6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
13 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Indien iemand tot Mij komt, en niet haat zijn vader, en moeder, en vrouw, en kinderen, en broeders, en zusters, ja ook zelfs zijn eigen leven, die kan mijn discipel niet zijn. En wie zijn kruis niet draagt, en Mij navolgt, die kan mijn discipel niet zijn.
Lukas 14:26, 27
Er is geen middenweg naar de hemel — er is geen tussenstaat tussen hel en hemel; geen vagevuur voor die talrijke klasse die zich nauwelijks goed genoeg acht voor de hemel en nauwelijks slecht genoeg voor de hel. Neen, er is geen middenweg, geen tussenstaat. Wij moeten Christus winnen als onze eigen hoogst gezegende Jezus, en met Hem het geluk en de heerlijkheid des hemels genieten, of met al onze zonden op ons hoofd en onder Zijn gramstorige blik ter helle zinken.
De ziel dan, die door de schoonheid en volzaligheid van de Heere Jezus is bekoord, verlangt Hem te winnen, en dat niet voor een dag, een maand of een jaar, maar voor een eeuwigheid; want door Hem te winnen, verkrijgt zij alles wat God aan de ziel van de mens, die onsterfelijk en voor de onsterfelijkheid geschapen is, geven kan om te genieten. Onder de invloed Zijner genade gevoelt zij bij tijden, zelfs hier beneden, dat al haar onsterfelijke kracht overgaat in een werkzaam, hemels leven, en in geloof en hoop uitziet naar een heerlijke eeuwigheid, waar zij in het bezit zal komen van het hoogste genot dat God de mens geven kan: zelfvereniging met Zijn lieve Zoon, volgens die wondervolle woorden van de Verlosser Zelf: „Opdat zij allen één zijn, gelijkerwijs Gij, Vader! in Mij, en Ik in U, dat ook zij in Ons één zijn!” (Joh. 17:21).
Ik riep tot U, ik zeid’, o Heer,
Gij zijt mijn toevlucht, sterkt’ en eer.
Gij zijt, zolang ik leef, mijn deel,
mijn God, wie ik mij aanbeveel.
Ps. 142:5
Aan de lezer…
Hoopt u ergens in het midden te blijven, niet goed genoeg voor de hemel en toch niet slecht genoeg voor de hel? Ik laat die schuilplaats niet staan: er is geen middenweg. Wij moeten Christus winnen, of verloren gaan. Dat is een ernstig woord, en de Heere Jezus spreekt het Zelf uit: wie Hem niet boven alles stelt, ja boven zijn eigen leven, kan Zijn discipel niet zijn.
Maar is uw hart door Zijn schoonheid bekoord, al is het maar een weinig? Verlangt u Hem te winnen, niet voor een dag of een jaar, maar voor de eeuwigheid? Dan is dat verlangen geen eigen werk, maar de invloed van Zijn genade. Wie Hem wint, verkrijgt alles wat God een onsterfelijke ziel geven kan. Neem dan uw kruis op en volg Hem na. Bij Hem is het hoogste goed.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Indien iemand tot Mij komt, en niet haat zijn vader, en moeder, en vrouw, en kinderen, en broeders, en zusters, ja ook zelfs zijn eigen leven, die kan mijn discipel niet zijn. En wie zijn kruis niet draagt, en Mij navolgt, die kan mijn discipel niet zijn.
Lukas 14:26, 27
Er is geen middenweg naar de hemel. Er is geen tussenstaat tussen hel en hemel, geen vagevuur voor die talrijke groep mensen die zich nauwelijks goed genoeg acht voor de hemel en nauwelijks slecht genoeg voor de hel. Nee, er is geen middenweg, geen tussenstaat. Wij moeten Christus winnen als onze eigen, hoogst gezegende Jezus, en met Hem het geluk en de heerlijkheid van de hemel genieten; of wij zullen met al onze zonden op ons hoofd en onder Zijn toornige blik in de hel wegzinken.
De ziel die door de schoonheid en de volzaligheid van de Heere Jezus bekoord is, verlangt er dan naar Hem te winnen, en dat niet voor een dag, een maand of een jaar, maar voor de eeuwigheid. Want door Hem te winnen, verkrijgt zij alles wat God te genieten kan geven aan de ziel van de mens, die onsterfelijk is en voor de onsterfelijkheid geschapen. Onder de invloed van Zijn genade voelt zij soms, zelfs hier beneden, dat al haar onsterfelijke kracht overgaat in een werkzaam, hemels leven. Dan ziet zij in geloof en hoop uit naar een heerlijke eeuwigheid, waar zij het hoogste genot zal bezitten dat God de mens kan geven: vereniging met Zijn lieve Zoon, volgens die wonderlijke woorden van de Verlosser Zelf: „Opdat zij allen één zijn, gelijkerwijs Gij, Vader! in Mij, en Ik in U, dat ook zij in Ons één zijn!” (Joh. 17:21).
Ik riep tot U, ik zeid’, o Heer,
Gij zijt mijn toevlucht, sterkt’ en eer.
Gij zijt, zolang ik leef, mijn deel,
mijn God, wie ik mij aanbeveel.
Ps. 142:5
Aan de lezer…
Hoopt u ergens in het midden te blijven, niet goed genoeg voor de hemel en toch niet slecht genoeg voor de hel? Ik laat die schuilplaats niet staan: er is geen middenweg. Wij moeten Christus winnen, of verloren gaan. Dat is een ernstig woord, en de Heere Jezus spreekt het Zelf uit: wie Hem niet boven alles stelt, ja boven zijn eigen leven, kan Zijn discipel niet zijn.
Maar is uw hart door Zijn schoonheid bekoord, al is het maar een weinig? Verlangt u ernaar Hem te winnen, niet voor een dag of een jaar, maar voor de eeuwigheid? Dan is dat verlangen geen eigen werk, maar de invloed van Zijn genade. Wie Hem wint, verkrijgt alles wat God een onsterfelijke ziel kan geven. Neem dan uw kruis op en volg Hem na. Bij Hem is het hoogste goed.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
If any man come to me, and hate not his father, and mother, and wife, and children, and brethren, and sisters, yea, and his own life also, he cannot be my disciple. And whosoever doth not bear his cross, and come after me, cannot be my disciple.
Luke 14:26-27
There is no middle path to heaven–there is no intermediate state between hell and heaven; no purgatory for that numerous class who think themselves hardly good enough for heaven, yet hardly bad enough for hell. No; there is no intermediate road nor state. We must win Christ as our own most blessed Jesus, and with Him enjoy the happiness and glory of heaven, or sink down to hell with all our sins upon our head beneath His most terrible frown. The soul then that has been charmed with the beauty and blessedness of Jesus longs to win Him, and that not for a day, month, or year, but for eternity; for in obtaining Him, it obtains all that God can give the soul of man to enjoy as created immortal and for immortality.
Under the influence of His grace, it feels at times, even here below, all its immortal powers springing forth into active, heavenly life, and looks forward in faith and hope to a glorious eternity, where it will be put into possession of the highest enjoyment which God can give to man, even union with Himself by virtue of union with His dear Son, according to those wonderful words of the Redeemer Himself–“That they all may be one; as You, Father, are in Me, and I in You, that they also may be one in Us” (John 17:21).
To the reader…
Do you hope to remain somewhere in the middle, not good enough for heaven and yet not bad enough for hell? I will not leave that hiding place standing: there is no middle way. We must win Christ, or be lost. That is a solemn word, and the Lord Jesus speaks it Himself: whoever does not set Him above everything, yes, above his own life, cannot be His disciple.
But has your heart been charmed by His beauty, even if only a little? Do you long to win Him, not for a day or a year, but for eternity? Then that longing is not your own work, but the influence of His grace. Whoever wins Him obtains all that God can give to an immortal soul. Take up your cross, then, and follow Him. With Him is the highest good.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Si alguno viene a Mí, y no aborrece a su padre, y madre, y mujer, e hijos, y hermanos, y hermanas, y aun también su vida, no puede ser Mi discípulo. Y cualquiera que no trae su cruz, y viene en pos de Mí, no puede ser Mi discípulo.
Lucas 14:26-27
No hay un camino intermedio al cielo; no hay un estado intermedio entre el infierno y el cielo; no hay purgatorio para esa numerosa clase de personas que se creen apenas lo bastante buenas para el cielo, y sin embargo apenas lo bastante malas para el infierno. No; no hay camino ni estado intermedio. Hemos de ganar a Cristo como nuestro propio y benditísimo Jesús, y con Él gozar de la felicidad y la gloria del cielo, o hundirnos en el infierno con todos nuestros pecados sobre nuestra cabeza bajo Su más terrible ceño. El alma, pues, que ha sido cautivada por la hermosura y la bienaventuranza de Jesús anhela ganarle, y eso no por un día, un mes o un año, sino por la eternidad; porque al obtenerle a Él, obtiene todo lo que Dios puede dar a disfrutar al alma del hombre, creada inmortal y para la inmortalidad.
Bajo la influencia de Su gracia, siente a veces, aun aquí abajo, todas sus facultades inmortales brotando a una vida activa y celestial, y mira adelante con fe y esperanza a una eternidad gloriosa, donde será puesta en posesión del más alto gozo que Dios puede dar al hombre, a saber, la unión con Él mismo en virtud de la unión con Su amado Hijo, conforme a aquellas maravillosas palabras del Redentor mismo: “Para que todos sean una cosa; como Tú, oh Padre, en Mí, y Yo en Ti, que también ellos sean en Nosotros una cosa” (Juan 17:21).
Al lector…
¿Espera usted quedarse en algún punto intermedio, no lo bastante bueno para el cielo y, sin embargo, no lo bastante malo para el infierno? No dejaré en pie ese escondite: no hay camino intermedio. Hemos de ganar a Cristo, o perdernos. Es una palabra solemne, y el Señor Jesús mismo la pronuncia: quien no Le pone por encima de todo, sí, por encima de su propia vida, no puede ser Su discípulo.
Pero ¿ha sido su corazón cautivado por Su hermosura, aunque sea solo un poco? ¿Anhela ganarle, no por un día o un año, sino por la eternidad? Entonces ese anhelo no es obra suya, sino la influencia de Su gracia. Quien Le gana obtiene todo lo que Dios puede dar a un alma inmortal. Tome, pues, su cruz y sígale. Con Él está el bien supremo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Verzoend door Christus’ dood en leven
Want indien wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door de dood Zijns Zoons, veel meer zullen wij, verzoend zijnde, behouden worden door Zijn leven.
Romeinen 5:10
We kunnen alleen met God worden „verzoend” als de vijandschap is verwijderd. Het is in de genade zoals in de natuur. Neem twee vrienden die als broers samen door het leven zijn gegaan. Er vindt een scheiding plaats; vijandschap begint zich in het hart van de ene of van de andere voort te planten; ze raken verdeeld en worden misschien wel vijanden. Ze kunnen met elkaar worden verzoend, maar alleen echt als de vijandschap uit het hart wordt verwijderd. Met alle andere verzoening wordt de breuk alleen maar opgelapt; zij is hol en onoprecht; zij is niet werkelijk en heeft geen diepgang. De vijandschap moet eerst worden verwijderd voor er enige werkelijke verzoening kan plaatsvinden.
Net zo is het met de mens en God. Alleen als de vijandschap wordt weggenomen, kan er verzoening plaatsvinden. Dus wordt meteen duidelijk hoe onbeduidend en onwaar het denkbeeld is dat een paar rechtvaardige werken onze van nature gevallen aard kunnen opheffen. Ze kunnen de vijandschap niet wegnemen; ze zijn als het bloed van stieren en bokken, ze kunnen nooit de zonde weer goedmaken; als de as van de rode vaars (Num. 19:2) kunnen ze misschien het vlees zuiveren, maar hierin slagen zij niet.
Er was iets meer nodig, iets wat God Zelf schonk, en dat was de dood van Zijn eigen Zoon: „Toen wij vijanden waren, werden we met God verzoend door de dood Zijns Zoons” (Rom. 5:10). Zijn geliefde Zoon die voor ons in de plaats komt; onze natuur aanneemt; onze zonden draagt in Zijn eigen lichaam aan het kruis; de wet gehoorzaamt waaraan wij ongehoorzaam waren geweest; een gerechtigheid vervult waarin wij volkomen waren tekortgeschoten; de vloek verdraagt en de straf ondergaat; op deze wijze, door de dood, heeft Hij de vijanden met God verzoend; heeft Hij de wet gehoorzaamd die in de weg stond; heeft Hij Gods rechtvaardigheid vervuld; heeft Hij onze overtredingen weggedaan en zo alle vijandschap weggenomen.
Lezen: Romeinen 5:1-11
Aan de lezer…
Vandaag wordt u een vraag gesteld: hebt u weleens geprobeerd uw breuk met God zelf te herstellen? Met beter leven, met goede voornemens, met een paar rechtvaardige werken? Dan weet u ook hoe hol zo’n verzoening is. Ze lapt de breuk alleen maar op; de vijandschap blijft in het hart. U kunt uw gevallen aard niet opheffen, evenmin als het bloed van stieren en bokken de zonde kon wegnemen.
Maar hier ligt de troost: er was iets meer nodig, en God heeft het Zelf geschonken. Zijn geliefde Zoon heeft onze natuur aangenomen, onze zonden in Zijn eigen lichaam aan het kruis gedragen, de vloek verdragen en de straf ondergaan. Door Zijn dood is de vijandschap weggenomen. Ziet u in uzelf niets dan tekort, zie dan naar Hem. Wat u nooit kon, heeft Hij volkomen volbracht voor vijanden zoals u en ik.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want indien wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door de dood Zijns Zoons, veel meer zullen wij, verzoend zijnde, behouden worden door Zijn leven.
Romeinen 5:10
We kunnen alleen met God „verzoend” worden als de vijandschap is weggenomen. Het is in de genade net als in de natuur. Neem twee vrienden die als broers samen door het leven zijn gegaan. Er komt een verwijdering; in het hart van de een of de ander begint vijandschap te groeien; ze raken verdeeld en worden misschien zelfs vijanden. Ze kunnen met elkaar verzoend worden, maar alleen werkelijk als de vijandschap uit het hart wordt weggenomen. Bij elke andere verzoening wordt de breuk alleen maar opgelapt; die is hol en onoprecht, niet echt en zonder diepgang. Eerst moet de vijandschap worden weggenomen voordat er enige werkelijke verzoening kan plaatsvinden.
Zo is het ook tussen de mens en God. Alleen als de vijandschap wordt weggenomen, kan er verzoening plaatsvinden. Zo wordt meteen duidelijk hoe nietig en onwaar de gedachte is dat een paar rechtvaardige werken onze van nature gevallen staat kunnen opheffen. Ze kunnen de vijandschap niet wegnemen. Ze zijn als het bloed van stieren en bokken: ze kunnen de zonde nooit goedmaken. Als de as van de rode vaars (Num. 19:2) kunnen ze misschien het vlees reinigen, maar hierin slagen ze niet.
Er was iets meer nodig, iets wat God Zelf schonk, en dat was de dood van Zijn eigen Zoon: „Toen wij vijanden waren, werden we met God verzoend door de dood Zijns Zoons” (Rom. 5:10). Zijn geliefde Zoon kwam in onze plaats; Hij nam onze natuur aan; Hij droeg onze zonden in Zijn eigen lichaam aan het kruis; Hij gehoorzaamde de wet waaraan wij ongehoorzaam waren geweest; Hij vervulde een gerechtigheid waarin wij volkomen tekort waren geschoten; Hij droeg de vloek en onderging de straf. Op deze manier, door de dood, heeft Hij de vijanden met God verzoend. Hij heeft de wet gehoorzaamd die in de weg stond, Gods rechtvaardigheid vervuld, onze overtredingen weggedaan en zo alle vijandschap weggenomen.
Lezen: Romeinen 5:1-11
Aan de lezer…
Vandaag wordt u een vraag gesteld: hebt u weleens geprobeerd uw breuk met God zelf te herstellen? Met een beter leven, met goede voornemens, met een paar rechtvaardige werken? Dan weet u ook hoe hol zo’n verzoening is. Ze lapt de breuk alleen maar op; de vijandschap blijft in het hart. U kunt uw gevallen staat niet opheffen, evenmin als het bloed van stieren en bokken de zonde kon wegnemen.
Maar hier ligt de troost: er was iets meer nodig, en God heeft het Zelf geschonken. Zijn geliefde Zoon heeft onze natuur aangenomen, onze zonden in Zijn eigen lichaam aan het kruis gedragen, de vloek gedragen en de straf ondergaan. Door Zijn dood is de vijandschap weggenomen. Ziet u in uzelf niets dan tekort, kijk dan naar Hem. Wat u nooit kon, heeft Hij volkomen volbracht voor vijanden zoals u en ik.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For if, when we were enemies, we were reconciled to God by the death of His Son, much more, being reconciled, we shall be saved by His life.
Romans 5:10
We can only be “reconciled” to God when the enmity is taken away. It is in grace as it is in nature. Take two friends who have gone through life together like brothers. An estrangement comes; enmity begins to grow in the heart of one or the other; they are divided and perhaps even become enemies. They may be reconciled to each other, but only truly so when the enmity is taken out of the heart. Every other reconciliation merely patches up the breach; it is hollow and insincere, not real and without depth. First the enmity must be taken away before any real reconciliation can take place.
So it is between man and God. Only when the enmity is taken away can reconciliation take place. Thus it is at once evident how vain and false is the notion that a few righteous works can lift up our naturally fallen state. They cannot take away the enmity. They are like the blood of bulls and goats: they can never take away sin. Like the ashes of the red heifer (Num. 19:2) they may perhaps sanctify to the purifying of the flesh, but in this they do not succeed.
Something more was needed, something which God Himself gave, and that was the death of His own Son: “When we were enemies, we were reconciled to God by the death of His Son” (Rom. 5:10). His beloved Son came in our place; He took our nature; He bore our sins in His own body on the tree; He obeyed the law which we had disobeyed; He fulfilled a righteousness in which we had utterly failed; He bore the curse and endured the penalty. In this way, by death, He reconciled the enemies to God. He obeyed the law that stood in the way, satisfied God’s justice, put away our transgressions and so took away all enmity.
Reading: Romans 5:1-11
To the reader…
Today a question is put to you: have you ever tried to mend your breach with God yourself? With a better life, with good resolutions, with a few righteous works? Then you also know how hollow such a reconciliation is. It merely patches up the breach; the enmity remains in the heart. You cannot lift up your fallen state, any more than the blood of bulls and goats could take away sin.
But here lies the comfort: something more was needed, and God gave it Himself. His beloved Son took our nature, bore our sins in His own body on the tree, bore the curse and endured the penalty. By His death the enmity has been taken away. If you see nothing in yourself but failure, look to Him. What you never could do, He has perfectly accomplished for enemies such as you and me.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque si siendo enemigos, fuimos reconciliados con Dios por la muerte de Su Hijo, mucho más, estando reconciliados, seremos salvos por Su vida.
Romanos 5:10
Solo podemos ser “reconciliados” con Dios cuando la enemistad es quitada. En la gracia sucede como en la naturaleza. Piense en dos amigos que han recorrido juntos la vida como hermanos. Llega un distanciamiento; la enemistad empieza a crecer en el corazón de uno u otro; se separan y quizá incluso llegan a ser enemigos. Pueden reconciliarse entre sí, pero solo de verdad cuando la enemistad es quitada del corazón. Cualquier otra reconciliación no hace más que remendar la brecha; es hueca e insincera, no real y sin profundidad. Primero debe quitarse la enemistad antes de que pueda haber una reconciliación verdadera.
Así sucede entre el hombre y Dios. Solo cuando la enemistad es quitada puede haber reconciliación. Así se ve enseguida cuán vana y falsa es la idea de que unas pocas obras justas puedan levantar nuestro estado naturalmente caído. No pueden quitar la enemistad. Son como la sangre de los toros y de los machos cabríos: nunca pueden quitar el pecado. Como la ceniza de la vaca bermeja (Núm. 19:2), quizá puedan santificar para la purificación de la carne, pero en esto no tienen éxito.
Se necesitaba algo más, algo que Dios mismo dio, y eso fue la muerte de Su propio Hijo: “Siendo enemigos, fuimos reconciliados con Dios por la muerte de Su Hijo” (Rom. 5:10). Su Hijo amado vino en nuestro lugar; tomó nuestra naturaleza; llevó nuestros pecados en Su cuerpo sobre el madero; obedeció la ley que nosotros habíamos desobedecido; cumplió una justicia en la que nosotros habíamos fracasado por completo; llevó la maldición y sufrió el castigo. De este modo, por la muerte, reconcilió a los enemigos con Dios. Obedeció la ley que estorbaba el camino, satisfizo la justicia de Dios, quitó nuestras transgresiones y así quitó toda enemistad.
Lectura: Romanos 5:1-11
Al lector…
Hoy se le hace una pregunta: ¿ha intentado alguna vez reparar usted mismo su brecha con Dios? ¿Con una vida mejor, con buenos propósitos, con unas pocas obras justas? Entonces sabe también cuán hueca es tal reconciliación. No hace más que remendar la brecha; la enemistad permanece en el corazón. Usted no puede levantar su estado caído, como tampoco la sangre de los toros y de los machos cabríos podía quitar el pecado.
Pero aquí está el consuelo: se necesitaba algo más, y Dios mismo lo dio. Su Hijo amado tomó nuestra naturaleza, llevó nuestros pecados en Su cuerpo sobre el madero, llevó la maldición y sufrió el castigo. Por Su muerte ha sido quitada la enemistad. Si no ve en sí mismo más que fracaso, mire a Él. Lo que usted nunca pudo hacer, Él lo ha cumplido perfectamente por enemigos como usted y como yo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Gij mannen, hebt uw eigen vrouwen lief, gelijk ook Christus de gemeente liefgehad heeft en Zichzelf voor haar heeft overgegeven; opdat Hij haar heiligen zou, haar gereinigd hebbende met het bad des waters door het Woord.
Efeze 5:25, 26
Beschouw de kerk zonder de heiligende bewerkingen en invloeden van wederbarende genade. Zij is ver van Christus; zij verlangt niet naar Hem; naar geen vereniging, naar geen gemeenschap met Hem. Zij heeft geen geloof in Zijn bloed, geen hoop op Zijn barmhartigheid, geen liefde tot Zijn Naam. Werd zij altijd in deze wangestalte gelaten, waar zou dan haar geschiktheid zijn voor de hemel? Doch wanneer het Woord der waarheid met kracht komt en vergezeld gaat van de invloeden van de Heilige Geest in het hart, dan is er niet alleen een reiniging van de consciëntie van de schuld en vuilheid der zonde, maar ook een mededeling van een nieuw hart en een nieuwe geest.
Hoe duidelijk wordt daarvan gesproken bij de profeet Ezechiël, waar na de belofte: „Van al uw onreinheid en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen”, eraan wordt toegevoegd: „En Ik zal u een nieuw hart geven en een nieuwe geest in het binnenste van u.” Wij moeten derhalve niet slechts gewassen worden van onze zonden in het bloed des Lams, niet slechts daarover verzoening en vergeving ons geschonken worden, en wij alzo een recht op de hemel verkrijgen, maar wij moeten bekwaam gemaakt worden voor de hemel. Wij hebben nodig dat ons een nieuw hart en een nieuwe geest wordt gegeven, waardoor wij mogen smaken, tasten, gevoelen en genieten de liefde van Christus, als uitgestort in het hart, en wederkerig de liefde van ons hart uitgaande tot Hem.
Gelijk nu het bloed reinigt, zo heiligt de Geest. Daarom zegt Johannes: „Deze is het, Die gekomen is door water en bloed, namelijk Jezus de Christus; niet door het water alleen, maar door het water en het bloed” (1 Joh. 5:6). Het bloed is het bloed der verzoening; het water is de heiligende invloed van de Heilige Geest. Let op de orde waarin deze zegeningen voorkomen. Eerst de liefde van Christus van eeuwigheid; ten tweede het geven van Zichzelf in de tijd; ten derde de reiniging door het bloed; ten vierde de heiligmaking door de Geest.
Beschouw deze zaken met betrekking tot uzelf. Zijn uw zonden vergeven? Hebt gij enige bevinding dat gij gewassen zijt in het bloed des Lams? Kunt gij geloven dat gij naar de hemel gaat? Wat gelooft gij hiervan, en is uw hoop hierop gegrond? Waar zijn uw bewijzen hiervan? Gewis niet om slechts deze waarheden te beschouwen, zoals de Schrift ons daar kennis van geeft, als de zuivere openbaring van God, of om het te geloven omdat ik het zeg. Zulk een geloof en zulk een hoop, indien gij geen betere kent, is bedriegelijk en zal u laten in de handen van Hem, Die een verterend vuur is.
Indien uw hoop op het eeuwige leven wel gefundeerd is, dan is zij dit doordat het Woord des levens in uw ziel is geopenbaard geworden, en dan zijt gij niet alleen gereinigd door de toepassing van het bloed der besprenging op uw consciëntie, maar ook geheiligd en vernieuwd door de kracht van het Woord, door de Heilige Geest in uw hart gewerkt.
Aan de lezer…
Waar rust uw hoop, waarde lezer? Ik stel de vraag scherp, en niet zonder reden: een hoop die alleen op het beschouwen van de waarheid steunt, of op wat een ander ons zegt, zal ons eens begeven. Maar ziet u in uzelf een hart dat ver van Christus is, zonder geloof in Zijn bloed en zonder liefde tot Zijn Naam, sluit dan de deur niet. Juist zulken komt het Woord tegemoet met de belofte: „Ik zal u een nieuw hart geven en een nieuwe geest in het binnenste van u.”
Let op de orde die hier zo dierbaar is: eerst de liefde van Christus van eeuwigheid, dan het geven van Zichzelf, dan het bloed dat reinigt, en de Geest Die heiligt. Het begint dus niet bij u, maar bij Hem, Die de gemeente liefgehad heeft. Zoek dan niet in uzelf wat alleen in Hem te vinden is. Bid of Hij u wil wassen in het bloed des Lams en vernieuwen door Zijn Woord.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Gij mannen, hebt uw eigen vrouwen lief, gelijk ook Christus de gemeente liefgehad heeft en Zichzelf voor haar heeft overgegeven; opdat Hij haar heiligen zou, haar gereinigd hebbende met het bad des waters door het Woord.
Efeze 5:25, 26
Beschouw de kerk zonder de heiligende werkingen en invloeden van de wederbarende genade. Zij is ver van Christus; zij verlangt niet naar Hem, niet naar vereniging en niet naar gemeenschap met Hem. Zij heeft geen geloof in Zijn bloed, geen hoop op Zijn barmhartigheid, geen liefde tot Zijn Naam. Als zij altijd in deze verkeerde gestalte gelaten werd, waar zou dan haar geschiktheid voor de hemel zijn? Maar wanneer het Woord van de waarheid met kracht komt en gepaard gaat met de invloeden van de Heilige Geest in het hart, dan is er niet alleen een reiniging van het geweten van de schuld en de vuilheid van de zonde, maar ook het schenken van een nieuw hart en een nieuwe geest.
Hoe duidelijk wordt daarover gesproken bij de profeet Ezechiël, waar na de belofte „Van al uw onreinheid en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen” wordt toegevoegd: „En Ik zal u een nieuw hart geven en een nieuwe geest in het binnenste van u.” We moeten daarom niet alleen van onze zonden gewassen worden in het bloed van het Lam, en niet alleen verzoening en vergeving daarvoor geschonken krijgen en zo een recht op de hemel verkrijgen; we moeten ook bekwaam gemaakt worden voor de hemel. We hebben een nieuw hart en een nieuwe geest nodig, waardoor we de liefde van Christus, uitgestort in het hart, mogen smaken, tasten, voelen en genieten, en waardoor de liefde van ons hart op haar beurt naar Hem uitgaat.
Zoals nu het bloed reinigt, zo heiligt de Geest. Daarom zegt Johannes: „Deze is het, Die gekomen is door water en bloed, namelijk Jezus de Christus; niet door het water alleen, maar door het water en het bloed” (1 Joh. 5:6). Het bloed is het bloed van de verzoening; het water is de heiligende invloed van de Heilige Geest. Let op de orde waarin deze zegeningen voorkomen. Eerst de liefde van Christus van eeuwigheid; ten tweede het geven van Zichzelf in de tijd; ten derde de reiniging door het bloed; ten vierde de heiligmaking door de Geest.
Beschouw deze zaken met het oog op uzelf. Zijn uw zonden vergeven? Hebt u enige bevinding dat u gewassen bent in het bloed van het Lam? Kunt u geloven dat u naar de hemel gaat? Wat gelooft u hiervan, en waarop is uw hoop hierin gegrond? Waar zijn uw bewijzen ervan? Het is zeker niet genoeg deze waarheden alleen te beschouwen, zoals de Schrift ons er kennis van geeft als de zuivere openbaring van God, of ze te geloven omdat ik het zeg. Zo’n geloof en zo’n hoop, als u geen betere kent, is bedrieglijk en zal u overlaten in de handen van Hem Die een verterend vuur is.
Als uw hoop op het eeuwige leven goed gefundeerd is, dan is zij dat doordat het Woord des levens in uw ziel geopenbaard is. Dan bent u niet alleen gereinigd door de toepassing van het bloed der besprenging op uw geweten, maar ook geheiligd en vernieuwd door de kracht van het Woord, door de Heilige Geest in uw hart gewerkt.
Aan de lezer…
Waar rust uw hoop? Ik stel de vraag scherp, en niet zonder reden: een hoop die alleen steunt op het beschouwen van de waarheid, of op wat een ander ons zegt, zal ons eens in de steek laten. Maar ziet u in uzelf een hart dat ver van Christus is, zonder geloof in Zijn bloed en zonder liefde tot Zijn Naam, sluit dan de deur niet. Juist zulke mensen komt het Woord tegemoet met de belofte: „Ik zal u een nieuw hart geven en een nieuwe geest in het binnenste van u.”
Let op de orde die hier zo dierbaar is: eerst de liefde van Christus van eeuwigheid, dan het geven van Zichzelf, dan het bloed dat reinigt, en de Geest Die heiligt. Het begint dus niet bij u, maar bij Hem Die de gemeente liefgehad heeft. Zoek dan niet in uzelf wat alleen in Hem te vinden is. Bid of Hij u wil wassen in het bloed van het Lam en vernieuwen door Zijn Woord.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Husbands, love your wives, even as Christ also loved the church, and gave Himself for it; that He might sanctify and cleanse it with the washing of water by the Word.
Ephesians 5:25–26
View the Church without the sanctifying operations and influences of regenerating grace. She is far from Christ; she has no desire towards Him, no manifest union, no communion with Him; no faith in His blood, no hope in His mercy, no love to His name. Were she left always thus, where would be her fitness for heaven? But when the word of truth comes with power, and is accompanied by the influences of the Holy Spirit to the heart, then there is not only a cleansing of the conscience from the guilt and filth of sin, but the communication of a new heart and a new spirit. How plainly is this spoken of by the prophet Ezekiel, where, after the promise, “From all your filthiness and from all your idols will I cleanse you,” it is added, “A new heart also will I give you, and a new spirit will I put within you.”
We have not only therefore to be washed from our sins in the blood of the Lamb, not only to be pardoned and forgiven and thus have a title to heaven, but we need a fitness for heaven; we need a new heart and a new spirit given to us, whereby we may taste, handle, feel, and enjoy the love of Christ as shed abroad in the heart, and experience the flowings forth of love to Him in return. As then the blood cleanses, so the Spirit sanctifies. John therefore says, “This is He that came by water and blood, even Jesus Christ; not by water only, but by water and blood” (1 John 5:6). The blood is the blood of the atonement; the water is the sanctifying influences of the Holy Spirit.
Observe the order in which these blessings come. First, is the love of Christ in eternity; secondly, the gift of Himself in time; thirdly, the cleansing by blood; fourthly, the sanctifying by the Spirit. Now look at these things for yourselves. Are your sins pardoned? Have you any evidence that you are washed in the blood of the Lamb? Do you believe that you are going to heaven? What does your belief of this, or your hope in it, rest upon? Where are your evidences?
Surely not from merely seeing these truths in the Scripture as the bare revelation of God, or believing them from my statements. Such a faith and such a hope, if you have no better, will prove delusive, and will leave you in the hands of Him Who is a consuming fire. If your hope of eternal life is well grounded, it is because the word of life has come into your SOUL, and you have been not only cleansed by the application of the blood of sprinkling to your conscience, but sanctified and renewed by the power of the Word, through the Holy Spirit, upon your heart.
To the reader…
On what does your hope rest? I put the question sharply, and not without reason: a hope that rests only on looking at the truth, or on what someone else tells us, will one day fail us. But if you see in yourself a heart that is far from Christ, without faith in His blood and without love to His Name, do not close the door. It is to just such people that the Word comes with the promise: “A new heart also will I give you, and a new spirit will I put within you.”
Notice the order that is so precious here: first the love of Christ from eternity, then the giving of Himself, then the blood that cleanses, and the Spirit Who sanctifies. So it does not begin with you, but with Him Who loved the church. Do not look in yourself, then, for what is to be found only in Him. Pray that He will wash you in the blood of the Lamb and renew you by His Word.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Maridos, amad a vuestras mujeres, así como Cristo amó a la iglesia, y Se entregó a Sí mismo por ella, para santificarla limpiándola en el lavacro del agua por la palabra.
Efesios 5:25–26
Considere a la Iglesia sin las operaciones e influencias santificadoras de la gracia regeneradora. Está lejos de Cristo; no tiene deseo de Él, ni unión manifiesta, ni comunión con Él; ni fe en Su sangre, ni esperanza en Su misericordia, ni amor a Su Nombre. Si fuera dejada siempre así, ¿dónde estaría su idoneidad para el cielo? Pero cuando la palabra de verdad viene con poder, y va acompañada al corazón por las influencias del Espíritu Santo, entonces no solo hay una limpieza de la conciencia de la culpa y la inmundicia del pecado, sino la comunicación de un corazón nuevo y un espíritu nuevo. ¡Con qué claridad habla de esto el profeta Ezequiel, donde, después de la promesa: “De todas vuestras inmundicias y de todos vuestros ídolos os limpiaré”, se añade: “Y os daré corazón nuevo, y pondré espíritu nuevo dentro de vosotros”!
Por tanto, no solo tenemos que ser lavados de nuestros pecados en la sangre del Cordero, no solo ser perdonados y tener así derecho al cielo, sino que necesitamos idoneidad para el cielo; necesitamos que se nos dé un corazón nuevo y un espíritu nuevo, por los cuales podamos gustar, palpar, sentir y gozar el amor de Cristo derramado en el corazón, y experimentar a cambio el fluir del amor hacia Él. Así como la sangre limpia, así el Espíritu santifica. Por eso dice Juan: “Este es Jesucristo, que vino por agua y sangre: no por agua solamente, sino por agua y sangre” (1 Juan 5:6). La sangre es la sangre de la expiación; el agua son las influencias santificadoras del Espíritu Santo.
Observe el orden en que vienen estas bendiciones. Primero, el amor de Cristo en la eternidad; segundo, la entrega de Sí mismo en el tiempo; tercero, la limpieza por la sangre; cuarto, la santificación por el Espíritu. Ahora examine estas cosas por usted mismo. ¿Están perdonados sus pecados? ¿Tiene alguna evidencia de que ha sido lavado en la sangre del Cordero? ¿Cree usted que va al cielo? ¿En qué descansa su creencia en esto, o su esperanza de ello? ¿Dónde están sus evidencias?
Ciertamente no en ver meramente estas verdades en la Escritura como la simple revelación de Dios, ni en creerlas por lo que yo digo. Tal fe y tal esperanza, si no tiene otra mejor, resultarán engañosas y le dejarán en las manos de Aquel que es fuego consumidor. Si su esperanza de vida eterna está bien fundada, es porque la palabra de vida ha venido a su ALMA, y usted no solo ha sido limpiado por la aplicación de la sangre del esparcimiento a su conciencia, sino santificado y renovado por el poder de la Palabra, por medio del Espíritu Santo, en su corazón.
Al lector…
¿En qué descansa su esperanza? Hago la pregunta con agudeza, y no sin razón: una esperanza que descansa solo en mirar la verdad, o en lo que otro nos dice, un día nos fallará. Pero si ve en sí mismo un corazón que está lejos de Cristo, sin fe en Su sangre y sin amor a Su Nombre, no cierre la puerta. Precisamente a tales personas viene la Palabra con la promesa: “Y os daré corazón nuevo, y pondré espíritu nuevo dentro de vosotros.”
Observe el orden que aquí es tan precioso: primero el amor de Cristo desde la eternidad, luego la entrega de Sí mismo, luego la sangre que limpia y el Espíritu que santifica. Así que no comienza en usted, sino en Aquel que amó a la iglesia. No busque, pues, en sí mismo lo que solo se halla en Él. Ore para que Él le lave en la sangre del Cordero y le renueve por Su Palabra.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl