rechtvaardige zal voldaan worden. Hij Die het hongeren gaf, zal de hongerige ziel niet leeg wegsturen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
The desire of our soul is to Thy name, and to the remembrance of Thee.
Isaiah 26:8
How sweet and expressive is the phrase, “The desire of our soul!” How it seems to carry our feelings with it! How it seems to describe the longings and utterings of a soul into which God has breathed the spirit of grace and mercy! “The desire of our soul,”—the breathing of our heart, the longing of our inmost being; the cry, the sigh, the panting of our new nature; the heavings, gaspings, lookings, longings, pantings, hungerings, thirstings, and ventings forth of the new man of grace—all are expressed in those sweet and blessed words, “The desire of our soul!”
And what a mercy it is, that there should ever be in us “the desire” of a living soul; that though the righteous dealings of God are painful and severe, running contrary to everything nature loves; yet that with all these, there should be dropped into the heart that mercy, love, and grace, which draw forth the desire of the soul toward the Name of God.
This is expressed in the words that follow, “With my soul have I desired You in the night!” If you can say no more about the work of grace upon your heart than that—can you really use these words as descriptive of feelings experienced within, “With my soul have I desired You in the night?” Is your soul longing after the Lord Jesus Christ? Is it ever in the night season panting after the manifestation of His presence? hungering and thirsting after the dropping-in of some word from His lips, some sweet whisper of His love to your soul?
These are marks of grace. The carnal, the unregenerate, the ungodly, have no such desires and feelings as these; there is nothing in their heart corresponding with “the desire of the soul” unto the Name of God. But it is the case with all the righteous; for “the desire of the righteous shall be satisfied.”
To the reader…
How often you can say little more about the work of grace in your heart than this: that there is a desire! A sigh, a panting, a looking out for the Lord Jesus Christ, especially in the night? Do not despise that small thing. The carnal, unregenerate man knows no such longing; there is nothing in his heart that goes out after the Name of God. Where that desire lives, God Himself has breathed the breath of His Spirit.
Perhaps God’s ways with you are hard and severe, running against everything nature wants. Yet that longing remains for a word from His lips, for a sweet whisper of His love. Hold fast, then, to the promise that goes with it: the desire of the righteous shall be satisfied. He Who gave the hunger will not send the hungry soul away empty.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
A tu nombre y á tu memoria es el deseo del alma.
Isaías 26:8
¡Cuán dulce y expresiva es la frase: “El deseo del alma”! ¡Cómo parece llevar consigo nuestros sentimientos! ¡Cómo parece describir los anhelos y las expresiones de un alma en la que Dios ha soplado el espíritu de gracia y misericordia! “El deseo del alma”: el aliento de nuestro corazón, el anhelo de lo más íntimo de nuestro ser; el clamor, el suspiro, el jadeo de nuestra nueva naturaleza; los gemidos, las ansias, las miradas, los anhelos, los jadeos, el hambre, la sed y los desahogos del nuevo hombre de la gracia: todo se expresa en esas dulces y benditas palabras: “¡El deseo del alma!”
¡Y qué misericordia es que haya alguna vez en nosotros “el deseo” de un alma viva; que, aunque los tratos justos de Dios sean dolorosos y severos, yendo en contra de todo lo que la naturaleza ama, sin embargo, con todo ello, se deje caer en el corazón aquella misericordia, amor y gracia que hacen brotar el deseo del alma hacia el Nombre de Dios!
Esto se expresa en las palabras que siguen: “Con mi alma te he deseado en la noche.” Si no puede decir más de la obra de la gracia en su corazón que esto, ¿puede usted de veras usar estas palabras como descripción de sentimientos experimentados por dentro: “Con mi alma te he deseado en la noche”? ¿Anhela su alma al Señor Jesucristo? ¿Jadea alguna vez, en la noche, por la manifestación de Su presencia? ¿Tiene hambre y sed de que caiga en ella alguna palabra de Sus labios, algún dulce susurro de Su amor a su alma?
Estas son marcas de la gracia. Los carnales, los no regenerados, los impíos, no tienen deseos ni sentimientos como estos; no hay nada en su corazón que corresponda al “deseo del alma” hacia el Nombre de Dios. Pero así sucede con todos los justos; porque “á los justos les será dado lo que desean.”
Al lector…
¡Cuántas veces no puede usted decir de la obra de la gracia en su corazón mucho más que esto: que hay un deseo! ¿Un suspiro, un jadeo, un mirar en busca del Señor Jesucristo, sobre todo en la noche? No desprecie esa pequeña cosa. El hombre carnal, no regenerado, no conoce tal anhelo; no hay nada en su corazón que salga en busca del Nombre de Dios. Donde vive ese deseo, Dios mismo ha soplado el aliento de Su Espíritu.
Quizá los caminos de Dios con usted son duros y severos, y van en contra de todo lo que la naturaleza quiere. Sin embargo, permanece ese anhelo de una palabra de Sus labios, de un dulce susurro de Su amor. Aférrese, pues, a la promesa que lo acompaña: a los justos les será dado lo que desean. Aquel que dio el hambre no despedirá vacía al alma hambrienta.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl