6 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
11 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
2 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Het is wenselijk de Authorised Version te behouden
Philpot pleit in 1857 tegen een herziene Bijbelvertaling. Hij vreest verminking door dwalende geleerden, onzekerheid en verwarring bij Gods kinderen, en verlies van een gezaghebbende maatstaf en van een nationaal…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Ik ellendig mens!
Romeinen 7:24a
Zulk een gevoel als dat waaronder de apostel zuchtte, wordt door de levendgemaakte kinderen Gods ondervonden. Geloofd zij de Naam des Allerhoogsten, dat Hij het hem ingaf zijn bevinding te boek te stellen, opdat wij erdoor zouden worden getroost en verlicht. Wat zouden wij anders gedacht hebben? Wij zouden aldus hebben geredeneerd: „Hier is een apostel, volmaakt heilig, steeds hemelsgezind, mitsdien het beeld van Christus in zich hebbende, voortdurend levende tot verheerlijking Gods, en voortdurend in gemeenschap met Hem levende!” Wij zouden hem beschouwd hebben als een volmaakt heilige, zo hij ons niet gezegd had wat hij was; en hem dan als een volmaakt heilige beschouwd hebbende, zouden wij onze wanhopige blik in onze eigen boezem geslagen en zulk een ontzettende tegenstelling gezien hebben, dat wij eraan zouden wanhopen ooit gered te zijn geworden!
Maar de zielenstrijd des apostels ziende, en enigermate hetzelfde in onze eigen boezem gevoelende, wordt de ziel aangemoedigd, gesterkt en geleid te geloven dat dit de wet is die de heiligen is aangewezen te bewandelen. Wees verzekerd dat, zo gij nooit uit de diepte uwer ziel hebt uitgeroepen: „O, ik ellendig mens!”, gij dood zijt in zonde, of dood in een belijdenis. Indien schuldgevoel, ellende en veroordeling u nooit gedrongen hebben dat uit de grond van uw hart te roepen, maak er staat op dat het leven en de kracht Gods niet in uw ziel is. Maar zo van tijd tot tijd die kreet aan uw ziel werd ontperst, hebt gij een getuigenis dat dezelfde Heere, Die Paulus onderwees, ook u onderwijst.
’t Is niet alleen dit kwaad, dat roept om straf,
neen, ’k ben in ongerechtigheid geboren.
Mijn zonde maakt mij ’t voorwerp van Uw toorn
reeds van het uur van mijn ontvang’nis af.
Zie, Gij hebt lust tot waarheid in ’t gemoed,
Gij, Heer, Die weet al wat ik heb misdreven;
Gij, Die mijn geest met wijsheid hadt gevoed
en in mijn ziel Uw godd’lijk licht gegeven.
Ps. 51:3
Aan de lezer…
Wanneer u soms schrikt van uw eigen hart en in uw boezem zoveel ellende ziet dat u gaat vrezen dat u nooit gered bent, lees dan nog eens deze kreet van de apostel: „Ik ellendig mens!” Hij was geen volmaakt heilige die zonder strijd ten hemel voer, maar een levendgemaakt zondaar die zuchtte onder hetzelfde gevoel als u. Geloofd zij de Naam des Allerhoogsten, dat Hij het hem ingaf dit op te schrijven tot troost van Zijn bestreden kinderen.
Zulk een kreet, uit de grond van het hart ontperst, is geen teken van dood, maar van leven. Een dode belijder roept zo niet. Wordt dan van tijd tot tijd die zucht ook aan uw ziel ontwrongen, laat hij u niet wegdrijven, maar uitdrijven tot Hem. Dezelfde Heere, Die Paulus onderwees, onderwijst ook u; en Hij leert de Zijnen eerst hun ellende kennen, opdat zij Zijn genade zouden leren waarderen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ik ellendig mens!
Romeinen 7:24a
Een gevoel zoals dat waaronder de apostel zuchtte, wordt ook door de levendgemaakte kinderen van God ervaren. Geloofd zij de Naam van de Allerhoogste, dat Hij het hem ingaf zijn bevinding op te schrijven, zodat wij erdoor getroost en verlicht zouden worden. Wat zouden wij anders gedacht hebben? Wij zouden zo hebben geredeneerd: „Hier is een apostel, volmaakt heilig, altijd hemelsgezind, die dus het beeld van Christus in zich draagt, die voortdurend leeft tot verheerlijking van God en voortdurend in gemeenschap met Hem leeft!” Wij zouden hem als een volmaakt heilige beschouwd hebben als hij ons niet had verteld wat hij was. En als wij hem zo als een volmaakt heilige beschouwd hadden, zouden wij een wanhopige blik in onze eigen boezem geslagen hebben en daar zo’n ontzettende tegenstelling gezien hebben, dat wij eraan zouden wanhopen ooit gered te zijn!
Maar wanneer de ziel de zielenstrijd van de apostel ziet en in enige mate hetzelfde in haar eigen boezem voelt, wordt zij aangemoedigd en gesterkt, en wordt zij ertoe gebracht te geloven dat dit de weg is die de heiligen is aangewezen om te gaan. Wees ervan verzekerd: als u nooit uit de diepte van uw ziel hebt uitgeroepen: „O, ik ellendig mens!”, dan bent u dood in de zonde, of dood in een belijdenis. Als schuldgevoel, ellende en veroordeling u nooit gedrongen hebben dit uit de grond van uw hart te roepen, reken er dan op dat het leven en de kracht van God niet in uw ziel zijn. Maar als die kreet van tijd tot tijd aan uw ziel werd ontwrongen, dan hebt u een getuigenis dat dezelfde Heere Die Paulus onderwees, ook u onderwijst.
’t Is niet alleen dit kwaad, dat roept om straf,
neen, ’k ben in ongerechtigheid geboren.
Mijn zonde maakt mij ’t voorwerp van Uw toorn
reeds van het uur van mijn ontvang’nis af.
Zie, Gij hebt lust tot waarheid in ’t gemoed,
Gij, Heer, Die weet al wat ik heb misdreven;
Gij, Die mijn geest met wijsheid hadt gevoed
en in mijn ziel Uw godd’lijk licht gegeven.
Ps. 51:3
Aan de lezer…
Wanneer u soms schrikt van uw eigen hart en in uw boezem zoveel ellende ziet dat u gaat vrezen dat u nooit gered bent, lees dan nog eens deze kreet van de apostel: „Ik ellendig mens!” Hij was geen volmaakt heilige die zonder strijd naar de hemel ging, maar een levendgemaakte zondaar die zuchtte onder hetzelfde gevoel als u. Geloofd zij de Naam van de Allerhoogste, dat Hij het hem ingaf dit op te schrijven tot troost van Zijn bestreden kinderen.
Zo’n kreet, uit de grond van het hart ontwrongen, is geen teken van dood, maar van leven. Een dode belijder roept zo niet. Wordt die zucht dan van tijd tot tijd ook aan uw ziel ontwrongen, laat hij u dan niet van Hem wegdrijven, maar naar Hem uitdrijven. Dezelfde Heere Die Paulus onderwees, onderwijst ook u. Hij leert de Zijnen eerst hun ellende kennen, zodat zij Zijn genade zouden leren waarderen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
O wretched man that I am!
Romans 7:24
These feelings which the Apostle groaned under are experienced by all the quickened family. Blessed then be the Name of God most High, that He inspired him to trace out and leave upon record his experience, that we might derive comfort and relief from it. What would we otherwise have thought? We would have reasoned thus—‘Here is an apostle perfectly holy, perpetually heavenly-minded, having nothing but the image of Christ in him, continually living to the Lord’s glory, and unceasingly enjoying communion with Him!’
We would have viewed him as a perfect saint, if he had not told us what he was; and then, having viewed him as a perfect saint, we would have turned our desponding eyes into our own bosom, and seen such a dreadful contrast, that we would despair of ever being saved at all! But seeing the soul conflict which the Apostle passed through, and feeling a measure of the same in our own bosom, it encourages, supports, and leads the soul on to believe that this is the way in which the saints are called to travel, however rough, rugged, and perplexing it may be to them.
Be assured, then, if you have never cried out from the depths of your soul, “O wretched man that I am!” you are dead in sin, or dead in a profession. If internal guilt, misery, and condemnation never forced that cry from your bosom, depend upon it, the life and power of God is not in your soul. But if there has been, and still is, from time to time, this cry in your breast, forced out of it by the pressure of sin and guilt, you have a testimony that the same Lord Who taught Paul is teaching you.
To the reader…
When you are sometimes startled by your own heart and see so much misery in your bosom that you begin to fear you have never been saved, read once more this cry of the apostle: “O wretched man that I am!” He was not a perfect saint who went to heaven without a conflict, but a quickened sinner who groaned under the same feeling as you. Blessed be the Name of the Most High, that He moved him to write this down for the comfort of His tried children.
Such a cry, wrung from the depths of the heart, is no sign of death, but of life. A dead professor does not cry out like that. If that groan is wrung from your soul from time to time as well, let it not drive you away from Him, but out after Him. The same Lord Who taught Paul is teaching you. He first teaches His own to know their misery, so that they may learn to value His grace.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
¡Miserable hombre de mí!
Romanos 7:24
Estos sentimientos bajo los cuales gemía el apóstol los experimenta toda la familia vivificada. Bendito sea, pues, el Nombre del Dios Altísimo, que le inspiró a trazar y dejar por escrito su experiencia, para que nosotros sacáramos de ella consuelo y alivio. ¿Qué habríamos pensado de otro modo? Habríamos razonado así: ‘¡He aquí un apóstol perfectamente santo, de mente perpetuamente celestial, que no tiene en sí más que la imagen de Cristo, que vive continuamente para la gloria del Señor y goza sin cesar de comunión con Él!’.
Le habríamos considerado un santo perfecto si no nos hubiera dicho lo que era; y entonces, habiéndole considerado un santo perfecto, habríamos vuelto nuestros ojos abatidos a nuestro propio pecho y habríamos visto un contraste tan terrible que desesperaríamos de ser salvos jamás. Pero al ver el conflicto del alma por el que pasó el apóstol, y al sentir una medida del mismo en nuestro propio pecho, esto anima, sostiene y conduce al alma a creer que este es el camino por el que los santos son llamados a andar, por áspero, escabroso y desconcertante que les resulte.
Tenga por seguro, pues, que si nunca ha clamado desde lo profundo de su alma: “¡Miserable hombre de mí!”, está muerto en el pecado, o muerto en una profesión. Si la culpa, la miseria y la condenación interiores nunca arrancaron ese clamor de su pecho, tenga por cierto que la vida y el poder de Dios no están en su alma. Pero si ha habido, y todavía hay de vez en cuando, este clamor en su pecho, arrancado de él por la presión del pecado y de la culpa, tiene usted un testimonio de que el mismo Señor que enseñó a Pablo le está enseñando a usted.
Al lector…
Cuando a veces se espanta usted de su propio corazón y ve tanta miseria en su pecho que empieza a temer que nunca ha sido salvo, lea otra vez este clamor del apóstol: “¡Miserable hombre de mí!”. No era un santo perfecto que fue al cielo sin lucha, sino un pecador vivificado que gemía bajo el mismo sentir que usted. Bendito sea el Nombre del Altísimo, que le movió a escribir esto para consuelo de Sus hijos probados.
Tal clamor, arrancado de lo profundo del corazón, no es señal de muerte, sino de vida. Un profesante muerto no clama así. Si también de su alma se arranca ese gemido de vez en cuando, que no le aleje de Él, sino que le haga ir tras Él. El mismo Señor que enseñó a Pablo le está enseñando a usted. Él enseña primero a los Suyos a conocer su miseria, para que aprendan a estimar Su gracia.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Mijn hoop is op U
En nu, wat verwacht ik, o Heere? Mijn hoop, die is op U.
Psalm 39:8
Wat wil een waarlijk verwachtende ziel hebben? Het onderwijs van God de Heilige Geest. Als we geheel van onszelf zijn ontledigd, als blijkt dat onze kennis onwetendheid, onze rechtschapenheid vuile vodden en onze sterkte zwakheid is, dan beginnen we te verlangen naar het onderwijs van de gezegende Geest. We moeten worden gezuiverd en beproefd voor we de schatten van de genade kunnen waarderen en ontvangen. Als onze ziel goed is geoefend en beproefd, dan beginnen we te verlangen naar het onderwijs van de Heilige Geest, opdat Hij de liefde van God in onze ziel uitstort, ons bezoekt en leidt, ons overschaduwt met Zijn heilige aanwezigheid, en in ons hart Zijn verborgen zalving druppelt.
Voordat we hier zijn gekomen, kennen we de Persoon van de Heilige Geest niet. We hebben geen aanwijzing in ons geweten dat Hij God is; we kunnen Hem niet aanbidden en verheerlijken als de derde Persoon in de gezegende Godheid. Maar als we op het punt zijn gekomen dat we niets weten zonder Zijn onderwijs, niets ervaren zonder dat Hij het heeft gegeven, en niets zijn zonder dat Hij het heeft gemaakt, dan snakken we naar Zijn onderricht en leiding. En we zijn ertoe gebracht om te wachten in een houding van heilige aanbidding en zachte stilte, tot de dauw en zalving van de Geest op ons geweten neerdaalt.
Zij wil ook Gods wil kennen en doen. We verlangen er van nature niet naar de wil van God te kennen; of als we hem kennen, verlangen we er niet naar hem te doen. Want die wil is tegengesteld aan die van ons. Die wil is geestelijk, die van ons vleselijk; die wil is heilig, de onze onheilig; die wil is zuiver, maar de onze is afkerig van al het goede. Derhalve kunnen we niet van nature de wil van God kennen en doen. Maar als Hij Jezus dierbaar en kostbaar voor ons maakt en ons hart opheft naar Zichzelf, dan willen we de wil van God kennen, en niet alleen die wil kennen, maar hem ook doen als we hem kennen.
Lezen: Johannes 14:15-31
Aan de lezer…
Soms wordt uw kennis u tot onwetendheid, uw gerechtigheid tot vuile vodden en uw sterkte tot zwakheid. Dat is een pijnlijke weg, maar geen verloren weg. Zo maakt de Heere plaats in de ziel voor het onderwijs van Zijn Geest. Wie niets meer weet zonder Hem en niets meer is zonder Hem, leert eindelijk wachten in stilte en aanbidding, totdat Zijn dauw en zalving neerdalen.
En merkt u dat uw wil van nature tegen Gods wil ingaat, dat uw hart vleselijk is waar Zijn wil geestelijk, heilig en zuiver is? Wanhoop daar niet over. Laat het u veeleer uitdrijven tot Hem, Die Jezus dierbaar en kostbaar kan maken voor uw ziel. Waar Hij dat doet, wordt het hart naar Hem opgeheven, en dan wordt het een lust Zijn wil niet alleen te kennen, maar ook te doen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En nu, wat verwacht ik, o Heere? Mijn hoop, die is op U.
Psalm 39:8
Wat wil een waarlijk verwachtende ziel hebben? Het onderwijs van God de Heilige Geest. Wanneer we geheel van onszelf ontledigd zijn, wanneer blijkt dat onze kennis onwetendheid is, onze gerechtigheid vuile vodden en onze sterkte zwakheid, dan beginnen we te verlangen naar het onderwijs van de gezegende Geest. We moeten gelouterd en beproefd worden voordat we de schatten van de genade kunnen waarderen en ontvangen. Wanneer onze ziel goed geoefend en beproefd is, beginnen we te verlangen naar het onderwijs van de Heilige Geest. Dan verlangen we dat Hij de liefde van God in onze ziel uitstort, ons bezoekt en leidt, ons overschaduwt met Zijn heilige tegenwoordigheid en Zijn verborgen zalving in ons hart laat druppelen.
Voordat we zover gekomen zijn, kennen we de Persoon van de Heilige Geest niet. We hebben in ons geweten geen besef dat Hij God is; we kunnen Hem niet aanbidden en verheerlijken als de derde Persoon in de gezegende Godheid. Maar wanneer we op het punt gekomen zijn dat we niets weten zonder Zijn onderwijs, niets ervaren zonder dat Hij het gegeven heeft, en niets zijn zonder dat Hij het gemaakt heeft, dan snakken we naar Zijn onderwijs en leiding. Dan zijn we ertoe gebracht om in heilige aanbidding en zachte stilte te wachten, totdat de dauw en zalving van de Geest op ons geweten neerdalen.
Zo’n ziel wil ook Gods wil kennen en doen. Van nature verlangen we er niet naar de wil van God te kennen; of als we die kennen, verlangen we er niet naar hem te doen. Want die wil staat tegenover de onze. Zijn wil is geestelijk, de onze vleselijk; Zijn wil is heilig, de onze onheilig; Zijn wil is zuiver, maar de onze is afkerig van al het goede. Daarom kunnen we van nature de wil van God niet kennen en doen. Maar wanneer Hij Jezus dierbaar en kostbaar voor ons maakt en ons hart tot Zich opheft, dan willen we de wil van God kennen, en niet alleen die wil kennen, maar hem ook doen wanneer we hem kennen.
Lezen: Johannes 14:15-31
Aan de lezer…
Soms wordt uw kennis u tot onwetendheid, uw gerechtigheid tot vuile vodden en uw sterkte tot zwakheid. Dat is een pijnlijke weg, maar geen verloren weg. Zo maakt de Heere in de ziel plaats voor het onderwijs van Zijn Geest. Wie niets meer weet zonder Hem en niets meer is zonder Hem, leert eindelijk wachten in stilte en aanbidding, totdat Zijn dauw en zalving neerdalen.
En merkt u dat uw wil van nature tegen Gods wil ingaat, dat uw hart vleselijk is waar Zijn wil geestelijk, heilig en zuiver is? Wanhoop daar niet over. Laat het u veeleer uitdrijven naar Hem, Die Jezus dierbaar en kostbaar kan maken voor uw ziel. Waar Hij dat doet, wordt het hart naar Hem opgeheven, en dan wordt het een lust om Zijn wil niet alleen te kennen, maar ook te doen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And now, Lord, what wait I for? my hope is in Thee.
Psalm 39:7
What does a truly waiting soul want to have? The teaching of God the Holy Ghost. When we are wholly emptied of self, when our knowledge proves to be ignorance, our righteousness filthy rags and our strength weakness, then we begin to long for the teaching of the blessed Spirit. We must be purged and tried before we can value and receive the treasures of grace. When our soul has been well exercised and tried, we begin to long for the teaching of the Holy Ghost. Then we long for Him to shed abroad the love of God in our soul, to visit and guide us, to overshadow us with His holy presence and to let His secret unction drop into our heart.
Before we have come so far, we do not know the Person of the Holy Ghost. We have no sense in our conscience that He is God; we cannot worship and adore Him as the third Person in the blessed Godhead. But when we have come to the point that we know nothing without His teaching, feel nothing without His having given it, and are nothing without His having made it, then we pant after His teaching and guidance. Then we are brought to wait in holy adoration and soft stillness, until the dew and unction of the Spirit come down upon our conscience.
Such a soul also wants to know and do God’s will. By nature we do not desire to know the will of God; or if we know it, we do not desire to do it. For that will is opposed to ours. His will is spiritual, ours carnal; His will is holy, ours unholy; His will is pure, but ours is averse to all good. Therefore by nature we cannot know and do the will of God. But when He makes Jesus dear and precious to us and lifts up our heart to Himself, then we want to know the will of God, and not only to know that will, but also to do it when we know it.
Reading: John 14:15-31
To the reader…
Sometimes your knowledge becomes ignorance to you, your righteousness filthy rags and your strength weakness. That is a painful path, but not a lost one. In this way the Lord makes room in the soul for the teaching of His Spirit. Whoever knows nothing more without Him and is nothing more without Him learns at last to wait in stillness and adoration, until His dew and unction come down.
And do you find that your will by nature goes against God’s will, that your heart is carnal where His will is spiritual, holy and pure? Do not despair over that. Rather let it drive you out to Him Who can make Jesus dear and precious to your soul. Where He does so, the heart is lifted up to Him, and then it becomes a delight not only to know His will, but also to do it.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y ahora, Señor, ¿qué esperaré? Mi esperanza en Ti está.
Salmo 39:7
¿Qué quiere tener un alma que de veras espera? La enseñanza de Dios el Espíritu Santo. Cuando estamos enteramente vaciados de nosotros mismos, cuando nuestro conocimiento resulta ser ignorancia, nuestra justicia trapos de inmundicia y nuestra fuerza debilidad, entonces comenzamos a anhelar la enseñanza del bendito Espíritu. Debemos ser purificados y probados antes de poder estimar y recibir los tesoros de la gracia. Cuando nuestra alma ha sido bien ejercitada y probada, comenzamos a anhelar la enseñanza del Espíritu Santo. Entonces anhelamos que Él derrame el amor de Dios en nuestra alma, que nos visite y nos guíe, que nos cubra con Su santa presencia y que deje caer Su secreta unción en nuestro corazón.
Antes de haber llegado tan lejos, no conocemos la Persona del Espíritu Santo. No tenemos en nuestra conciencia ningún sentir de que Él es Dios; no podemos adorarle y reverenciarle como la tercera Persona de la bendita Deidad. Pero cuando hemos llegado al punto de no saber nada sin Su enseñanza, no sentir nada sin que Él lo haya dado, y no ser nada sin que Él lo haya hecho, entonces anhelamos Su enseñanza y Su guía. Entonces somos llevados a esperar en santa adoración y dulce quietud, hasta que el rocío y la unción del Espíritu desciendan sobre nuestra conciencia.
Tal alma quiere también conocer y hacer la voluntad de Dios. Por naturaleza no deseamos conocer la voluntad de Dios; o si la conocemos, no deseamos hacerla. Porque esa voluntad se opone a la nuestra. Su voluntad es espiritual, la nuestra carnal; Su voluntad es santa, la nuestra impía; Su voluntad es pura, pero la nuestra es contraria a todo bien. Por eso, por naturaleza no podemos conocer ni hacer la voluntad de Dios. Pero cuando Él nos hace a Jesús querido y precioso, y eleva nuestro corazón hacia Sí, entonces queremos conocer la voluntad de Dios, y no solo conocer esa voluntad, sino también hacerla cuando la conocemos.
Lectura: Juan 14:15-31
Al lector…
A veces su conocimiento se le vuelve ignorancia, su justicia trapos de inmundicia y su fuerza debilidad. Es un camino doloroso, pero no un camino perdido. De esta manera el Señor hace lugar en el alma para la enseñanza de Su Espíritu. Quien ya no sabe nada sin Él y ya no es nada sin Él, aprende al fin a esperar en quietud y adoración, hasta que Su rocío y Su unción desciendan.
¿Y halla usted que su voluntad por naturaleza va contra la voluntad de Dios, que su corazón es carnal donde la voluntad de Él es espiritual, santa y pura? No se desespere por ello. Deje más bien que eso le impulse hacia Aquel que puede hacer a Jesús querido y precioso para su alma. Donde Él lo hace, el corazón se eleva hacia Él, y entonces llega a ser un deleite no solo conocer Su voluntad, sino también hacerla.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Tot Hem zal men komen.
Jesaja 45:24
De Heere heeft een absolute belofte gegeven, namelijk deze: „In de Heere zal gerechtvaardigd worden en zich beroemen het ganse zaad Israëls.” En niet minder wordt eraan toegevoegd: „Tot Hem zal men komen.” En wie geeft hun de wil en de macht om te komen? De Vader Zelf, overeenkomstig des Heeren eigen woorden: „Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke.” Maar zal de Vader alle uitverkoren vaten der barmhartigheid tot Jezus trekken? Gewisselijk zal Hij het doen, want de Heere voegt eraan toe: „Gelijk geschreven is in de profeten: En zij zullen allen van God geleerd zijn. Een iegelijk dan, die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij” (Joh. 6:45).
Iedere daad des geloofs waardoor gij op Jezus ziet, is een komen. Iedere straal van hoop in Zijn bloed is een komen. Iedere zucht, elk gebed of elke traan, elk oprecht berouw, iedere uitgaande begeerte van een verbroken hart, dit alles is een komen. Zodat, wanneer gij niet in staat zijt u ten volle te vergewissen, zoals gij zoudt wensen, van een aandeel in het vorige gedeelte van de belofte: „Gewisselijk, in de Heere heb ik gerechtigheid en sterkte”, toch door een Goddelijke kracht een verborgen komen in uw ziel gewrocht is, waardoor gij een bewezen aandeel hebt in het tweede gedeelte: „Tot Hem zal men komen.”
Wij kunnen niet komen, tenzij wij getrokken worden. „Trek mij,” zegt de bruid, „en wij zullen U nalopen” (Hooglied 1:4). „De Heere is mij verschenen van verre tijden: Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid.” Als wij getrokken worden, dan komen wij, en dan moeten wij komen. Het is goed om te komen. Zelfs zij die reeds ontvangen hebben, moeten voortdurend komen; wij krijgen niet dan door het komen.
Ons dagelijks leven, als een leven van geloof en hoop, is een leven van komen. Ons aanhoudend gebed is een aanhoudend komen, want de taal van de kerk is steeds: „En de Geest en de bruid zeggen: Kom; en die dorst heeft, kome, en die wil, neme het water des levens om niet.” Zo moeten wij altijd komen, om te allen tijde iets te ontvangen. En alles wat ons doet komen, bevat in zich een wezenlijke zegen. Gij zult niet tevergeefs komen, wie of wat gij ook zijt. „Want die tot Mij komt,” zegt de Heere Zelf, „die zal Ik geenszins uitwerpen.”
Aan de lezer…
U die niet durft te zeggen: „In de Heere heb ik gerechtigheid en sterkte,” en uw aandeel in Hem niet zo vast kunt stellen als u wel zou wensen, zie dan op het tweede gedeelte van de belofte: „Tot Hem zal men komen.” Iedere zucht, iedere traan, iedere straal van hoop in Zijn bloed, iedere begeerte van een verbroken hart is een komen. En wie zo komt, is getrokken, want niemand kan tot Hem komen, tenzij de Vader hem trekt.
Blijf dan komen, niet eenmaal, maar dagelijks; want wij krijgen niet dan door het komen. Komt u met lege handen, met een schuldig geweten, met een hart dat nauwelijks weet wat het bidden moet: u zult niet tevergeefs komen, wie of wat u ook bent. Hij Zelf heeft het gezegd, en Hij liegt niet: „Die tot Mij komt, die zal Ik geenszins uitwerpen.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Tot Hem zal men komen.
Jesaja 45:24
De Heere heeft een onvoorwaardelijke belofte gegeven, namelijk deze: „In de Heere zal gerechtvaardigd worden en zich beroemen het ganse zaad Israëls.” En niet minder wordt eraan toegevoegd: „Tot Hem zal men komen.” Wie geeft hun de wil en de macht om te komen? De Vader Zelf, overeenkomstig de eigen woorden van de Heere: „Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke.” Maar zal de Vader alle uitverkoren vaten van de barmhartigheid tot Jezus trekken? Zeker zal Hij dat doen, want de Heere voegt eraan toe: „Gelijk geschreven is in de profeten: En zij zullen allen van God geleerd zijn. Een iegelijk dan, die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij” (Joh. 6:45).
Iedere daad van het geloof waardoor u op Jezus ziet, is een komen. Iedere straal van hoop in Zijn bloed is een komen. Iedere zucht, elk gebed of elke traan, elk oprecht berouw, iedere uitgaande begeerte van een verbroken hart: dit alles is een komen. Misschien bent u niet in staat u zo volledig als u zou wensen te verzekeren van een aandeel in het eerste deel van de belofte: „Gewisselijk, in de Heere heb ik gerechtigheid en sterkte.” Toch is er dan door een Goddelijke kracht een verborgen komen in uw ziel gewerkt, waardoor u aantoonbaar deel hebt aan het tweede deel: „Tot Hem zal men komen.”
Wij kunnen niet komen tenzij wij getrokken worden. „Trek mij,” zegt de bruid, „en wij zullen U nalopen” (Hooglied 1:4). „De Heere is mij verschenen van verre tijden: Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid.” Als wij getrokken worden, dan komen wij, en dan moeten wij komen. Het is goed om te komen. Zelfs zij die al ontvangen hebben, moeten voortdurend komen; wij krijgen niets dan door te komen.
Ons dagelijks leven, als een leven van geloof en hoop, is een leven van komen. Ons aanhoudend gebed is een aanhoudend komen, want de taal van de kerk is steeds: „En de Geest en de bruid zeggen: Kom; en die dorst heeft, kome, en die wil, neme het water des levens om niet.” Zo moeten wij altijd komen, om op elk moment iets te ontvangen. En alles wat ons doet komen, draagt een wezenlijke zegen in zich. U zult niet tevergeefs komen, wie of wat u ook bent. „Want die tot Mij komt,” zegt de Heere Zelf, „die zal Ik geenszins uitwerpen.”
Aan de lezer…
U die niet durft te zeggen: „In de Heere heb ik gerechtigheid en sterkte,” en uw aandeel in Hem niet zo vast kunt stellen als u wel zou wensen, zie dan op het tweede deel van de belofte: „Tot Hem zal men komen.” Iedere zucht, iedere traan, iedere straal van hoop in Zijn bloed, iedere begeerte van een verbroken hart is een komen. En wie zo komt, is getrokken, want niemand kan tot Hem komen tenzij de Vader hem trekt.
Blijf dan komen, niet één keer, maar dagelijks; want wij krijgen niets dan door te komen. Komt u met lege handen, met een schuldig geweten, met een hart dat nauwelijks weet wat het bidden moet: u zult niet tevergeefs komen, wie of wat u ook bent. Hij Zelf heeft het gezegd, en Hij liegt niet: „Die tot Mij komt, die zal Ik geenszins uitwerpen.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Even to Him shall men come.
Isaiah 45:24
The Lord has given an absolute promise that “in the Lord shall all the seed of Israel be justified, and shall glory.” And no less absolute is the addition, and as it were divine corollary to that promise, “To Him shall men come.” And who gives them will and power to come? The Father Himself, according to the Lord’s own words, “No man can come to Me except the Father Who has sent Me draws him.” But will the Father draw all the chosen vessels of mercy to Jesus? Surely He will; for the Lord adds, “It is written in the prophets, And they shall be all taught of God. Every man therefore that has heard, and has learned of the Father, comes unto Me” (John 6:45).
Every act of faith whereby you look to Jesus is a coming. Every beam and ray of hope in His blood and righteousness is a coming. Every sigh, groan, or tear; every contrite feeling, every breathing desire of a broken heart, all are a coming. So that though you may not be able to realize as fully as you could wish a saving interest in the former part of the promise, “Surely, shall one say, in the Lord have I righteousness and strength;” yet there is wrought in your soul by a divine power that secret coming whereby you have a manifested saving interest in the second part of it, “Even to Him shall men come.”
We cannot come until we are drawn. “Draw me,” says the bride, “we will run after you” (Song Sol. 1:4). “The Lord has appeared of old unto me, saying, Yes, I have loved you with an everlasting love, therefore with loving-kindness have I drawn you.” When we are drawn, then we come, and cannot but come. It is good to come. Even those who have received must be ever coming. We get nothing but by coming.
Our daily life, as one of faith and hope, is a life of coming. Our continual prayer is a continual coming. For the language of the Church still is, “And the Spirit and the bride say, Come. And let him that is athirst come. And whoever will, let him take the water of life freely.” Thus must we be ever coming that we may be ever receiving; and so everything that makes us come has in it a real or an implied blessing. Nor will you come in vain, be you who or what you may. “For him that comes to Me,” the blessed Lord Himself has said, “I will in no wise cast out.”
To the reader…
You who do not dare to say, “In the Lord have I righteousness and strength,” and cannot be as sure of your interest in Him as you would wish, look then to the second part of the promise: “Even to Him shall men come.” Every sigh, every tear, every ray of hope in His blood, every desire of a broken heart is a coming. And whoever comes like this has been drawn, for no one can come to Him except the Father draw him.
Keep coming, then, not once, but daily; for we get nothing but by coming. If you come with empty hands, with a guilty conscience, with a heart that hardly knows what to pray: you will not come in vain, whoever or whatever you are. He Himself has said it, and He does not lie: “Him that cometh to Me I will in no wise cast out.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
A Él vendrán.
Isaías 45:24
El Señor ha dado una promesa absoluta: “En Jehová será justificada y se gloriará toda la generación de Israel.” Y no menos absoluta es la añadidura, como un corolario divino de esa promesa: “A Él vendrán.” ¿Y quién les da voluntad y poder para venir? El Padre mismo, según las propias palabras del Señor: “Ninguno puede venir a Mí, si el Padre que Me envió no le trajere.” Pero ¿traerá el Padre a todos los vasos escogidos de misericordia a Jesús? Ciertamente lo hará; porque el Señor añade: “Escrito está en los profetas: Y serán todos enseñados de Dios. Así que, todo aquel que oyó del Padre, y aprendió, viene a Mí” (Juan 6:45).
Cada acto de fe por el cual usted mira a Jesús es un venir. Cada destello y rayo de esperanza en Su sangre y justicia es un venir. Cada suspiro, gemido o lágrima; cada sentimiento contrito, cada deseo anhelante de un corazón quebrantado: todo es un venir. De modo que, aunque usted no pueda apropiarse tan plenamente como quisiera una parte salvadora en la primera mitad de la promesa: “Diráse de Mí: Ciertamente en Jehová está la justicia y la fuerza”; sin embargo, por un poder divino ha sido obrado en su alma aquel venir secreto por el cual tiene una parte salvadora manifiesta en la segunda: “A Él vendrán.”
No podemos venir hasta que somos traídos. “Llévame en pos de Ti,” dice la esposa, “correremos” (Cant. 1:4). “Jehová se manifestó a mí ya mucho tiempo ha, diciendo: Con amor eterno te he amado; por tanto te atraje con misericordia.” Cuando somos traídos, entonces venimos, y no podemos menos que venir. Bueno es venir. Aun los que han recibido han de estar viniendo siempre. No obtenemos nada sino viniendo.
Nuestra vida diaria, como vida de fe y esperanza, es una vida de venir. Nuestra oración continua es un continuo venir. Porque el lenguaje de la Iglesia sigue siendo: “Y el Espíritu y la Esposa dicen: Ven. Y el que tiene sed, venga: y el que quiere, tome del agua de la vida de balde.” Así hemos de estar siempre viniendo para estar siempre recibiendo; y por eso todo lo que nos hace venir lleva en sí una bendición real o implícita. Ni vendrá usted en vano, sea quien sea o como sea. “Al que a Mí viene,” ha dicho el mismo bendito Señor, “no le echo fuera.”
Al lector…
Usted que no se atreve a decir: “Ciertamente en Jehová está la justicia y la fuerza,” y no puede estar tan seguro como quisiera de su parte en Él, mire entonces a la segunda parte de la promesa: “A Él vendrán.” Cada suspiro, cada lágrima, cada rayo de esperanza en Su sangre, cada deseo de un corazón quebrantado es un venir. Y quien viene así ha sido traído, porque nadie puede venir a Él si el Padre no le trae.
Siga, pues, viniendo, no una vez, sino cada día; porque no obtenemos nada sino viniendo. Aunque venga con las manos vacías, con una conciencia culpable, con un corazón que apenas sabe qué orar: no vendrá en vano, sea quien sea o como sea. Él mismo lo ha dicho, y Él no miente: “Al que a Mí viene, no le echo fuera.”
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl