gisteren verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
8 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
13 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
3 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest, opdat ik uwe inzettingen leerde.
Psalm 119:71
Wij mogen alles bezitten wat het vleselijke hart begeert; daardoor zullen wij slechts in wereldsgezindheid en goddeloosheid verharden. Maar naar lichaam en ziel onderworpen te zijn; door bezoekingen gespeend en afgescheiden van een goddeloze wereld; de behoefte aan Christus gevoelende, en dat zonder deel te hebben aan Zijn dierbaar bloed, met onze ziel voor eeuwig verloren zijn — hoeveel beter is het in werkelijkheid op een bed van smarte te liggen, met een hoop op Gods genade, dan aan onze eigen vleselijkheid en zorgeloosheid overgelaten te zijn! Smart, van welke aard ook, is zwaar om te dragen, en vooral als wij beginnen te morren en te klagen onder de zwaarte van het kruis; maar wanneer de Heere ons bezoekt, is het in ernst en wil Hij het ons doen gevoelen. Er zijn strenge maatregelen nodig om ons te doen bukken, en bezoeking zou geen bezoeking zijn zo zij niet vol was van smart en leed.
Maar wanneer de bezoeking ons leert de Heere te zoeken met een diep gevoel in de ziel dat niemand dan Hij kan redden en zaligen, en wij in oprechtheid en ernst tot Hem kunnen opzien, opdat Hij Zijn liefde en genade aan ons openbare, dan zal Hij vroeger of later verschijnen. De Heere, Die het hart doorzoekt, kent al de begeerten van het hart en luistert naar elke zucht, elk verlangen, elke inwendige verzuchting. Hij kent onze toestand naar lichaam en ziel, en Hij legt ons niet meer op dan wij kunnen dragen, maar kan alles wat Hij van ons verlangt, geven en geeft het ook. Maar zeer dikwijls toeft Hij te komen, opdat Hij ons daardoor moge leren dat wij geen recht op Hem hebben, en dat alles wat Hij ons schenkt, loutere ontferming en genade is.
’t Is goed voor mij verdrukt te zijn geweest
opdat ik dus uw godd’lijk recht zou leren;
sinds heeft mijn hart voor hovaardij gevreesd.
Ai, doe mij steeds uw wil als heilig eren!
Ver boven goud en zilver en wat meest
de mens bekoort, zal ik uw wet waarderen.
Psalm 119:36
Aan de lezer…
Ligt u misschien op een bed van smarte, waarde lezer, of drukt de zwaarte van het kruis u zo dat u begint te morren en te klagen? Het is waar, smart is zwaar om te dragen, en wanneer de Heere bezoekt, doet Hij het in ernst. Maar wat zou het u baten alles te bezitten wat het vleselijke hart begeert, en daarbij in zorgeloosheid te verharden en voor eeuwig verloren te gaan?
Leert de verdrukking u de Heere te zoeken, met het diepe gevoel dat niemand dan Hij kan redden? Dan is zij u goed. Hij Die het hart doorzoekt, hoort elke zucht en elk stil verlangen, en Hij legt u niet meer op dan u dragen kunt. Toeft Hij te komen, dan is het opdat u leert dat u geen recht op Hem hebt en dat alles loutere genade is. Maar wacht op Hem: vroeger of later zal Hij verschijnen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest, opdat ik uwe inzettingen leerde.
Psalm 119:71
Wij kunnen alles bezitten wat het vleselijke hart begeert; daardoor zullen wij alleen maar verharden in wereldsgezindheid en goddeloosheid. Maar het is veel beter naar lichaam en ziel onderworpen te worden; door bezoekingen gespeend en afgezonderd te worden van een goddeloze wereld; de behoefte aan Christus te voelen en te beseffen dat onze ziel zonder deel aan Zijn dierbaar bloed voor eeuwig verloren is. Hoeveel beter is het werkelijk om op een ziekbed van smart te liggen met hoop op Gods genade, dan aan onze eigen vleselijkheid en zorgeloosheid te worden overgelaten! Smart, van welke aard ook, is zwaar om te dragen, vooral wanneer wij beginnen te morren en te klagen onder de zwaarte van het kruis. Maar wanneer de Heere ons bezoekt, doet Hij dat in ernst en wil Hij het ons laten voelen. Er zijn strenge maatregelen nodig om ons te doen buigen, en een bezoeking zou geen bezoeking zijn als zij niet vol smart en leed was.
Maar wanneer de bezoeking ons leert de Heere te zoeken met een diep besef in de ziel dat niemand anders dan Hij kan redden en zaligmaken, en wanneer wij in oprechtheid en ernst naar Hem kunnen opzien, opdat Hij Zijn liefde en genade aan ons openbaart, dan zal Hij vroeg of laat verschijnen. De Heere, Die het hart doorzoekt, kent alle begeerten van het hart en luistert naar elke zucht, elk verlangen, elke innerlijke verzuchting. Hij kent onze toestand naar lichaam en ziel. Hij legt ons niet meer op dan wij kunnen dragen, en alles wat Hij van ons vraagt, kan Hij geven en geeft Hij ook. Maar heel vaak toeft Hij met komen, om ons daardoor te leren dat wij geen recht op Hem hebben en dat alles wat Hij ons schenkt, louter ontferming en genade is.
’t Is goed voor mij verdrukt te zijn geweest
opdat ik dus uw godd’lijk recht zou leren;
sinds heeft mijn hart voor hovaardij gevreesd.
Ai, doe mij steeds uw wil als heilig eren!
Ver boven goud en zilver en wat meest
de mens bekoort, zal ik uw wet waarderen.
Psalm 119:36
Aan de lezer…
Ligt u misschien op een ziekbed van smart, waarde lezer, of drukt de zwaarte van het kruis u zo dat u begint te morren en te klagen? Het is waar, smart is zwaar om te dragen, en wanneer de Heere bezoekt, doet Hij dat in ernst. Maar wat zou het u baten alles te bezitten wat het vleselijke hart begeert, en daarbij in zorgeloosheid te verharden en voor eeuwig verloren te gaan?
Leert de verdrukking u de Heere te zoeken, met het diepe besef dat niemand anders dan Hij kan redden? Dan is zij goed voor u. Hij Die het hart doorzoekt, hoort elke zucht en elk stil verlangen, en Hij legt u niet meer op dan u kunt dragen. Toeft Hij met komen, dan is dat opdat u leert dat u geen recht op Hem hebt en dat alles louter genade is. Maar wacht op Hem: vroeg of laat zal Hij verschijnen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
It is good for me that I have been afflicted; that I might learn Thy statutes.
Psalm 119:71
We may have everything naturally that the carnal heart desires, and only be hardened thereby into worldliness and ungodliness. But to be brought down in body and soul, to be weaned and separated from an ungodly world by affliction sanctified and made spiritually profitable—to be brought to feel our need of Christ, and that without a saving interest in His precious blood our soul must be forever lost—how much better it is really and truly, to be laid on a bed of affliction, with a hope in God’s mercy, than to be left to our own carnality and thoughtlessness.
Affliction of any kind is very hard to bear, and especially so when we begin to murmur and fret under the weight of the cross; but when the Lord afflicts it is in good earnest; He means to make us feel. Strong measures are required to bring us down; and affliction would not be affliction, unless it were full of grief and sorrow. But when affliction makes us seek the Lord with a deep feeling in the soul that none but Himself can save or bless, and we are enabled to look up unto Him, with sincerity and earnestness, that He would manifest His love and mercy to our heart, He will appear sooner or later.
The Lord, Who searches the heart, knows all the real desire of the soul, and can and does listen to a sigh, a desire, a breath of supplication within. He knows our state, both of body and soul, and is not a hard taskmaster to require what we cannot give, or lay upon us more than we can bear. But very often He delays to appear, that He may teach us thereby we have no claim upon Him, and that anything granted is of His pure compassion and grace.
To the reader…
Are you perhaps lying on a bed of affliction, dear reader, or does the weight of the cross press on you so that you begin to murmur and complain? It is true, affliction is heavy to bear, and when the Lord afflicts, He does it in good earnest. But what would it profit you to possess all that the carnal heart desires, and to be hardened by it into thoughtlessness and to be lost forever?
Does affliction teach you to seek the Lord, with a deep sense that no one but He can save? Then it is good for you. He Who searches the heart hears every sigh and every silent desire, and He lays no more on you than you can bear. If He delays His coming, it is so that you may learn that you have no claim on Him and that everything is pure grace. But wait for Him: sooner or later He will appear.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Bueno me es haber sido humillado, para que aprenda Tus estatutos.
Salmo 119:71
Podemos tener naturalmente todo lo que desea el corazón carnal, y solo ser endurecidos por ello en la mundanalidad y la impiedad. Pero ser abatidos en cuerpo y alma, ser destetados y separados de un mundo impío por la aflicción santificada y hecha espiritualmente provechosa; ser llevados a sentir nuestra necesidad de Cristo, y que sin un interés salvador en Su preciosa sangre nuestra alma estará perdida para siempre: ¡cuánto mejor es, real y verdaderamente, ser puestos en un lecho de aflicción, con una esperanza en la misericordia de Dios, que ser dejados a nuestra propia carnalidad e irreflexión!
La aflicción de cualquier clase es muy dura de soportar, y especialmente cuando comenzamos a murmurar y a inquietarnos bajo el peso de la cruz; pero cuando el Señor aflige, lo hace en serio; quiere hacernos sentir. Se requieren medidas fuertes para abatirnos; y la aflicción no sería aflicción si no estuviera llena de pena y de dolor. Pero cuando la aflicción nos hace buscar al Señor con un sentimiento profundo en el alma de que nadie sino Él puede salvar o bendecir, y somos capacitados para mirar a Él con sinceridad y fervor, para que manifieste Su amor y Su misericordia a nuestro corazón, Él aparecerá tarde o temprano.
El Señor, que escudriña el corazón, conoce todo el deseo verdadero del alma, y puede escuchar, y escucha, un suspiro, un deseo, un aliento de súplica interior. Conoce nuestro estado, tanto del cuerpo como del alma, y no es un capataz duro que exija lo que no podemos dar, o que ponga sobre nosotros más de lo que podemos llevar. Pero muy a menudo tarda en aparecer, para enseñarnos con ello que no tenemos ningún derecho sobre Él, y que todo lo que se nos concede es de Su pura compasión y gracia.
Al lector…
¿Está usted quizá en un lecho de aflicción, querido lector, o le oprime el peso de la cruz de tal modo que comienza a murmurar y a quejarse? Es verdad, la aflicción es pesada de llevar, y cuando el Señor aflige, lo hace en serio. Pero ¿de qué le aprovecharía poseer todo lo que desea el corazón carnal, ser endurecido por ello en la irreflexión y perderse para siempre?
¿Le enseña la aflicción a buscar al Señor, con un sentido profundo de que nadie sino Él puede salvar? Entonces le es buena. Aquel que escudriña el corazón oye cada suspiro y cada deseo silencioso, y no pone sobre usted más de lo que puede llevar. Si tarda en venir, es para que aprenda que no tiene ningún derecho sobre Él y que todo es pura gracia. Pero espérele: tarde o temprano Él aparecerá.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
De menselijke natuur van Christus
Maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, en is de mensen gelijk geworden.
Filippensen 2:7
Een daad van vernedering van de eeuwige Zoon van God bij het aannemen van ons wezen was de gestaltenis eens dienstknechts aan te nemen. Sommigen zijn geboren als dienstknecht, zoals Abraham driehonderdachttien opgeleide knechten had die in zijn huis waren geboren (Gen. 14:14), en sommigen worden door anderen tot dienstknecht gemaakt, hetzij als krijgsgevangenen (Deut. 21:10), hetzij gekocht (Lev. 25:44-46). Maar de gezegende Zoon van God nam de gestaltenis van een dienstknecht aan als vrijwillige genadedaad, en niet alleen de gestalte, maar ook de werkelijkheid ervan. Want het woord gestaltenis betreft niet alleen Zijn uiterlijkheden terwijl Hij hier beneden was, maar ook Zijn innerlijke zielsonderwerping aan God.
Daarom zei de Vader over Hem in een profetie: „Ziet, Mijn Knecht, Dien Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in Dewelken Mijn ziel een welbehagen heeft!” (Jes. 42:1), en tot Hem: „Gij zijt Mijn Knecht, Israël, door Welken Ik verheerlijkt zal worden” (Jes. 49:3). Hij heeft Zich van moeders buik af tot een Knecht geformeerd (Jes. 49:5), zodat Hij een Knecht werd op hetzelfde ogenblik dat Hij onze natuur met Zijn eigen goddelijke Persoon verenigde in de schoot van de maagd. Zo zegt de apostel het in de woorden van Psalm 40:7: „Gij hebt Mij de oren doorboord”, dat wil zeggen: „Gij hebt Mij tot Uw bereidwillige dienaar gemaakt”, als zinspeling op Exodus 21:6; „Gij hebt Mij het lichaam toebereid” (Hebr. 10:5). Want door het toebereide lichaam aan te nemen werd Hij de bereidwillige dienaar van de Vader, volgens Zijn eigen woorden: „Ik heb lust, o Mijn God! om Uw welbehagen te doen” (Ps. 40:9).
Lezen: Filippensen 2:1-11
Aan de lezer…
Misschien staat u er niet vaak bij stil Wie het was Die in de schoot van de maagd een Knecht werd. Niemand dwong Hem; Hij was niet als knecht geboren in eens anders huis en niet gekocht als een slaaf. Uit vrije genade nam de eeuwige Zoon de gestaltenis eens dienstknechts aan, en niet alleen in de uiterlijke gestalte, maar met een hart dat lust had om het welbehagen van Zijn Vader te doen.
Voelt u uw eigen hart zo onwillig, zo traag en opstandig? Hier is een Knecht Die nooit onwillig was. Wat u niet kunt, heeft Hij volbracht; waar uw onderwerping tekortschiet, was de Zijne volkomen. In Hem heeft de ziel van de Vader een welbehagen. Vlucht dan niet weg van Hem omdat u zo arm bent, maar zie op Hem Die Zichzelven vernietigd heeft om zulken als u te dienen en te redden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, en is de mensen gelijk geworden.
Filippensen 2:7
Een daad van vernedering van de eeuwige Zoon van God, toen Hij onze natuur aannam, was dat Hij de gestaltenis van een dienstknecht aannam. Sommigen worden als dienstknecht geboren, zoals Abraham driehonderdachttien geoefende knechten had die in zijn huis geboren waren (Gen. 14:14). Anderen worden door anderen tot dienstknecht gemaakt, hetzij als krijgsgevangenen (Deut. 21:10), hetzij doordat ze gekocht zijn (Lev. 25:44-46). Maar de gezegende Zoon van God nam de gestaltenis van een dienstknecht aan als een vrijwillige daad van genade, en niet alleen de gestalte, maar ook de werkelijkheid ervan. Want het woord gestaltenis betreft niet alleen Zijn uiterlijke omstandigheden toen Hij hier beneden was, maar ook de innerlijke onderwerping van Zijn ziel aan God.
Daarom zei de Vader in een profetie over Hem: „Ziet, Mijn Knecht, Dien Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in Dewelken Mijn ziel een welbehagen heeft!” (Jes. 42:1), en tot Hem: „Gij zijt Mijn Knecht, Israël, door Welken Ik verheerlijkt zal worden” (Jes. 49:3). Hij werd van de moederschoot af tot een Knecht gevormd (Jes. 49:5), zodat Hij een Knecht werd op hetzelfde ogenblik dat Hij in de schoot van de maagd onze natuur met Zijn eigen goddelijke Persoon verenigde. Zo zegt de apostel het met de woorden van Psalm 40:7: „Gij hebt Mij de oren doorboord”, dat wil zeggen: „Gij hebt Mij tot Uw bereidwillige dienaar gemaakt”, met een zinspeling op Exodus 21:6; „Gij hebt Mij het lichaam toebereid” (Hebr. 10:5). Want door het toebereide lichaam aan te nemen werd Hij de bereidwillige dienaar van de Vader, naar Zijn eigen woorden: „Ik heb lust, o Mijn God! om Uw welbehagen te doen” (Ps. 40:9).
Lezen: Filippensen 2:1-11
Aan de lezer…
Misschien staat u er niet vaak bij stil Wie het was Die in de schoot van de maagd een Knecht werd. Niemand dwong Hem; Hij was niet als knecht geboren in het huis van een ander en niet gekocht als een slaaf. Uit vrije genade nam de eeuwige Zoon de gestaltenis van een dienstknecht aan, en niet alleen in de uiterlijke gestalte, maar met een hart dat lust had om het welbehagen van Zijn Vader te doen.
Voelt u uw eigen hart zo onwillig, zo traag en opstandig? Hier is een Knecht Die nooit onwillig was. Wat u niet kunt, heeft Hij volbracht; waar uw onderwerping tekortschiet, was de Zijne volkomen. In Hem heeft de ziel van de Vader een welbehagen. Vlucht dan niet weg van Hem omdat u zo arm bent, maar zie op Hem Die Zichzelven vernietigd heeft om mensen zoals u te dienen en te redden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
But made Himself of no reputation, and took upon Him the form of a servant, and was made in the likeness of men.
Philippians 2:7
One act of humiliation of the eternal Son of God, when He took our nature, was that He took upon Him the form of a servant. Some are born servants, as Abraham had three hundred and eighteen trained servants born in his own house (Gen. 14:14). Others are made servants by others, either as captives of war (Deut. 21:10) or by being bought (Lev. 25:44-46). But the blessed Son of God took upon Him the form of a servant as a voluntary act of grace, and not only the form, but the reality of it too. For the word form concerns not only His outward circumstances when He was here below, but also the inward subjection of His soul to God.
Therefore the Father said in a prophecy concerning Him, “Behold My Servant, Whom I uphold; Mine Elect, in Whom My soul delighteth” (Isa. 42:1), and to Him, “Thou art My Servant, O Israel, in Whom I will be glorified” (Isa. 49:3). He was formed from the womb to be a Servant (Isa. 49:5), so that He became a Servant at the very moment He united our nature to His own Divine Person in the womb of the virgin. So the apostle puts it in the words of Psalm 40:6, “Mine ears hast Thou opened,” that is, “Thou hast made Me Thy willing servant,” with an allusion to Exodus 21:6; “a body hast Thou prepared Me” (Heb. 10:5). For by taking the prepared body He became the willing servant of the Father, according to His own words, “I delight to do Thy will, O My God” (Ps. 40:8).
Reading: Philippians 2:1-11
To the reader…
Perhaps you do not often stop to consider Who it was that became a Servant in the womb of the virgin. No one compelled Him; He was not born a servant in another man’s house, nor bought as a slave. Of free grace the eternal Son took upon Him the form of a servant, and not only in outward form, but with a heart that delighted to do His Father’s will.
Do you feel your own heart so unwilling, so slow and rebellious? Here is a Servant Who was never unwilling. What you cannot do, He has accomplished; where your submission falls short, His was perfect. In Him the soul of the Father delights. Do not flee from Him, then, because you are so poor, but look to Him Who made Himself of no reputation to serve and to save people like you.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Sin embargo, se anonadó a Sí mismo, tomando forma de siervo, hecho semejante a los hombres.
Filipenses 2:7
Un acto de humillación del eterno Hijo de Dios, cuando tomó nuestra naturaleza, fue que tomó sobre Sí la forma de siervo. Algunos nacen siervos, como Abraham tenía trescientos dieciocho criados nacidos en su casa (Gn. 14:14). Otros son hechos siervos por otros, sea como cautivos de guerra (Dt. 21:10) o por haber sido comprados (Lv. 25:44-46). Pero el bendito Hijo de Dios tomó sobre Sí la forma de siervo como un acto voluntario de gracia, y no solo la forma, sino también la realidad de ella. Porque la palabra forma no se refiere solo a Sus circunstancias exteriores cuando estuvo aquí abajo, sino también a la sujeción interior de Su alma a Dios.
Por eso el Padre dijo en una profecía acerca de Él: “He aquí Mi Siervo, Yo lo sostendré; Mi Escogido, en quien Mi alma toma contentamiento” (Is. 42:1), y a Él: “Mi Siervo eres, oh Israel, que en Ti Me gloriaré” (Is. 49:3). Fue formado desde el vientre para ser Siervo (Is. 49:5), de modo que llegó a ser Siervo en el mismo momento en que unió nuestra naturaleza a Su propia Persona divina en el seno de la virgen. Así lo expresa el apóstol con las palabras del Salmo 40:6: “Has labrado Mis orejas”, es decir, “Me has hecho Tu siervo voluntario”, con alusión a Éxodo 21:6; “mas Me apropiaste cuerpo” (He. 10:5). Porque al tomar el cuerpo preparado llegó a ser el siervo voluntario del Padre, conforme a Sus propias palabras: “El hacer Tu voluntad, Dios Mío, Me ha agradado” (Sal. 40:8).
Lectura: Filipenses 2:1-11
Al lector…
Quizá no se detenga a menudo a considerar Quién fue el que llegó a ser Siervo en el seno de la virgen. Nadie le obligó; no nació siervo en casa ajena, ni fue comprado como esclavo. Por pura gracia el eterno Hijo tomó sobre Sí la forma de siervo, y no solo en la forma exterior, sino con un corazón que se deleitaba en hacer la voluntad de Su Padre.
¿Siente usted su propio corazón tan poco dispuesto, tan lento y rebelde? Aquí hay un Siervo que nunca fue renuente. Lo que usted no puede hacer, Él lo ha cumplido; donde su sumisión se queda corta, la Suya fue perfecta. En Él se complace el alma del Padre. No huya, pues, de Él porque es usted tan pobre, sino mire a Aquel que se anonadó a Sí mismo para servir y salvar a personas como usted.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Heeft Hij ons zalig gemaakt, niet uit de werken der rechtvaardigheid, die wij gedaan hebben, maar naar Zijn barmhartigheid.
Titus 3:5
Om de barmhartigheid in haar ware hoedanigheid te zien, moeten wij naar Golgotha. Het is niet voldoende de reinheid van God te stellen tegenover de onreinheid des mensen. Dat verschaft ons inderdaad enig gezicht van hetgeen de barmhartigheid moest zijn om de diepten van de val te kunnen bereiken: een gezicht van terzijde op die uitnemende eigenschap. Maar om haar volkomen te zien schijnen op de verlosten, moeten wij door het geloof, onder de verborgen onderwijzingen en leidingen van de Heilige Geest, uitgaan om „Immanuël, God met ons” te aanschouwen, kruipende in de hof van Gethsémané. Wij moeten Hem aanschouwen zoals Hij daar naakt hangt aan het kruis, zuchtende, bloedende, worstelende met de dood, stervende.
Wij moeten de Godheid en mensheid aanschouwen, verenigd in de Persoon van de lijdende Jezus, en de kracht van de Godheid, de mensheid onderschragende. Wij moeten dat wonderlijk schouwspel van liefde en bloed aanschouwen, en dan moeten onze ogen overvloeien van smartetranen, van vernedering en berouw op dat gezicht, om een weinig te kunnen ingaan in de tedere barmhartigheid Gods. Niets buiten dit kan des zondaars hart in waarheid verbreken.
De wet als wet kan slechts verharden
de tijd wanneer zij werkt alleen.
Maar ’n toegepast gezicht op ’t lijden
smelt ’t hardste hart, al was ’t van steen.
De verschrikkingen der wet, dood en gericht, oneindige reinheid en eeuwige wraak zullen het hart des zondaars niet vernederen of verbreken. Maar als hij geleid wordt tot het beschouwen van de lijdende Immanuël, en een zoet bewijs in zijn consciëntie geschonken wordt dat dit lijden voor hem was, dan zal dit, en dit alleen, zijn hart vermurwen. Dus alleen door een zoet gevoel van liefde en bloed in het hart toont de gezegende Geest aan de zondaar iets van de diepten der tedere barmhartigheid Gods.
Aan de lezer…
Er zijn tijden dat u klaagt dat uw hart zo hard is, dat de verschrikkingen der wet en de gedachte aan dood en gericht het niet kunnen breken. U hebt het misschien lang geprobeerd met vrees en met goede voornemens, en het bleef als steen. Wees daarover niet verwonderd: de wet alleen kan slechts verharden. God heeft een andere weg om een zondaarshart te smelten.
Ga dan, zo de Geest u leidt, naar Gethsémané en Golgotha. Zie daar Immanuël, God met ons, zuchtende, bloedende, stervende. Daar is de barmhartigheid in haar ware gestalte te zien, en zij reikt tot in de diepten van de val. Hij maakt niet zalig uit de werken die wij gedaan hebben, maar naar Zijn barmhartigheid. Bid dan om dat ene zoete bewijs in uw consciëntie, dat dit lijden voor u was; dat alleen kan doen wat niets anders vermag.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Heeft Hij ons zalig gemaakt, niet uit de werken der rechtvaardigheid, die wij gedaan hebben, maar naar Zijn barmhartigheid.
Titus 3:5
Om de barmhartigheid te zien zoals zij werkelijk is, moeten wij naar Golgotha. Het is niet genoeg de reinheid van God te stellen tegenover de onreinheid van de mens. Dat geeft ons wel enig zicht op wat de barmhartigheid moest zijn om de diepten van de val te kunnen bereiken: een zijdelingse blik op die uitnemende eigenschap. Maar om haar volkomen te zien schijnen over de verlosten, moeten wij door het geloof, onder het verborgen onderwijs en de leiding van de Heilige Geest, uitgaan om „Immanuël, God met ons” te zien, neergebogen in de hof van Gethsémané. Wij moeten Hem zien zoals Hij daar naakt aan het kruis hangt, zuchtend, bloedend, worstelend met de dood, stervend.
Wij moeten de Godheid en de mensheid zien, verenigd in de Persoon van de lijdende Jezus, en de kracht van de Godheid die de mensheid ondersteunt. Wij moeten dat wonderlijke schouwspel van liefde en bloed zien, en dan moeten onze ogen bij dat gezicht overvloeien van tranen van smart, van vernedering en berouw, om iets te kunnen begrijpen van de tedere barmhartigheid van God. Niets anders dan dit kan het hart van de zondaar werkelijk breken.
De wet als wet kan slechts verharden
de tijd wanneer zij werkt alleen.
Maar ’n toegepast gezicht op ’t lijden
smelt ’t hardste hart, al was ’t van steen.
De verschrikkingen van de wet, dood en oordeel, oneindige reinheid en eeuwige wraak zullen het hart van de zondaar niet vernederen of breken. Maar wanneer hij ertoe geleid wordt de lijdende Immanuël te zien, en hem een zoet bewijs in zijn geweten geschonken wordt dat dit lijden voor hem was, dan zal dat, en dat alleen, zijn hart vermurwen. Alleen door een zoet besef van liefde en bloed in het hart toont de gezegende Geest de zondaar dus iets van de diepten van de tedere barmhartigheid van God.
Aan de lezer…
Er zijn tijden dat u klaagt dat uw hart zo hard is, dat de verschrikkingen van de wet en de gedachte aan dood en oordeel het niet kunnen breken. U hebt het misschien lang geprobeerd met vrees en met goede voornemens, en het bleef als steen. Wees daarover niet verwonderd: de wet alleen kan slechts verharden. God heeft een andere weg om het hart van een zondaar te doen smelten.
Ga dan, als de Geest u leidt, naar Gethsémané en Golgotha. Zie daar Immanuël, God met ons, zuchtend, bloedend, stervend. Daar is de barmhartigheid in haar ware gestalte te zien, en zij reikt tot in de diepten van de val. Hij maakt niet zalig uit de werken die wij gedaan hebben, maar naar Zijn barmhartigheid. Bid dan om dat ene zoete bewijs in uw geweten, dat dit lijden voor u was; dat alleen kan doen wat niets anders vermag.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Not by works of righteousness which we have done, but according to his mercy he saved us.”
Titus 3:5
To view mercy in its real character, we must go to Calvary. It is not sufficient to contrast the purity of God with the impurity of man. That indeed affords us some view of what mercy must be to reach the depths of the fall—a side face of that precious attribute. But to see its full face shining upon the redeemed, we must go by faith, under the secret teachings and leadings of the Holy Spirit, to see “Immanuel, God with us,” groveling in Gethsemane’s garden.
We must view Him naked upon the cross, groaning, bleeding, agonizing, dying. We must view Godhead and manhood united together in the Person of a suffering Jesus; and the power of the Godhead bearing up the suffering manhood. We must view that wondrous spectacle of love and blood, and feel our eyes flowing down in streams of sorrow, humility, and contrition at the sight, in order to enter a little into the depths of the tender mercy of God. Nothing but this can really break the sinner’s heart.
“Law and terrors do but harden,
All the while they work alone;
But a sense of blood-bought pardon
Soon dissolves a heart of stone.”
Law terrors, death and judgment, infinite purity, and eternal vengeance will not soften or break a sinner’s heart. But if he is led to view a suffering Immanuel, and a sweet testimony is raised up in his conscience that those sufferings were for him—this, and this only will break his heart all to pieces. Thus, only by bringing a sweet sense of love and blood into his heart does the blessed Spirit show a sinner some of the depths of the tender mercy of God.
To the reader…
There are times when you complain that your heart is so hard, that the terrors of the law and the thought of death and judgment cannot break it. Perhaps you have long tried with fear and with good resolutions, and it stayed like stone. Do not be surprised at that: the law alone can only harden. God has another way to make the heart of a sinner melt.
Go, then, as the Spirit leads you, to Gethsemane and Golgotha. See there Immanuel, God with us, groaning, bleeding, dying. There mercy is seen in its true form, and it reaches down into the depths of the fall. He saves not by works of righteousness which we have done, but according to His mercy. Pray, then, for that one sweet testimony in your conscience, that this suffering was for you; that alone can do what nothing else can.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“No por obras de justicia que nosotros habíamos hecho, mas por Su misericordia nos salvó.”
Tito 3:5
Para ver la misericordia en su verdadero carácter, hemos de ir al Calvario. No basta con contrastar la pureza de Dios con la impureza del hombre. Eso nos da, en efecto, alguna idea de lo que ha de ser la misericordia para alcanzar las profundidades de la caída: un perfil de ese precioso atributo. Pero para ver su rostro entero resplandeciendo sobre los redimidos, hemos de ir por fe, bajo las secretas enseñanzas y la dirección del Espíritu Santo, a ver a “Emmanuel, Con nosotros Dios”, postrado en tierra en el huerto de Getsemaní.
Hemos de contemplarle desnudo sobre la cruz, gimiendo, sangrando, agonizando, muriendo. Hemos de contemplar la Deidad y la humanidad unidas en la Persona de un Jesús que sufre, y el poder de la Deidad sosteniendo la humanidad que sufre. Hemos de contemplar ese maravilloso espectáculo de amor y sangre, y sentir que nuestros ojos se deshacen en ríos de dolor, humildad y contrición ante esa vista, para entrar un poco en las profundidades de la entrañable misericordia de Dios. Nada sino esto puede realmente quebrantar el corazón del pecador.
“La ley y sus terrores solo endurecen,
mientras obran ellos solos;
pero el sentir del perdón comprado con sangre
pronto derrite un corazón de piedra.”
Los terrores de la ley, la muerte y el juicio, la pureza infinita y la venganza eterna no ablandarán ni quebrantarán el corazón de un pecador. Pero si es llevado a contemplar a un Emmanuel que sufre, y se levanta en su conciencia un dulce testimonio de que esos sufrimientos fueron por él, esto, y solo esto, le quebrantará el corazón por completo. Así, solo trayendo a su corazón un dulce sentir de amor y sangre, el bendito Espíritu muestra a un pecador algo de las profundidades de la entrañable misericordia de Dios.
Al lector…
Hay momentos en que usted se queja de que su corazón es tan duro, de que los terrores de la ley y el pensamiento de la muerte y del juicio no pueden quebrantarlo. Quizá lo ha intentado durante mucho tiempo con temor y con buenos propósitos, y siguió como piedra. No se sorprenda de ello: la ley sola solo puede endurecer. Dios tiene otro camino para hacer que el corazón de un pecador se derrita.
Vaya, pues, según el Espíritu le guíe, a Getsemaní y al Gólgota. Vea allí a Emmanuel, Con nosotros Dios, gimiendo, sangrando, muriendo. Allí se ve la misericordia en su verdadera forma, y desciende hasta las profundidades de la caída. Él salva no por obras de justicia que nosotros habíamos hecho, sino por Su misericordia. Pida, pues, ese único y dulce testimonio en su conciencia, de que este sufrimiento fue por usted; solo eso puede hacer lo que nada más puede.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl