Nieuw verschenenHet gesprek van een gelovige met zijn zielPreken · vandaag
Joseph Charles Philpot J.C. Philpot Bevindelijke geschriften & prediking
Steun

Korenaren

 

 

Vandaag

Korenaren Uit De Volle Oogst

23 november Korenaren uit de volle oogst

Welzalig is de man, o Heere! die Gij tuchtigt; en die Gij leert uit Uw wet.
Psalm 94:12

Wij kunnen uit de woorden die hier voor ons liggen opmaken dat de Heere het kastijden laat voorafgaan aan het leren. Is daar niet iets opmerkelijks in? Waarom zou de kastijding aan het onderwijs voorafgaan? Om deze reden: wij hebben geen oren om te horen, tenzij wij gekastijd worden. Zo was het met de verloren zoon. Voordat hij door de kastijding van de honger tot inkeer gebracht was, dacht hij niet aan het huis van zijn vader; hij durfde niet terug te keren, maar een grote hongersnood dreef hem naar huis.

Zo is het met Gods kinderen: zolang hun wordt toegestaan hun eigen wegen te gaan, denken zij er niet aan terug te keren. Maar laat de roede komen; laat hen door geselslagen naar huis gedreven worden, dan hebben zij oren om te horen, terwijl God hen leert wat nuttig is, hen onderwijst door Zijn gezegende Geest en tot hun hart de lessen spreekt die tot hun eeuwig geluk dienen.

„En die Gij leert uit Uw wet.” Het woord „wet” heeft in de Schrift een heel ruime betekenis; in de grondtaal betekent het onderricht. Het woord is Thora, dat „lering” of „aanwijzing” betekent. Het woord „Wet” is dus niet beperkt tot de wet van Mozes, die onder donder en bliksem op de berg Sinaï gegeven werd, maar omvat ook het Evangelie van de Heere Jezus Christus: „de volmaakte wet, die der vrijheid is”; „de wet des Geestes des levens, die in Christus Jezus is”; de wet die in het hart van de Verlosser was toen Hij zei: „Zie, Ik kom, om Uw wil te doen, o God”; ja, „Uw wet is in het midden van mijn ingewand”.

Wanneer de Heere Zijn kinderen nu leert „uit de Wet”, leert Hij hun „uit” het Evangelie. Naar mijn gevoel ligt er iets heel lieflijks en betekenisvols in de woorden „uit de Wet”. Het lijkt te betekenen dat de Wet een schatkamer van toorn is, maar het Evangelie een schatkamer van barmhartigheid. Zij die het meest van de Wet kennen, hebben alleen geleerd „uit de Wet”, en niet de hele Wet; slechts enkele ware druppels als het ware uit de onuitputtelijke toorn van God. Zo kan ook uit de hemelse schatkamer van het Evangelie, „de volmaaktste Wet der vrijheid”, in dit leven maar weinig van barmhartigheid en genade gekend worden.

Zo zei Christus tot Zijn discipelen, toen Hij hun de Geest beloofde: „Hij zal van het Mijne nemen, en zal het u verkondigen.” Hij kan niet „alles” nemen en het hun laten zien, want niemand zou onder dat gezicht in leven kunnen blijven. Daarom neemt de Geest van de dingen van Christus, en laat hier een weinig en daar een weinig zien: een weinig gelukzaligheid hier en een weinig gelukzaligheid daar; een passende belofte, een genadig getuigenis, een troostrijke tekst, een bemoedigend woord, een blik op het zoenbloed, een glimlach van Zijn gelaat, een zien van Zijn Persoon, een ontdekking van Zijn gerechtigheid, of een bewijs van Zijn liefde. Dat is het nemen van de dingen van Christus en ze geven aan de ziel. Zo onderwijst de Heere de mens die Hij onder handen neemt „uit” het Evangelie: Hij maakt Christus bevindelijk aan hem bekend en openbaart hem Zijn stervende liefde. En zo onderwijst Hij ieder van hen „uit Zijn Wet”, zowel uit de Wet van Sinaï als uit de Wet van Sion.

Ps. 94:6

Aan de lezer…

Hier staat een woord voor wie op dit ogenblik de roede draagt. Voelt u de geselslagen en begrijpt u niet waarom de Heere zo met u handelt? Kijk dan naar de verloren zoon: zolang hij zijn eigen weg kon gaan, dacht hij niet aan het huis van zijn vader. Pas de honger dreef hem naar huis. Zo is het ook met Gods kinderen; wij hebben geen oren om te horen, tenzij wij gekastijd worden.

Welzalig dan de man die Hij tuchtigt, want op de tuchtiging volgt het onderwijs. De Geest neemt van de dingen van Christus en geeft ze aan de ziel: hier een troostrijke tekst, daar een blik op het zoenbloed, soms een glimlach van Zijn gelaat. Het is maar een weinig, want niemand zou het allemaal kunnen dragen; maar het is genoeg om de ziel naar huis te trekken. Wordt u gekastijd, bid dan dat Hij u daardoor wil leren uit Zijn wet.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina

365 Dagen Met Philpot

23 november 365 dagen met Philpot

Die Koning verhore ons

O Heere! behoud; die Koning verhore ons, ten dage van ons roepen.
Psalm 20:10

Alleen de Koning kan ons goed doen. Hij alleen kan ons verlossen, ons zegenen en ons Zijn liefde laten genieten; ons beschermen tegen onze vijanden; Zijn tedere zorg aan ons hart schenken; ons hier gelukkig maken en ons daarna meenemen naar de eeuwige zaligheid. „Die Koning verhore ons ten dage van ons roepen.” Wanneer rovers ons overvallen, wanneer deze afvalligen door de straten rennen, wanneer deze begeerten, als zoveel vijanden van Hem en van ons, sterk en springlevend zijn, laat Hij Zich dan openbaren. Laat Hij onze vijanden uiteendrijven; laat Hij komen, ons hart en onze genegenheden opeisen en Zich als onze Koning en Heerser openbaren.

Is dit niet het gevoel van een levende ziel: vol schaamte en smart te zijn, vol zelfverachting omdat men zo’n stakker is, en toch Jezus niet te kunnen opgeven? Hoewel men aan de einden der aarde is, toch naar Hem te verlangen, uit te zien en te smachten; te verdienen dat men in de hel geworpen wordt, maar een plaats in de hemel te begeren; vaak de duivel te dienen en toch aan de borst van de Koning der koningen te willen leunen; vaak belust te zijn op de lekkernijen van de duivel, en toch gevoed te willen worden met het vlees van de tafel van de Koning?

„O Heere! behoud”, want niemand anders dan U kan zo’n stakker redden. „Die Koning verhore ons ten dage van ons roepen”, in uiterste nood, in schaamte, in smart. „Die Koning verhore ons”: dat Hij onze smeekbeden niet afwijst, Zijn ontstemde gezicht niet afwendt en niet zegt: „Ik geef u over”, maar liever: „Hoe zou Ik u overgeven, o Efraïm? u overleveren, o Israël? Hoe zou Ik u maken als Adama, u stellen als Zeboïm? Mijn hart is in Mij omgekeerd, al Mijn berouw is tezamen ontstoken” (Hos. 11:8). „Ik zal u niet overgeven, Efraïm.” „Ofschoon hij een opstandig kind is, ofschoon hij vanaf de schoot een overtreder is gebleken, kan Ik hem niet overgeven, omdat Ik hem heb liefgehad.”

Daarom kan en wil de Koning, Die voor Zijn Kerk gestorven is en zo’n machtig werk voor haar heeft verricht, haar niet overgeven. Hij zal haar redden met een eeuwige verlossing en haar laten zien dat, waar de zonde overvloedig is geweest, de genade „veel overvloediger voorkomt”.

Lezen: Mattheüs 15:21-28

Aan de lezer…

Kent u dat? U staat vol schaamte voor uzelf. U hebt de hel verdiend en begeert toch de hemel; u dient zo vaak de duivel en wilt toch leunen aan de borst van de Koning der koningen. Kunt u Jezus niet opgeven, hoe ellendig u zich ook voelt? Dat is het gevoel van een levende ziel. Een dode kent zo’n strijd niet.

Vreest u dat de Koning Zijn gezicht zal afwenden en zeggen: „Ik geef u over”? Hoor dan wat Hij tegen het opstandige Efraïm zegt: „Hoe zou Ik u overgeven?” Hij heeft Zijn volk liefgehad, en daarom kan Hij het niet loslaten. Niemand anders dan Hij kan zo’n stakker redden, maar Hij kan het ook en Hij wil het. Roep dan tot Hem op de dag van uw nood, in uw schaamte en uw smart. Waar de zonde overvloedig is geweest, daar is Zijn genade veel overvloediger.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina

Door Baca's Vallei

23 november Door Baca’s vallei

Welke tegen hoop op hoop geloofd heeft.
Romeinen 4:18

De hoop is de vrucht van de Geest, en waar de hoop afwezig is of helemaal niet gevonden wordt, al draagt men zelfs de naam, daar heerst de dood. „Maar,” zullen sommigen zeggen, „zijn Gods kinderen niet menigmaal de wanhoop ten prooi?” Nee, niet aan de wanhoop. Zij zijn er vaak heel dichtbij, aan de oever van de wanhoop. De rukwinden uit dat verderfelijke land mogen hun verpeste lucht op hen werpen, zodat zij naar hun gevoel in de wanhoop verkeren, maar geen van Gods kinderen zette ooit zijn voet over de grens, zodat hij in het gebied van de wanhoop terechtgekomen zou zijn.

Als hij dat zou kunnen doen, zou hij niet langer in het land der levenden zijn. Als hij ooit zijn voet zou kunnen zetten over de lijn die het land van de hoop scheidt van het land van de wanhoop, zou hij de Heere niet langer aanroepen om zijn ziel van de hel te redden. Dan zou hij meteen overspoeld worden door haar stromen, die hem in het eeuwig verderf zouden meesleuren. De hel is de plaats van de wanhoop, en het geweten van de verworpene komt in de wanhoop voordat hij in die verterende vlammen geworpen wordt, voordat de hel haar kaken opensperst om hem te ontvangen.

Daarom komt u als kind van God nooit in de wanhoop, tenzij u ooit voelde wat de verdoemden in de hel doormaken. Dat kunt u nooit doormaken, ook al denkt u er hier iets van te kennen. En hoe dicht u ook aan de grens van de wanhoop geweest mag zijn, uw voetstappen hebben die grens nooit overschreden. Nee, er blijft een „wie weet?”, een verborgen ondersteuning als van onder eeuwige armen. Er is een band waarmee de God van alle genade de ziel omsnoert; er is een gouden keten, door God Zelf vanaf de eeuwige troon van barmhartigheid en waarheid neergelaten, die de ziel ervoor bewaart in die afgrond te worden neergetrokken. Zij wordt ervoor bewaard meegesleurd te worden in die vreselijke waterval en verzwolgen te worden in die kolkende afgrond beneden.

Er is een onzichtbare arm die de ziel ervoor bewaart door de watervloeden te worden weggevaagd. Die verborgen ondersteuning blijkt hieruit dat de ziel menigmaal tot gebed wordt opgewekt en haar klachten mag uitstorten voor het aangezicht van de Heere. Zie, dit ondersteunt hen die zich als overspoeld voelen door de stromen van de wanhoop, op het moment dat de sluizen van Gods toorn opengezet lijken te zijn en zich lijken te haasten om hen in de eeuwige ellende te storten. Daarom is er niet één kind van God dat door de Geest levend gemaakt is, of het heeft een zekere hoop die het voor volledige schipbreuk behoedt. Wij zeggen dus niet te veel wanneer wij zeggen dat de afwezigheid van hoop een mens tekent als een dode.

Aan de lezer…

Bent u, waarde lezer, aan de oever van de wanhoop gekomen? Waaien de rukwinden uit dat verderfelijke land u tegemoet, en lijkt het alsof de sluizen van Gods toorn opengezet zijn om u in de diepte te storten? U meent misschien dat u de grens al bent overgegaan. Maar hoe dichtbij u ook geweest bent, zolang u nog tot de Heere roept om uw ziel van de hel te redden, staat u niet in het land van de wanhoop.

Er blijft een „wie weet?”, een verborgen ondersteuning als van onder eeuwige armen. Er is een gouden keten, door God Zelf neergelaten van Zijn troon van barmhartigheid en waarheid, die u bewaart. Dat u nog bidt, dat u uw klachten nog voor Zijn aangezicht mag uitstorten, is daar het teken van. Laat dat u dan bemoedigen om tegen hoop op hoop te geloven. De God van alle genade laat Zijn kind niet in de afgrond wegsleuren.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina