gisteren verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
8 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
13 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
3 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Blijft in Mij, en Ik in u.
Johannes 15:4
De Heere gebruikte deze woorden niet alsof er enige macht in het schepsel was om in Hem te blijven; maar het behaagde Hem ze te gebruiken, opdat zij gezegend mochten zijn voor Zijn volk, wanneer de Heilige Geest ze op hun hart toepaste; want Hij voegt erbij: „En Ik in u.” Het ene is de sleutel van het andere. Als wij in Christus blijven, blijft Christus in ons. Door het blijven van Christus in ons kunnen wij in Hem blijven. Maar hoe blijft Christus in ons? Door Zijn Geest.
Door Zijn Geest maakt Hij de lichamen Zijner gelovigen tot Zijn tempel; het is door Zijn Geest dat Hij komt en in hen woont. Ofschoon het middellijk is door het geloof, zoals wij lezen: „dat Christus in uw harten moge wonen door het geloof”, toch is dit „door” door de mededeling van Zijn Geest in de ziel en door Zijn genadige tegenwoordigheid. Alzo bidt Hij ons, moedigt Hij ons aan en werkt Hij op ons om in Hem te blijven, doordat Hij in ons blijft. Maar Zijn blijven in een kind van God kan aan zekere gevallen gekend worden.
Zo Hij in u blijft, maakt Hij en houdt Hij uw geweten volgzaam. Het is de zonde die een scheiding maakt tussen u en Hem. Daarom maakt de Heere Jezus Christus uw geweten volgzaam, opdat Hij in u kunne blijven en u in Hem doe blijven. En dit bewaart u voor die zonden die scheiding maken tussen u en Hem. Het kan daaraan gekend worden dat Hij in u is, door de geheime waarschuwingen die Hij u geeft als de verzoeking u genaakt, wanneer gij bijna bezweken zijt; gelijk een van ouds zeide: „Mijn voeten waren bijna uitgeweken; mijn treden waren bijna uitgeschoten”. Het behaagt Hem een geheime inwendige vermaning en waarschuwing te geven, zodat gij uitroept: „Zou ik zulk een groot kwaad doen en zondigen tegen God?”
En als gij afdwaalt en u van de Heere tot uw afgoden wendt, gelijk wij tot onze schaamte en droefheid dikwijls doen, toont Hij dat Hij nog in u woont, door u niet over te geven in een verkeerde zin, en door u niet toe te laten uw hart tegen Hem te verharden. Hij toont het door Zijn bestraffingen, vermaningen en heimelijke waarschuwingen in uw geweten; ja, door de kastijdingen en geselslagen zelf die Hij u toebrengt gelijk een vader zijn kind, en door Zijn verborgen pleiten met u in de vierschaar der consciëntie. Door al die dingen maakt Hij het duidelijk dat Hij nog in u blijft.
Eert geen uitlands God,
wacht u voor uw zielen,
wilt naar mijn gebod,
mijne naam ten hoon,
voor geen valse goon,
voor geen vreemde knielen.
Psalm 81:10
Aan de lezer…
Wie zichzelf kent, zucht soms: „Hoe kan ik ooit in Christus blijven, ik die zo licht afdwaal?” Er is in u geen macht om in Hem te blijven, en dat behoeft u ook niet te zoeken. Hij voegt er immers bij: „En Ik in u.” Het ene is de sleutel van het andere. Doordat Hij door Zijn Geest in u blijft, kunt u in Hem blijven.
Vraagt u hoe u weten kunt of Hij in u woont? Let dan op uw geweten. Wordt u in het uur van verzoeking inwendig gewaarschuwd, zodat u uitroept: „Zou ik zulk een groot kwaad doen en zondigen tegen God?” Laat Hij u, wanneer u afdwaalt, niet toe uw hart tegen Hem te verharden? Dat zijn geen tekenen van uw eigen kracht, maar van Zijn blijven in u. Hij Die zo in u woont, zal u niet loslaten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Blijft in Mij, en Ik in u.
Johannes 15:4
De Heere gebruikte deze woorden niet alsof het schepsel enige macht zou hebben om in Hem te blijven. Maar het behaagde Hem ze te gebruiken, zodat zij tot zegen zouden zijn voor Zijn volk wanneer de Heilige Geest ze op hun hart toepaste. Want Hij voegt eraan toe: „En Ik in u.” Het ene is de sleutel van het andere. Als wij in Christus blijven, blijft Christus in ons. Doordat Christus in ons blijft, kunnen wij in Hem blijven. Maar hoe blijft Christus in ons? Door Zijn Geest.
Door Zijn Geest maakt Hij de lichamen van Zijn gelovigen tot Zijn tempel; door Zijn Geest komt Hij en woont Hij in hen. Dat gebeurt wel door middel van het geloof, zoals wij lezen: „dat Christus in uw harten moge wonen door het geloof”. Toch komt dit „door” tot stand door de mededeling van Zijn Geest in de ziel en door Zijn genadige tegenwoordigheid. Zo vraagt Hij ons, moedigt Hij ons aan en werkt Hij in ons om in Hem te blijven, doordat Hij in ons blijft. Maar dat Hij in een kind van God blijft, is aan bepaalde kenmerken te herkennen.
Als Hij in u blijft, maakt Hij uw geweten volgzaam en houdt Hij het zo. Het is de zonde die een scheiding maakt tussen u en Hem. Daarom maakt de Heere Jezus Christus uw geweten volgzaam, zodat Hij in u kan blijven en u in Hem doet blijven. En dat bewaart u voor de zonden die een scheiding maken tussen u en Hem. Dat Hij in u is, kan worden herkend aan de verborgen waarschuwingen die Hij u geeft wanneer de verzoeking op u afkomt en u al bijna ten val komt, zoals iemand van oudsher zei: „Mijn voeten waren bijna uitgeweken, mijn treden waren schier uitgeschoten”. Het behaagt Hem een verborgen, innerlijke vermaning en waarschuwing te geven, zodat u uitroept: „Zou ik zulk een groot kwaad doen en zondigen tegen God?”
En wanneer u afdwaalt en u van de Heere afwendt naar uw afgoden, zoals wij tot onze schaamte en droefheid zo vaak doen, laat Hij zien dat Hij nog in u woont doordat Hij u niet overgeeft in een verkeerde zin, en doordat Hij u niet toestaat uw hart tegen Hem te verharden. Hij bestraft, vermaant en waarschuwt u in het verborgen in uw geweten. Hij tuchtigt en kastijdt u zoals een vader zijn kind, en Hij pleit in het verborgen met u in de rechtszaal van uw geweten. Door al die dingen maakt Hij duidelijk dat Hij nog in u blijft.
Eert geen uitlands God,
wacht u voor uw zielen,
wilt naar mijn gebod,
mijne naam ten hoon,
voor geen valse goon,
voor geen vreemde knielen.
Psalm 81:10
Aan de lezer…
Wie zichzelf kent, zucht soms: „Hoe kan ik ooit in Christus blijven, ik die zo gemakkelijk afdwaal?” Er is in u geen macht om in Hem te blijven, en die hoeft u ook niet te zoeken. Hij voegt er immers aan toe: „En Ik in u.” Het ene is de sleutel van het andere. Doordat Hij door Zijn Geest in u blijft, kunt u in Hem blijven.
Vraagt u hoe u kunt weten of Hij in u woont? Let dan op uw geweten. Wordt u in het uur van verzoeking inwendig gewaarschuwd, zodat u uitroept: „Zou ik zulk een groot kwaad doen en zondigen tegen God?” Staat Hij u, wanneer u afdwaalt, niet toe uw hart tegen Hem te verharden? Dat zijn geen tekenen van uw eigen kracht, maar van Zijn blijven in u. Hij Die zo in u woont, zal u niet loslaten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Abide in Me, and I in you.
John 15:4
The Lord did not use these words as though there were any power in the creature to abide in Him. But He was pleased to use them, that they might be blessed to His people when the Holy Spirit applied them to the heart; for He adds, “And I in you.” The one is the key to the other. If we abide in Christ, Christ abides in us. It is by Christ abiding in us, that we are enabled to abide in Him.
But how does Christ abide in us? By His Spirit. It is by His Spirit He makes the bodies of His saints, His temple; it is by His Spirit that He comes and dwells in them. Though it is instrumentally by faith, as we read, “that Christ may dwell in your hearts by faith;” yet it is through the communication of His Spirit in the soul, and the visits of His most gracious presence. Thus He bids us, encourages us, and influences us to abide in Him by His abiding in us.
But His abiding in a child of God may be known by certain effects following. If He abides in you, He makes and keeps your conscience tender. It is sin that separates between you and Him. Therefore, the Lord Jesus Christ, in order that He may abide in you and make you abide in Him, makes and keeps your conscience tender in His fear. And this keeps you from those sins which separate between you and Him.
He may be known, then, to abide in you by the secret checks He gives you when temptation comes before your eyes, and you are all but gone; as one of old said, “My feet were almost gone; my steps had well-near slipped.” He is pleased to give a secret internal check and admonition; so that your cry is, “How can I do this great wickedness and sin against God?”
And if you go astray and turn from the Lord to your idols, as to our shame and sorrow we often do, He proves that He still abides in you by not giving you up to a reprobate mind, not allowing you to harden your heart against Him; but by His reproofs, admonitions, and secret checks in your conscience—by the very lashings and scourgings which He inflicts upon you as a father upon his child, and His secret pleadings with you in the court of conscience—by all these things He makes it manifest that He still abides in you.
To the reader…
Whoever knows himself sometimes sighs, “How can I ever abide in Christ, I who wander so easily?” There is no power in you to abide in Him, and you need not look for it. For He adds, “And I in you.” The one is the key to the other. Because He abides in you by His Spirit, you are enabled to abide in Him.
Do you ask how you can know whether He dwells in you? Then pay attention to your conscience. In the hour of temptation, are you inwardly warned, so that you cry out, “How can I do this great wickedness, and sin against God?” When you go astray, does He not refuse to let you harden your heart against Him? These are not signs of your own strength, but of His abiding in you. He Who dwells in you in this way will not let you go.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Estad en Mí, y Yo en vosotros.
Juan 15:4
El Señor no usó estas palabras como si hubiera en la criatura algún poder para estar en Él. Pero quiso usarlas para que fueran de bendición a Su pueblo cuando el Espíritu Santo las aplicara al corazón; porque añade: “Y Yo en vosotros”. Lo uno es la llave de lo otro. Si estamos en Cristo, Cristo está en nosotros. Es por estar Cristo en nosotros como somos capacitados para estar en Él.
Pero ¿cómo está Cristo en nosotros? Por Su Espíritu. Es por Su Espíritu como hace de los cuerpos de Sus santos Su templo; es por Su Espíritu como viene y mora en ellos. Aunque es instrumentalmente por la fe, como leemos: “Que habite Cristo por la fe en vuestros corazones”, sin embargo es mediante la comunicación de Su Espíritu en el alma y las visitas de Su presencia tan llena de gracia. Así nos manda, nos anima y nos mueve a estar en Él por Su estar en nosotros.
Pero Su estar en un hijo de Dios puede conocerse por ciertos efectos que lo siguen. Si Él está en usted, hace y mantiene su conciencia sensible. Es el pecado lo que hace separación entre usted y Él. Por eso el Señor Jesucristo, para poder estar en usted y hacer que usted esté en Él, hace y mantiene su conciencia sensible en Su temor. Y esto le guarda de aquellos pecados que hacen separación entre usted y Él.
Puede conocerse, pues, que Él está en usted por los frenos secretos que le da cuando la tentación se presenta ante sus ojos y usted está a punto de caer; como dijo uno de antaño: “Casi se deslizaron mis pies; por poco resbalaron mis pasos”. Él tiene a bien dar un freno y una amonestación secretos e interiores, de modo que su clamor es: “¿Cómo, pues, haría yo este grande mal y pecaría contra Dios?”.
Y si usted se extravía y se aparta del Señor hacia sus ídolos, como para nuestra vergüenza y dolor hacemos a menudo, Él demuestra que todavía está en usted no entregándole a una mente reprobada, no permitiéndole endurecer su corazón contra Él; sino por Sus reprensiones, amonestaciones y frenos secretos en su conciencia, por los mismos azotes y castigos que le inflige como un padre a su hijo, y por Sus secretos alegatos con usted en el tribunal de la conciencia; por todas estas cosas pone de manifiesto que todavía está en usted.
Al lector…
Quien se conoce a sí mismo suspira a veces: “¿Cómo podré yo estar jamás en Cristo, yo que me extravío con tanta facilidad?”. No hay en usted poder para estar en Él, y no necesita buscarlo. Porque Él añade: “Y Yo en vosotros”. Lo uno es la llave de lo otro. Porque Él está en usted por Su Espíritu, usted es capacitado para estar en Él.
¿Pregunta cómo puede saber si Él mora en usted? Entonces preste atención a su conciencia. En la hora de la tentación, ¿es usted advertido interiormente, de modo que clama: “¿Cómo, pues, haría yo este grande mal y pecaría contra Dios?”? Cuando se extravía, ¿no se niega Él a dejarle endurecer su corazón contra Él? Estas no son señales de su propia fuerza, sino de que Él está en usted. Aquel que mora así en usted no le soltará.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Zie mij aan
Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht aan degenen, die Uw Naam beminnen.
Psalm 119:132
Zijn de eerste verrichtingen en leringen van de Geest van God aan het hart gewoonlijk zodanig dat ze iemand tot liefde voor God brengen? Nee! Men moet eerst heel veel afleren voordat men dit kan leren. Men moet uit de wereld worden gehaald en gespeend worden van menselijke rechtvaardigheid; alle oude vleselijke godsdienst moet in stukken worden gehakt en in de vier windrichtingen worden verspreid, voordat Gods zuivere liefde kan neerdalen en in de ziel kan worden uitgestort. Dit is de reden dat de Heere Zijn kinderen met overtuigingen in stukken snijdt. Dit gebeurt regelmatig door de bediening van het Woord, zoals er in de dagen van het pinksterfeest talrijke toehoorders van Petrus waren wier harten werden doorboord (Hand. 2:37); en de predikanten worden in het Woord met vissers en jagers vergeleken.
Deze overtuigingen van de zonde, waardoor een schuldgevoel zwaar op het geweten komt te liggen, grotendeels gepaard gaand met een openbaring van onze gevallen staat en van het kwaad van ons hart, komen voort uit een gelovig zien op de heiligheid van God, een besef van de reikwijdte en geestelijkheid van Zijn wet, een onthulling van Zijn eeuwige en onbuigzame rechtvaardigheid. Enige van deze overtuigingen moeten derhalve worden ondergaan, in ieder geval in voldoende mate, om de ziel uit haar listige schuilplaatsen te verdrijven, die de Heilige Schrift „toevlucht der leugen” (Jes. 28:17) noemt, zodat zij ertoe gebracht wordt de rots te omarmen bij gebrek aan schuilplaats. De diepte en de tijdsduur van de overtuigingen heeft God niet omschreven, en ook wij hoeven dat niet te doen. Maar we kunnen rustig stellen dat ze voldoende moeten zijn om het doel te bereiken dat God voor ogen heeft.
De Heere heeft echter niet de bedoeling, als Hij Zijn kinderen voldoende uit hun leugenschuilplaatsen heeft gehaald, hun geweten te blijven verwonden en openrijten met overtuigingen. Na enige tijd brengt Hij daarom in hun hart iets van de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat (Ef. 3:19), en daardoor leren zij Zijn Naam liefhebben.
Lezen: Psalm 119:121-136
Aan de lezer…
Er zijn dagen dat het Woord u in stukken snijdt. Zijn uw oude godsdienst en uw eigen gerechtigheid u ontvallen, en ligt de schuld zwaar op uw geweten? Vraagt u wellicht hoelang en hoe diep dit nog moet gaan? God heeft het niet omschreven, en u hoeft het ook niet te doen. Maar weet dit: de Heere wondt niet om te verderven. Hij verdrijft u uit de toevlucht der leugen, opdat u, bij gebrek aan schuilplaats, de Rots zou omarmen.
Het is niet Zijn bedoeling uw geweten zonder einde open te rijten. Wanneer het doel bereikt is, brengt Hij iets van de liefde van Christus in het hart, die de kennis te boven gaat. Dan leert de ziel Zijn Naam liefhebben en mag zij bidden: „Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht aan degenen, die Uw Naam beminnen.” Blijf daarom, ook in de pijn van de overtuiging, aan Zijn voeten liggen; Hij Die u verwondt, zal ook Zijn liefde in uw hart brengen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht aan degenen, die Uw Naam beminnen.
Psalm 119:132
Zijn de eerste werkingen en lessen van de Geest van God in het hart gewoonlijk zo dat ze iemand tot liefde voor God brengen? Nee! Men moet eerst heel veel afleren voordat men dit kan leren. Men moet uit de wereld gehaald worden en gespeend worden van eigen gerechtigheid. Alle oude vleselijke godsdienst moet in stukken gehakt en naar de vier windstreken verspreid worden, voordat Gods zuivere liefde kan neerdalen en in de ziel kan worden uitgestort. Daarom snijdt de Heere Zijn kinderen met overtuigingen in stukken. Dit gebeurt geregeld door de bediening van het Woord, zoals er op het pinksterfeest vele hoorders van Petrus waren die verslagen werden in het hart (Hand. 2:37). In het Woord worden de predikers dan ook vergeleken met vissers en jagers.
Deze overtuigingen van zonde, waardoor een schuldgevoel zwaar op het geweten komt te liggen, gaan meestal gepaard met een ontdekking van onze gevallen staat en van het kwaad van ons hart. Ze komen voort uit een gelovig zien op de heiligheid van God, een besef van de reikwijdte en geestelijkheid van Zijn wet, en een ontdekking van Zijn eeuwige en onbuigzame gerechtigheid. Iets van deze overtuigingen moet daarom ervaren worden, in elk geval in voldoende mate, om de ziel te verdrijven uit haar listige schuilplaatsen, die de Heilige Schrift „toevlucht der leugen” (Jes. 28:17) noemt, zodat zij bij gebrek aan schuilplaats ertoe gebracht wordt de rots te omhelzen. Hoe diep en hoelang de overtuigingen moeten zijn, heeft God niet omschreven, en wij hoeven dat ook niet te doen. Maar we kunnen gerust zeggen dat ze voldoende moeten zijn om het doel te bereiken dat God voor ogen heeft.
Het is echter niet de bedoeling van de Heere om, wanneer Hij Zijn kinderen voldoende uit hun leugenachtige schuilplaatsen heeft verdreven, hun geweten met overtuigingen te blijven verwonden en openrijten. Na enige tijd brengt Hij daarom iets van de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat (Ef. 3:19), in hun hart, en daardoor leren zij Zijn Naam liefhebben.
Lezen: Psalm 119:121-136
Aan de lezer…
Er zijn dagen dat het Woord u in stukken snijdt. Zijn uw oude godsdienst en uw eigen gerechtigheid u ontvallen, en ligt de schuld zwaar op uw geweten? Vraagt u zich misschien af hoelang en hoe diep dit nog moet gaan? God heeft het niet omschreven, en u hoeft het ook niet te doen. Maar weet dit: de Heere verwondt niet om te verderven. Hij verdrijft u uit de toevlucht der leugen, zodat u bij gebrek aan schuilplaats de Rots zou omhelzen.
Het is niet Zijn bedoeling uw geweten eindeloos open te rijten. Wanneer het doel bereikt is, brengt Hij iets van de liefde van Christus in het hart, die de kennis te boven gaat. Dan leert de ziel Zijn Naam liefhebben en mag zij bidden: „Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht aan degenen, die Uw Naam beminnen.” Blijf daarom, ook in de pijn van de overtuiging, aan Zijn voeten liggen; Hij Die u verwondt, zal ook Zijn liefde in uw hart brengen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Look Thou upon me, and be merciful unto me, as Thou usest to do unto those that love Thy Name.
Psalm 119:132
Are the first workings and lessons of the Spirit of God in the heart usually such as to bring a man to love God? No! A man must first unlearn a great deal before he can learn this. He must be taken out of the world and weaned from his own righteousness. All the old fleshly religion must be hewn in pieces and scattered to the four winds before God’s pure love can come down and be shed abroad in the soul. Therefore the Lord cuts His children to pieces with convictions. This takes place usually through the ministry of the Word, as on the day of Pentecost there were many of Peter’s hearers who were pricked in their heart (Acts 2:37). In the Word, therefore, preachers are compared to fishers and hunters.
These convictions of sin, by which a sense of guilt comes to lie heavily upon the conscience, are mostly attended with a discovery of our fallen state and of the evil of our heart. They spring from a believing view of the holiness of God, a sense of the breadth and spirituality of His law, and a discovery of His eternal and inflexible justice. Something of these convictions must therefore be experienced, at any rate in sufficient measure, to drive the soul out of its cunning hiding places, which Holy Scripture calls “the refuge of lies” (Isa. 28:17), so that for want of a shelter it is brought to embrace the rock. How deep and how long the convictions must be, God has not defined, and neither need we. But we may safely say that they must be sufficient to accomplish the end that God has in view.
It is not, however, the Lord’s purpose, when He has sufficiently driven His children out of their lying refuges, to go on wounding and lacerating their consciences with convictions. After a time, therefore, He brings something of the love of Christ, which passeth knowledge (Eph. 3:19), into their hearts, and by it they learn to love His Name.
Reading: Psalm 119:121-136
To the reader…
There are days when the Word cuts you to pieces. Have your old religion and your own righteousness fallen away from you, and does guilt lie heavily on your conscience? Are you perhaps wondering how long and how deep this must still go? God has not defined it, and neither need you. But know this: the Lord does not wound in order to destroy. He drives you out of the refuge of lies, so that for want of a shelter you may embrace the Rock.
It is not His purpose to lacerate your conscience without end. When the end is reached, He brings something of the love of Christ, which passeth knowledge, into the heart. Then the soul learns to love His Name and may pray, “Look Thou upon me, and be merciful unto me, as Thou usest to do unto those that love Thy Name.” Stay, then, even in the pain of conviction, at His feet; He Who wounds you will also bring His love into your heart.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Mírame, y ten misericordia de mí, como acostumbras con los que aman Tu Nombre.
Salmo 119:132
¿Son las primeras operaciones y lecciones del Espíritu de Dios en el corazón, por lo general, de tal naturaleza que lleven a un hombre a amar a Dios? ¡No! Un hombre tiene que desaprender primero muchas cosas antes de poder aprender esto. Tiene que ser sacado del mundo y destetado de su propia justicia. Toda la vieja religión carnal tiene que ser hecha pedazos y esparcida a los cuatro vientos antes de que el puro amor de Dios pueda descender y ser derramado en el alma. Por eso el Señor despedaza a Sus hijos con convicciones. Esto sucede por lo general mediante el ministerio de la Palabra, como en el día de Pentecostés hubo muchos de los oyentes de Pedro que fueron compungidos de corazón (Hechos 2:37). Por eso en la Palabra los predicadores son comparados con pescadores y cazadores.
Estas convicciones de pecado, por las cuales un sentimiento de culpa viene a pesar sobre la conciencia, van acompañadas casi siempre de un descubrimiento de nuestro estado caído y de la maldad de nuestro corazón. Brotan de una vista creyente de la santidad de Dios, de un sentir de la anchura y espiritualidad de Su ley, y de un descubrimiento de Su justicia eterna e inflexible. Algo de estas convicciones debe experimentarse, por tanto, al menos en medida suficiente para echar al alma de sus astutos escondrijos, que la Sagrada Escritura llama “el refugio de la mentira” (Isaías 28:17), de modo que, a falta de abrigo, sea llevada a abrazar la roca. Cuán hondas y cuán largas deban ser las convicciones, Dios no lo ha definido, ni tampoco necesitamos hacerlo nosotros. Pero podemos decir con seguridad que deben ser suficientes para lograr el fin que Dios tiene a la vista.
Sin embargo, no es el propósito del Señor, cuando ha echado suficientemente a Sus hijos de sus refugios de mentira, seguir hiriendo y desgarrando sus conciencias con convicciones. Por eso, después de un tiempo, trae a sus corazones algo del amor de Cristo, que excede a todo conocimiento (Efesios 3:19), y por él aprenden a amar Su Nombre.
Lectura: Salmo 119:121-136
Al lector…
Hay días en que la Palabra le despedaza. ¿Se le han caído su vieja religión y su propia justicia, y pesa la culpa sobre su conciencia? ¿Se pregunta quizá cuánto tiempo y cuán hondo debe llegar esto todavía? Dios no lo ha definido, ni tampoco necesita usted hacerlo. Pero sepa esto: el Señor no hiere para destruir. Le echa del refugio de la mentira, para que, a falta de abrigo, abrace la Roca.
No es Su propósito desgarrar su conciencia sin fin. Cuando se alcanza el fin, trae al corazón algo del amor de Cristo, que excede a todo conocimiento. Entonces el alma aprende a amar Su Nombre y puede orar: “Mírame, y ten misericordia de mí, como acostumbras con los que aman Tu Nombre.” Permanezca, pues, aun en el dolor de la convicción, a Sus pies; Aquel que le hiere traerá también Su amor a su corazón.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Zijn uitgang is bereid als de dageraad.
Hosea 6:3
Het is tot de levende ziel, wandelende in duisternis en niet in staat om God te vinden, dat deze tekst spreekt: „Zijn uitgang is bereid als de dageraad.” Er is een bestemde tijd voor de Heere om te verschijnen, en deze verschijning wordt liefelijk vergeleken bij de opkomst der zon. „Hebt gij de dageraad zijn plaats gewezen?” (Job 38:12). Rijst niet dagelijks de zon op de minuut tevoren bepaald? Is zij ooit vóór haar tijd of ooit na haar tijd? Verhaastte of verlaatte de vrije wil van het schepsel het opgaan van de zon voor één enkele seconde?
Zo is het ook met de verschijning des Heeren tot zaligheid voor Zijn volk; de verschijning des Heeren in Zijn tegenwoordigheid en kracht; de verschijning des Heeren van de plaats waar Hij Zich een wijle tijds verborgen hield, totdat Hij met licht en leven in de ziel komt. Al Zijn heerlijke verschijningen zijn voorbereid, en het ogenblik is bepaald, gelijk de tijd van zonsopgang des morgens is vastgesteld. Maar wat is de natuurlijke omstandigheid eer de zon opgaat? Gaat niet middernacht vóór het dagen, en de duisternis vóór het licht? Is er niet, gelijk de psalmist daarvan spreekt, een wachten op de morgen? „Mijn ziel wacht op de Heere, meer dan de wachters op de morgen.”
Woelt niet de zieke op zijn legerplaats, wachtende op de morgen? Wacht niet de schipbreukeling, die op de rotsen gedreven is, angstvallig op de morgen, om te mogen weten of er nog hoop van redding is, of er ook een vriendelijk schip in het gezicht komt? En is de door de nacht overvallen reiziger, die de weg is kwijtgeraakt, niet wachtende op de morgen, dat de zon moge opgaan en hij zijn weg huiswaarts vinden moge? Maar met al hun wachten kunnen zij de zon niet gebieden dat zij opga; zij moeten wachten op de bepaalde tijd.
Evenzo is het met het verschijnen van de Zon der gerechtigheid: het verschijnen van Christus in het hart, de zoete openbaring van de Zoon van God met het verheffen van het licht van Zijn vriendelijk aangezicht. Het is bereid als de morgen, bepaald en vastgesteld in het hart van God, gelijk de zon opkomt in haar tijd. En die tijd wordt niet verhaast, evenmin als dit bij de zon plaatsheeft. Ja, het is voor ons even onmogelijk om de Heere in ons hart te brengen vóór de bestemde tijd, of Hem aldaar te houden wanneer Hij ingekomen is, als het voor ons onmogelijk is om Jozua na te doen en te zeggen: „Gij zon, sta stil te Gibeon; en gij maan, in het dal van Ajalon.”
Maar Zijn uitgang is bereid als de dageraad, en wanneer Hij uitgaat, dan gaat Hij uit, overwinnende en opdat Hij overwint, rijdende op het witte paard waarvan in de Openbaring gesproken wordt. Hij gaat uit om onze vijanden te overwinnen, om onze verzoekingen te overwinnen, om onze zielen te brengen aan Zijn voetbank, opdat Hij moge opgaan zoals de zon schijnt in haar kracht, om in ons hart te komen met genezing onder Zijn vleugelen.
Aan de lezer…
Hoe vaak is het niet nacht in uw ziel? Wandelt u in duisternis en kunt u God niet vinden, hoe u ook zoekt? Woelt u als de zieke op zijn legerplaats, of tuurt u als de schipbreukeling naar de horizon? U kunt de zon niet gebieden op te gaan, en evenmin kunt u de Heere in uw hart brengen vóór Zijn tijd. Dat is een harde les voor een ongeduldig hart, maar zij bevat ook een zoete troost.
Want Zijn uitgang is bereid. De tijd ligt vast in het hart van God, zo zeker als de dageraad op de nacht volgt. Middernacht gaat vóór het dagen, maar de morgen komt. Wacht dan op de Heere, meer dan de wachters op de morgen. Wanneer Hij uitgaat, dan gaat Hij uit overwinnende, en Hij zal tot u komen als de Zon der gerechtigheid, met genezing onder Zijn vleugelen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Zijn uitgang is bereid als de dageraad.
Hosea 6:3
Deze tekst spreekt tot de levende ziel die in duisternis wandelt en God niet kan vinden: „Zijn uitgang is bereid als de dageraad.” Er is een bestemde tijd waarop de Heere verschijnt, en die verschijning wordt op lieflijke wijze vergeleken met het opgaan van de zon. „Hebt gij de dageraad zijn plaats gewezen?” (Job 38:12). Gaat de zon niet elke dag op, op de minuut die van tevoren bepaald is? Komt zij ooit vóór haar tijd of ooit na haar tijd? Heeft de vrije wil van het schepsel het opgaan van de zon ooit ook maar één seconde versneld of vertraagd?
Zo is het ook met de verschijning van de Heere tot zaligheid voor Zijn volk; de verschijning van de Heere in Zijn tegenwoordigheid en kracht; de verschijning van de Heere vanuit de plaats waar Hij Zich een tijdlang verborgen hield, totdat Hij met licht en leven in de ziel komt. Al Zijn heerlijke verschijningen zijn voorbereid, en het ogenblik is bepaald, zoals de tijd van de zonsopgang in de morgen vastligt. Maar hoe is het in de natuur voordat de zon opgaat? Gaat de middernacht niet vooraf aan het dagen, en de duisternis aan het licht? Is er niet, zoals de psalmist zegt, een wachten op de morgen? „Mijn ziel wacht op de Heere, meer dan de wachters op de morgen.”
Woelt de zieke niet op zijn bed, wachtend op de morgen? Wacht de schipbreukeling die op de rotsen is geslagen niet angstig op de morgen, om te weten of er nog hoop op redding is, of er misschien een vriendelijk schip in zicht komt? En wacht de reiziger die door de nacht is overvallen en de weg kwijt is, niet op de morgen, tot de zon opgaat en hij zijn weg naar huis kan vinden? Maar met al hun wachten kunnen zij de zon niet bevelen op te gaan; zij moeten wachten op de bepaalde tijd.
Zo is het ook met het verschijnen van de Zon der gerechtigheid: het verschijnen van Christus in het hart, de zoete openbaring van de Zoon van God wanneer Hij het licht van Zijn vriendelijk aangezicht doet opgaan. Het is bereid als de morgen, bepaald en vastgesteld in het hart van God, zoals de zon opkomt op haar tijd. En die tijd wordt niet versneld, net zo min als bij de zon. Ja, het is voor ons even onmogelijk om de Heere in ons hart te brengen vóór de bestemde tijd, of Hem daar vast te houden wanneer Hij binnengekomen is, als het voor ons onmogelijk is Jozua na te doen en te zeggen: „Gij zon, sta stil te Gibeon; en gij maan, in het dal van Ajalon.”
Maar Zijn uitgang is bereid als de dageraad, en wanneer Hij uitgaat, dan gaat Hij uit, overwinnende en opdat Hij overwinne, rijdend op het witte paard waarover in de Openbaring gesproken wordt. Hij gaat uit om onze vijanden te overwinnen, om onze verzoekingen te overwinnen, om onze zielen aan Zijn voetbank te brengen, zodat Hij kan opgaan zoals de zon in haar kracht schijnt, om in ons hart te komen met genezing onder Zijn vleugelen.
Aan de lezer…
Hoe vaak is het niet nacht in uw ziel? Wandelt u in duisternis en kunt u God niet vinden, hoe u ook zoekt? Woelt u als de zieke op zijn bed, of tuurt u als de schipbreukeling naar de horizon? U kunt de zon niet bevelen op te gaan, en evenmin kunt u de Heere in uw hart brengen vóór Zijn tijd. Dat is een harde les voor een ongeduldig hart, maar zij bevat ook een zoete troost.
Want Zijn uitgang is bereid. De tijd ligt vast in het hart van God, zo zeker als de dageraad op de nacht volgt. Middernacht gaat vooraf aan het dagen, maar de morgen komt. Wacht dan op de Heere, meer dan de wachters op de morgen. Wanneer Hij uitgaat, dan gaat Hij uit als overwinnaar, en Hij zal tot u komen als de Zon der gerechtigheid, met genezing onder Zijn vleugelen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
His going forth is prepared as the morning.
Hosea 6:3
It is to the living soul walking in darkness, and unable to find God, that this text speaks—“His going forth is prepared as the morning.” There is an appointed time for the Lord to go forth and this is sweetly compared to the rising of the sun. Does not “the dayspring know his place?” (Job 38:12.) Does not the sun rise every day according to the appointed minute? Is he ever before his time, or ever after his time? Did the free will of the creature ever hurry or retard his rising for a single second?
Thus it is with the going forth of the Lord for the salvation of His people, the going forth of the Lord in the revelation of His presence and His power, the going forth of the Lord from the place where He has for a while hidden Himself, to come down with light and life into the soul. All His glorious goings forth are as much prepared, and the moment is as much appointed, as the time is fixed every morning for the sun to rise.
But what is the state of things naturally before the sun rises? Does not midnight precede the dawn, does not darkness come before light? And when it is midnight naturally, can we bid the sun arise and disperse the darkness? Is there not, as the Psalmist says, a waiting for the morning, naturally? “My soul waits for the Lord, more than those who watch for the morning.” Is not the invalid tossing on his restless couch, waiting for the morning? Is not the shipwrecked mariner driven on the rocks, waiting anxiously for the morning, to know what is his prospect of safety, what friendly sail may be in sight? Is not the man benighted on the hills waiting for the morning, that the sun may arise, and he find his way homeward? But with all their waiting they cannot bid the sun arise; they must wait until the appointed time.
So the going forth of the Sun of righteousness, the appearance of Christ in the heart, the sweet revelation of the Son of God, the lifting up of the light of His blessed countenance, is “prepared as the morning”—as fixed, as appointed in the mind of God as the morning to come in its season; but no more to be hurried than the sun is to be hurried up the sky. Aye, and it is as much an impossibility for us to bring the Lord into our souls before the appointed time, or keep Him there when He has come, as for us to play the part of Joshua, and say, “Sun, stand still upon Gibeon, and you, moon, in the valley of Ajalon.”
But “His going forth is prepared as the morning,” and when He goes forth, He goes forth “conquering and to conquer,” mounted on the white horse spoken of in Revelation. He goes forth to conquer our enemies, to overcome our temptations, to lay our souls at His footstool, to arise like the sun in his strength, and to come into the heart with healing in His wings.
To the reader…
How often is it night in your soul? Do you walk in darkness and cannot find God, however much you seek? Do you toss like the sick man on his bed, or strain your eyes like the shipwrecked sailor toward the horizon? You cannot command the sun to rise, nor can you bring the Lord into your heart before His time. That is a hard lesson for an impatient heart, but it also holds a sweet comfort.
For His going forth is prepared. The time is fixed in the heart of God, as surely as the dawn follows the night. Midnight comes before the dawn, but the morning comes. Wait, then, for the Lord, more than the watchmen wait for the morning. When He goes forth, He goes forth as a conqueror, and He will come to you as the Sun of righteousness, with healing in His wings.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Como el alba está aparejada Su salida.
Oseas 6:3
Es al alma viviente que anda en tinieblas y no puede hallar a Dios a quien habla este texto: “Como el alba está aparejada Su salida”. Hay un tiempo señalado para que el Señor salga, y esto se compara dulcemente con la salida del sol. ¿No conoce “el alba su lugar”? (Job 38:12). ¿No sale el sol cada día según el minuto señalado? ¿Se adelanta alguna vez a su hora, o se retrasa alguna vez? ¿Ha logrado jamás el libre albedrío de la criatura apresurar o retardar su salida un solo segundo?
Así es con la salida del Señor para la salvación de Su pueblo, la salida del Señor en la revelación de Su presencia y Su poder, la salida del Señor del lugar donde por un tiempo se ha escondido, para descender con luz y vida al alma. Todas Sus gloriosas salidas están tan aparejadas, y el momento está tan señalado, como está fijada cada mañana la hora en que ha de salir el sol.
Pero ¿cuál es el estado de las cosas, en lo natural, antes de que salga el sol? ¿No precede la medianoche al alba, no vienen las tinieblas antes que la luz? Y cuando es medianoche en lo natural, ¿podemos mandar al sol que salga y disipe las tinieblas? ¿No hay, como dice el salmista, un esperar la mañana, en lo natural? “Mi alma espera a Jehová más que los centinelas a la mañana.” ¿No espera la mañana el enfermo que se revuelve en su lecho sin descanso? ¿No espera ansiosamente la mañana el marinero náufrago arrojado contra las rocas, para saber qué esperanza tiene de salvarse, qué vela amiga puede estar a la vista? ¿No espera la mañana el hombre sorprendido por la noche en los montes, para que salga el sol y halle el camino a casa? Pero con todo su esperar no pueden mandar al sol que salga; tienen que esperar hasta el tiempo señalado.
Así la salida del Sol de justicia, la aparición de Cristo en el corazón, la dulce revelación del Hijo de Dios, el alzar la luz de Su bendito rostro, está “aparejada como el alba”, tan fija, tan señalada en la mente de Dios como la mañana que viene a su tiempo; pero no se puede apresurar más de lo que se puede apresurar el sol en su subida por el cielo. Sí, y nos es tan imposible traer al Señor a nuestras almas antes del tiempo señalado, o retenerle allí cuando ha venido, como hacer el papel de Josué y decir: “Sol, detente en Gabaón; y tú, luna, en el valle de Ajalón”.
Pero “como el alba está aparejada Su salida”, y cuando Él sale, sale “victorioso, para que también venciese”, montado en el caballo blanco del que habla el Apocalipsis. Sale para vencer a nuestros enemigos, para dominar nuestras tentaciones, para postrar nuestras almas ante el estrado de Sus pies, para levantarse como el sol en su fuerza, y para venir al corazón trayendo salud en Sus alas.
Al lector…
¿Cuántas veces es de noche en su alma? ¿Anda usted en tinieblas y no puede hallar a Dios, por mucho que le busque? ¿Se revuelve como el enfermo en su lecho, o fuerza la vista como el marinero náufrago hacia el horizonte? Usted no puede mandar al sol que salga, ni puede traer al Señor a su corazón antes de Su tiempo. Es una lección dura para un corazón impaciente, pero encierra también un dulce consuelo.
Porque Su salida está aparejada. El tiempo está fijado en el corazón de Dios, tan ciertamente como el alba sigue a la noche. La medianoche viene antes que el alba, pero la mañana llega. Espere, pues, al Señor, más que los centinelas a la mañana. Cuando Él sale, sale como vencedor, y vendrá a usted como el Sol de justicia, trayendo salud en Sus alas.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl