6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
De uitverkorenen naar de voorkennis van God de Vader, in de heiligmaking des Geestes, tot gehoorzaamheid en besprenging van het bloed van Jezus Christus: Genade en vrede zij u vermenigvuldigd.
1 Petrus 1:2
Petrus verklaart dat wij „uitverkoren zijn tot gehoorzaamheid”. Van uitverkoren tot het eeuwige leven, tot zaligheid, tot het bloed der besprenging hoort menigeen gaarne spreken; hij ontvangt en belijdt het gaarne. Dit, zeggen zij, is een liefelijke en kostelijke leer. En dat is zij ook. Maar vinden en gevoelen zij ook diezelfde liefelijkheid en kostelijkheid in verkoren en bestemd te zijn de wil Gods te kennen en te volbrengen? Zien en gevoelen zij de zaligheid van het voorschrift, bevestigd zijnde door het Goddelijk raadsbesluit zowel als de belofte, en dat er een bedwingende macht is in de liefde van Christus, onder welke zij een heilige vreugde ervaren van niet langer zichzelf, maar Hem te leven, Die voor hen stierf en opgewekt is, gelijk in soort, maar niet in graad, voor de vreugde die zij ondervinden, te weten dat zij voor een eeuwig leven bestemd zijn?
Maar voordat deze gehoorzaamheid volbracht, deze goede werken voortgebracht zijn, wordt de helft der zoetheid en zaligheid van ware godsdienst en zaliging door genade niet gevoeld of gekend, noch de vrijheid van het Evangelie geheel en al verwezenlijkt en genoten; want het Evangelie moet gehoorzaamd en nageleefd, zowel als geloofd en ontvangen worden, opdat het moge ervaren worden dat zijn verlossende, heiligende invloed het enge en ruwe pad van de gehele wil van God te doen en te lijden effen maakt.
’k Ben eeuwiglijk gedachtig aan Uw woord,
want ik ontving door Uw bevelen ’t leven.
’k Ben d’Uwe, Heer, geleid mij ongestoord,
behoud mij toch, naar ’t woord aan mij gegeven.
Ik heb met lust Uw wetten nagespoord
en die gezocht door Uwe Geest gedreven.
Ps. 119:47
Aan de lezer…
Lezer, vindt u de verkiezing een kostelijke leer? Dat is zij. Maar hebt u ook al gemerkt dat de Schrift zegt: uitverkoren tot gehoorzaamheid? Het is gemakkelijk de troost van de leer te aanvaarden en het voorschrift te laten liggen. Toch is het niet tweeërlei: Die u bestemd heeft voor het eeuwige leven, heeft u ook bestemd Zijn wil te kennen en te doen.
En dat is geen juk dat de vreugde wegneemt, maar juist een deel van de vreugde. Wie onder de bedwingende macht van Christus’ liefde niet langer zichzelf leeft, maar Hem Die voor hem stierf en opgewekt is, smaakt iets van de vrijheid van het Evangelie die anders verborgen blijft. Vraag dan niet alleen om de verzekering van uw verkiezing, maar ook om een gewillig hart. Het pad is eng en ruw, maar de heiligende invloed van Zijn genade kan het effen maken. Genade en vrede zij u vermenigvuldigd.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De uitverkorenen naar de voorkennis van God de Vader, in de heiligmaking des Geestes, tot gehoorzaamheid en besprenging van het bloed van Jezus Christus: Genade en vrede zij u vermenigvuldigd.
1 Petrus 1:2
Petrus verklaart dat wij „uitverkoren zijn tot gehoorzaamheid”. Over uitverkoren zijn tot het eeuwige leven, tot zaligheid, tot het bloed van de besprenging, hoort menigeen graag spreken; hij ontvangt en belijdt het graag. Dit, zeggen zulke mensen, is een lieflijke en kostbare leer. En dat is zij ook. Maar vinden en voelen zij diezelfde lieflijkheid en kostbaarheid ook in het verkoren en bestemd zijn om de wil van God te kennen en te doen? Zien en voelen zij de zaligheid van het gebod, dat bevestigd is door het Goddelijk raadsbesluit evengoed als de belofte? Zien zij dat er in de liefde van Christus een dwingende kracht is, waaronder zij een heilige vreugde ervaren om niet langer voor zichzelf te leven, maar voor Hem Die voor hen gestorven en opgewekt is? Die vreugde is van dezelfde soort, al is zij niet van dezelfde graad, als de vreugde die zij ervaren wanneer zij weten dat zij voor een eeuwig leven bestemd zijn.
Maar voordat deze gehoorzaamheid volbracht is en deze goede werken voortgebracht zijn, wordt de helft van de zoetheid en zaligheid van de ware godsdienst en van de zaligheid door genade niet gevoeld of gekend. Ook wordt de vrijheid van het Evangelie dan niet volledig verwerkelijkt en genoten. Want het Evangelie moet gehoorzaamd en nageleefd worden, evengoed als geloofd en ontvangen. Zo wordt ervaren dat zijn verlossende, heiligende invloed het enge en ruwe pad effen maakt, het pad waarop men de hele wil van God moet doen en lijden.
’k Ben eeuwiglijk gedachtig aan Uw woord,
want ik ontving door Uw bevelen ’t leven.
’k Ben d’Uwe, Heer, geleid mij ongestoord,
behoud mij toch, naar ’t woord aan mij gegeven.
Ik heb met lust Uw wetten nagespoord
en die gezocht door Uwe Geest gedreven.
Ps. 119:47
Aan de lezer…
Lezer, vindt u de verkiezing een kostbare leer? Dat is zij. Maar hebt u ook al gemerkt dat de Schrift zegt: uitverkoren tot gehoorzaamheid? Het is gemakkelijk de troost van de leer te aanvaarden en het gebod te laten liggen. Toch zijn het geen twee verschillende zaken: Hij Die u bestemd heeft voor het eeuwige leven, heeft u ook bestemd om Zijn wil te kennen en te doen.
En dat is geen juk dat de vreugde wegneemt, maar juist een deel van de vreugde. Wie onder de dwingende kracht van Christus’ liefde niet langer voor zichzelf leeft, maar voor Hem Die voor hem gestorven en opgewekt is, smaakt iets van de vrijheid van het Evangelie die anders verborgen blijft. Vraag dan niet alleen om de verzekering van uw verkiezing, maar ook om een gewillig hart. Het pad is eng en ruw, maar de heiligende invloed van Zijn genade kan het effen maken. Genade en vrede zij u vermenigvuldigd.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Elect according to the foreknowledge of God the Father, through sanctification of the Spirit, unto obedience and sprinkling of the blood of Jesus Christ: Grace unto you, and peace, be multiplied.
1 Peter 1:2
Peter declares that we are “elect unto obedience.” Election unto eternal life, unto salvation, unto the blood of sprinkling many gladly hear of, receive, and profess. This, they say, is sweet and precious doctrine. And so indeed it is. But do they find or feel any similar sweetness and preciousness in being chosen and ordained to know and do the will of God? Do they see and feel the blessedness of the precept being secured by divine decree, as well as the promise; and that there is a constraining power in the love of Christ under which they experience a holy and sacred pleasure in no longer living unto themselves, but unto Him Who died for them and rose again, similar in kind, if not in degree, to the pleasure which they experience in knowing they were ordained unto eternal life?
But until this obedience be rendered, until these good works be brought forth, half of the sweetness and blessedness of real religion and of salvation by grace is not felt or known, nor the liberty of the gospel thoroughly realized or enjoyed, for the gospel must be obeyed and lived, as well as received and believed, that its full, liberating, sanctifying influences may be experienced as sweetening the narrow and rugged path of doing and suffering the whole will of God.
To the reader…
Dear reader, do you find election a precious doctrine? It is. But have you also noticed that Scripture says: elect unto obedience? It is easy to accept the comfort of the doctrine and leave the precept lying. Yet they are not two separate matters: He Who has ordained you to eternal life has also ordained you to know and to do His will.
And that is no yoke that takes away joy, but rather a part of the joy. Whoever, under the constraining power of Christ’s love, no longer lives unto himself, but unto Him Who died for him and rose again, tastes something of the liberty of the gospel that otherwise remains hidden. So do not ask only for the assurance of your election, but also for a willing heart. The path is narrow and rugged, but the sanctifying influence of His grace can make it smooth. Grace unto you, and peace, be multiplied.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Elegidos según la presciencia de Dios Padre en santificación del Espíritu, para obedecer y ser rociados con la sangre de Jesucristo: Gracia y paz os sea multiplicada.
1 Pedro 1:2
Pedro declara que somos “elegidos para obedecer”. La elección para vida eterna, para salvación, para la sangre del rociamiento, muchos la oyen con gusto, la reciben y la profesan. Esta, dicen, es una doctrina dulce y preciosa. Y así lo es en verdad. Pero ¿hallan o sienten una dulzura y preciosidad semejante en haber sido escogidos y ordenados para conocer y hacer la voluntad de Dios? ¿Ven y sienten la bienaventuranza de que el precepto esté asegurado por decreto divino, tanto como la promesa; y que hay en el amor de Cristo un poder constreñidor bajo el cual experimentan un placer santo y sagrado en no vivir ya para sí mismos, sino para Aquel que murió y resucitó por ellos, un placer semejante en su naturaleza, si no en su grado, al que experimentan al saber que fueron ordenados para vida eterna?
Pero mientras no se rinda esta obediencia, mientras no se produzcan estas buenas obras, no se siente ni se conoce la mitad de la dulzura y bienaventuranza de la verdadera religión y de la salvación por gracia, ni se realiza ni se goza plenamente la libertad del evangelio; porque el evangelio debe ser obedecido y vivido, así como recibido y creído, para que se experimenten sus plenas influencias liberadoras y santificadoras, endulzando el camino estrecho y áspero de hacer y sufrir toda la voluntad de Dios.
Al lector…
Querido lector, ¿le parece la elección una doctrina preciosa? Lo es. Pero ¿ha notado también que la Escritura dice: elegidos para obedecer? Es fácil aceptar el consuelo de la doctrina y dejar a un lado el precepto. Sin embargo, no son dos asuntos separados: Aquel que le ha ordenado para vida eterna le ha ordenado también para conocer y hacer Su voluntad.
Y eso no es un yugo que quite el gozo, sino más bien una parte del gozo. Quien, bajo el poder constreñidor del amor de Cristo, ya no vive para sí mismo, sino para Aquel que murió y resucitó por él, gusta algo de la libertad del evangelio que de otro modo permanece oculta. No pida, pues, solo la seguridad de su elección, sino también un corazón dispuesto. El camino es estrecho y áspero, pero la influencia santificadora de Su gracia puede allanarlo. Gracia y paz le sea multiplicada.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Vervolgen de Heere te kennen
Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen om de Heere te kennen. Zijn uitgang is bereid als de dageraad; en Hij zal tot ons komen als een regen, als de spade regen, en als de vroege regen des lands.
Hosea 6:3
Het is mij vaak tot verwondering hoe onze zielen in leven worden gehouden. Ik ben mijzelf vaak een wonder, dat ik ooit enige verlevendiging zou ervaren, omdat ik soms zo’n dorheid, magerheid, dodigheid, vleselijkheid en onbekwaamheid tot zelfs maar één geestelijke gedachte gevoel. Ik was vaak verbaasd dat ik ooit kon preken, dat ik ooit kon bidden; ik was verwonderd dat ik, wanneer het de dag des Heeren is, een tekst zou hebben om over te preken, dat ik enig leven aan mijn ziel zou ervaren of enigszins bekrachtigd zou worden om iets te zeggen tot stichting van Gods volk.
Ik geloof dat een levend mens zichzelf een wonder is. Voortgeleid en toch zo verborgen; bewerkt, maar op zo duistere wijze. En toch geleid, bestuurd en ondersteund door zovele moeilijkheden en hindernissen, dat hij een wonder van genade is, zoals de apostel zegt: „een schouwspel der wereld, en de engelen en de mensen” (1 Kor. 4:9). De wereld verwondert zich, de engelen aanbidden en de mensen staan verbaasd over hoe de levendgemaakte ziel wordt voortgeleid te midden van al haar moeilijkheden, hindernissen, beproevingen en verzoekingen, en toch ondanks dat alles vervolgt om de Heere te kennen.
Lezen: 1 Korinthe 4
Aan de lezer…
Verwondert u zich er ook weleens over dat er nog leven in uw ziel is? U kent de dorheid, de dodigheid, de onbekwaamheid tot zelfs één geestelijke gedachte, en u vraagt u af hoe zo iemand ooit nog kan bidden of iets van de Heere kan smaken. Weet dan, waarde lezer, dat u daarin niet alleen staat. Ook de knecht des Heeren was zichzelf een wonder, dat hij nog leefde, nog sprak, nog verlevendigd werd.
Juist dat verwonderen is een teken van leven. Een dode ziel verbaast zich niet over haar dodigheid; zij voelt die niet eens. Maar wie zijn armoede kent en toch, ondanks alle moeilijkheden en verzoekingen, nog vervolgt om de Heere te kennen, is een wonder van genade. Geef dan de moed niet op. Die u verborgen voortleidt, al is het op duistere wijze, onderhoudt het werk dat Hij Zelf in u begonnen heeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen om de Heere te kennen. Zijn uitgang is bereid als de dageraad; en Hij zal tot ons komen als een regen, als de spade regen, en als de vroege regen des lands.
Hosea 6:3
Ik verwonder mij er vaak over hoe onze zielen in leven worden gehouden. Ik ben mijzelf vaak een wonder, dat ik ooit enige verlevendiging ervaar, omdat ik soms zo’n dorheid, magerheid, dodigheid, vleselijkheid en onbekwaamheid voel, zelfs tot één enkele geestelijke gedachte. Ik was vaak verbaasd dat ik ooit kon preken en ooit kon bidden. Ik verwonderde mij erover dat ik, wanneer het de dag van de Heere is, een tekst had om over te preken, dat ik enig leven in mijn ziel ervoer, of in enige mate kracht ontving om iets te zeggen tot stichting van Gods volk.
Ik geloof dat een levend mens zichzelf een wonder is. Hij wordt voortgeleid, en toch zo verborgen; hij wordt bewerkt, maar op zo’n duistere wijze. En toch wordt hij door zoveel moeilijkheden en hindernissen heen geleid, bestuurd en ondersteund, dat hij een wonder van genade is, zoals de apostel zegt: „een schouwspel der wereld, en de engelen en de mensen” (1 Kor. 4:9). De wereld verwondert zich, de engelen aanbidden en de mensen staan verbaasd over hoe de levendgemaakte ziel wordt voortgeleid te midden van al haar moeilijkheden, hindernissen, beproevingen en verzoekingen, en toch ondanks dat alles vervolgt om de Heere te kennen.
Lezen: 1 Korinthe 4
Aan de lezer…
Verwondert u zich er ook weleens over dat er nog leven in uw ziel is? U kent de dorheid, de dodigheid, de onbekwaamheid tot zelfs één geestelijke gedachte, en u vraagt zich af hoe zo iemand ooit nog kan bidden of iets van de Heere kan smaken. Weet dan, beste lezer, dat u daarin niet alleen staat. Ook de knecht van de Heere was zichzelf een wonder: dat hij nog leefde, nog sprak en nog verlevendigd werd.
Juist dat verwonderen is een teken van leven. Een dode ziel verbaast zich niet over haar dodigheid; zij voelt die niet eens. Maar wie zijn armoede kent en toch, ondanks alle moeilijkheden en verzoekingen, nog vervolgt om de Heere te kennen, is een wonder van genade. Geef dan de moed niet op. Hij Die u verborgen voortleidt, al is het op duistere wijze, onderhoudt het werk dat Hij Zelf in u begonnen heeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Then shall we know, if we follow on to know the LORD: His going forth is prepared as the morning; and He shall come unto us as the rain, as the latter and former rain unto the earth.
Hosea 6:3
I often wonder how our souls are kept alive. I am often a wonder to myself that I ever feel any revival, because I sometimes feel such barrenness, leanness, deadness, carnality and inability even to a single spiritual thought. I have often been astonished that I could ever preach and ever pray. I have wondered that, when the Lord’s day came, I had a text to preach from, that I felt any life in my soul, or received in any measure strength to say anything to the edification of God’s people.
I believe that a living man is a wonder to himself. He is led on, and yet so secretly; he is wrought upon, but in so obscure a way. And yet he is led, guided and upheld through so many difficulties and hindrances, that he is a wonder of grace, as the apostle says, “a spectacle unto the world, and to angels, and to men” (1 Corinthians 4:9). The world wonders, angels adore, and men stand amazed at how the quickened soul is led on amid all its difficulties, hindrances, trials and temptations, and yet in spite of all follows on to know the Lord.
Reading: 1 Corinthians 4
To the reader…
Do you, too, sometimes wonder that there is still life in your soul? You know the barrenness, the deadness, the inability even to a single spiritual thought, and you ask yourself how such a one could ever still pray or taste anything of the Lord. Know, then, dear reader, that you do not stand alone in this. The servant of the Lord, too, was a wonder to himself: that he still lived, still spoke and was still revived.
That very wondering is a sign of life. A dead soul is not surprised at its deadness; it does not even feel it. But whoever knows his poverty and yet, in spite of all difficulties and temptations, still follows on to know the Lord, is a wonder of grace. Do not lose heart, then. He Who leads you on secretly, even if in an obscure way, maintains the work which He Himself has begun in you.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y conoceremos, y proseguiremos en conocer a Jehová: como el alba está aparejada Su salida, y vendrá a nosotros como la lluvia, como la lluvia tardía y temprana a la tierra.
Oseas 6:3
A menudo me pregunto cómo son mantenidas vivas nuestras almas. Con frecuencia soy un asombro para mí mismo de que alguna vez sienta algún avivamiento, porque a veces siento tal esterilidad, flaqueza, muerte, carnalidad e incapacidad aun para un solo pensamiento espiritual. Muchas veces me he asombrado de que alguna vez pudiera predicar y alguna vez orar. Me he maravillado de que, cuando llegaba el día del Señor, tuviera un texto sobre el cual predicar, de que sintiera alguna vida en mi alma, o recibiera en alguna medida fuerzas para decir algo para la edificación del pueblo de Dios.
Creo que un hombre vivo es un asombro para sí mismo. Es llevado adelante, y sin embargo de un modo tan secreto; se obra en él, pero de una manera tan oscura. Y aun así es conducido, guiado y sostenido a través de tantas dificultades y obstáculos, que es un prodigio de la gracia, como dice el apóstol: “Somos hechos espectáculo al mundo, y a los ángeles, y a los hombres” (1 Corintios 4:9). El mundo se maravilla, los ángeles adoran y los hombres quedan atónitos de cómo el alma vivificada es llevada adelante en medio de todas sus dificultades, obstáculos, pruebas y tentaciones, y sin embargo, a pesar de todo, prosigue en conocer al Señor.
Lectura: 1 Corintios 4
Al lector…
¿Se asombra usted también a veces de que todavía haya vida en su alma? Conoce la esterilidad, la muerte, la incapacidad aun para un solo pensamiento espiritual, y se pregunta cómo alguien así podría todavía orar o gustar algo del Señor. Sepa, pues, querido lector, que no está solo en esto. También el siervo del Señor era un asombro para sí mismo: que todavía viviera, todavía hablara y todavía fuera avivado.
Ese mismo asombro es una señal de vida. Un alma muerta no se sorprende de su muerte; ni siquiera la siente. Pero quien conoce su pobreza y, sin embargo, a pesar de todas las dificultades y tentaciones, sigue prosiguiendo en conocer al Señor, es un prodigio de la gracia. No se desanime, pues. Aquel que le lleva adelante en secreto, aunque sea de una manera oscura, mantiene la obra que Él mismo ha comenzado en usted.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Toen zeide ik: Wee mij, want ik verga, dewijl ik een man van onreine lippen ben, en ik woon in het midden eens volks, dat onrein van lippen is; want mijn ogen hebben de Koning, de Heere der heirscharen gezien.
Jesaja 6:5
God heeft Zijn Sion laten beschrijven als „vol wonden, striemen en etterbuilen”. Toen de kerk Gods in Adam viel, viel zij dermate, dat zij al haar benen brak, benevens dat in die val haar vlees van het hoofd tot de voeten overdekt werd met wonden, die tot verzweringen overgingen. Haar verstand, haar consciëntie en haar genegenheden werden vreselijk verminkt. Haar verstand werd verduisterd, haar consciëntie gevoelloos, en haar genegenheden werden vervreemd van God. Iedere eigenschap der ziel werd dus bedorven en verkeerd.
Gelijk bij een schip dat schipbreuk lijdt het water door elk lek naar binnen stroomt, zo was het eveneens toen Adam strandde op lager wal van de zonde en de verzoeking, en schipbreuk leed van het beeld Gods, waarnaar hij geschapen was. De zonde brak door in alle vermogens van ziel en lichaam, ja, drong door tot de binnenste schuilhoeken van zijn wezen. Of, om een ander zinnebeeld te gebruiken: gelijk wanneer iemand gebeten wordt door een vergiftige slang en het vergif door iedere ader heenloopt en hem van het hoofd tot de voeten vergiftigt, zo was het met Adam. De vergiftige slangenbeet der zonde drong tot in het binnenste zijner ziel en tastte ook zijn lichaam aan, en vergiftigde hem zo van top tot teen.
Maar de vreselijke verwoesting die de zonde veroorzaakt, wordt nooit gezien noch gevoeld, totdat de ziel geestelijk leven wordt ingestort. Ach, wat een arbeid veroorzaakt dan de zonde in de consciëntie, als zij door de Geest Gods belicht wordt! Welke oppervlakkige of kleine gedachten wij ook tevoren van de zonde mogen gehad hebben, alleen wanneer haar gevaarlijk en boosaardig karakter door de Heilige Geest in het daglicht wordt gesteld, dan wordt zij recht gezien en gevoeld; men smart en rouwklaagt erover. Het is het zwaard des Geestes dat snijdt en doorwondt. Het is dit komen tot het leven en het licht dat de consciëntie een diepe wonde toebrengt; het is dit Goddelijk werk dat het hart verscheurt en deze diepe wonden veroorzaakt, die niet dan door de balsem in Gilead kunnen genezen worden.
En niet alleen wordt de arme, overtuigde zondaar in zijn consciëntie inwendig door de zonde gewond en verscheurd, wanneer zij door de Geest van God ontdekt wordt, maar, zoals de profeet zich uitdrukt: „Het ganse hoofd is krank, en het ganse hart is mat.” Hij arbeidt dan onder een samenweefsel van ongerechtigheden. Elk woord, iedere gedachte en handeling is bezoedeld door de zonde. Elk zijner geestvermogens is bedorven. De wil verkiest het kwade, de genegenheden kleven aan aardse dingen; de memorie is als een gebroken zeef: ze behoudt het kwade en laat het goede vallen. Het oordeel is als een omgekochte of dronken rechter: het spreekt een onbezonnen of verkeerd oordeel uit; en de consciëntie is als een opiumschuiver: zij slaapt en sluimert een gevoelloze slaap.
Deze ellendige staat is door de val op en in ons gekomen, en elk der kinderen Gods moet er in zekere mate iets van kennen. Het heeft geen nut de zaak te verbloemen door te zeggen dat iemand door de genade Gods en het bloed van Christus kan behouden worden, zonder iets te kennen van de diepe ellende en ongerechtigheid waarin hij door de val gekomen is. Wij moeten in de diepte van de val afsteken om ons hart te leren kennen en waartoe wij in staat zijn. Wij hebben nodig dat het scherpe mes des Heeren diep in onze consciënties ingaat en het kwaad blootlegt dat zo diep in ons vleselijk gemoed besloten ligt, vóór wij iets kunnen ervaren van de schoonheid en de zegen der zaligheid door genade.
Aan de lezer…
Hoe dikwijls schrikt u van wat u in uw eigen hart ontdekt: een wil die het kwade verkiest, genegenheden die aan aardse dingen kleven, een geheugen als een gebroken zeef dat het kwade bewaart en het goede laat vallen! Misschien dacht u vroeger licht over de zonde, en nu kunt u er niet meer overheen kijken. Het ganse hoofd is krank, en het ganse hart is mat.
Het is bitter om zo in de diepte van de val af te steken. Maar weet dat een dode ziel dit niet voelt. Het is het zwaard des Geestes dat zo snijdt, en Hij wondt niet om te doden, maar om de weg te banen voor de balsem in Gilead. Wie met de profeet moet zeggen: „Wee mij, want ik verga”, heeft iets van de Koning, de Heere der heirscharen, gezien. Die u zo ontdekt, kan u ook doen ervaren wat de schoonheid en de zegen van de zaligheid door genade is.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Toen zeide ik: Wee mij, want ik verga, dewijl ik een man van onreine lippen ben, en ik woon in het midden eens volks, dat onrein van lippen is; want mijn ogen hebben de Koning, de Heere der heirscharen gezien.
Jesaja 6:5
God heeft Zijn Sion laten beschrijven als „vol wonden, striemen en etterbuilen”. Toen de kerk van God in Adam viel, viel zij zo zwaar dat zij al haar botten brak, en daarbij werd in die val haar vlees van het hoofd tot de voeten bedekt met wonden die gingen zweren. Haar verstand, haar geweten en haar genegenheden werden vreselijk verminkt. Haar verstand werd verduisterd, haar geweten gevoelloos, en haar genegenheden raakten vervreemd van God. Zo werd iedere eigenschap van de ziel bedorven en verkeerd.
Zoals bij een schip dat schipbreuk lijdt het water door elk lek naar binnen stroomt, zo ging het ook toen Adam op de klippen van de zonde en de verzoeking liep en schipbreuk leed aan het beeld van God, waarnaar hij geschapen was. De zonde brak door in alle vermogens van ziel en lichaam, ja, drong door tot de binnenste schuilhoeken van zijn wezen. Of, om een ander beeld te gebruiken: zoals wanneer iemand gebeten wordt door een giftige slang en het gif door iedere ader stroomt en hem van het hoofd tot de voeten vergiftigt, zo was het met Adam. De giftige slangenbeet van de zonde drong door tot in het binnenste van zijn ziel en tastte ook zijn lichaam aan, en vergiftigde hem zo van top tot teen.
Maar de vreselijke verwoesting die de zonde aanricht, wordt nooit gezien noch gevoeld totdat er geestelijk leven in de ziel wordt ingestort. Ach, wat een strijd veroorzaakt de zonde dan in het geweten, wanneer zij door de Geest van God wordt belicht! Hoe oppervlakkig of gering wij eerder ook over de zonde mogen hebben gedacht, pas wanneer haar gevaarlijke en boosaardige karakter door de Heilige Geest aan het licht wordt gebracht, wordt zij recht gezien en gevoeld, en men treurt en klaagt erover. Het is het zwaard van de Geest dat snijdt en verwondt. Het is dit komen tot leven en licht dat het geweten een diepe wond toebrengt; het is dit Goddelijke werk dat het hart verscheurt en deze diepe wonden veroorzaakt, die door niets anders dan de balsem in Gilead kunnen worden genezen.
En de arme, overtuigde zondaar wordt niet alleen in zijn geweten innerlijk door de zonde gewond en verscheurd wanneer die door de Geest van God wordt ontdekt, maar, zoals de profeet het zegt: „Het ganse hoofd is krank, en het ganse hart is mat.” Hij gaat dan gebukt onder een weefsel van ongerechtigheden. Elk woord, elke gedachte en elke daad is door de zonde bezoedeld. Elk van zijn geestelijke vermogens is bedorven. De wil kiest het kwade, de genegenheden kleven aan aardse dingen. Het geheugen is als een kapotte zeef: het houdt het kwade vast en laat het goede vallen. Het oordeel is als een omgekochte of dronken rechter: het spreekt een onbezonnen of verkeerd oordeel uit. En het geweten is als een opiumschuiver: het slaapt en sluimert een gevoelloze slaap.
Deze ellendige staat is door de val over ons en in ons gekomen, en ieder kind van God moet er in zekere mate iets van kennen. Het heeft geen zin de zaak te verbloemen door te zeggen dat iemand door de genade van God en het bloed van Christus behouden kan worden zonder iets te kennen van de diepe ellende en ongerechtigheid waarin hij door de val is gekomen. Wij moeten afdalen in de diepte van de val om ons hart te leren kennen, en waartoe wij in staat zijn. Wij hebben nodig dat het scherpe mes van de Heere diep in ons geweten snijdt en het kwaad blootlegt dat zo diep in ons vleselijke gemoed besloten ligt, voordat wij iets kunnen ervaren van de schoonheid en de zegen van de zaligheid door genade.
Aan de lezer…
Hoe vaak schrikt u van wat u in uw eigen hart ontdekt: een wil die het kwade kiest, genegenheden die aan aardse dingen kleven, een geheugen als een kapotte zeef dat het kwade vasthoudt en het goede laat vallen! Misschien dacht u vroeger licht over de zonde, en nu kunt u er niet meer overheen kijken. Het ganse hoofd is krank, en het ganse hart is mat.
Het is bitter om zo af te dalen in de diepte van de val. Maar weet dat een dode ziel dit niet voelt. Het is het zwaard van de Geest dat zo snijdt, en Hij verwondt niet om te doden, maar om de weg te banen voor de balsem in Gilead. Wie met de profeet moet zeggen: „Wee mij, want ik verga”, heeft iets van de Koning, de Heere der heirscharen, gezien. Hij Die u zo ontdekt, kan u ook laten ervaren wat de schoonheid en de zegen van de zaligheid door genade is.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Then said I, Woe is me! for I am undone; because I am a man of unclean lips, and I dwell in the midst of a people of unclean lips: for mine eyes have seen the King, the Lord of hosts.”
Isaiah 6:5
God has described His Zion as “full of wounds, and bruises, and putrefying sores.” When the Church of God fell in Adam, she fell with a crash which broke every bone and bruised her flesh with wounds which are ulcerated from top to toe. Her understanding, her conscience, and her affections were all fearfully maimed. Her understanding was blinded; her conscience stupified, and her affections alienated. Every mental faculty thus became perverted and distorted.
As in a ship-wrecked vessel the water runs in through every leak, so when Adam fell upon the lee-shore of sin and temptation, and made shipwreck of the image of God in which he was created, sin rushed into every faculty of body and soul, and penetrated into the inmost recesses of his being.
Or to use another figure; as when a man is bitten by a poisonous serpent, the venom courses through every artery and vein, and he dies a corrupted mass from head to foot, so did the poison fang of sin penetrate into Adam’s inmost soul and body, and infect him with its venom from the sole to the crown.
But the fearful havoc which sin has made is never seen nor felt until the soul is quickened into spiritual life. Oh, what work does sin then make in the conscience, when it is opened up by the Spirit of God! Whatever superficial or shallow views we may have had of sin before, it is only as its desperate and malignant character is opened up by the Holy Spirit that it is really seen, felt, grieved under, and mourned over as indeed a most dreadful and fearful reality. It is this sword of the Spirit which cuts and wounds; it is this entrance of life and light that gashes the conscience; it is this divine work which lacerates the heart and inflicts those deep wounds which nothing but the “balm in Gilead” can heal.
And not only is a poor convinced sinner cut in his conscience, inwardly lacerated and gashed by sin as thus opened up by the Spirit of God, but, as the prophet speaks, “the whole head is sick, and the whole heart faint.” He is thus laboring under a complication of diseases. Every thought, word, and action is polluted by sin. Every mental faculty is depraved. The will chooses evil; the affections cleave to earthly things; the memory, like a broken sieve, retains the bad and lets fall the good; the judgment, like a bribed or drunken juryman, pronounces heedless or wrong decisions; and the conscience, like an opium-eater, lies asleep and drugged in stupified silence.
This miserable state, brought upon us and into us by the fall, all the people of God must in some measure feel. It is of no use mincing the matter and saying that a person can be saved by the grace of God and the blood of Christ, without knowing anything of the depth of misery and wretchedness into which he is sunk as the fallen child of a fallen father. We must go down into the depths of the fall to know what our hearts are and what they are capable of; we must have the keen knife of God to cut deep gashes in our conscience and lay bare the evil that lies so deeply imbedded in our carnal mind, before we can enter into and experience the beauty and blessedness of salvation by grace.
To the reader…
How often are you startled by what you discover in your own heart: a will that chooses evil, affections that cleave to earthly things, a memory like a broken sieve that keeps the bad and lets the good fall through! Perhaps you once thought lightly of sin, and now you can no longer look past it. The whole head is sick, and the whole heart faint.
It is bitter to go down like this into the depths of the fall. But know that a dead soul does not feel this. It is the sword of the Spirit that cuts in this way, and He does not wound in order to kill, but to prepare the way for the balm in Gilead. Whoever must say with the prophet, “Woe is me! for I am undone,” has seen something of the King, the Lord of hosts. He Who shows you to yourself in this way can also let you experience the beauty and blessedness of salvation by grace.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Entonces dije: ¡Ay de mí! que soy muerto; que siendo hombre inmundo de labios, y habitando en medio de pueblo que tiene inmundos labios, han visto mis ojos al Rey, Jehová de los ejércitos.
Isaías 6:5
Dios ha descrito a Su Sion como llena de “herida, hinchazón y podrida llaga”. Cuando la Iglesia de Dios cayó en Adán, cayó con un golpe que le quebró todos los huesos y magulló su carne con heridas que están ulceradas de pies a cabeza. Su entendimiento, su conciencia y sus afectos quedaron todos terriblemente mutilados. Su entendimiento fue cegado; su conciencia, entorpecida; y sus afectos, enajenados. Toda facultad mental quedó así pervertida y torcida.
Así como en un barco naufragado el agua entra por cada vía de agua, así, cuando Adán cayó sobre la costa a sotavento del pecado y la tentación, e hizo naufragar la imagen de Dios en la que fue creado, el pecado se precipitó en cada facultad del cuerpo y del alma, y penetró en los rincones más íntimos de su ser.
O, para usar otra figura: así como, cuando un hombre es mordido por una serpiente venenosa, el veneno corre por cada arteria y vena, y muere hecho una masa corrompida de pies a cabeza, así el colmillo venenoso del pecado penetró en lo más íntimo del alma y del cuerpo de Adán, y lo infectó con su veneno desde la planta del pie hasta la coronilla.
Pero el terrible estrago que el pecado ha hecho nunca se ve ni se siente hasta que el alma es vivificada a la vida espiritual. ¡Oh, qué obra hace entonces el pecado en la conciencia, cuando es puesto al descubierto por el Espíritu de Dios! Por superficiales o ligeras que hayan sido nuestras ideas del pecado antes, solo cuando su carácter desesperado y maligno es descubierto por el Espíritu Santo es realmente visto, sentido, sufrido y llorado como una realidad verdaderamente espantosa y terrible. Es esta espada del Espíritu la que corta y hiere; es esta entrada de vida y luz la que abre tajos en la conciencia; es esta obra divina la que lacera el corazón e inflige aquellas heridas profundas que nada sino el “bálsamo en Galaad” puede sanar.
Y no solo es cortado en su conciencia un pobre pecador convencido, lacerado y herido interiormente por el pecado así descubierto por el Espíritu de Dios, sino que, como dice el profeta, “toda cabeza está enferma, y todo corazón doliente”. Así está padeciendo una complicación de enfermedades. Todo pensamiento, palabra y acción está contaminado por el pecado. Toda facultad mental está depravada. La voluntad escoge el mal; los afectos se apegan a las cosas terrenales; la memoria, como un cedazo roto, retiene lo malo y deja caer lo bueno; el juicio, como un jurado sobornado o ebrio, pronuncia decisiones descuidadas o equivocadas; y la conciencia, como un comedor de opio, yace dormida y drogada en un silencio entorpecido.
Este estado miserable, traído sobre nosotros y dentro de nosotros por la caída, todo el pueblo de Dios ha de sentirlo en alguna medida. De nada sirve suavizar el asunto y decir que una persona puede ser salva por la gracia de Dios y la sangre de Cristo sin saber nada de la profundidad de miseria y desdicha en la que está hundida como hijo caído de un padre caído. Tenemos que descender a las profundidades de la caída para saber lo que es nuestro corazón y de lo que es capaz; tenemos que tener el cuchillo afilado de Dios para que abra hondos tajos en nuestra conciencia y ponga al descubierto el mal que yace tan profundamente arraigado en nuestra mente carnal, antes de poder entrar en la hermosura y bienaventuranza de la salvación por gracia y experimentarla.
Al lector…
¡Cuántas veces se sobresalta usted por lo que descubre en su propio corazón: una voluntad que escoge el mal, afectos que se apegan a las cosas terrenales, una memoria como un cedazo roto que retiene lo malo y deja caer lo bueno! Quizá antes pensaba a la ligera del pecado, y ahora ya no puede pasarlo por alto. Toda cabeza está enferma, y todo corazón doliente.
Es amargo descender así a las profundidades de la caída. Pero sepa que un alma muerta no siente esto. Es la espada del Espíritu la que corta de esta manera, y Él no hiere para matar, sino para preparar el camino al bálsamo en Galaad. Quien tiene que decir con el profeta: “¡Ay de mí! que soy muerto”, ha visto algo del Rey, Jehová de los ejércitos. Aquel que le muestra a usted a sí mismo de esta manera puede también hacerle experimentar la hermosura y bienaventuranza de la salvación por gracia.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl