vandaag verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
7 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
12 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
2 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Zo dan laat ons najagen hetgeen tot de vrede dient.
Romeinen 14:19
Wat ligt er iets liefelijks in het woord „vrede”! Bunyan stelt dit juist voor in zijn „Pelgrimsreize”, waar hij spreekt van Christen, toen hij, na gast geweest te zijn in het „huis van Schoonheid”, ging slapen in de kamer „Vrede” genaamd. En wat zegenrijke gewaarwordingen liggen in dat woord „vrede”! Het was de nalatenschap die de Heere Jezus aan Zijn Gemeente achterliet. „Mijn vrede geef Ik u; Mijn vrede laat Ik u; niet gelijkerwijs de wereld die geeft, geef Ik hem u”; en de apostel zegt ervan dat hij „alle verstand te boven gaat”.
Nu schijnt het alsof velen, zelfs van de Gemeente des Heeren, verrukking des Geestes verwachten. Ik geloof dat er veel geestvervoering is in het natuurlijk gemoed van de mens, zoals blijkt uit hetgeen ik zijn godsdienstige geschiedenis van alle eeuwen noem; en dit maakt dat velen die in andere opzichten wel onderwezen zijn, uitzien naar gezichten, geestvervoering en geestverrukkingen: zaken die de natuur kan nabootsen, of die de Satan als een „engel des lichts” kan namaken om de zielen te verleiden.
Maar ik geloof dat de Satan tot het geweten niet spreken kan van de vrede des Evangelies; hij kan geen heilige kalmte in de ziel uitstorten. Hij kan de wateren van het meer van Genesareth opzwepen tot een storm, maar er was er slechts Eén Die zeggen kon: „Zwijg, wees stille!” De Satan kan een storm verwekken in ons vleselijk gemoed, maar hij kan die niet bedaren; hij kan geen olie uitstorten op de baren, noch de onstuimige borst tot kalmte brengen en haar in staat stellen zich aan God over te geven. Van alle geestelijke zegeningen is er geen te verkiezen boven de vrede; en deze, geloof ik, begeert een kind van God het meest.
Want o, hoeveel ligt er niet opgesloten in het woord „vrede”! Is de mens van nature niet een vijand van God? Dan moet hij, om behouden te worden, verzoend worden; en dat sluit vrede in. Is zijn hart niet dikwijls ontroerd, gelijk de Heere zeide: „Uw hart worde niet ontroerd”? Dan heeft hij vrede nodig. En wordt zijn gemoed niet dikwijls bewogen en heen en weer geslingerd door strijdige aandoeningen? Dan heeft hij vrede nodig om het tot rust te brengen. En wanneer hij op zijn sterfbed moet liggen, o, indien hij daar slechts in vrede mag liggen, in vrede met God door Jezus Christus, en er een heilige kalmte over zijn ziel komt, voortvloeiende uit geopenbaarde barmhartigheid en gevoelde verzoening, dat gaat alle verrukkingen der wereld te boven!
Met vrede gezegend te worden door het bloed der besprenging, eer de ziel uit haar aardse tabernakel heengaat om in te gaan in de haven des vredes daarboven — dat zal waarlijk een sterfbed gelukkig maken; dat zal elke doorn uit het stervenskussen wegnemen, en de heengaande gelovige in staat stellen met de heilige Simeon te zeggen: „Nu laat Gij, Heere, Uw dienstknecht gaan in vrede, naar Uw woord; want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien.”
Dat vreed’ en aangename rust
en milde zegen u verblij’.
Dat welvaart in uw vesting zij,
in uw paleizen vreugd’ en lust.
Om vriend en broed’ren spreek ik nu:
„De vrede zij en blijv’ in u,
nooit moet haar nijd of twist verkloeken.
Om ’s Heeren huis in u gebouwd,
waar onze God zijn woning bouwt,
zal ik het goede voor u zoeken.”
Ps. 122:3
Aan de lezer…
Wie uitziet naar gezichten en geestverrukkingen, naar iets groots en buitengewoons, moet goed toezien waar hij naar uitziet. Wees voorzichtig, want zulke dingen kan de natuur nabootsen en de Satan namaken. Maar één ding kan hij niet: hij kan geen heilige kalmte in de ziel uitstorten, geen vrede des Evangelies tot het geweten spreken. Hij kan de storm in uw gemoed verwekken, maar nooit bedaren.
Woelt het nu in uw binnenste als de wateren van het meer van Genesareth? Er is slechts Eén Die zeggen kan: „Zwijg, wees stille!” Zijn vrede is de nalatenschap die Hij Zijn Gemeente heeft achtergelaten, een vrede die alle verstand te boven gaat. Jaag die vrede na, en vraag Hem dat Hij hem in uw hart spreke. Er is geen geestelijke zegen te verkiezen boven deze, en het is goed dat u hem het meest begeert.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Zo dan laat ons najagen hetgeen tot de vrede dient.
Romeinen 14:19
Wat ligt er iets lieflijks in het woord „vrede”! Bunyan laat dit mooi zien in zijn „Christenreis”, waar hij vertelt hoe Christen, nadat hij gast was geweest in het „huis van Schoonheid”, ging slapen in de kamer die „Vrede” heette. En wat een gezegende gewaarwordingen liggen er in dat woord „vrede”! Het was de nalatenschap die de Heere Jezus aan Zijn Gemeente achterliet: „Mijn vrede geef Ik u; Mijn vrede laat Ik u; niet gelijkerwijs de wereld die geeft, geef Ik hem u”; en de apostel zegt ervan dat hij „alle verstand te boven gaat”.
Nu lijkt het alsof velen, zelfs van de Gemeente van de Heere, geestverrukking verwachten. Ik geloof dat er veel geestvervoering is in het natuurlijke gemoed van de mens, zoals blijkt uit wat ik de godsdienstige geschiedenis van alle eeuwen noem. Dat maakt dat velen die in andere opzichten wel onderwezen zijn, uitzien naar gezichten, geestvervoering en geestverrukkingen: zaken die de natuur kan nabootsen, of die satan als een „engel des lichts” kan namaken om de zielen te verleiden.
Maar ik geloof dat satan niet tot het geweten kan spreken van de vrede van het Evangelie; hij kan geen heilige kalmte in de ziel uitstorten. Hij kan de wateren van het meer van Genesareth opzwepen tot een storm, maar er was maar Eén Die kon zeggen: „Zwijg, wees stille!” Satan kan een storm verwekken in ons vleselijke gemoed, maar hij kan die niet tot bedaren brengen. Hij kan geen olie op de golven gieten, en ook de onstuimige borst niet tot kalmte brengen en in staat stellen zich aan God over te geven. Van alle geestelijke zegeningen is er geen te verkiezen boven de vrede; en die, geloof ik, begeert een kind van God het meest.
Want o, hoeveel ligt er niet besloten in het woord „vrede”! Is de mens van nature niet een vijand van God? Dan moet hij, om behouden te worden, met God verzoend worden, en dat betekent vrede. Is zijn hart niet vaak ontroerd? De Heere zei immers: „Uw hart worde niet ontroerd.” Dan heeft hij vrede nodig. En wordt zijn gemoed niet vaak heen en weer geslingerd door tegenstrijdige gevoelens? Dan heeft hij vrede nodig om tot rust te komen. En wanneer hij op zijn sterfbed moet liggen – o, als hij daar maar in vrede mag liggen, in vrede met God door Jezus Christus, en er een heilige kalmte over zijn ziel komt, die voortvloeit uit geopenbaarde barmhartigheid en ervaren verzoening, dan gaat dat alle verrukkingen ter wereld te boven!
Met vrede gezegend worden door het bloed der besprenging, voordat de ziel haar aardse tabernakel verlaat om de haven van de vrede daarboven binnen te gaan – dat maakt een sterfbed werkelijk gelukkig. Dat haalt elke doorn uit het kussen van de stervende en stelt de gelovige die heengaat in staat om met de vrome Simeon te zeggen: „Nu laat Gij, Heere, Uw dienstknecht gaan in vrede, naar Uw woord; want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien.”
Dat vreed’ en aangename rust
en milde zegen u verblij’.
Dat welvaart in uw vesting zij,
in uw paleizen vreugd’ en lust.
Om vriend en broed’ren spreek ik nu:
„De vrede zij en blijv’ in u,
nooit moet haar nijd of twist verkloeken.
Om ’s Heeren huis in u gebouwd,
waar onze God zijn woning bouwt,
zal ik het goede voor u zoeken.”
Ps. 122:3
Aan de lezer…
Wie uitziet naar gezichten en geestverrukkingen, naar iets groots en buitengewoons, moet goed letten op waar hij naar uitziet. Wees voorzichtig, want zulke dingen kan de natuur nabootsen en satan namaken. Maar één ding kan hij niet: hij kan geen heilige kalmte in de ziel uitstorten en geen vrede van het Evangelie tot het geweten spreken. Hij kan een storm in uw gemoed verwekken, maar die nooit tot bedaren brengen.
Woelt het nu in uw binnenste als de wateren van het meer van Genesareth? Er is maar Eén Die kan zeggen: „Zwijg, wees stille!” Zijn vrede is de nalatenschap die Hij Zijn Gemeente heeft achtergelaten, een vrede die alle verstand te boven gaat. Jaag die vrede na, en vraag Hem of Hij die in uw hart wil spreken. Er is geen geestelijke zegen te verkiezen boven deze, en het is goed dat u die het meest begeert.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Let us therefore follow after the things which make for peace.
Romans 14:19
What a sweetness is contained in the word “peace.” Bunyan well represents this in his Pilgrim’s Progress, where he speaks of Christian, after having been entertained in the “house Beautiful,” going to sleep in the chamber called “Peace.” And what blessed sensations are couched in that word “Peace!” It was the legacy that Jesus left to His Church. “Peace I leave with you, my peace I give unto you; not as the world gives, give I unto you;” and the Apostle says of it that it “passes all understanding.”
Now many even of the Lord’s people seem as if they wanted and were expecting raptures. There is, I believe, a vast deal of enthusiasm in the natural mind of man, as is evident from what I may call its religious history in all ages; and this leads many who, in other points, seem rightly taught to look for wonderful visions, ecstasies, and raptures, things which nature can imitate, or Satan, as an “angel of light,” counterfeit to delude souls.
But I believe Satan cannot speak gospel peace to the conscience; he cannot bring a holy calm into the soul. He could lash the waters of Gennesaret into a storm; but there was only One Who could say to them, “Peace, be still.” Satan may raise up a storm in our carnal mind, but he cannot allay it; he cannot pour oil upon the waves; nor calm the troubled breast, and enable it to rest upon God.
Of all spiritual blessings, none seem preferable to peace; and I believe that it is what a child of God covets more than anything. For, O how much is implied in the word “peace!” Is not man by nature an enemy to God? Then to be saved he must be reconciled; and that implies peace. Is not his heart often troubled, as the Lord said, “Let not your heart be troubled?” Then he needs peace. And is not his mind often agitated and tossed up and down by conflicting emotions? Then he needs peace to calm it. And when he has to lie upon his dying bed, O, if he can but lie there in peace, peace with God through Jesus Christ, and a holy calm comes over his soul, flowing out of manifested mercy and felt reconciliation, it will beat all the raptures in the world!
To be blessed with peace, through the blood of sprinkling, before the soul glides out of its earthly tabernacle to enter into the haven of peace above—this indeed will make a death-bed happy, this will extract every thorn from the dying pillow, and enable the departing believer to say, with holy Simeon, “Lord, now let You Your servant depart in peace, for my eyes have seen Your salvation.”
To the reader…
Whoever looks for visions and raptures, for something great and extraordinary, must take good heed to what he is looking for. Be careful, for such things nature can imitate and Satan can counterfeit. But one thing he cannot do: he cannot pour a holy calm into the soul, nor speak gospel peace to the conscience. He can raise a storm in your mind, but he can never allay it.
Is there now a tossing within you like the waters of Gennesaret? There is only One Who can say, “Peace, be still!” His peace is the legacy He left to His Church, a peace that passes all understanding. Follow after that peace, and ask Him to speak it into your heart. There is no spiritual blessing to be preferred above this one, and it is good that you desire it most of all.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Así que, sigamos lo que hace a la paz.
Romanos 14:19
¡Qué dulzura encierra la palabra “paz”! Bunyan lo representa bien en su Progreso del Peregrino, donde habla de Cristiano que, después de haber sido hospedado en la “Casa Hermosa”, va a dormir en el aposento llamado “Paz”. ¡Y qué benditas sensaciones encierra esa palabra “Paz”! Fue el legado que Jesús dejó a Su Iglesia: “La paz os dejo, Mi paz os doy: no como el mundo la da, Yo os la doy”; y el Apóstol dice de ella que “sobrepuja todo entendimiento”.
Ahora bien, muchos, aun del pueblo del Señor, parecen querer y esperar arrebatos. Hay, creo, muchísimo entusiasmo en la mente natural del hombre, como es evidente por lo que puedo llamar su historia religiosa en todas las épocas; y esto lleva a muchos que, en otros puntos, parecen bien enseñados, a buscar visiones maravillosas, éxtasis y arrebatos, cosas que la naturaleza puede imitar, o que Satanás, como “ángel de luz”, puede falsificar para engañar a las almas.
Pero creo que Satanás no puede hablar la paz del evangelio a la conciencia; no puede traer una santa calma al alma. Pudo azotar las aguas de Genesaret hasta levantar una tempestad; pero solo había Uno que podía decirles: “Calla, enmudece.” Satanás puede levantar una tempestad en nuestra mente carnal, pero no puede apaciguarla; no puede derramar aceite sobre las olas, ni calmar el pecho turbado y capacitarlo para descansar en Dios.
De todas las bendiciones espirituales, ninguna parece preferible a la paz; y creo que es lo que un hijo de Dios codicia más que nada. Porque, ¡oh, cuánto se encierra en la palabra “paz”! ¿No es el hombre por naturaleza enemigo de Dios? Entonces, para ser salvo, tiene que ser reconciliado; y eso implica paz. ¿No está su corazón a menudo turbado, como dijo el Señor: “No se turbe vuestro corazón”? Entonces necesita paz. ¿Y no está su mente a menudo agitada y sacudida de un lado a otro por emociones contrarias? Entonces necesita paz que la calme. Y cuando tenga que yacer en su lecho de muerte, ¡oh, si tan solo puede yacer allí en paz, paz con Dios por medio de Jesucristo, y una santa calma viene sobre su alma, que brota de la misericordia manifestada y de la reconciliación sentida, eso superará todos los arrebatos del mundo!
Ser bendecido con paz, por la sangre del rociamiento, antes de que el alma salga de su tabernáculo terrenal para entrar en el puerto de paz de arriba: esto en verdad hará feliz un lecho de muerte, esto quitará toda espina de la almohada del moribundo, y capacitará al creyente que parte para decir con el santo Simeón: “Ahora despides, Señor, a Tu siervo en paz; porque han visto mis ojos Tu salvación.”
Al lector…
Quien busca visiones y arrebatos, algo grande y extraordinario, debe prestar mucha atención a lo que busca. Tenga cuidado, porque tales cosas la naturaleza puede imitarlas y Satanás puede falsificarlas. Pero hay una cosa que él no puede hacer: no puede derramar una santa calma en el alma, ni hablar la paz del evangelio a la conciencia. Puede levantar una tempestad en su mente, pero nunca puede apaciguarla.
¿Hay ahora dentro de usted una agitación como la de las aguas de Genesaret? Solo hay Uno que puede decir: “¡Calla, enmudece!” Su paz es el legado que dejó a Su Iglesia, una paz que sobrepuja todo entendimiento. Siga esa paz, y pídale que la hable a su corazón. No hay bendición espiritual preferible a esta, y es bueno que usted la desee más que ninguna otra.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Een beschutting over al wat heerlijk is
En de Heere zal over alle woning van de berg Sion, en over haar vergaderingen, scheppen een wolk des daags, en een rook, en de glans eens vlammenden vuurs des nachts; want over al wat heerlijk is, zal een beschutting wezen. En daar zal een hut zijn tot een schaduw des daags tegen de hitte, en tot een toevlucht, en tot een verberging tegen de vloed en tegen de regen.
Jesaja 4:5-6
Zon betekent in de Heilige Schrift de Zon der Gerechtigheid, maar ook de brandende zon der verzoeking. „Ziet mij niet aan, dat ik zwartachtig ben, omdat mij de zon heeft beschenen” (Hoogl. 1:6). De bruid gebruikt hier de beeldspraak van de zon der verzoeking, die haar zwart had gemaakt. Dus als we hier lezen over „de hitte”, wordt hiermee ongetwijfeld de zon der verzoeking bedoeld, die met zijn brandende stralen de ziel raakt. Hiervoor willen we schuilen.
Als iemand door verzoekingen wordt geraakt, zal hij hierdoor dan niet uitdrogen (net zoals de grond door de zon verbrandt), tenzij hij ervoor kan schuilen? Verzoeking maakt hem als het verdorde open veld in de wildernis en put al zijn kracht uit, tenzij hij wat schaduw en bescherming vindt. Deze schuilplaats is de Heere des levens en der heerlijkheid. Is de begeerte van het vlees niet steeds werkzaam? Uit pijnlijke ervaring weet ik dat dit zo is.
Maar waar moeten we schaduw vandaan halen voor deze verzoekingen? Als we aan hen worden overgelaten, zullen we geheel falen. Degenen die weten wat verzoeking is, weten hoe volkomen hulpeloos ze ertegenover zijn, behalve met de genade. En tenzij de verzoeking kan worden beteugeld, zal zij hun zielen gevangennemen en ze tot vernietiging en verval brengen. Hoe moet een kind van God dan aan verzoekingen en aan hun vuiligheid, schuld en kracht in zijn geweten ontkomen?
Er rest hem slechts één manier: „een hut tot een schaduw des daags tegen de hitte”. Dat wil zeggen: zichzelf in Christus verbergen; een toevluchtsoord zoeken onder de schaduw van Zijn vleugels; zich wassen in de fontein die ooit is opengesteld voor de zonde en onreinheid; schuilen onder de heerlijkheid en gerechtigheid voor allen en op allen die geloven. Een kind van God wordt, als hij verzoekingen in zijn hart werkzaam voelt, door de Geest geleerd zijn toevlucht tot de Heere te nemen, zoals een kind naar zijn moeder vlucht als het geschrokken is. Hij neemt zijn toevlucht tot Gods genade om ze te bedekken en te vergeven, en tot de macht van de Heere om ze te beteugelen. Aldus is de Heere des levens en der heerlijkheid „een hut tot een schaduw des daags tegen de hitte”.
Lezen: Psalm 27
Aan de lezer…
Er zijn dagen dat de zon der verzoeking op u brandt. Voelt u hoe de begeerte van het vlees steeds werkzaam is, en hoe zij uw kracht uitput tot u bent als een verdord veld in de wildernis? Misschien schaamt u zich en meent u dat een kind van God zo niet kan zijn. Maar wie weet wat verzoeking is, weet ook hoe volkomen hulpeloos hij ertegenover staat, behalve met de genade.
Er rest u dan slechts één weg: vlucht tot Hem, Die een hut is tot een schaduw tegen de hitte. Vlucht zoals een geschrokken kind naar zijn moeder loopt, zonder eerst te vragen of het wel mag. Verberg u in Christus, zoek een toevluchtsoord onder de schaduw van Zijn vleugels, was u in de fontein die opengesteld is voor de zonde en onreinheid. Zijn genade kan uw zonde bedekken en vergeven, en Zijn macht kan de verzoeking beteugelen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En de Heere zal over alle woning van de berg Sion, en over haar vergaderingen, scheppen een wolk des daags, en een rook, en de glans eens vlammenden vuurs des nachts; want over al wat heerlijk is, zal een beschutting wezen. En daar zal een hut zijn tot een schaduw des daags tegen de hitte, en tot een toevlucht, en tot een verberging tegen de vloed en tegen de regen.
Jesaja 4:5-6
De zon staat in de Heilige Schrift voor de Zon der gerechtigheid, maar ook voor de brandende zon van de verzoeking. „Ziet mij niet aan, dat ik zwartachtig ben, omdat mij de zon heeft beschenen” (Hoogl. 1:6). De bruid gebruikt hier het beeld van de zon van de verzoeking, die haar zwart had gemaakt. Als we hier dus lezen over „de hitte”, wordt daarmee ongetwijfeld de zon van de verzoeking bedoeld, die de ziel met zijn brandende stralen treft. Daarvoor willen we schuilen.
Als iemand door verzoekingen getroffen wordt, zal hij daardoor dan niet uitdrogen (zoals de grond door de zon verschroeit), tenzij hij ervoor kan schuilen? Verzoeking maakt hem als het verdorde open veld in de wildernis en put al zijn kracht uit, tenzij hij schaduw en bescherming vindt. Deze schuilplaats is de Heere van het leven en van de heerlijkheid. Is de begeerte van het vlees niet steeds werkzaam? Uit pijnlijke ervaring weet ik dat het zo is.
Maar waar moeten we schaduw vinden tegen deze verzoekingen? Als we eraan worden overgelaten, zullen we volkomen bezwijken. Wie weet wat verzoeking is, weet hoe volkomen hulpeloos hij ertegenover staat, behalve door de genade. En tenzij de verzoeking beteugeld kan worden, zal zij de ziel gevangennemen en tot ondergang en verval brengen. Hoe moet een kind van God dan ontkomen aan de verzoekingen, en aan hun vuilheid, schuld en kracht in zijn geweten?
Er rest hem maar één weg: „een hut tot een schaduw des daags tegen de hitte”. Dat wil zeggen: zich in Christus verbergen; een toevlucht zoeken onder de schaduw van Zijn vleugels; zich wassen in de fontein die geopend is tegen de zonde en tegen de onreinheid; schuilen onder de heerlijkheid en de gerechtigheid die tot allen en over allen is die geloven. Wanneer een kind van God verzoekingen in zijn hart werkzaam voelt, wordt hij door de Geest geleerd zijn toevlucht tot de Heere te nemen, zoals een kind naar zijn moeder vlucht als het geschrokken is. Hij neemt zijn toevlucht tot Gods genade om ze te bedekken en te vergeven, en tot de macht van de Heere om ze te beteugelen. Zo is de Heere van het leven en van de heerlijkheid „een hut tot een schaduw des daags tegen de hitte”.
Lezen: Psalm 27
Aan de lezer…
Er zijn dagen dat de zon van de verzoeking op u brandt. Voelt u hoe de begeerte van het vlees steeds werkzaam is, en hoe zij uw kracht uitput tot u bent als een verdord veld in de wildernis? Misschien schaamt u zich en denkt u dat een kind van God zo niet kan zijn. Maar wie weet wat verzoeking is, weet ook hoe volkomen hulpeloos hij ertegenover staat, behalve door de genade.
Er rest u dan maar één weg: vlucht tot Hem, Die een hut is tot een schaduw tegen de hitte. Vlucht zoals een geschrokken kind naar zijn moeder loopt, zonder eerst te vragen of het wel mag. Verberg u in Christus, zoek een toevlucht onder de schaduw van Zijn vleugels, was u in de fontein die geopend is tegen de zonde en de onreinheid. Zijn genade kan uw zonde bedekken en vergeven, en Zijn macht kan de verzoeking beteugelen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And the LORD will create upon every dwelling place of mount Zion, and upon her assemblies, a cloud and smoke by day, and the shining of a flaming fire by night: for upon all the glory shall be a defence. And there shall be a tabernacle for a shadow in the daytime from the heat, and for a place of refuge, and for a covert from storm and from rain.
Isaiah 4:5-6
The sun in Holy Scripture stands for the Sun of righteousness, but also for the burning sun of temptation. “Look not upon me, because I am black, because the sun hath looked upon me” (Song of Solomon 1:6). The bride here uses the figure of the sun of temptation, which had made her black. When we read here, then, of “the heat,” the sun of temptation is no doubt meant, which strikes the soul with its burning rays. From that we want shelter.
If a man is smitten by temptations, will he not be dried up by them (as the ground is scorched by the sun), unless he can find shelter from them? Temptation makes him like the parched heath in the wilderness and drains all his strength, unless he finds shade and protection. This hiding place is the Lord of life and glory. Is not the lust of the flesh ever at work? From painful experience I know it is so.
But where are we to find shade from these temptations? If we are left to them, we shall utterly fall. Whoever knows what temptation is knows how utterly helpless he stands before it, except by grace. And unless temptation can be restrained, it will take the soul captive and bring it to ruin and decay. How, then, is a child of God to escape temptations, and their filth, guilt and power in his conscience?
Only one way is left him: “a tabernacle for a shadow in the daytime from the heat.” That is: to hide himself in Christ; to seek refuge under the shadow of His wings; to wash in the fountain opened for sin and for uncleanness; to shelter under the glory and the righteousness which is unto all and upon all them that believe. When a child of God feels temptations at work in his heart, he is taught by the Spirit to flee to the Lord, as a child runs to its mother when it is frightened.
He flees to God’s grace to cover and pardon them, and to the power of the Lord to restrain them. So the Lord of life and glory is “a tabernacle for a shadow in the daytime from the heat.”
Reading: Psalm 27
To the reader…
There are days when the sun of temptation burns upon you. Do you feel how the lust of the flesh is ever at work, and how it drains your strength until you are like a parched heath in the wilderness? Perhaps you are ashamed and think a child of God cannot be like that. But whoever knows what temptation is also knows how utterly helpless he stands before it, except by grace.
Only one way is then left you: flee to Him Who is a tabernacle for a shadow from the heat. Flee as a frightened child runs to its mother, without first asking whether it may. Hide yourself in Christ, seek refuge under the shadow of His wings, wash in the fountain opened for sin and for uncleanness. His grace can cover and pardon your sin, and His power can restrain the temptation.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y criará Jehová sobre toda la morada del monte de Sión, y sobre los lugares de sus convocaciones, nube y oscuridad de día, y resplandor de fuego que eche llamas de noche; porque sobre toda gloria habrá cobertura. Y habrá sombrajo para sombra contra el calor del día, para refugio y escondedero contra el turbión y contra el aguacero.
Isaías 4:5-6
El sol, en la Sagrada Escritura, representa al Sol de justicia, pero también el sol abrasador de la tentación. “No miréis en que soy morena, porque el sol me miró” (Cantares 1:6). La esposa usa aquí la figura del sol de la tentación, que la había ennegrecido. Cuando leemos aquí, pues, del “calor”, sin duda se refiere al sol de la tentación, que hiere al alma con sus rayos abrasadores. De él queremos resguardo.
Si un hombre es herido por las tentaciones, ¿no quedará reseco por ellas (como la tierra es abrasada por el sol), a menos que halle resguardo de ellas? La tentación lo vuelve como el brezo seco en el desierto y le agota todas las fuerzas, a menos que halle sombra y protección. Este escondedero es el Señor de vida y gloria. ¿No está siempre obrando la concupiscencia de la carne? Por dolorosa experiencia sé que así es.
Pero ¿dónde hemos de hallar sombra contra estas tentaciones? Si somos abandonados a ellas, caeremos por completo. Quien sabe lo que es la tentación sabe cuán totalmente impotente está ante ella, salvo por la gracia. Y si la tentación no puede ser refrenada, llevará cautiva al alma y la conducirá a la ruina y la decadencia. ¿Cómo, pues, ha de escapar un hijo de Dios de las tentaciones, y de su inmundicia, culpa y poder en su conciencia?
Solo le queda un camino: “sombrajo para sombra contra el calor del día”. Es decir: esconderse en Cristo; buscar refugio bajo la sombra de Sus alas; lavarse en el manantial abierto para el pecado y la inmundicia; resguardarse bajo la gloria y la justicia que es para todos y sobre todos los que creen. Cuando un hijo de Dios siente las tentaciones obrando en su corazón, es enseñado por el Espíritu a huir al Señor, como un niño corre a su madre cuando tiene miedo.
Huye a la gracia de Dios para que las cubra y las perdone, y al poder del Señor para que las refrene. Así el Señor de vida y gloria es “sombrajo para sombra contra el calor del día”.
Lectura: Salmo 27
Al lector…
Hay días en que el sol de la tentación arde sobre usted. ¿Siente cómo la concupiscencia de la carne está siempre obrando, y cómo le agota las fuerzas hasta que es como un brezo seco en el desierto? Quizás se avergüence y piense que un hijo de Dios no puede ser así. Pero quien sabe lo que es la tentación sabe también cuán totalmente impotente está ante ella, salvo por la gracia.
Entonces solo le queda un camino: huir a Aquel que es sombrajo para sombra contra el calor. Huya como un niño asustado corre a su madre, sin preguntar primero si puede. Escóndase en Cristo, busque refugio bajo la sombra de Sus alas, lávese en el manantial abierto para el pecado y la inmundicia. Su gracia puede cubrir y perdonar su pecado, y Su poder puede refrenar la tentación.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
De roofvogel heeft het pad niet gekend, en het oog der kraai heeft het niet gezien.
Job 28:7
De groei in de genade is geen voortgaande heiligmaking en een vleselijke heiligheid aan de ene zijde, noch ook een valse en bedrieglijke vaststelling aan de andere zijde. Het nauwe pad ligt tussen deze twee uitersten. Aan de ene zijde ligt Sene en aan de andere zijde Bozez (1 Sam. 14:4), dat is: aan de ene zijde Farizese heiligheid en aan de andere zijde antinomiaanse zekerheid; en tussen deze twee scherpe rotsen ligt het pad dat de roofvogel niet kent en dat het oog der kraai niet heeft gezien.
Voor zich aan deze rotsen te pletter te stoten, wordt een levend mens alleen bewaard door de verborgen handelingen Gods met zijn geest en door de inwendige oefeningen die hij voortdurend beleeft. Een duurzame kennisneming van zijn eigen onreinheid bewaart hem voor een eigengerechtige heiligheid in het vlees, en een dagelijks kruis en een scherpe doorn weerhouden hem van een zorgeloze vermetelheid. Zijn pad is inderdaad een wonderlijk pad, vol van overeenkomstige tegenstrijdigheden en hemelse raadselen.
Hij is nooit op zijn gemak als hij op zijn gemak is, en nooit zonder last wanneer hij geen last heeft. Hij is nooit vergenoegd wanneer hij niet iets doet, en hij is nooit vergenoegd met hetgeen hij doet. Hij is nooit zo sterk dan wanneer hij stilzit, en nooit zo vruchtbaar dan wanneer hij niets doet, en nooit zo werkzaam dan wanneer hij de minste haast maakt. Allen streven hem in zijn loop voorbij, doch hij alleen bereikt het eind en wint de prijs. Allen zijn verzekerd, naar hij gelooft, dat zij in de hemel zullen binnengaan, behalve hijzelf; en toch beërft hij het Koninkrijk, terwijl de anderen worden buitengeworpen.
Hij verkrijgt vergeving door schuld, hoop door twijfelmoedigheid, verlossing door verzoeking, troost door verdrukking en een kleed der gerechtigheid door vuile vodden. Ofschoon een worm en geen man, overwint hij evenwel de Almachtige en zichzelf door geweld; en ofschoon nog minder dan niet en ijdelheid, neemt hij de hemel door geweld. Dus, onder al de vreemde tegenstellingen die een gelovige in zich ontwaart, is hij nooit zo veelvuldig in het gebed dan wanneer hij niets zegt, nooit zo wijs dan wanneer hij zich als de grootste dwaas gevoelt, nooit zo eenzaam dan wanneer hij in gezelschap verkeert, en nooit zozeer onder de kracht van een innerlijke godsdienst dan wanneer hij zich van de uitwendige godsdienst gescheiden vindt.
Aan de lezer…
Hoe dikwijls verstaat u uw eigen weg niet meer! Bent u nooit tevreden met wat u doet, en ziet u allen u voorbijstreven, terwijl u meent dat ieder de hemel zal binnengaan behalve uzelf? Voelt u zich een worm en geen man, minder dan niet en ijdelheid? Denk dan niet te snel dat u van het pad bent afgedwaald. Het is een pad dat de roofvogel niet kent en dat het oog der kraai niet heeft gezien.
Juist die dagelijkse kennis van uw eigen onreinheid en dat kruis met die scherpe doorn zijn de verborgen handelingen Gods, waardoor Hij u bewaart voor de rots van eigengerechtigheid aan de ene en van zorgeloze vermetelheid aan de andere zijde. Zo wordt u door schuld tot vergeving geleid, door twijfel tot hoop en door verdrukking tot troost. Vreemd is die weg, maar het is de weg waarlangs Hij Zijn volk tot het einde brengt en de prijs doet winnen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De roofvogel heeft het pad niet gekend, en het oog der kraai heeft het niet gezien.
Job 28:7
De groei in de genade is geen voortgaande heiligmaking en vleselijke heiligheid aan de ene kant, en ook geen valse en bedrieglijke zekerheid aan de andere kant. Het smalle pad ligt tussen deze twee uitersten. Aan de ene kant ligt Seneh en aan de andere kant Bozez (1 Sam. 14:4), dat wil zeggen: aan de ene kant farizeese heiligheid en aan de andere kant antinomiaanse zekerheid. En tussen deze twee scherpe rotsen ligt het pad dat de roofvogel niet kent en dat het oog van de kraai niet heeft gezien.
Een levend mens wordt er alleen voor bewaard zich aan deze rotsen te pletter te stoten door Gods verborgen handelen met zijn geest en door de innerlijke oefeningen die hij voortdurend doormaakt. Een blijvend besef van zijn eigen onreinheid bewaart hem voor een eigengerechtige heiligheid in het vlees, en een dagelijks kruis en een scherpe doorn weerhouden hem van zorgeloze vermetelheid. Zijn pad is inderdaad een wonderlijk pad, vol tegenstrijdigheden die toch samengaan en vol hemelse raadsels.
Hij is nooit op zijn gemak wanneer hij op zijn gemak is, en nooit zonder last wanneer hij geen last heeft. Hij is nooit tevreden wanneer hij niets doet, en hij is nooit tevreden met wat hij doet. Hij is nooit zo sterk als wanneer hij stilzit, nooit zo vruchtbaar als wanneer hij niets doet, en nooit zo werkzaam als wanneer hij de minste haast maakt. Allen streven hem in zijn loop voorbij, maar hij alleen bereikt het einde en wint de prijs. Allen zijn er, naar hij gelooft, zeker van dat zij de hemel zullen binnengaan, behalve hijzelf; en toch beërft hij het Koninkrijk, terwijl de anderen worden buitengeworpen.
Hij krijgt vergeving door schuld, hoop door twijfelmoedigheid, verlossing door verzoeking, troost door verdrukking en een kleed van gerechtigheid door vuile vodden. Hoewel hij een worm is en geen man, overwint hij toch de Almachtige en zichzelf door geweld; en hoewel hij nog minder is dan niet en ijdelheid, neemt hij de hemel met geweld. Zo is een gelovige, onder al de vreemde tegenstellingen die hij in zich bespeurt, nooit zo overvloedig in het gebed als wanneer hij niets zegt, nooit zo wijs als wanneer hij zich de grootste dwaas voelt, nooit zo eenzaam als wanneer hij in gezelschap is, en nooit zozeer onder de kracht van een innerlijke godsdienst als wanneer hij merkt dat hij van de uitwendige godsdienst gescheiden is.
Aan de lezer…
Hoe vaak begrijpt u uw eigen weg niet meer! Bent u nooit tevreden met wat u doet, en ziet u iedereen u voorbijstreven, terwijl u meent dat ieder de hemel zal binnengaan behalve uzelf? Voelt u zich een worm en geen man, minder dan niet en ijdelheid? Denk dan niet te snel dat u van het pad bent afgedwaald. Het is een pad dat de roofvogel niet kent en dat het oog van de kraai niet heeft gezien.
Juist dat dagelijkse besef van uw eigen onreinheid en dat kruis met die scherpe doorn zijn Gods verborgen handelingen, waardoor Hij u bewaart voor de rots van eigengerechtigheid aan de ene en van zorgeloze vermetelheid aan de andere kant. Zo wordt u door schuld tot vergeving geleid, door twijfel tot hoop en door verdrukking tot troost. Vreemd is die weg, maar het is de weg waarlangs Hij Zijn volk tot het einde brengt en de prijs laat winnen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“There is a path which no fowl knoweth, and which the vulture’s eye hath not seen.”
Job 28:7
Growth in grace is not progressive sanctification and fleshly holiness on the one hand, nor a false and delusive establishment on the other. The narrow path lies between these two extremes. On the one side is Pharisaic holiness, on the other Antinomian security; and between these two sharp rocks lies the “path which no fowl knows, and which the vulture’s eye has not seen.” From dashing on either of these rocks a living man is kept only by the mysterious dealings of God with his spirit, and the internal exercises through which he continually passes. A constant acquaintance with his own vileness preserves him from a self-righteous holiness in the flesh; a daily cross and a rankling thorn keep him from careless presumption.
His path is indeed a mysterious one, full of harmonious contradictions and heavenly paradoxes. He is never easy when at ease, nor without a burden when he has none. He is never satisfied without doing something, and yet is never satisfied with anything that he does. He is never so strong as when he sits still, never so fruitful as when he does nothing, and never so active as when he makes the least haste. All outstrip him in the race, yet he alone gains the goal, and wins the prize.
All are sure of heaven but himself, yet he enters into the kingdom, while they are thrust out. He wins pardon through guilt, hope through despair, deliverance through temptation, comfort through affliction, and a robe of righteousness through filthy rags. Though a worm and no man, he overcomes Omnipotence itself through violence; and though less than vanity and nothing, he takes heaven itself by force. Thus amid the strange contradictions which meet in a believing heart, he is never so prayerful as when he says nothing; never so wise as when he is the greatest fool; never so much alone as when most in company; and never so much under the power of an inward religion as when most separated from an outward one.
To the reader…
How often you no longer understand your own way! Are you never satisfied with what you do, and do you see everyone outstrip you, while you think that everyone will enter heaven except yourself? Do you feel a worm and no man, less than nothing and vanity? Then do not too quickly conclude that you have strayed from the path. It is a path which no fowl knows and which the vulture’s eye has not seen.
That daily sense of your own vileness, that cross with its sharp thorn, are the very hidden dealings of God by which He keeps you from the rock of self-righteousness on the one side and of careless presumption on the other. So you are led through guilt to pardon, through doubt to hope and through affliction to comfort. Strange is that way, but it is the way by which He brings His people to the end and lets them win the prize.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Senda que nunca la conoció ave, ni ojo de buitre la vio.”
Job 28:7
El crecimiento en la gracia no es, por un lado, santificación progresiva y santidad carnal, ni, por otro, un afianzamiento falso e ilusorio. La senda angosta se halla entre estos dos extremos. A un lado está la santidad farisaica, al otro la seguridad antinomiana; y entre estas dos rocas afiladas se halla la “senda que nunca la conoció ave, ni ojo de buitre la vio”. De estrellarse contra cualquiera de estas rocas, el hombre vivo es guardado solo por los misteriosos tratos de Dios con su espíritu y por los ejercicios interiores por los que pasa continuamente. Un trato constante con su propia vileza le preserva de una santidad justiciera en la carne; una cruz diaria y una espina enconada le guardan de la presunción descuidada.
Su senda es en verdad misteriosa, llena de contradicciones armoniosas y de paradojas celestiales. Nunca está tranquilo cuando está a gusto, ni sin carga cuando no tiene ninguna. Nunca está satisfecho sin hacer algo, y sin embargo nunca está satisfecho con nada de lo que hace. Nunca es tan fuerte como cuando está quieto, nunca tan fructífero como cuando no hace nada, y nunca tan activo como cuando menos se apresura. Todos le adelantan en la carrera, y sin embargo solo él alcanza la meta y gana el premio.
Todos están seguros del cielo menos él, y sin embargo él entra en el reino, mientras que ellos son echados fuera. Gana perdón por medio de la culpa, esperanza por medio de la desesperación, liberación por medio de la tentación, consuelo por medio de la aflicción, y un manto de justicia por medio de trapos de inmundicia. Aunque es gusano y no hombre, vence a la Omnipotencia misma con violencia; y aunque es menos que la vanidad y que nada, arrebata el cielo mismo por la fuerza. Así, en medio de las extrañas contradicciones que se juntan en un corazón creyente, nunca ora tanto como cuando no dice nada; nunca es tan sabio como cuando es el mayor necio; nunca está tan solo como cuando está más acompañado; y nunca está tanto bajo el poder de una religión interior como cuando está más apartado de una exterior.
Al lector…
¡Cuán a menudo ya no entiende usted su propio camino! ¿Nunca está satisfecho con lo que hace, y ve que todos le adelantan, mientras piensa que todos entrarán en el cielo menos usted? ¿Se siente gusano y no hombre, menos que nada y que vanidad? Entonces no concluya demasiado pronto que se ha extraviado de la senda. Es una senda que nunca la conoció ave, ni ojo de buitre la vio.
Ese sentimiento diario de su propia vileza, esa cruz con su espina aguda, son precisamente los tratos escondidos de Dios por los cuales Él le guarda de la roca de la justicia propia a un lado y de la presunción descuidada al otro. Así es usted llevado por la culpa al perdón, por la duda a la esperanza y por la aflicción al consuelo. Extraño es ese camino, pero es el camino por el cual Él lleva a Su pueblo hasta el fin y le hace ganar el premio.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl