vandaag verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
7 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
11 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
2 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Welzalig is de man, o Heere! die Gij tuchtigt; en die Gij leert uit Uw wet.
Psalm 94:12
Wij kunnen uit de woorden hier voor ons opmaken dat de Heere het leren van kastijden laat voorafgaan. Is hierin niet iets opmerkelijks? Waarom zou de kastijding de onderwijzing voorafgaan? Om deze reden: wij hebben geen oren om te horen, tenzij wij gekastijd worden. Zo was het met de verloren zoon. Vóórdat hij door de kastijding van de honger tot inkeer gebracht was, dacht hij niet aan het huis zijns vaders; hij durfde niet terugkeren, maar een grote hongersnood dreef hem naar huis.
Zo is het met Gods kinderen; zolang hun wordt toegelaten in hun eigen wegen te wandelen, denken zij er niet aan terug te keren. Maar laat de roede komen; laat hen door geselslagen naar huis gedreven worden, dan hebben zij oren om te horen, terwijl God hen leert wat nuttig is, hen onderwijst door Zijn gezegende Geest, en tot hun hart die lessen spreekt die tot hun eeuwig geluk dienen.
„En die Gij leert uit Uw wet.” „De Wet” heeft in de Schrift een zeer ruime betekenis; in de grondtaal betekent het onderwijzing. Het woord is Thora, hetwelk „lering” of „aanwijzing” betekent. Zo is het woord „Wet” niet bepaald tot de wet van Mozes, die onder donder en bliksem op de berg Sinaï gegeven werd, maar het omvat ook het Evangelie van de Heere Jezus Christus: „de volmaakte wet, die der vrijheid is”; „de wet des Geestes des levens, die in Christus Jezus is”; die wet welke in het hart des Verlossers was, toen Hij zeide: „Zie, Ik kom, om Uw wil te doen, o God”; ja, „Uw wet is in het midden van mijn ingewand”.
Als nu de Heere Zijn kinderen leert „uit de Wet”, leert Hij hun „uit” het Evangelie; en naar mijn gemoed ligt er iets zeer liefelijks en betekenisvols in de woorden „uit de Wet”. Het schijnt te betekenen dat de Wet een schatkamer is van toorn, maar dat het Evangelie een schatkamer is van barmhartigheid. En daar zij die het meest van de Wet kennen, alleen geleerd hebben „uit de Wet”, en niet de gehele Wet, slechts enige ware droppels, als het ware, uit de onuitputtelijke toorn Gods, zo ook kan uit de hemelse schatkamer van het Evangelie, „de volmaaktste Wet der vrijheid”, in dit leven slechts een weinig gekend worden van barmhartigheid en genade.
Zoals Christus tot Zijn discipelen zeide, toen Hij hun de Geest beloofde: „Hij zal van het Mijne nemen, en zal het u verkondigen.” Hij kan niet „alles” nemen en het hun tonen, want niemand zou onder dat gezicht kunnen leven. De Geest neemt daarom van de dingen van Christus, en toont hier een weinig en daar een weinig; een weinig gelukzaligheid hier en een weinig gelukzaligheid daar; een passende belofte, een genadige getuigenis, een troostrijke tekst, een bemoedigend woord, een blik op het zoenbloed, een glimlach van Zijn gelaat, een zien van Zijn Persoon, een ontdekking van Zijn gerechtigheid, of een staal van Zijn liefde. Dat is het nemen van de dingen van Christus en ze geven aan de ziel. En zo leert de Heere de man die Hij onder handen neemt „uit” het Evangelie, door Christus bevindelijk bekend te maken en Zijn stervende liefde te openbaren. En zo onderwijst Hij aan elk en allen „uit Zijn Wet”, zowel uit de Wet van Sinaï als uit de Wet van Zion.
Ps. 94:6
Aan de lezer…
Hier staat een woord voor wie de roede op dit ogenblik draagt. Voelt u de geselslagen en begrijpt u niet waarom de Heere zo met u handelt? Zie dan op de verloren zoon: zolang hij zijn eigen weg kon gaan, dacht hij niet aan het huis zijns vaders. Pas de honger dreef hem naar huis. Zo is het ook met Gods kinderen; wij hebben geen oren om te horen, tenzij wij gekastijd worden.
Welzalig dan de man die Hij tuchtigt, want op de tuchtiging volgt het onderwijs. De Geest neemt van de dingen van Christus en geeft ze aan de ziel: hier een troostrijke tekst, daar een blik op het zoenbloed, soms een glimlach van Zijn gelaat. Het is maar een weinig, want niemand zou het al kunnen dragen; maar het is genoeg om de ziel naar huis te trekken. Wordt u gekastijd, bid dan dat Hij u erdoor leren wil uit Zijn wet.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Welzalig is de man, o Heere! die Gij tuchtigt; en die Gij leert uit Uw wet.
Psalm 94:12
Wij kunnen uit de woorden die hier voor ons liggen opmaken dat de Heere het kastijden laat voorafgaan aan het leren. Is daar niet iets opmerkelijks in? Waarom zou de kastijding aan het onderwijs voorafgaan? Om deze reden: wij hebben geen oren om te horen, tenzij wij gekastijd worden. Zo was het met de verloren zoon. Voordat hij door de kastijding van de honger tot inkeer gebracht was, dacht hij niet aan het huis van zijn vader; hij durfde niet terug te keren, maar een grote hongersnood dreef hem naar huis.
Zo is het met Gods kinderen: zolang hun wordt toegestaan hun eigen wegen te gaan, denken zij er niet aan terug te keren. Maar laat de roede komen; laat hen door geselslagen naar huis gedreven worden, dan hebben zij oren om te horen, terwijl God hen leert wat nuttig is, hen onderwijst door Zijn gezegende Geest en tot hun hart de lessen spreekt die tot hun eeuwig geluk dienen.
„En die Gij leert uit Uw wet.” Het woord „wet” heeft in de Schrift een heel ruime betekenis; in de grondtaal betekent het onderricht. Het woord is Thora, dat „lering” of „aanwijzing” betekent. Het woord „Wet” is dus niet beperkt tot de wet van Mozes, die onder donder en bliksem op de berg Sinaï gegeven werd, maar omvat ook het Evangelie van de Heere Jezus Christus: „de volmaakte wet, die der vrijheid is”; „de wet des Geestes des levens, die in Christus Jezus is”; de wet die in het hart van de Verlosser was toen Hij zei: „Zie, Ik kom, om Uw wil te doen, o God”; ja, „Uw wet is in het midden van mijn ingewand”.
Wanneer de Heere Zijn kinderen nu leert „uit de Wet”, leert Hij hun „uit” het Evangelie. Naar mijn gevoel ligt er iets heel lieflijks en betekenisvols in de woorden „uit de Wet”. Het lijkt te betekenen dat de Wet een schatkamer van toorn is, maar het Evangelie een schatkamer van barmhartigheid. Zij die het meest van de Wet kennen, hebben alleen geleerd „uit de Wet”, en niet de hele Wet; slechts enkele ware druppels als het ware uit de onuitputtelijke toorn van God. Zo kan ook uit de hemelse schatkamer van het Evangelie, „de volmaaktste Wet der vrijheid”, in dit leven maar weinig van barmhartigheid en genade gekend worden.
Zo zei Christus tot Zijn discipelen, toen Hij hun de Geest beloofde: „Hij zal van het Mijne nemen, en zal het u verkondigen.” Hij kan niet „alles” nemen en het hun laten zien, want niemand zou onder dat gezicht in leven kunnen blijven. Daarom neemt de Geest van de dingen van Christus, en laat hier een weinig en daar een weinig zien: een weinig gelukzaligheid hier en een weinig gelukzaligheid daar; een passende belofte, een genadig getuigenis, een troostrijke tekst, een bemoedigend woord, een blik op het zoenbloed, een glimlach van Zijn gelaat, een zien van Zijn Persoon, een ontdekking van Zijn gerechtigheid, of een bewijs van Zijn liefde. Dat is het nemen van de dingen van Christus en ze geven aan de ziel. Zo onderwijst de Heere de mens die Hij onder handen neemt „uit” het Evangelie: Hij maakt Christus bevindelijk aan hem bekend en openbaart hem Zijn stervende liefde. En zo onderwijst Hij ieder van hen „uit Zijn Wet”, zowel uit de Wet van Sinaï als uit de Wet van Sion.
Ps. 94:6
Aan de lezer…
Hier staat een woord voor wie op dit ogenblik de roede draagt. Voelt u de geselslagen en begrijpt u niet waarom de Heere zo met u handelt? Kijk dan naar de verloren zoon: zolang hij zijn eigen weg kon gaan, dacht hij niet aan het huis van zijn vader. Pas de honger dreef hem naar huis. Zo is het ook met Gods kinderen; wij hebben geen oren om te horen, tenzij wij gekastijd worden.
Welzalig dan de man die Hij tuchtigt, want op de tuchtiging volgt het onderwijs. De Geest neemt van de dingen van Christus en geeft ze aan de ziel: hier een troostrijke tekst, daar een blik op het zoenbloed, soms een glimlach van Zijn gelaat. Het is maar een weinig, want niemand zou het allemaal kunnen dragen; maar het is genoeg om de ziel naar huis te trekken. Wordt u gekastijd, bid dan dat Hij u daardoor wil leren uit Zijn wet.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Blessed is the man whom Thou chastenest, O Lord, and teachest him out of Thy law.
Psalm 94:12
We may observe in the words before us, that the Lord puts chastening before teaching. Is there not something remarkable in this? Why should chastening precede teaching? For this reason. We have no ear to hear except so far as we are chastened. It was so with the prodigal. Until he was brought to his right mind by strokes of hunger, he did not think of his father’s house; he had no heart to return; but a mighty famine sent him home. So it is with God’s children; as long as they are allowed to wander in their backslidings, they have no heart to return. But let the rod come; let them be driven home by stripes; then they have an ear to listen, while God teaches them to profit, instructs them by His blessed Spirit, and speaks into their heart those lessons which are for their eternal good.
“And teach him out of Your law.” “The law” in the Scriptures has a very wide signification; it means, in the original, instruction. The word is Torah, which signifies “teaching,” or “direction.” Thus the word “law” is not confined to the law of Moses given in thunder and lightning upon Mount Sinai; but it includes also the gospel of the Lord Jesus Christ—“the perfect law of liberty;” “the law of the spirit of life in Christ Jesus;” that law which was in the heart of the Redeemer, when He said, “I come to do Your will, O God; yes, Your law is within my heart.”
Now, as the Lord teaches His children “out of the law,” strictly so called, so He teaches them “out of the gospel”; and to my mind, there is something exceedingly sweet and expressive in the words “out of the law.” It seems to convey, not only that the law is a treasure-house of wrath, but that the gospel also is a treasure-house of mercy. And as those who know most of the law are only taught “out of the law,” and not the whole of the law, only a few drops, as it were, out of the inexhaustible wrath of God; so out of the heavenly treasure-house of the gospel, “the perfect law of liberty,” it is but a little of grace and mercy that in this life can be known.
As Christ said to His disciples in promising the Spirit—“He shall take of mine, and shall show it unto you.” He cannot take “all,” and show it unto them; for none could live under the sight. The Spirit, therefore, takes of the things of Christ, and shows here a little, and there a little; some little blessedness here, and some little blessedness there; a suitable promise, a gracious testimony, a comforting text, an encouraging word, a sight of atoning blood, a smile of His countenance, a view of His Person, a discovery of His righteousness, or a glimpse of His love.
This is taking of the things of Christ, and revealing them to the soul. And thus, the man whom the Lord takes in hand, He teaches “out of” the gospel by making Christ experimentally known, and revealing His dying love. And thus He teaches each and all “out of His law”—both the law from Sinai, and the law from Zion.
To the reader…
Here is a word for you if you are bearing the rod at this moment. Do you feel the stripes and do you not understand why the Lord deals with you in this way? Then look at the prodigal son: as long as he could go his own way, he did not think of his father’s house. Only hunger drove him home. So it is with God’s children too; we have no ear to hear unless we are chastened.
Blessed, then, is the man whom He chastens, for teaching follows the chastening. The Spirit takes of the things of Christ and shows them to the soul: here a comforting text, there a sight of atoning blood, sometimes a smile of His countenance. It is only a little, for no one could bear it all; but it is enough to draw the soul home. If you are being chastened, pray that He will teach you through it out of His law.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Bienaventurado el hombre a quien Tú, JAH, castigares, y de Tu ley lo instruyeres.
Salmo 94:12
Podemos observar en las palabras que tenemos delante que el Señor pone el castigo antes de la enseñanza. ¿No hay algo notable en esto? ¿Por qué ha de preceder el castigo a la enseñanza? Por esta razón: no tenemos oído para oír sino en la medida en que somos castigados. Así sucedió con el hijo pródigo. Hasta que fue traído a su sano juicio por los golpes del hambre, no pensó en la casa de su padre; no tenía corazón para volver; pero una gran hambre lo envió a casa. Así sucede con los hijos de Dios; mientras se les permite andar errantes en sus rebeliones, no tienen corazón para volver. Pero que venga la vara; que sean llevados a casa a azotes; entonces tienen oído para escuchar, mientras Dios les enseña provechosamente, los instruye por Su bendito Espíritu y habla a su corazón aquellas lecciones que son para su bien eterno.
“Y de Tu ley lo instruyeres.” “La ley” en las Escrituras tiene un significado muy amplio; significa, en el original, instrucción. La palabra es Torá, que significa “enseñanza” o “dirección”. Así, la palabra “ley” no se limita a la ley de Moisés dada entre truenos y relámpagos sobre el monte Sinaí; sino que incluye también el evangelio del Señor Jesucristo: “la perfecta ley, que es la de la libertad”; “la ley del Espíritu de vida en Cristo Jesús”; aquella ley que estaba en el corazón del Redentor cuando dijo: “Heme aquí para que haga, oh Dios, Tu voluntad; y Tu ley está en medio de mis entrañas”.
Ahora bien, así como el Señor enseña a Sus hijos “de la ley” propiamente dicha, así también les enseña “del evangelio”; y a mi parecer hay algo sumamente dulce y expresivo en las palabras “de la ley”. Parecen dar a entender no solo que la ley es un tesoro de ira, sino que el evangelio es también un tesoro de misericordia. Y así como aun los que más saben de la ley solo son enseñados “de la ley”, y no toda la ley, solo unas pocas gotas, por así decirlo, de la ira inagotable de Dios; así también, del tesoro celestial del evangelio, “la perfecta ley, que es la de la libertad”, no es sino un poco de gracia y misericordia lo que puede conocerse en esta vida.
Como dijo Cristo a Sus discípulos al prometer el Espíritu: “Tomará de lo Mío, y os lo hará saber.” No puede tomar “todo” y mostrárselo; porque nadie podría vivir ante tal visión. El Espíritu, pues, toma de las cosas de Cristo, y muestra aquí un poco y allí un poco; alguna pequeña bienaventuranza aquí y alguna pequeña bienaventuranza allí; una promesa adecuada, un testimonio lleno de gracia, un texto consolador, una palabra alentadora, una visión de la sangre expiatoria, una sonrisa de Su rostro, una vista de Su Persona, un descubrimiento de Su justicia o un destello de Su amor.
Esto es tomar de las cosas de Cristo y revelarlas al alma. Y así, al hombre a quien el Señor toma en Sus manos, Él le enseña “del” evangelio haciendo conocer a Cristo por experiencia y revelando Su amor que muere. Y así enseña a todos y a cada uno “de Su ley”: tanto la ley del Sinaí como la ley de Sion.
Al lector…
Aquí hay una palabra para usted si en este momento lleva la vara. ¿Siente los azotes y no entiende por qué el Señor le trata de esta manera? Mire entonces al hijo pródigo: mientras pudo seguir su propio camino, no pensó en la casa de su padre. Solo el hambre lo llevó a casa. Así sucede también con los hijos de Dios; no tenemos oído para oír a menos que seamos castigados.
Bienaventurado, pues, el hombre a quien Él castiga, porque a la corrección le sigue la enseñanza. El Espíritu toma de las cosas de Cristo y las muestra al alma: aquí un texto consolador, allí una visión de la sangre expiatoria, a veces una sonrisa de Su rostro. Es solo un poco, porque nadie podría soportarlo todo; pero basta para atraer el alma a casa. Si usted está siendo castigado, ore para que Él le instruya por medio de ello de Su ley.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Die Koning verhore ons
O Heere! behoud; die Koning verhore ons, ten dage van ons roepen.
Psalm 20:10
Alleen de Koning kan ons goed doen. Hij alleen kan ons verlossen, ons zegenen en ons laten genieten van Zijn liefde; ons beschermen tegen onze vijanden; Zijn tedere zorg aan ons hart schenken; ons hier gelukkig maken en ons naar de eeuwige zaligheid hierna meenemen. „Die Koning verhore ons ten dage van ons roepen”: als rovers ons belagen; als deze afvalligen door de straten rennen; als deze begeerten, zoals zovele van Zijn en onze vijanden, sterk en springlevend zijn, laat Hij Zich openbaren; laat Hij onze vijanden uiteendrijven; laat Hij komen en ons hart en onze gevoelens opeisen en Zichzelf als onze Koning en Heerser openbaren.
Is dit nu niet het gevoel van een levende ziel: vol schaamte en smart te zijn, vol zelfverachting zo’n stakker te zijn, en toch Jezus niet te kunnen opgeven? Ofschoon aan de einden der aarde, toch te verlangen, te kijken en te smachten naar Hem; het te verdienen om in de hel te worden geworpen, maar een plaats in de hemel te begeren; vaak de duivel te dienen en toch op de borst van de Koning der koningen te willen leunen; vaak belust te zijn op de lekkernijen van de duivel, en toch gevoed te willen worden met het vlees van de tafel van de Koning?
„O Heere! behoud”, want niemand anders dan U kan zo’n stakker redden. „Die Koning verhore ons ten dage van ons roepen”, in uiterste nood, in schaamte, in smart. „Die Koning verhore ons”, niet onze smeekbeden afwijzen, niet Zijn ontstemde gezicht afwenden en zeggen: „Ik geef u over”, maar liever: „Hoe zou Ik u overgeven, o Efraïm? u overleveren, o Israël? Hoe zou Ik u maken als Adama, u stellen als Zeboïm? Mijn hart is in Mij omgekeerd, al Mijn berouw is tezamen ontstoken” (Hos. 11:8). „Ik zal u niet overgeven, Efraïm.” „Ofschoon hij een opstandig kind is, ofschoon hij vanaf de schoot een overtreder is gebleken, kan Ik hem niet overgeven, omdat Ik hem heb liefgehad.”
Daarom kan en wil de Koning, Die voor Zijn Kerk is gestorven en zo’n machtig werk voor haar heeft verricht, haar niet overgeven, maar Hij zal haar redden met eeuwigdurende verlossing, en haar bewijzen dat, waar de zonde in overvloed is voorgekomen, de genade „veel overvloediger voorkomt”.
Lezen: Mattheüs 15:21-28
Aan de lezer…
Kent u dat? U staat vol schaamte voor uzelf. Hebt u de hel verdiend en begeert u toch de hemel; dient u zo vaak de duivel en wilt u toch leunen aan de borst van de Koning der koningen? Kunt u Jezus niet opgeven, hoe ellendig u zich ook voelt? Dat is het gevoel van een levende ziel. Een dode kent zulk een strijd niet.
Vreest u dat de Koning Zijn gezicht zal afwenden en zeggen: „Ik geef u over”? Hoor dan wat Hij tot het opstandige Efraïm zegt: „Hoe zou Ik u overgeven?” Hij heeft Zijn volk liefgehad, en daarom kan Hij het niet loslaten. Niemand anders dan Hij kan zo’n stakker redden, maar Hij kan het ook en Hij wil het. Roep dan tot Hem ten dage van uw nood, in uw schaamte en uw smart. Waar de zonde in overvloed is geweest, daar is Zijn genade veel overvloediger.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
O Heere! behoud; die Koning verhore ons, ten dage van ons roepen.
Psalm 20:10
Alleen de Koning kan ons goed doen. Hij alleen kan ons verlossen, ons zegenen en ons Zijn liefde laten genieten; ons beschermen tegen onze vijanden; Zijn tedere zorg aan ons hart schenken; ons hier gelukkig maken en ons daarna meenemen naar de eeuwige zaligheid. „Die Koning verhore ons ten dage van ons roepen.” Wanneer rovers ons overvallen, wanneer deze afvalligen door de straten rennen, wanneer deze begeerten, als zoveel vijanden van Hem en van ons, sterk en springlevend zijn, laat Hij Zich dan openbaren. Laat Hij onze vijanden uiteendrijven; laat Hij komen, ons hart en onze genegenheden opeisen en Zich als onze Koning en Heerser openbaren.
Is dit niet het gevoel van een levende ziel: vol schaamte en smart te zijn, vol zelfverachting omdat men zo’n stakker is, en toch Jezus niet te kunnen opgeven? Hoewel men aan de einden der aarde is, toch naar Hem te verlangen, uit te zien en te smachten; te verdienen dat men in de hel geworpen wordt, maar een plaats in de hemel te begeren; vaak de duivel te dienen en toch aan de borst van de Koning der koningen te willen leunen; vaak belust te zijn op de lekkernijen van de duivel, en toch gevoed te willen worden met het vlees van de tafel van de Koning?
„O Heere! behoud”, want niemand anders dan U kan zo’n stakker redden. „Die Koning verhore ons ten dage van ons roepen”, in uiterste nood, in schaamte, in smart. „Die Koning verhore ons”: dat Hij onze smeekbeden niet afwijst, Zijn ontstemde gezicht niet afwendt en niet zegt: „Ik geef u over”, maar liever: „Hoe zou Ik u overgeven, o Efraïm? u overleveren, o Israël? Hoe zou Ik u maken als Adama, u stellen als Zeboïm? Mijn hart is in Mij omgekeerd, al Mijn berouw is tezamen ontstoken” (Hos. 11:8). „Ik zal u niet overgeven, Efraïm.” „Ofschoon hij een opstandig kind is, ofschoon hij vanaf de schoot een overtreder is gebleken, kan Ik hem niet overgeven, omdat Ik hem heb liefgehad.”
Daarom kan en wil de Koning, Die voor Zijn Kerk gestorven is en zo’n machtig werk voor haar heeft verricht, haar niet overgeven. Hij zal haar redden met een eeuwige verlossing en haar laten zien dat, waar de zonde overvloedig is geweest, de genade „veel overvloediger voorkomt”.
Lezen: Mattheüs 15:21-28
Aan de lezer…
Kent u dat? U staat vol schaamte voor uzelf. U hebt de hel verdiend en begeert toch de hemel; u dient zo vaak de duivel en wilt toch leunen aan de borst van de Koning der koningen. Kunt u Jezus niet opgeven, hoe ellendig u zich ook voelt? Dat is het gevoel van een levende ziel. Een dode kent zo’n strijd niet.
Vreest u dat de Koning Zijn gezicht zal afwenden en zeggen: „Ik geef u over”? Hoor dan wat Hij tegen het opstandige Efraïm zegt: „Hoe zou Ik u overgeven?” Hij heeft Zijn volk liefgehad, en daarom kan Hij het niet loslaten. Niemand anders dan Hij kan zo’n stakker redden, maar Hij kan het ook en Hij wil het. Roep dan tot Hem op de dag van uw nood, in uw schaamte en uw smart. Waar de zonde overvloedig is geweest, daar is Zijn genade veel overvloediger.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Save, LORD: let the king hear us when we call.
Psalm 20:9
Only the King can do us good. He alone can save us, bless us and let us enjoy His love; protect us against our enemies; bestow His tender care upon our hearts; make us happy here and take us afterwards to eternal bliss. “Let the King hear us when we call.” When robbers set upon us, when these rebels run through the streets, when these lusts, as so many enemies of His and ours, are strong and lively, then let Him reveal Himself. Let Him scatter our enemies; let Him come, claim our hearts and affections, and reveal Himself as our King and Ruler.
Is not this the feeling of a living soul: to be full of shame and sorrow, full of self-loathing for being such a wretch, and yet not able to give up Jesus? Though at the ends of the earth, still to long, look and pant after Him; to deserve to be cast into hell, yet to desire a place in heaven; often to serve the devil, and yet to want to lean on the bosom of the King of kings; often to lust after the devil’s dainties, and yet to want to be fed with meat from the King’s table?
“Save, LORD,” for none but Thou can save such a wretch. “Let the King hear us when we call,” in extreme need, in shame, in sorrow. “Let the King hear us”: that He may not reject our petitions, not turn away His displeased face and say, “I give you up,” but rather, “How shall I give thee up, Ephraim? how shall I deliver thee, Israel? how shall I make thee as Admah? how shall I set thee as Zeboim? Mine heart is turned within Me, My repentings are kindled together” (Hosea 11:8).
“I will not give thee up, Ephraim.” “Though he is a rebellious child, though he has proved a transgressor from the womb, I cannot give him up, because I have loved him.”
Therefore the King, Who died for His Church and has wrought such a mighty work for her, cannot and will not give her up. He will save her with an everlasting salvation and show her that, where sin has abounded, grace “did much more abound.”
Reading: Matthew 15:21-28
To the reader…
Do you know this? You stand full of shame before yourself. You have deserved hell and yet you desire heaven; you so often serve the devil and yet you want to lean on the bosom of the King of kings. Can you not give up Jesus, however wretched you feel? That is the feeling of a living soul. A dead soul knows no such conflict.
Do you fear that the King will turn away His face and say, “I give you up”? Then hear what He says to rebellious Ephraim: “How shall I give thee up?” He has loved His people, and therefore He cannot let them go. None but He can save such a wretch, but He can do it and He will. Cry to Him, then, in the day of your need, in your shame and your sorrow. Where sin has abounded, His grace has much more abounded.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Salva, Jehová: que el Rey nos oiga el día que lo invocáremos.
Salmo 20:9
Solo el Rey puede hacernos bien. Solo Él puede salvarnos, bendecirnos y hacernos gozar de Su amor; protegernos contra nuestros enemigos; derramar Su tierno cuidado sobre nuestros corazones; hacernos felices aquí y llevarnos después a la dicha eterna. “Que el Rey nos oiga el día que lo invocáremos.” Cuando los ladrones nos asaltan, cuando estos rebeldes corren por las calles, cuando estas concupiscencias, como otros tantos enemigos Suyos y nuestros, son fuertes y vivas, entonces que Él se revele. Que disperse a nuestros enemigos; que venga, reclame nuestros corazones y afectos, y se revele como nuestro Rey y Gobernante.
¿No es este el sentir de un alma viva: estar llena de vergüenza y tristeza, llena de aborrecimiento de sí misma por ser tan miserable, y sin embargo no poder renunciar a Jesús? Aun estando en los confines de la tierra, seguir anhelándole, mirándole y suspirando por Él; merecer ser echado al infierno, y sin embargo desear un lugar en el cielo; servir a menudo al diablo, y sin embargo querer reclinarse en el seno del Rey de reyes; codiciar a menudo los manjares del diablo, y sin embargo querer ser alimentado con la comida de la mesa del Rey?
“Salva, Jehová”, porque nadie sino Tú puede salvar a un miserable así. “Que el Rey nos oiga el día que lo invocáremos”, en necesidad extrema, en vergüenza, en tristeza. “Que el Rey nos oiga”: que no rechace nuestras peticiones, que no aparte Su rostro disgustado diciendo: “Te abandono”, sino más bien: “¿Cómo tengo de dejarte, oh Efraín? ¿he de entregarte yo, Israel? ¿cómo podré Yo hacerte como Adma, ni ponerte como a Zeboim? Mi corazón se revuelve dentro de Mí, inflámanse todas Mis conmiseraciones” (Oseas 11:8).
“No te dejaré, Efraín.” “Aunque es un hijo rebelde, aunque ha resultado transgresor desde el vientre, no puedo dejarle, porque le he amado.”
Por tanto el Rey, Quien murió por Su Iglesia y ha obrado por ella una obra tan poderosa, no puede ni quiere abandonarla. La salvará con salvación eterna y le mostrará que, donde el pecado abundó, la gracia “sobrepujó”.
Lectura: Mateo 15:21-28
Al lector…
¿Conoce usted esto? Está lleno de vergüenza ante sí mismo. Ha merecido el infierno y sin embargo desea el cielo; sirve tan a menudo al diablo y sin embargo quiere reclinarse en el seno del Rey de reyes. ¿No puede renunciar a Jesús, por miserable que se sienta? Ese es el sentir de un alma viva. Un alma muerta no conoce tal conflicto.
¿Teme que el Rey aparte Su rostro y diga: “Te abandono”? Escuche entonces lo que Él dice al rebelde Efraín: “¿Cómo tengo de dejarte?”. Él ha amado a Su pueblo, y por eso no puede soltarlo. Nadie sino Él puede salvar a un miserable así, pero Él puede hacerlo y lo hará. Clame, pues, a Él en el día de su necesidad, en su vergüenza y su tristeza. Donde el pecado abundó, Su gracia ha sobrepujado.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Welke tegen hoop op hoop geloofd heeft.
Romeinen 4:18
De hoop is de vrucht van de Geest, en de afwezigheid der hoop, of waar deze geheel niet gevonden wordt, al noemt men zelfs de naam, daar heerst de dood. „Maar,” zullen sommigen zeggen, „zijn Gods kinderen niet menigmaal de wanhoop ten prooi?” Neen, niet aan de wanhoop. Zij zijn er dikwijls zeer nabij, of op de oever der wanhoop. De rukwinden uit dat verderfelijk land mogen hun pestlucht op hen werpen, zodat zij in hun gewaarwording in de wanhoop verkeren, maar geen van Gods kinderen zette ooit zijn voet over de grensscheiding, zodat hij in het gebied der wanhoop zou terechtgekomen zijn.
Zou hij dit kunnen doen, dan zou hij niet langer in het land der levenden zijn. Indien hij ooit zijn voet zou kunnen zetten over de lijn die het land der hoop van het land der wanhoop afscheidt, hij zou niet langer de Heere aanroepen om zijn ziel van de hel te redden; maar hij zou dadelijk door haar stromen overstroomd worden, die hem in het eeuwig verderf zouden wegvoeren. De hel is de plaats der wanhoop, en de consciëntie van de verworpeling komt, vóór hij in deze verterende vlammen geworpen wordt, vóór de hel haar kaken opspert om hem te ontvangen, in de wanhoop.
En derhalve komt gij als kind van God nooit in de wanhoop, tenzij gij ooit gevoelde wat de verdoemden in de hel beleven, hetgeen gij nooit beleven kunt, ofschoon gij kunt denken er hier iets van te kennen. En hoe na gij ook aan de grens der wanhoop moogt geweest zijn, uw voetstappen hebben nooit die grens overschreden. Neen, er blijft een „wie weet?”, een verborgen ondersteuning als van onder eeuwige armen. Er is een band die de ziel omstrengelt door de God aller genade; er is een gouden keten, door God Zelf vanuit de eeuwige troon van barmhartigheid en waarheid neergelaten, die de ziel bewaart van te worden neergetrokken in die afgrond. Zij wordt bewaard van meegevoerd te worden in die vreselijke waterval en van opgezwolgen te worden in die kokende afgrond beneden.
Er is een onzichtbare arm die de ziel bewaart van door de watervloeden te worden weggevaagd, en deze verborgen ondersteuning openbaart zich hierin, dat de ziel menigmaal wordt opgewekt tot het gebed en dat zij haar klachten mag uitgieten voor des Heeren aangezicht. Zie, dit ondersteunt degenen die zich als overstroomd gevoelen door de stromen der wanhoop, ten tijde dat de sluizen van Gods toorn schijnen opgetrokken te zijn en schijnen te haasten om hen in de eeuwige ellende te doen neerstorten. Derhalve is er niet één kind van God, dat door de Geest is levend gemaakt, of het heeft een zekere hoop, die het voor een algehele schipbreuk behoedt. Zo zeggen wij dus niet te veel, dat de afwezigheid der hoop de mens tekent als een dode.
Aan de lezer…
Bent u, waarde lezer, aan de oever der wanhoop gekomen? Waaien de rukwinden uit dat verderfelijk land u tegemoet, en schijnt het of de sluizen van Gods toorn opgetrokken zijn om u te doen neerstorten? U meent misschien dat u de grens al overgegaan bent. Maar hoe na u er ook geweest bent, zolang u nog tot de Heere roept om uw ziel van de hel te redden, staat u niet in het land der wanhoop.
Er blijft een „wie weet?”, een verborgen ondersteuning als van onder eeuwige armen. Er is een gouden keten, door God Zelf neergelaten van Zijn troon van barmhartigheid en waarheid, die u bewaart. Dat u nog bidt, dat u uw klachten nog voor Zijn aangezicht mag uitgieten, is daar het teken van. Laat dat u dan bemoedigen om tegen hoop op hoop te geloven. De God aller genade laat Zijn kind niet in de afgrond wegvoeren.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Welke tegen hoop op hoop geloofd heeft.
Romeinen 4:18
De hoop is de vrucht van de Geest, en waar de hoop afwezig is of helemaal niet gevonden wordt, al draagt men zelfs de naam, daar heerst de dood. „Maar,” zullen sommigen zeggen, „zijn Gods kinderen niet menigmaal de wanhoop ten prooi?” Nee, niet aan de wanhoop. Zij zijn er vaak heel dichtbij, aan de oever van de wanhoop. De rukwinden uit dat verderfelijke land mogen hun verpeste lucht op hen werpen, zodat zij naar hun gevoel in de wanhoop verkeren, maar geen van Gods kinderen zette ooit zijn voet over de grens, zodat hij in het gebied van de wanhoop terechtgekomen zou zijn.
Als hij dat zou kunnen doen, zou hij niet langer in het land der levenden zijn. Als hij ooit zijn voet zou kunnen zetten over de lijn die het land van de hoop scheidt van het land van de wanhoop, zou hij de Heere niet langer aanroepen om zijn ziel van de hel te redden. Dan zou hij meteen overspoeld worden door haar stromen, die hem in het eeuwig verderf zouden meesleuren. De hel is de plaats van de wanhoop, en het geweten van de verworpene komt in de wanhoop voordat hij in die verterende vlammen geworpen wordt, voordat de hel haar kaken opensperst om hem te ontvangen.
Daarom komt u als kind van God nooit in de wanhoop, tenzij u ooit voelde wat de verdoemden in de hel doormaken. Dat kunt u nooit doormaken, ook al denkt u er hier iets van te kennen. En hoe dicht u ook aan de grens van de wanhoop geweest mag zijn, uw voetstappen hebben die grens nooit overschreden. Nee, er blijft een „wie weet?”, een verborgen ondersteuning als van onder eeuwige armen. Er is een band waarmee de God van alle genade de ziel omsnoert; er is een gouden keten, door God Zelf vanaf de eeuwige troon van barmhartigheid en waarheid neergelaten, die de ziel ervoor bewaart in die afgrond te worden neergetrokken. Zij wordt ervoor bewaard meegesleurd te worden in die vreselijke waterval en verzwolgen te worden in die kolkende afgrond beneden.
Er is een onzichtbare arm die de ziel ervoor bewaart door de watervloeden te worden weggevaagd. Die verborgen ondersteuning blijkt hieruit dat de ziel menigmaal tot gebed wordt opgewekt en haar klachten mag uitstorten voor het aangezicht van de Heere. Zie, dit ondersteunt hen die zich als overspoeld voelen door de stromen van de wanhoop, op het moment dat de sluizen van Gods toorn opengezet lijken te zijn en zich lijken te haasten om hen in de eeuwige ellende te storten. Daarom is er niet één kind van God dat door de Geest levend gemaakt is, of het heeft een zekere hoop die het voor volledige schipbreuk behoedt. Wij zeggen dus niet te veel wanneer wij zeggen dat de afwezigheid van hoop een mens tekent als een dode.
Aan de lezer…
Bent u, waarde lezer, aan de oever van de wanhoop gekomen? Waaien de rukwinden uit dat verderfelijke land u tegemoet, en lijkt het alsof de sluizen van Gods toorn opengezet zijn om u in de diepte te storten? U meent misschien dat u de grens al bent overgegaan. Maar hoe dichtbij u ook geweest bent, zolang u nog tot de Heere roept om uw ziel van de hel te redden, staat u niet in het land van de wanhoop.
Er blijft een „wie weet?”, een verborgen ondersteuning als van onder eeuwige armen. Er is een gouden keten, door God Zelf neergelaten van Zijn troon van barmhartigheid en waarheid, die u bewaart. Dat u nog bidt, dat u uw klachten nog voor Zijn aangezicht mag uitstorten, is daar het teken van. Laat dat u dan bemoedigen om tegen hoop op hoop te geloven. De God van alle genade laat Zijn kind niet in de afgrond wegsleuren.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Who against hope believed in hope.”
Romans 4:18
Hope is a fruit of the Spirit; and the absence of hope, the thorough, complete absence of hope, stamps death upon that nominal branch, in which the absence of all hope is found. But some will say, “Are not the children of God often plunged into despair?” No; not into despair. They are often very near it, they are on the borders of it; they go to the very brink of it; the gusts from that pestiferous land may so blow their blasts upon them, that in their feelings they shall be in despair; yet no living soul ever set his foot beyond the brink, no child of God ever stepped beyond the border, so as to get into the regions of despair.
If he got there, he would no longer be in “the land of the living;” if ever he set his foot over the border that separates the land of hope from the land of despair, he would be no longer calling upon the Lord to save his soul from the lowest hell, but he would be at once overwhelmed by those torrents, which would sweep him away into endless perdition.
Hell is the place of despair, and of the conscience of the reprobate, before he is cast into those devouring flames; and therefore, unless you know what the very feelings of the damned in hell are (which you can never be certain you do, however you may think you know them), or unless you have gone into the very feelings of despair in the conscience of the reprobate before hell opens its jaws to receive him forever, however near you have been to the borders of that dreadful land, you never can say your foot has crossed the threshold.
No; there is a “Who can tell?” a secret support of “the everlasting arms;” there is a band, a tie, wreathed round the soul by the God of all grace; there is a golden chain let down by God Himself from the everlasting throne of mercy and truth, which keeps the soul from ever being drawn into that whirlpool, going down those tremendous cataracts, and being swallowed up in the boiling abyss below. There is an invisible arm that preserves the soul from being swept away by the water-floods; and this secret help is manifested by a lifting up of the heart oftentimes in prayer, and the relief sometimes experienced in pouring forth the soul in fervent cries, upholding all who feel it from being overwhelmed in the torrent of despair, when the sluices of God’s wrath seem pulled up to hurry it into eternal misery.
And therefore there is no child of God that has been quickened by the Spirit, but has some degree of hope, which keeps him from making shipwreck altogether. So that we do not go too far in saying that the absence of hope altogether stamps death upon a man.
To the reader…
Have you, dear reader, come to the edge of despair? Are the gusts from that pestilent land blowing against you, and does it seem as though the sluices of God’s wrath have been opened to cast you into the deep? Perhaps you think you have already crossed the border. But however close you have been, as long as you still cry to the Lord to save your soul from hell, you are not standing in the land of despair.
There remains a “Who can tell?”, a hidden support as from underneath the everlasting arms. There is a golden chain, let down by God Himself from His throne of mercy and truth, that keeps you. That you still pray, that you may still pour out your complaints before His face, is the sign of it. Let that encourage you, then, against hope to believe in hope. The God of all grace does not let His child be dragged away into the abyss.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Él creyó en esperanza contra esperanza.”
Romanos 4:18
La esperanza es un fruto del Espíritu; y la ausencia de esperanza, la ausencia total y completa de esperanza, sella con la muerte aquella rama nominal en la cual se halla la ausencia de toda esperanza. Pero algunos dirán: “¿No son a menudo sumidos en la desesperación los hijos de Dios?” No; en la desesperación, no. A menudo están muy cerca de ella, están en sus fronteras; llegan hasta su mismo borde; las ráfagas de aquella tierra pestilente pueden soplar sobre ellos de tal manera que en sus sentimientos estén en desesperación; y sin embargo, ninguna alma viva puso jamás el pie más allá del borde, ningún hijo de Dios pasó jamás más allá de la frontera, como para entrar en las regiones de la desesperación.
Si llegara allí, ya no estaría en “la tierra de los vivientes”; si alguna vez pusiera el pie más allá de la frontera que separa la tierra de la esperanza de la tierra de la desesperación, ya no estaría invocando al Señor para que salve su alma del infierno más profundo, sino que sería abrumado de inmediato por aquellos torrentes que lo arrastrarían a la perdición sin fin.
El infierno es el lugar de la desesperación, y también lo es la conciencia del réprobo antes de ser arrojado a aquellas llamas devoradoras; y por tanto, a menos que usted sepa cuáles son los sentimientos mismos de los condenados en el infierno (cosa de la que nunca puede estar seguro, por mucho que piense conocerlos), o a menos que haya entrado en los sentimientos mismos de desesperación en la conciencia del réprobo antes de que el infierno abra sus fauces para recibirle para siempre, por muy cerca que haya estado de las fronteras de aquella espantosa tierra, nunca puede decir que su pie ha cruzado el umbral.
No; hay un “¿Quién sabe?”, un sostén secreto de “los brazos eternos”; hay un lazo, un vínculo, enlazado alrededor del alma por el Dios de toda gracia; hay una cadena de oro bajada por Dios mismo desde el trono eterno de misericordia y verdad, que impide que el alma sea jamás arrastrada a aquel remolino, que baje por aquellas tremendas cataratas y sea tragada en el abismo hirviente de abajo. Hay un brazo invisible que preserva al alma de ser arrastrada por las inundaciones de aguas; y esta ayuda secreta se manifiesta muchas veces por un levantamiento del corazón en oración, y por el alivio que a veces se experimenta al derramar el alma en clamores fervientes, sosteniendo a todos los que lo sienten para que no sean anegados en el torrente de la desesperación, cuando las compuertas de la ira de Dios parecen alzadas para precipitarla a la miseria eterna.
Y por tanto, no hay hijo de Dios vivificado por el Espíritu que no tenga algún grado de esperanza, la cual le impide naufragar por completo. De modo que no vamos demasiado lejos al decir que la ausencia total de esperanza sella con la muerte a un hombre.
Al lector…
¿Ha llegado usted, querido lector, al borde de la desesperación? ¿Soplan contra usted las ráfagas de aquella tierra pestilente, y parece como si se hubieran abierto las compuertas de la ira de Dios para arrojarle al abismo? Quizá piense que ya ha cruzado la frontera. Pero por muy cerca que haya estado, mientras todavía clame al Señor que salve su alma del infierno, no está en la tierra de la desesperación.
Queda un “¿Quién sabe?”, un sostén escondido como desde debajo de los brazos eternos. Hay una cadena de oro, bajada por Dios mismo desde Su trono de misericordia y verdad, que le guarda. Que usted todavía ore, que todavía pueda derramar sus quejas delante de Su rostro, es la señal de ello. Que eso le anime, pues, a creer en esperanza contra esperanza. El Dios de toda gracia no deja que Su hijo sea arrastrado al abismo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl