6 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
11 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
2 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Het is wenselijk de Authorised Version te behouden
Philpot pleit in 1857 tegen een herziene Bijbelvertaling. Hij vreest verminking door dwalende geleerden, onzekerheid en verwarring bij Gods kinderen, en verlies van een gezaghebbende maatstaf en van een nationaal…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Want Zijn ogen zijn op ieders wegen; en Hij ziet al zijn treden.
Job 34:21
De christen moet bewijzen dat niets aan het oog van een rechtvaardig en heilig God ontsnapt; dat Hij elke geheime gedachte blootlegt, elk verborgen voornemen opzoekt, en elke begeerte en elke beweging der ziel onderzoekt. Aldus ontdekt Hij al de verborgen zonden van het hart en brengt ze aan het licht. De mens slaat in het algemeen geen acht op de zonden des harten; zo hij zich maar onthouden kan van zonden in het openbare leven, van zedeloze handelingen, dan is hij voldaan. Wat er in de binnenkamer der verbeelding omgaat, ziet noch gevoelt hij.
Niet zo met het kind der genade; hij kent de ervaring beschreven in Psalm 139. Hij draagt de geheime overtuiging in zich om dat het oog van God elke gedachte leest. Elke inwendige beweging van hoogmoed en eigengerechtigheid, opstand, ontevredenheid, gemelijkheid, verstoordheid, lust en dartelheid, gevoelt hij in zichzelf, dat Gods oog ze alle leest, alle gadeslaat, alle veroordeelt volgens Zijn rechtvaardige Wet, en omdat Hij Zelf zo volmaakt rein is, ze ook alle haat en verafschuwt.
Dus toont hij, onder al de dingen die in de binnenkamer des gewetens gemeten en gewogen worden door de niet dwalende standaard van Gods Woord, door het licht van het onderwijs des Geestes en de werking van de vreze Gods, dat hij een zondaar is voor God, en van een donkerder karmozijn dan enige andere zondaar; want hij ziet en kent zijn eigen hart, dat niemand anders kan zien of kennen. Hij weet het, dat menigeen zwaarder gezondigd heeft wat uitwendige daden aangaat; maar hij gevoelt dat niemand inwendig meer en aanhoudender gezondigd heeft dan hij, en dat doet hem met Job zeggen: „Met het gehoor der oren heb ik U gehoord; maar nu zien mij Uw ogen. Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw in stof en as” (Job 42:5, 6).
Zeer groot is onze Heer, vol krachten;
onpeilbaar diep zijn Gods gedachten,
daar Zijn verstand, nooit af te meten,
ver overtreft al wat wij weten.
Zachtmoedigen wil Hij bewaren,
Hij houdt ze staand’ in hun gevaren,
maar goddelozen doet Hij bukken,
bezwijken onder d’ ongelukken.
Ps. 147:3
Aan de lezer…
Misschien schrikt u ervan dat Gods oog elke gedachte leest. Wat in de binnenkamer van uw hart omgaat, de hoogmoed, de opstand, de lust die niemand ziet, is voor Hem openbaar. De wereld is tevreden als haar uiterlijk leven maar fatsoenlijk is, maar een kind der genade kan zich daarmee niet geruststellen. Het weet: Hij ziet al mijn treden.
Voelt u zich daarom de grootste der zondaars, omdat u uw eigen hart kent zoals niemand anders het kent? Verfoei uzelf dan maar met Job in stof en as; maar vergeet niet dat dit de taal is van een ziel die God gezien heeft. Dezelfde Heer Die u doorgrondt, wil de zachtmoedigen bewaren en houdt ze staande in hun gevaren. Breng dan alles wat Zijn oog in u ziet, eerlijk voor Hem, en schuil bij Hem.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want Zijn ogen zijn op ieders wegen; en Hij ziet al zijn treden.
Job 34:21
De christen moet ervaren dat niets aan het oog van een rechtvaardig en heilig God ontsnapt. Hij legt elke verborgen gedachte bloot, spoort elk verborgen voornemen op en doorzoekt elke begeerte en elke beweging van de ziel. Zo ontdekt Hij alle verborgen zonden van het hart en brengt Hij ze aan het licht. De mens let in het algemeen niet op de zonden van het hart; als hij zich maar kan onthouden van zonden in het openbare leven, van zedeloze daden, dan is hij tevreden. Wat er in de binnenkamer van de verbeelding omgaat, ziet hij niet en voelt hij niet.
Zo is het niet met het kind van de genade; hij kent de ervaring die in Psalm 139 beschreven wordt. Hij draagt de verborgen overtuiging met zich mee dat het oog van God elke gedachte leest. Bij elke inwendige beweging van hoogmoed en eigengerechtigheid, van opstand, ontevredenheid, knorrigheid, ergernis, lust en lichtzinnigheid voelt hij in zichzelf dat Gods oog ze allemaal leest, ze allemaal gadeslaat en ze allemaal veroordeelt volgens Zijn rechtvaardige Wet, en dat Hij, omdat Hij Zelf zo volmaakt rein is, ze ook allemaal haat en verafschuwt.
Zo blijkt het hem, bij alles wat in de binnenkamer van het geweten gemeten en gewogen wordt met de onfeilbare maatstaf van Gods Woord, in het licht van het onderwijs van de Geest en door de werking van de vreze Gods, dat hij een zondaar is voor God, en van een donkerder karmozijn dan welke andere zondaar ook. Want hij ziet en kent zijn eigen hart, dat niemand anders kan zien of kennen. Hij weet wel dat menigeen zwaarder gezondigd heeft wat uitwendige daden betreft, maar hij voelt dat niemand inwendig meer en aanhoudender gezondigd heeft dan hij. Dat doet hem met Job zeggen: „Met het gehoor der oren heb ik U gehoord; maar nu zien mij Uw ogen. Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw in stof en as” (Job 42:5, 6).
Zeer groot is onze Heer, vol krachten;
onpeilbaar diep zijn Gods gedachten,
daar Zijn verstand, nooit af te meten,
ver overtreft al wat wij weten.
Zachtmoedigen wil Hij bewaren,
Hij houdt ze staand’ in hun gevaren,
maar goddelozen doet Hij bukken,
bezwijken onder d’ ongelukken.
Ps. 147:3
Aan de lezer…
Misschien schrikt u ervan dat Gods oog elke gedachte leest. Wat in de binnenkamer van uw hart omgaat, de hoogmoed, de opstand, de lust die niemand ziet, ligt voor Hem open. De wereld is tevreden als haar uiterlijke leven maar fatsoenlijk is, maar een kind van de genade kan zich daarmee niet geruststellen. Het weet: Hij ziet al mijn treden.
Voelt u zich daarom de grootste van de zondaars, omdat u uw eigen hart kent zoals niemand anders het kent? Verfoei uzelf dan maar met Job in stof en as, maar vergeet niet dat dit de taal is van een ziel die God gezien heeft. Dezelfde Heere Die u doorgrondt, wil de zachtmoedigen bewaren en houdt hen staande in hun gevaren. Breng dan alles wat Zijn oog in u ziet, eerlijk voor Hem, en schuil bij Hem.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For His eyes are upon the ways of man, and He seeth all his goings.
Job 34:21
The Christian has to prove that nothing escapes the eye of a just and holy God; that He lays bare every secret thought, searches every hidden purpose, and scrutinizes every desire and every movement of the mind. He thus discovers and brings to light all the secret sins of the heart. Men in general take no notice of heart sins; if they can keep from overt sins in life, from open acts of immorality, they are satisfied. What passes in the secret chambers of imagery they neither see nor feel.
Not so with the child of grace; he knows the experience described in Psalm 139. He carries about with him the secret conviction that the eye of God reads every thought. Every inward movement of pride and self-righteousness, rebellion, discontent, peevishness, fretfulness, lust, and extravagance, he inwardly feels that the eye of God reads all, marks all, condemns by His righteous law all, and because He is so intrinsically pure, hates and abhors all.
Thus he proves, among the “all things” which are weighed up and measured in the inward court of conscience by the unerring standard of the Word of truth, the light of the Spirit’s teaching, and the workings of godly fear, that he is a sinner before God, and that of a deeper dye and more crimson hue than any other transgressor, for he sees and knows his own heart, which nobody else can see or know. He is indeed aware that many may have sinned more deeply and grossly as regards outward acts; but he feels that no one can have sinned inwardly more foully and continually than he; and this makes him say with Job, “I have heard of You by the hearing of the ear; but now mine eye sees You; wherefore I abhor myself and repent in dust and ashes” (Job 42:5, 6).
To the reader…
Perhaps it alarms you that God’s eye reads every thought. What goes on in the secret chambers of your heart, the pride, the rebellion, the lust that no one sees, lies open before Him. The world is satisfied as long as its outward life is respectable, but a child of grace cannot set itself at ease with that. It knows: He sees all my goings.
Do you therefore feel yourself the chief of sinners, because you know your own heart as no one else knows it? Then abhor yourself with Job in dust and ashes, but do not forget that this is the language of a soul that has seen God. The same Lord Who searches you will keep the meek and hold them up in their dangers. So bring honestly before Him all that His eye sees in you, and take refuge in Him.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque Sus ojos están sobre los caminos del hombre, y ve todos sus pasos.
Job 34:21
El cristiano tiene que comprobar que nada escapa al ojo de un Dios justo y santo; que Él pone al descubierto todo pensamiento secreto, escudriña todo propósito oculto y examina todo deseo y todo movimiento de la mente. Así descubre y saca a la luz todos los pecados secretos del corazón. Los hombres en general no prestan atención a los pecados del corazón; si logran guardarse de los pecados manifiestos en su vida, de los actos abiertos de inmoralidad, quedan satisfechos. Lo que ocurre en las cámaras secretas de la imaginación, ni lo ven ni lo sienten.
No así el hijo de la gracia; él conoce la experiencia descrita en el Salmo 139. Lleva consigo la convicción secreta de que el ojo de Dios lee cada pensamiento. Todo movimiento interior de orgullo y de justicia propia, de rebeldía, descontento, mal humor, inquietud, concupiscencia y desenfreno, siente en su interior que el ojo de Dios lo lee todo, lo nota todo, lo condena todo por Su justa ley, y que, por ser Él tan intrínsecamente puro, lo aborrece y lo detesta todo.
Así comprueba, entre “todas las cosas” que son pesadas y medidas en el tribunal interior de la conciencia según la norma infalible de la Palabra de verdad, la luz de la enseñanza del Espíritu y las operaciones del temor piadoso, que es pecador delante de Dios, y de un tinte más profundo y de un color más carmesí que cualquier otro transgresor, porque ve y conoce su propio corazón, que nadie más puede ver ni conocer. Sabe, en verdad, que muchos pueden haber pecado más profunda y groseramente en cuanto a los actos exteriores; pero siente que nadie puede haber pecado interiormente de manera más inmunda y continua que él; y esto le hace decir con Job: “De oídas Te había oído; mas ahora mis ojos Te ven. Por tanto me aborrezco, y me arrepiento en el polvo y en la ceniza” (Job 42:5, 6).
Al lector…
Quizá le alarme que el ojo de Dios lea cada pensamiento. Lo que sucede en las cámaras secretas de su corazón, el orgullo, la rebeldía, la concupiscencia que nadie ve, está descubierto delante de Él. El mundo se da por satisfecho mientras su vida exterior sea respetable, pero un hijo de la gracia no puede quedarse tranquilo con eso. Sabe: Él ve todos mis pasos.
¿Se siente usted, por eso, el primero de los pecadores, porque conoce su propio corazón como nadie más lo conoce? Entonces aborrézcase con Job en el polvo y en la ceniza, pero no olvide que este es el lenguaje de un alma que ha visto a Dios. El mismo Señor que le escudriña guardará a los mansos y los sostendrá en sus peligros. Traiga, pues, con sinceridad delante de Él todo lo que Su ojo ve en usted, y refúgiese en Él.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Mijn hoop is op U
En nu, wat verwacht ik, o Heere? Mijn hoop, die is op U.
Psalm 39:8
Wat betekent het om te kunnen zeggen: „Mijn hoop, die is op U”? Te ervaren dat op de Heere alle hoop voor onze verwarde geest rust; dat op Hem onze hele schat is geplaatst (want waar iemands schat is, daar is ook zijn hart); dat Hij onze Rots is, waarop we ons wagen voor de eeuwigheid, oog in oog met de zonde, dood en hel. „Mijn hoop, die is op U.” Niet op mijzelf, wispelturig en zwak; niet op mijn eigen gerechtigheid, vervuild en bezoedeld; niet op mijn eigen sterkte, die totale zwakte is; niet op mijn besluiten, die verbroken zullen worden; niet op het schepsel, grillig en weifelend. Nee: mijn hoop is op U, Heere.
Voor we tot dit punt kunnen komen – op God hopen – moeten we iets van Zijn Persoon en karakter kennen. Let goed op: er staat niet „ik hoop op God”, maar „in God” (Eng. vert.). Het is één ding om „op God te hopen” en een ander om „in God te hopen”. Wanneer we op God hopen, hopen we op Zijn eigenschappen, op Zijn volkomenheden, op Zijn uitnodigingen, op Zijn beloften. Maar dit is niet de Persoon van de Heere. Dit is niet een blik in Zijn hart en gemoed. Dit is niet het rusten van de ziel in de Drie-enige God, zoals persoonlijk aan haar geopenbaard.
Het „hopen op” God is uiterlijk, en het „hopen in” is innerlijk. Het „hopen op” is wanneer de ziel op enige afstand is; het „hopen in God” komt tot in het diepste van het hart van de Heere. Zo zien we dat het niet hetzelfde is of we onze hoop op God stellen of in Hem. We kunnen onze hoop pas innerlijk op God vestigen als we het heiligdom achter het voorhangsel zijn binnengegaan, als we in het meedogende gemoed van Jezus hebben gekeken, als alle emoties en verlangens van ons hart het vergankelijke hebben overstegen en, voorbij de donkere wolk die boven de aarde zweeft, zijn gerezen naar het hart van de Drie-enige God, om zich daar te vestigen als onze hoop des eeuwigen levens.
Lezen: Psalm 43
Aan de lezer…
Vandaag wordt u gevraagd waar uw hoop rust. Niet op uzelf, hoop ik, want u weet hoe wispelturig en zwak u bent. Niet op uw eigen gerechtigheid, die vervuild en bezoedeld is, noch op uw goede besluiten, die zo vaak verbroken zijn. Wie eerlijk naar binnen ziet, moet het opgeven met alles wat van het schepsel is. Maar gelukkig de ziel die dan mag zeggen: „Nee: mijn hoop is op U, Heere.”
Blijf dan niet staan bij een hopen op afstand, bij het kennen van Zijn eigenschappen en beloften alleen. Vraag Hem dat Hij Zichzelf aan u openbare, dat u een blik mag slaan in Zijn hart en in het meedogende gemoed van Jezus. Daar, achter het voorhangsel, komt de ziel tot rust. Hij is de Rots waarop u zich voor de eeuwigheid mag wagen, oog in oog met zonde, dood en hel.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En nu, wat verwacht ik, o Heere? Mijn hoop, die is op U.
Psalm 39:8
Wat betekent het om te kunnen zeggen: „Mijn hoop, die is op U”? Het betekent te ervaren dat alle hoop van onze verwarde geest op de Heere rust; dat onze hele schat in Hem is gelegen (want waar iemands schat is, daar is ook zijn hart); dat Hij onze Rots is, op Wie we ons wagen voor de eeuwigheid, oog in oog met zonde, dood en hel. „Mijn hoop, die is op U.” Niet op mijzelf, wispelturig en zwak; niet op mijn eigen gerechtigheid, vervuild en bezoedeld; niet op mijn eigen sterkte, die enkel zwakheid is; niet op mijn voornemens, die verbroken zullen worden; niet op het schepsel, grillig en weifelend. Nee: mijn hoop is op U, Heere.
Voordat we zover kunnen komen – op God hopen – moeten we iets van Zijn Persoon en karakter kennen. Let goed op: er staat niet „ik hoop op God”, maar „in God” (Eng. vert.). Het is één ding om „op God te hopen” en iets anders om „in God te hopen”. Wanneer we op God hopen, hopen we op Zijn eigenschappen, op Zijn volmaaktheden, op Zijn uitnodigingen, op Zijn beloften. Maar dat is niet de Persoon van de Heere. Dat is geen blik in Zijn hart en gemoed. Dat is niet het rusten van de ziel in de Drie-enige God, zoals Hij Zich persoonlijk aan haar heeft geopenbaard.
Het „hopen op” God is uiterlijk, het „hopen in” is innerlijk. Het „hopen op” is wanneer de ziel op enige afstand staat; het „hopen in God” komt tot in het diepst van het hart van de Heere. Zo zien we dat het niet hetzelfde is of we onze hoop op God stellen of in Hem. We kunnen onze hoop pas innerlijk op God vestigen wanneer we het heiligdom achter het voorhangsel zijn binnengegaan en in het meedogende gemoed van Jezus hebben gekeken. Dan zijn alle aandoeningen en verlangens van ons hart boven het vergankelijke uitgestegen en, voorbij de donkere wolk die boven de aarde hangt, opgerezen naar het hart van de Drie-enige God, om zich daar te vestigen als onze hoop op het eeuwige leven.
Lezen: Psalm 43
Aan de lezer…
Vandaag wordt u gevraagd waar uw hoop rust. Niet op uzelf, hoop ik, want u weet hoe wispelturig en zwak u bent. Niet op uw eigen gerechtigheid, die vervuild en bezoedeld is, en ook niet op uw goede voornemens, die zo vaak verbroken zijn. Wie eerlijk naar binnen kijkt, moet het opgeven met alles wat van het schepsel is. Maar gelukkig de ziel die dan mag zeggen: „Nee: mijn hoop is op U, Heere.”
Blijf dan niet staan bij een hopen op afstand, bij het kennen van alleen Zijn eigenschappen en beloften. Vraag Hem dat Hij Zichzelf aan u openbaart, zodat u een blik mag slaan in Zijn hart en in het meedogende gemoed van Jezus. Daar, achter het voorhangsel, komt de ziel tot rust. Hij is de Rots waarop u zich voor de eeuwigheid mag wagen, oog in oog met zonde, dood en hel.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And now, Lord, what wait I for? my hope is in Thee.
Psalm 39:7
What does it mean to be able to say, “My hope is in Thee”? It means to feel that all the hope of our perplexed mind rests upon the Lord; that our whole treasure is laid up in Him (for where a man’s treasure is, there will his heart be also); that He is our Rock, on Whom we venture for eternity, face to face with sin, death and hell. “My hope is in Thee.” Not in myself, fickle and weak; not in my own righteousness, polluted and defiled; not in my own strength, which is mere weakness; not in my resolutions, which will be broken; not in the creature, changeable and wavering. No: my hope is in Thee, Lord.
Before we can come so far as to hope in God, we must know something of His Person and character. Mark it well: it does not say, “my hope is upon Thee”, but “in Thee”. It is one thing to hope “upon God” and another thing to hope “in God”. When we hope upon God, we hope upon His attributes, upon His perfections, upon His invitations, upon His promises. But that is not the Person of the Lord. That is not a look into His heart and bosom. That is not the resting of the soul in the Triune God, as He has personally revealed Himself to it.
The “hoping upon” God is outward, the “hoping in” is inward. The “hoping upon” is when the soul stands at some distance; the “hoping in God” comes into the very depths of the heart of the Lord. So we see that it is not the same whether we set our hope upon God or in Him. We can only fix our hope inwardly on God when we have entered the sanctuary within the veil and looked into the compassionate bosom of Jesus. Then all the affections and desires of our heart have risen above perishing things and, beyond the dark cloud that hangs over the earth, have mounted up to the heart of the Triune God, to settle there as our hope of eternal life.
Reading: Psalm 43
To the reader…
Today you are asked where your hope rests. Not in yourself, I trust, for you know how fickle and weak you are. Not in your own righteousness, which is polluted and defiled, nor in your good resolutions, which have so often been broken. Whoever looks honestly within must give up all that is of the creature. But happy the soul that may then say, “No: my hope is in Thee, Lord.”
Do not stop, then, at a hoping from a distance, at knowing only His attributes and promises. Ask Him to reveal Himself to you, so that you may look into His heart and into the compassionate bosom of Jesus. There, within the veil, the soul comes to rest. He is the Rock on which you may venture for eternity, face to face with sin, death and hell.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y ahora, Señor, ¿qué esperaré? Mi esperanza en Ti está.
Salmo 39:7
¿Qué significa poder decir: “Mi esperanza en Ti está”? Significa sentir que toda la esperanza de nuestra mente perpleja descansa en el Señor; que todo nuestro tesoro está guardado en Él (pues donde está el tesoro del hombre, allí estará también su corazón); que Él es nuestra Roca, sobre la cual nos aventuramos para la eternidad, cara a cara con el pecado, la muerte y el infierno. “Mi esperanza en Ti está.” No en mí mismo, voluble y débil; no en mi propia justicia, contaminada y manchada; no en mi propia fuerza, que es pura debilidad; no en mis propósitos, que serán quebrantados; no en la criatura, cambiante y vacilante. No: mi esperanza en Ti está, Señor.
Antes de que podamos llegar a esperar en Dios, debemos conocer algo de Su Persona y carácter. Fíjese bien: no dice “mi esperanza está sobre Ti”, sino “en Ti”. Una cosa es esperar “sobre Dios” y otra cosa es esperar “en Dios”. Cuando esperamos sobre Dios, esperamos sobre Sus atributos, sobre Sus perfecciones, sobre Sus invitaciones, sobre Sus promesas. Pero eso no es la Persona del Señor. Eso no es una mirada a Su corazón y a Su seno. Eso no es el reposo del alma en el Dios trino, tal como Él se le ha revelado personalmente.
El “esperar sobre” Dios es exterior; el “esperar en” es interior. El “esperar sobre” es cuando el alma está a cierta distancia; el “esperar en Dios” penetra hasta lo más hondo del corazón del Señor. Así vemos que no es lo mismo poner nuestra esperanza sobre Dios o en Él. Solo podemos fijar interiormente nuestra esperanza en Dios cuando hemos entrado en el santuario dentro del velo y hemos mirado al seno compasivo de Jesús. Entonces todos los afectos y deseos de nuestro corazón se han elevado por encima de las cosas perecederas y, más allá de la oscura nube que se cierne sobre la tierra, han subido hasta el corazón del Dios trino, para asentarse allí como nuestra esperanza de vida eterna.
Lectura: Salmo 43
Al lector…
Hoy se le pregunta dónde descansa su esperanza. No en usted mismo, confío, pues sabe cuán voluble y débil es. No en su propia justicia, que está contaminada y manchada, ni en sus buenos propósitos, que tantas veces han sido quebrantados. Quien mira con sinceridad dentro de sí, tiene que renunciar a todo lo que es de la criatura. Pero dichosa el alma que entonces puede decir: “No: mi esperanza en Ti está, Señor.”
No se detenga, pues, en un esperar desde lejos, en conocer solo Sus atributos y promesas. Pídale que se le revele, para que pueda mirar a Su corazón y al seno compasivo de Jesús. Allí, dentro del velo, el alma halla reposo. Él es la Roca sobre la cual puede aventurarse para la eternidad, cara a cara con el pecado, la muerte y el infierno.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Doch wij weten, dat de Zoon Gods gekomen is, en heeft ons het verstand gegeven, dat wij de Waarachtige kennen; en wij zijn in de Waarachtige, namelijk in Zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God en het eeuwige leven.
1 Johannes 5:20
Toen het de Heere behaagde in een plechtig ogenblik Zich aan onze ziel te openbaren, toen Hij vriendelijk afdaalde om het deksel van ons hart af te nemen, opdat wij Zijn heerlijkheid zouden aanschouwen, de heerlijkheid als des Eniggeborenen van de Vader, vol van genade en waarheid; toen Hij ons vriendelijk begunstigde met enige openbaring en ontdekking van Zichzelf als de Zoon Gods, het afschijnsel van des Vaders heerlijkheid en het uitgedrukte beeld Zijner zelfstandigheid, toen wisten wij dat de Zoon van God gekomen was. Hoe weet gij dat de zon deze morgen is opgegaan? Door het licht dat haar vergezelde. Zo mogen wij geestelijk toepassen: Hoe weet gij dat de Zoon Gods gekomen is? Doordat de Zon der gerechtigheid is opgegaan met genezing onder Zijn vleugelen, en doordat Hij Zijn licht deed schijnen in uw hart.
Zo zegt de Heere tot Sion: „Maak u op, word verlicht, want uw licht komt, en de heerlijkheid des Heeren gaat over u op.” Dit is de weg waarin de duisternis wordt verstrooid; want Hij voegt eraan toe: „Want zie, de duisternis zal de aarde bedekken, en donkerheid de volkeren; doch over u zal de Heere opgaan, en Zijn heerlijkheid zal over u gezien worden.” En zei de Heere niet: „Ik ben het licht, in de wereld gekomen, opdat een iegelijk, die in Mij gelooft, in de duisternis niet blijve”? En heeft Hij het niet beloofd: „Die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben”? Nu, waar God het Licht is, en het Hem behaagt in de ziel te schijnen, daar wandelen wij in het licht, gelijk Hij in het licht is; en zo hebben wij gemeenschap met elkander, en het bloed van Jezus Christus reinigt ons van alle zonden. Dit is de beste, dit is de zekerste, dit is de veiligste weg om te weten dat de Zoon Gods gekomen is.
Wij weten ook dat de Zoon Gods gekomen is door Zijn tegenwoordigheid, door Zijn kracht, die Hij voortbrengt te onzen behoeve; door de antwoorden die Hij geeft op ons gebed; door de wijze waarop Hij verschijnt in donkere en sombere uren, waarin Hij kromme dingen recht maakt, en het hobbelachtige vlak, Zich aan ons ontdekkende als de Weg, de Waarheid en het Leven, en ons tonende dat in Hem de rust en vrede, de ware en blijvende gelukzaligheid is, en in niemand anders. Hij vestigt onze ogen op Hem, waar Hij zit aan de rechterhand des Vaders, in de volheid van Zijn genade, heerlijkheid en majesteit. Zo weten wij dat de Zoon van God gekomen is. Elk gebed, elke smeking, elke zucht en uitroep, elke begerige blik die gij op Hem werpt, en elk woord van Zijn genade, elke belofte, elke blik of flikkering van de Koning in Zijn schoonheid, die gij uit Zijn volheid ontvangt, zijn als zovele bewijzen dat de Zoon van God gekomen is, en dat gij weet dat Hij gekomen is.
Aan de lezer…
Weet u waaraan u ziet dat de zon is opgegaan? U behoeft er niet over te redeneren; u ziet het aan het licht. Zo is het ook met de Zoon van God. Hebt u ooit, al was het maar een ogenblik, het deksel van uw hart voelen wegnemen, zodat u iets zag van Zijn heerlijkheid, vol van genade en waarheid? Dan weet u dat Hij gekomen is, want niemand dan Hij kan zulk licht in een donker hart doen schijnen.
En klaagt u dat het nu duister is? Denk dan aan de antwoorden die Hij op uw gebed gaf, aan de kromme dingen die Hij recht maakte in sombere uren. Elke zucht en elke begerige blik die u op Hem werpt, is reeds een getuigenis dat Hij er is. Die Hem volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben; en Zijn bloed reinigt van alle zonden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Doch wij weten, dat de Zoon Gods gekomen is, en heeft ons het verstand gegeven, dat wij de Waarachtige kennen; en wij zijn in de Waarachtige, namelijk in Zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God en het eeuwige leven.
1 Johannes 5:20
Toen het de Heere behaagde Zich op een plechtig ogenblik aan onze ziel te openbaren, toen Hij vriendelijk neerdaalde om het deksel van ons hart weg te nemen, zodat wij Zijn heerlijkheid zouden aanschouwen, de heerlijkheid als des Eniggeborenen van de Vader, vol van genade en waarheid; toen Hij ons vriendelijk begunstigde met enige openbaring en ontdekking van Zichzelf als de Zoon van God, het afschijnsel van de heerlijkheid van de Vader en het uitgedrukte beeld van Zijn zelfstandigheid: toen wisten wij dat de Zoon van God gekomen was. Hoe weet u dat de zon vanmorgen is opgegaan? Door het licht dat met haar meekwam. Zo mogen wij het geestelijk toepassen: Hoe weet u dat de Zoon van God gekomen is? Doordat de Zon der gerechtigheid is opgegaan met genezing onder Zijn vleugelen, en doordat Hij Zijn licht in uw hart liet schijnen.
Zo zegt de Heere tot Sion: „Maak u op, word verlicht, want uw licht komt, en de heerlijkheid des Heeren gaat over u op.” Zo wordt de duisternis verdreven, want Hij voegt eraan toe: „Want zie, de duisternis zal de aarde bedekken, en donkerheid de volkeren; doch over u zal de Heere opgaan, en Zijn heerlijkheid zal over u gezien worden.” En zei de Heere niet: „Ik ben het licht, in de wereld gekomen, opdat een iegelijk, die in Mij gelooft, in de duisternis niet blijve”? En heeft Hij niet beloofd: „Die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben”? Waar God het Licht is en het Hem behaagt in de ziel te schijnen, daar wandelen wij in het licht, zoals Hij in het licht is. Zo hebben wij gemeenschap met elkaar, en het bloed van Jezus Christus reinigt ons van alle zonden. Dit is de beste, de zekerste en de veiligste weg om te weten dat de Zoon van God gekomen is.
Wij weten ook dat de Zoon van God gekomen is door Zijn tegenwoordigheid, door de kracht die Hij voor ons inzet, door de antwoorden die Hij op ons gebed geeft. Wij weten het door de manier waarop Hij verschijnt in donkere en sombere uren, waarin Hij kromme dingen recht maakt en het hobbelige vlak. Dan ontdekt Hij Zich aan ons als de Weg, de Waarheid en het Leven, en laat Hij ons zien dat in Hem de rust en vrede, de ware en blijvende gelukzaligheid is, en in niemand anders. Hij richt onze ogen op Hem, waar Hij zit aan de rechterhand van de Vader, in de volheid van Zijn genade, heerlijkheid en majesteit. Zo weten wij dat de Zoon van God gekomen is. Elk gebed, elke smeking, elke zucht en uitroep, elke verlangende blik die u op Hem werpt, en elk woord van Zijn genade, elke belofte, elke glimp of flikkering van de Koning in Zijn schoonheid die u uit Zijn volheid ontvangt: het zijn even zovele bewijzen dat de Zoon van God gekomen is, en dat u weet dat Hij gekomen is.
Aan de lezer…
Weet u waaraan u ziet dat de zon is opgegaan? U hoeft er niet over te redeneren; u ziet het aan het licht. Zo is het ook met de Zoon van God. Hebt u ooit, al was het maar een ogenblik, gevoeld dat het deksel van uw hart werd weggenomen, zodat u iets zag van Zijn heerlijkheid, vol van genade en waarheid? Dan weet u dat Hij gekomen is, want niemand dan Hij kan zulk licht in een donker hart laten schijnen.
En klaagt u dat het nu donker is? Denk dan aan de antwoorden die Hij op uw gebed gaf, aan de kromme dingen die Hij in sombere uren recht maakte. Elke zucht en elke verlangende blik die u op Hem werpt, is al een getuigenis dat Hij er is. Die Hem volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben; en Zijn bloed reinigt van alle zonden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And we know that the Son of God is come, and hath given us an understanding, that we may know Him that is true, and we are in Him that is true, even in His Son Jesus Christ. This is the true God, and eternal life.
1 John 5:20
When the Lord Jesus is pleased in some solemn hour to reveal Himself to our soul, when He graciously condescends to take the veil from off our heart that we may behold His glory, the glory as of the only begotten of the Father, full of grace and truth, when He kindly favors us with some manifestation and discovery of Himself as the Son of God, the brightness of the Father’s glory and the express image of His Person, then we know that the Son of God has come.
How do you know that the sun rose this morning? By the light which rose with it. So we may say, spiritually, “How do you know that the Son of God has come?” By the Sun of righteousness arising upon you with healing in His wings and the shining light which He diffuses in your heart. So the Lord speaks to Zion—“Arise, shine, for your light has come, and the glory of the Lord has risen upon you.” That is the way in which the darkness is dispersed; for He adds, “Behold, the darkness shall cover the earth, and gross darkness the people; but the Lord shall rise upon you, and His glory shall be seen upon you.”
Did not our blessed Lord say, “I am come a light into the world, that whoever believes on Me should not abide in darkness?” And has He not promised, “He that follows Me shall not walk in darkness, but shall have the light of life?” Now as God is light, when He is pleased to shine into the soul, we walk in the light as He is in the light, and then we have fellowship with one another, and the blood of Jesus Christ cleanses us from all sin. This is the best, this is the surest, this is the safest way to know that the Son of God is come.
We know also that the Son of God is come by His presence; by His power put forth on our behalf; by the answers which He gives to prayer; by the way in which He appears in dark and gloomy hours, making crooked things straight and rough places plain, discovering Himself to us as the Way, the Truth, and the Life, showing unto us that in Him there is rest and peace, solid, abiding happiness, and in no other. He thus draws and fixes our eyes upon Himself, where He sits at the right hand of the Father in the fullness of His grace, glory, and majesty.
Thus we know that the Son of God has come. Every prayer, every petition, every sigh and cry, every longing look that you cast up to Him, and every word of His grace, every sweet promise, every glimpse or glance of the King in His beauty, which you receive out of His fullness, are all so many testimonies that the Son of God has come, and that you know that He has come.
To the reader…
Do you know how you can tell that the sun has risen? You need not reason about it; you see it by the light. So it is with the Son of God. Have you ever, even for a moment, felt the veil taken from your heart, so that you saw something of His glory, full of grace and truth? Then you know that He has come, for no one but He can make such light shine in a dark heart.
And do you complain that it is dark now? Then think of the answers He gave to your prayers, of the crooked things He made straight in gloomy hours. Every sigh and every longing look you cast up to Him is already a testimony that He is there. He that follows Him shall not walk in darkness, but shall have the light of life; and His blood cleanses from all sin.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Empero sabemos que el Hijo de Dios es venido, y nos ha dado entendimiento para conocer al que es verdadero: y estamos en el verdadero, en Su Hijo Jesucristo. Este es el verdadero Dios, y la vida eterna.
1 Juan 5:20
Cuando al Señor Jesús le place, en alguna hora solemne, revelarse a nuestra alma; cuando se digna en Su gracia quitar el velo de nuestro corazón para que contemplemos Su gloria, gloria como del Unigénito del Padre, lleno de gracia y de verdad; cuando bondadosamente nos favorece con alguna manifestación y descubrimiento de Sí mismo como el Hijo de Dios, el resplandor de la gloria del Padre y la misma imagen de Su sustancia, entonces sabemos que el Hijo de Dios es venido.
¿Cómo sabe usted que el sol salió esta mañana? Por la luz que salió con él. Así podemos decir espiritualmente: “¿Cómo sabe usted que el Hijo de Dios es venido?” Por el Sol de justicia que nace sobre usted trayendo salud en Sus alas, y por la luz resplandeciente que derrama en su corazón. Así habla el Señor a Sion: “Levántate, resplandece; que ha venido tu lumbre, y la gloria de Jehová ha nacido sobre ti.” Esa es la manera en que se disipan las tinieblas; porque añade: “Porque he aquí que tinieblas cubrirán la tierra, y oscuridad los pueblos: mas sobre ti nacerá Jehová, y sobre ti será vista Su gloria.”
¿No dijo nuestro bendito Señor: “Yo la luz he venido al mundo, para que todo aquel que cree en Mí no permanezca en tinieblas”? ¿Y no ha prometido: “El que Me sigue, no andará en tinieblas, mas tendrá la lumbre de la vida”? Ahora bien, como Dios es luz, cuando a Él le place resplandecer en el alma, andamos en luz como Él está en luz, y entonces tenemos comunión entre nosotros, y la sangre de Jesucristo nos limpia de todo pecado. Esta es la mejor, la más cierta y la más segura manera de saber que el Hijo de Dios es venido.
Sabemos también que el Hijo de Dios es venido por Su presencia; por Su poder desplegado a favor nuestro; por las respuestas que da a la oración; por la manera en que aparece en horas oscuras y lúgubres, enderezando lo torcido y allanando lo áspero, descubriéndose a nosotros como el Camino, la Verdad y la Vida, mostrándonos que en Él hay descanso y paz, una felicidad sólida y permanente, y en ningún otro. Así atrae y fija nuestros ojos en Sí mismo, donde está sentado a la diestra del Padre en la plenitud de Su gracia, gloria y majestad.
Así sabemos que el Hijo de Dios es venido. Cada oración, cada petición, cada suspiro y clamor, cada mirada anhelante que usted eleva a Él, y cada palabra de Su gracia, cada dulce promesa, cada vislumbre o mirada del Rey en Su hermosura que usted recibe de Su plenitud, son otros tantos testimonios de que el Hijo de Dios es venido, y de que usted sabe que ha venido.
Al lector…
¿Sabe cómo puede darse cuenta de que el sol ha salido? No necesita razonar sobre ello; lo ve por la luz. Así sucede con el Hijo de Dios. ¿Ha sentido alguna vez, aunque solo fuera un momento, que el velo era quitado de su corazón, de modo que vio algo de Su gloria, llena de gracia y de verdad? Entonces sabe que Él ha venido, porque nadie sino Él puede hacer brillar tal luz en un corazón oscuro.
¿Y se queja de que ahora está oscuro? Entonces piense en las respuestas que Él dio a sus oraciones, en lo torcido que enderezó en horas lúgubres. Cada suspiro y cada mirada anhelante que eleva a Él ya es un testimonio de que Él está allí. El que le sigue no andará en tinieblas, mas tendrá la lumbre de la vida; y Su sangre limpia de todo pecado.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl