5 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Maar blijft gij in hetgeen gij geleerd hebt, en waarvan u verzekering gedaan is.
2 Timotheüs 3:14
Velerlei moeilijkheden ontmoet het kind van God op zijn weg naar de hemel. En die alle hebben de strekking dat zij, zonder de genade Gods, zekerlijk het afdwalen van het geloof ten gevolge zouden hebben. Wanneer hij dan vlak tegen de wind in gaat, als storm en hagel hem teisteren, als de golven zich verheffen en de stroom in snelheid toeneemt, schijnt er geen kans te zijn vooruit te komen, en hij vreest dat hij zal zijn gelijk „de kinderen Efraïms, die, schoon gewapend en van bogen voorzien, in het midden van het gevecht terugkeerden.” En toch is daar die genade in zijn hart ingeplant, en is daar dat geloof, hetwelk God de Heilige Geest eerst in zijn ziel wekte en nog levendig houdt, zodat hij, schoon hij voor een ogenblik moge afdrijven, toch nooit de Waarheid de rug zal toekeren; schoon voor een ogenblik toevende, is zijn gelaat nog naar Sion gericht.
Ik kan het van mijzelf getuigen dat al de beproevingen die ik heb doorstaan, al de verzoekingen waarin ik geleid ben geworden, en al de vervolgingen, zo van zondaars als van gelovigen, die ik heb moeten verduren, slechts hebben moeten dienen om de Waarheid Gods des te vaster in mijn hart te bevestigen. Ik heb bevonden dat beproevingen, lijden, oefeningen van buiten en van binnen, in plaats van het geloof uit de ziel te verdrijven en die uitwerking te hebben die Satan erdoor zou uitoefenen, door het hart van de Waarheid tot de dwaling, en van de gemeente Gods tot de wereld te brengen — ik heb bevonden bij eigen ervaring dat de in- en uitwendige beproevingen de Waarheid en de liefde tot de Waarheid steeds dieper in mijn hart bevestigen, en, in plaats van ons geloof te doen afdwalen, gediend hebben om het te versterken, te bemoedigen en te bevestigen.
Ik vrees niet, neen, schoon ik door duist’re dalen
in doodsgevaar bekommerd om moest dwalen.
Gij blijft mij bij in alle tegenspoeden:
uw stok en staf zal mij altoos behoeden.
Gij troost mijn ziel en richt in mededogen
de tafel aan voor mijner haat’ren ogen.
Ps. 23:2
Aan de lezer…
Wie vlak tegen de wind in gaat, terwijl storm en hagel hem teisteren en de stroom alleen maar sterker wordt, weet hoe zwaar dat is; misschien is dat uw weg. Schijnt er geen kans te zijn om vooruit te komen, en vreest u dat u midden in de strijd zult terugkeren? Zonder de genade Gods zou het ook zo gaan; daarover moeten wij eerlijk zijn. Maar waar God de Heilige Geest het geloof gewekt heeft, houdt Hij het ook levendig. U mag een ogenblik afdrijven, toch blijft uw gelaat naar Sion gericht.
Zie dan uw beproevingen eens met andere ogen aan. Satan bedoelt ermee u van de Waarheid tot de dwaling en van de gemeente Gods tot de wereld te drijven. Maar de Heere gebruikt diezelfde in- en uitwendige beproevingen om de Waarheid en de liefde tot de Waarheid dieper in uw hart te bevestigen. Blijf dan in hetgeen u geleerd hebt. Wat u nu dreigt te doen afdwalen, zal in Zijn hand dienen om uw geloof te versterken.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Maar blijft gij in hetgeen gij geleerd hebt, en waarvan u verzekering gedaan is.
2 Timotheüs 3:14
Het kind van God ontmoet op zijn weg naar de hemel allerlei moeilijkheden. En die zouden allemaal, zonder de genade van God, er zeker toe leiden dat hij van het geloof afdwaalde. Wanneer hij dan pal tegen de wind in gaat, wanneer storm en hagel hem teisteren, wanneer de golven opsteken en de stroom steeds sneller wordt, lijkt er geen kans te zijn om vooruit te komen. Dan vreest hij dat hij zal zijn als „de kinderen Efraïms, die, schoon gewapend en van bogen voorzien, in het midden van het gevecht terugkeerden.” En toch is die genade in zijn hart geplant, en is er dat geloof dat God de Heilige Geest eens in zijn ziel gewekt heeft en nog levend houdt. Daardoor zal hij, al drijft hij een ogenblik af, de Waarheid toch nooit de rug toekeren; al blijft hij een ogenblik staan, zijn gelaat is nog steeds naar Sion gericht.
Ik kan van mijzelf getuigen dat alle beproevingen die ik heb doorstaan, alle verzoekingen waarin ik geleid ben, en alle vervolgingen die ik heb moeten verduren, zowel van zondaars als van gelovigen, er alleen maar toe gediend hebben de Waarheid van God des te vaster in mijn hart te bevestigen. Beproevingen, lijden en oefeningen van buiten en van binnen zouden, zoals Satan dat wil, het geloof uit de ziel kunnen verdrijven en het hart van de Waarheid naar de dwaling en van de gemeente van God naar de wereld kunnen brengen. Maar in plaats daarvan heb ik uit eigen bevinding gemerkt dat de inwendige en uitwendige beproevingen de Waarheid en de liefde tot de Waarheid steeds dieper in mijn hart bevestigen. In plaats van ons geloof te doen afdwalen, hebben zij gediend om het te versterken, te bemoedigen en te bevestigen.
Ik vrees niet, neen, schoon ik door duist’re dalen
in doodsgevaar bekommerd om moest dwalen.
Gij blijft mij bij in alle tegenspoeden:
uw stok en staf zal mij altoos behoeden.
Gij troost mijn ziel en richt in mededogen
de tafel aan voor mijner haat’ren ogen.
Ps. 23:2
Aan de lezer…
Wie pal tegen de wind in gaat, terwijl storm en hagel hem teisteren en de stroom alleen maar sterker wordt, weet hoe zwaar dat is; misschien is dat uw weg. Lijkt er geen kans te zijn om vooruit te komen, en vreest u dat u midden in de strijd zult terugkeren? Zonder de genade van God zou het ook zo gaan; daarover moeten wij eerlijk zijn. Maar waar God de Heilige Geest het geloof gewekt heeft, houdt Hij het ook levend. U kunt een ogenblik afdrijven, maar uw gelaat blijft naar Sion gericht.
Bekijk uw beproevingen dan eens met andere ogen. Satan wil u ermee van de Waarheid naar de dwaling en van de gemeente van God naar de wereld drijven. Maar de Heere gebruikt diezelfde inwendige en uitwendige beproevingen om de Waarheid en de liefde tot de Waarheid dieper in uw hart te bevestigen. Blijf dan in wat u geleerd hebt. Wat u nu dreigt te doen afdwalen, zal in Zijn hand dienen om uw geloof te versterken.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
But continue thou in the things which thou hast learned and hast been assured of.
2 Timothy 3:14
Various hindrances meet the child of God in his path heavenwards. And their tendency is such, that but for the grace of God, they would effectually succeed in driving him from the faith. When, then, he has to meet a head wind blowing right in his teeth, when the storm and hail beat roughly upon him, when the waves rise high and the stream runs strong, there seems no getting on; and he fears that he shall be like “the children of Ephraim, who, being armed, and carrying bows, turned back in the day of battle.”
And yet there is that grace implanted in his heart, there is that faith which God the Spirit first created and still keeps alive in his soul, that though he may for a moment be driven aside, he yet never turns his back upon the truth; though retarded for a moment, his face is still Zionwards.
I can say for myself, that all the trials I have passed through, all the temptations I have been in, and all the persecutions I have had to endure, from sinner and from saint, have only served to rivet the truth of God more firmly in my heart. I find the trials, sufferings, exercises from without and from within, instead of driving faith out of the soul, having that effect which Satan would produce by them, and driving the heart from truth into error, from the Church of God into the world—I can say, from feeling experience, that these inward and outward trials only rivet the truth, and the love of the truth, more deeply in my heart; and instead of driving out faith, they have only tended to strengthen, encourage, and confirm it.
To the reader…
Whoever walks straight into the wind, while storm and hail beat upon him and the current only grows stronger, knows how hard that is; perhaps that is your way. Does there seem to be no chance of getting on, and do you fear that you will turn back in the middle of the battle? Without the grace of God it would indeed go that way; we must be honest about that. But where God the Holy Spirit has created faith, He also keeps it alive. You may be driven aside for a moment, but your face remains set toward Zion.
So look at your trials with different eyes. With them Satan wants to drive you from the Truth into error and from the Church of God into the world. But the Lord uses those very inward and outward trials to rivet the Truth and the love of the Truth more deeply in your heart. Continue, then, in what you have learned. What now threatens to lead you astray will, in His hand, serve to strengthen your faith.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Empero persiste tú en lo que has aprendido y te persuadiste.
2 Timoteo 3:14
Diversos estorbos salen al encuentro del hijo de Dios en su camino hacia el cielo. Y su tendencia es tal que, si no fuera por la gracia de Dios, lograrían eficazmente apartarlo de la fe. Cuando, pues, tiene que hacer frente a un viento contrario que le sopla de lleno en la cara, cuando la tormenta y el granizo lo azotan con dureza, cuando las olas se alzan y la corriente es fuerte, parece que no hay manera de avanzar; y teme llegar a ser como “los hijos de Ephraim armados, flecheros, volvieron las espaldas el día de la batalla.”
Y sin embargo, hay aquella gracia implantada en su corazón, hay aquella fe que Dios el Espíritu creó primero y aún mantiene viva en su alma, de modo que, aunque por un momento sea desviado, nunca vuelve la espalda a la verdad; aunque por un momento sea detenido, su rostro sigue vuelto hacia Sion.
Puedo decir por mi parte que todas las pruebas por las que he pasado, todas las tentaciones en que me he visto y todas las persecuciones que he tenido que soportar, tanto de pecadores como de santos, solo han servido para remachar la verdad de Dios más firmemente en mi corazón. Hallo que las pruebas, los sufrimientos y los ejercicios de fuera y de dentro, en lugar de expulsar la fe del alma, que es el efecto que Satanás quisiera producir por ellos, arrastrando el corazón de la verdad al error y de la Iglesia de Dios al mundo; puedo decir, por experiencia sentida, que estas pruebas interiores y exteriores solo remachan la verdad, y el amor de la verdad, más hondamente en mi corazón; y en lugar de expulsar la fe, solo han tendido a fortalecerla, alentarla y confirmarla.
Al lector…
Quien camina de frente contra el viento, mientras la tormenta y el granizo lo azotan y la corriente no hace sino crecer, sabe lo difícil que es; quizá ese sea su camino. ¿Parece que no hay manera de avanzar, y teme volver la espalda en medio de la batalla? Sin la gracia de Dios así sería, en efecto; debemos ser sinceros en esto. Pero donde Dios el Espíritu Santo ha creado la fe, también la mantiene viva. Puede ser desviado por un momento, pero su rostro sigue vuelto hacia Sion.
Mire, pues, sus pruebas con otros ojos. Con ellas Satanás quiere arrastrarle de la Verdad al error y de la Iglesia de Dios al mundo. Pero el Señor usa precisamente esas pruebas interiores y exteriores para remachar la Verdad y el amor de la Verdad más hondamente en su corazón. Persista, pues, en lo que ha aprendido. Lo que ahora amenaza con descarriarle servirá, en Su mano, para fortalecer su fe.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Het onderhouden van het geestelijk leven
Nu dan, doet de Heere, uwer vaderen God, belijdenis en doet Zijn welgevallen, en scheidt u af van de volken des lands, en van de vreemde vrouwen.
Ezra 10:11
Afgescheiden te zijn van de wereld en al het wereldse, niet op een monnikachtige, strenge, Farizese manier, maar uit de beperkende invloed van die liefde tot de Heere die het hart en de genegenheden weg van aardse dingen naar Hem toe trekt, is een genadig, bijna noodzakelijk middel om het leven Gods in het hart van de gelovige in stand te houden. Niets stompt de ziel meer af voor elk genadig en hemels gevoel dan het in zich opnemen van de wereld. Zolang dat wordt vermeden, doet meer uitwendige verbondenheid met de wereld, zoals bijvoorbeeld de eisen die noodzakelijke en wettelijke zaken aan ons stellen, ons geen kwaad.
De wereld buiten en de wereld binnen zijn als twee stromen van verschillende omvang, die naast elkaar lopen. Houd ze gescheiden, en de kleinere stroom zal niet buiten zijn oevers treden; maar laat de grotere stroom de kleinere binnengaan, met andere woorden, laat de wereld buiten in de wereld binnen instromen, hoe groot zal dan de omvang van die overstroming of de verwoesting die zij aan onze gewassen aanricht wel niet zijn?
Bij sommigen is het gestel zo gevoelig dat een beetje tocht al genoeg is om een ontsteking te veroorzaken. Anderen zijn zo vatbaar voor ziekte dat ze bij de geringste besmetting van elke heersende kwaal al ziek worden. Mensen met zo’n zwak gestel moeten oppassen voor de oostenwind en zich niet aan vochtige, koude lucht blootstellen. Maar zulke verkouden, koortsige zieken zijn we nu juist allemaal in de ziel, hoe krachtig en gezond het lichaam ook is. Laten we daarom bang zijn voor de adem van de wereld, opdat hij ons hart niet verkilt of de vleselijke geest ontstoken doet raken. Laten we vrezen te worden blootgesteld aan haar besmettelijke invloed, opdat zij onze „slapende” ziekte niet laat „ontwaken”.
Lezen: Ezra 10:10-12
Aan de lezer…
Hoe vaak hebt u gemerkt hoe snel uw ziel afstompt wanneer de wereld binnenstroomt! Een enkel uur waarin het hart zich aan haar adem blootstelt, kan het verkillen voor elk hemels gevoel. U behoeft daarom niet als een monnik de wereld te ontvluchten; uw dagelijkse plichten doen u geen kwaad, zolang de stroom van buiten niet in uw binnenste overloopt. Maar wees eerlijk voor uzelf: wij zijn allen zwakke, vatbare zieken in de ziel, en de oude kwaal slaapt slechts.
Wat houdt de ziel dan afgescheiden? Geen strenge regels, maar de liefde tot de Heere, die het hart en de genegenheden zachtjes weg van de aardse dingen naar Hem toe trekt. Vraag Hem om die liefde. Doe Hem belijdenis van al wat de wereld in u heeft aangericht, en doe Zijn welgevallen. Waar Hij Zelf het hart vervult, daar is voor de wereld geen plaats meer, en daar wordt het leven Gods in stand gehouden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Nu dan, doet de Heere, uwer vaderen God, belijdenis en doet Zijn welgevallen, en scheidt u af van de volken des lands, en van de vreemde vrouwen.
Ezra 10:11
Afgescheiden zijn van de wereld en van al het wereldse is een genadig, bijna noodzakelijk middel om het leven van God in het hart van de gelovige te bewaren. Dat gebeurt niet op een monnikachtige, strenge, farizese manier, maar door de bindende kracht van de liefde tot de Heere, die het hart en de genegenheden wegtrekt van de aardse dingen, naar Hem toe. Niets stompt de ziel meer af voor elk genadig en hemels gevoel dan het in zich opnemen van de wereld. Zolang dat wordt vermeden, doet een meer uiterlijke verbondenheid met de wereld, zoals de eisen die noodzakelijke en wettige bezigheden aan ons stellen, ons geen kwaad.
De wereld buiten ons en de wereld in ons zijn als twee stromen van verschillende omvang die naast elkaar lopen. Houd ze gescheiden, en de kleinere stroom zal niet buiten zijn oevers treden. Maar laat de grotere stroom in de kleinere stromen, met andere woorden, laat de wereld buiten ons in de wereld in ons binnenstromen: hoe groot zal dan de overstroming zijn, en de verwoesting die zij onder onze gewassen aanricht?
Bij sommigen is het gestel zo gevoelig dat een beetje tocht al genoeg is om een ontsteking te veroorzaken. Anderen zijn zo vatbaar voor ziekte dat ze bij de geringste besmetting door elke heersende kwaal al ziek worden. Mensen met zo’n zwak gestel moeten oppassen voor de oostenwind en zich niet aan vochtige, koude lucht blootstellen. Maar zulke verkouden, koortsige zieken zijn we in onze ziel nu juist allemaal, hoe krachtig en gezond het lichaam ook is. Laten we daarom bang zijn voor de adem van de wereld, zodat die ons hart niet verkilt of de vleselijke geest niet doet ontsteken. Laten we vrezen om aan haar besmettelijke invloed te worden blootgesteld, zodat zij onze „slapende” ziekte niet laat „ontwaken”.
Lezen: Ezra 10:10-12
Aan de lezer…
Hoe vaak hebt u gemerkt hoe snel uw ziel afstompt wanneer de wereld binnenstroomt! Eén enkel uur waarin het hart zich aan haar adem blootstelt, kan het verkillen voor elk hemels gevoel. U hoeft daarom niet als een monnik de wereld te ontvluchten; uw dagelijkse plichten doen u geen kwaad, zolang de stroom van buiten niet in uw binnenste overloopt. Maar wees eerlijk tegenover uzelf: wij zijn allemaal zwakke, vatbare zieken in de ziel, en de oude kwaal slaapt slechts.
Wat houdt de ziel dan afgescheiden? Geen strenge regels, maar de liefde tot de Heere, die het hart en de genegenheden zacht van de aardse dingen wegtrekt, naar Hem toe. Vraag Hem om die liefde. Doe Hem belijdenis van alles wat de wereld in u heeft aangericht, en doe Zijn welgevallen. Waar Hij Zelf het hart vervult, is voor de wereld geen plaats meer, en daar wordt het leven van God bewaard.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Now therefore make confession unto the LORD God of your fathers, and do His pleasure: and separate yourselves from the people of the land, and from the strange wives.
Ezra 10:11
Separation from the world and from all that is worldly is a gracious, almost a necessary means of maintaining the life of God in the believer’s heart. This is done not in a monkish, austere, Pharisaic way, but by the constraining power of love to the Lord, which draws the heart and the affections away from earthly things towards Himself. Nothing so deadens the soul to every gracious and heavenly feeling as drinking in the world. As long as that is avoided, a more outward connection with the world, such as the demands which necessary and lawful callings make upon us, does us no harm.
The world without us and the world within us are like two streams of different size running side by side. Keep them apart, and the smaller stream will not overflow its banks. But let the greater stream into the smaller—in other words, let the world without us flow into the world within us: how great then will be the flood, and the havoc it makes among our crops?
With some the constitution is so delicate that a slight draught is enough to bring on an inflammation. Others are so liable to disease that at the least infection they catch every prevailing malady. People with so weak a constitution must beware of the east wind and not expose themselves to damp, cold air. But such chilly, feverish invalids we all are in our souls, however strong and healthy the body may be. Let us therefore fear the breath of the world, lest it chill our heart or inflame our carnal mind. Let us fear being exposed to its infectious influence, lest it make our “sleeping” disease “awake.”
Reading: Ezra 10:10-12
To the reader…
How often have you noticed how quickly your soul grows dull when the world flows in! A single hour in which the heart exposes itself to its breath can chill it to every heavenly feeling. You need not flee the world like a monk; your daily duties do you no harm, so long as the stream from without does not overflow into your inmost being. But be honest with yourself: we are all weak invalids in soul, easily infected, and the old malady only sleeps.
What, then, keeps the soul separate? Not strict rules, but love to the Lord, which gently draws the heart and the affections away from earthly things towards Himself. Ask Him for that love. Make confession to Him of all that the world has done in you, and do His pleasure. Where He Himself fills the heart, there is no more room for the world, and there the life of God is maintained.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Ahora pues, dad gloria a Jehová Dios de vuestros padres, y haced Su voluntad, y apartaos de los pueblos de las tierras, y de las mujeres extranjeras.
Esdras 10:11
La separación del mundo y de todo lo mundano es un medio lleno de gracia, casi un medio necesario, para mantener la vida de Dios en el corazón del creyente. Esto no se hace de una manera monacal, austera y farisaica, sino por el poder constreñidor del amor al Señor, que aparta el corazón y los afectos de las cosas terrenales y los atrae hacia Él. Nada amortigua tanto el alma para todo sentimiento lleno de gracia y celestial como beber del mundo. Mientras esto se evite, una relación más exterior con el mundo, como las exigencias que nos imponen las vocaciones necesarias y lícitas, no nos hace daño.
El mundo fuera de nosotros y el mundo dentro de nosotros son como dos corrientes de distinto tamaño que corren una junto a otra. Manténgalas separadas, y la corriente menor no se desbordará. Pero deje entrar la corriente mayor en la menor —en otras palabras, deje que el mundo fuera de nosotros fluya en el mundo dentro de nosotros—: ¡qué grande será entonces la inundación, y el estrago que hará entre nuestras cosechas!
En algunos la constitución es tan delicada que basta una ligera corriente de aire para provocar una inflamación. Otros son tan propensos a la enfermedad que al menor contagio contraen todo mal reinante. Las personas de constitución tan débil deben guardarse del viento del este y no exponerse al aire húmedo y frío. Pero tales inválidos friolentos y febriles somos todos nosotros en nuestra alma, por fuerte y sano que sea el cuerpo. Temamos, pues, el aliento del mundo, no sea que enfríe nuestro corazón o inflame nuestra mente carnal. Temamos estar expuestos a su influencia contagiosa, no sea que haga “despertar” nuestra enfermedad “dormida”.
Lectura: Esdras 10:10-12
Al lector…
¡Cuántas veces ha notado usted con qué rapidez se embota su alma cuando el mundo entra a raudales! Una sola hora en que el corazón se expone a su aliento puede enfriarlo para todo sentimiento celestial. No tiene que huir del mundo como un monje; sus deberes diarios no le hacen daño, con tal que la corriente de fuera no se desborde en lo más íntimo de su ser. Pero sea sincero consigo mismo: todos somos inválidos débiles en el alma, fácilmente contagiados, y el viejo mal solo duerme.
¿Qué es, pues, lo que mantiene el alma separada? No reglas estrictas, sino el amor al Señor, que suavemente aparta el corazón y los afectos de las cosas terrenales y los atrae hacia Él. Pídale ese amor. Confiésele todo lo que el mundo ha hecho en usted, y haga Su voluntad. Donde Él mismo llena el corazón, ya no hay lugar para el mundo, y allí se mantiene la vida de Dios.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Zend Uw licht en Uw waarheid.
Psalm 43:3
„Zend Uw licht uit.” De psalmist begeerde dat het licht mocht uitgezonden worden, dat is, dat het medegedeeld mocht worden. De ziel, wandelende in de duisternis, en verwaardigd wordende te reikhalzen en sterk te verlangen naar licht, is niet voldaan met de overtuiging dat er bij God licht is. De dorstige is niet tevreden met de wetenschap dat er water in de bron is, noch ook hij die in een mijn zijn weg is kwijtgeraakt, met de wetenschap dat er licht in de zon is. Een flauw straaltje, door een spleet heen glurende, was hem wel duizend zonnen waard, die, door hem niet gezien, in de lucht hun glans verspreiden. En zo kan de door de duisternis overvallen heilige niet rusten in de blote kennis dat God een Licht is en dat er geen duisternis is in Hem.
Maar zijn zucht en begeerte is dat dat licht uit de volheid der Godheid moge worden uitgezonden in zijn ziel, en een inwendig licht moge worden uitgestort in zijn hart, waardoor hij de waarheid Gods zien moge en de heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus; waardoor hij zijn naam moge geschreven zien in het boek des levens en duidelijk onderscheiden zijn naam in het eeuwigdurend verbond, dat in alles welgeordineerd en bewaard is; waardoor hij Jezus moge zien en daarin zijn eeuwige vereniging met Jezus, en in die vereniging een zoete gemeenschap met Hem genieten; Zijn tegenwoordigheid in zijn ziel ontwaren en dus Zijn heerlijkheid geopenbaard en verklaard moge vinden in zijn hart.
Maar David behoefde iets meer dan licht. Hij zegt: „Zend Uw licht en Uw waarheid.” Wat was de waarheid die hij zocht te kennen en waarvan hij de innerlijke kracht bevindelijk in zijn ziel wenste te ervaren? Zonder twijfel dezelfde waarheid waarom Gods kinderen van deze tijd ook zuchten; het is niets minder dan de waarheid zoals die in Jezus is. De waarheid van Zijn bloed, als verzoening voor de zonde; de waarheid van Zijn gerechtigheid, ons vrijsprekende van al hetgeen waarvan wij niet konden gerechtvaardigd worden door de wet van Mozes.
De waarheid van een personele en eeuwigdurende verlossing van alle vloek en veroordeling; de waarheid waardoor de ziel wordt vrijgemaakt, overeenkomstig deze woorden: „En gij zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrijmaken.” De waarheid waardoor de genegenheden worden losgemaakt van de dingen van de tijd en het zinnelijke, en gevestigd worden op de werkelijkheden der eeuwigheid. In één woord, het is Jezus Zelf te kennen door Zijn eigen zoete openbaring, want Hij is de Weg, de Waarheid en het Leven; en dat Hij in onze ziel mag genoten worden als de inhoud en de vastigheid der waarheid.
Aan de lezer…
Wandelt u in de duisternis, waarde lezer, en weet u wel dat er bij God licht is, maar ziet u het niet? Dan bent u als de verdwaalde in de mijn, die met de zon in de lucht niet geholpen is zolang er geen straaltje tot hem doordringt. Schaam u niet voor dat reikhalzen; het is zelf al een teken dat de Heere u verwaardigt naar Hem te verlangen. Blote kennis kan de ziel niet voldoen; zij moet het licht in haar eigen hart ontvangen.
Bid dan met David: „Zend Uw licht en Uw waarheid.” Vraag niet om een nieuwe gedachte, maar om Jezus Zelf, de Weg, de Waarheid en het Leven. Vraag om de waarheid van Zijn bloed en van Zijn gerechtigheid, die u vrijspreekt van al wat de wet van Mozes niet kon wegnemen. Eén straaltje van Zijn aangezicht is meer waard dan duizend zonnen die u niet ziet. Hij Die het licht in Zich heeft, kan het ook in uw ziel uitzenden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Zend Uw licht en Uw waarheid.
Psalm 43:3
„Zend Uw licht uit.” De psalmist verlangde dat het licht uitgezonden mocht worden, dat wil zeggen: dat het meegedeeld mocht worden. De ziel die in de duisternis wandelt, en die de genade krijgt om naar licht te reikhalzen en er sterk naar te verlangen, is niet tevreden met de overtuiging dat er bij God licht is. De dorstige is niet tevreden met de wetenschap dat er water in de bron is, en wie in een mijn de weg kwijt is, is niet tevreden met de wetenschap dat er licht in de zon is. Eén zwak straaltje dat door een spleet naar binnen gluurt, zou hem wel duizend zonnen waard zijn, die hij niet ziet, maar die in de lucht hun glans verspreiden. Zo kan ook de heilige die door de duisternis is overvallen niet rusten in de blote kennis dat God een Licht is en dat er geen duisternis in Hem is.
Maar zijn zucht en verlangen is dat dat licht uit de volheid van de Godheid in zijn ziel wordt uitgezonden, en dat er een inwendig licht in zijn hart wordt uitgestort. Daardoor mag hij de waarheid van God zien en de heerlijkheid van God in het aangezicht van Jezus Christus. Daardoor mag hij zijn naam geschreven zien in het boek des levens en zijn naam duidelijk onderscheiden in het eeuwig verbond, dat in alles welgeordend en bewaard is. Daardoor mag hij Jezus zien, en daarin zijn eeuwige vereniging met Jezus, en in die vereniging een zoete gemeenschap met Hem genieten; Zijn tegenwoordigheid in zijn ziel opmerken, en zo Zijn heerlijkheid in zijn hart geopenbaard en verklaard vinden.
Maar David had iets meer nodig dan licht. Hij zegt: „Zend Uw licht en Uw waarheid.” Wat was de waarheid die hij wilde kennen en waarvan hij de innerlijke kracht bevindelijk in zijn ziel wilde ervaren? Ongetwijfeld dezelfde waarheid waar Gods kinderen van deze tijd ook om zuchten; het is niets minder dan de waarheid zoals die in Jezus is. De waarheid van Zijn bloed, als verzoening voor de zonde; de waarheid van Zijn gerechtigheid, die ons vrijspreekt van alles waarvan wij door de wet van Mozes niet gerechtvaardigd konden worden.
De waarheid van een persoonlijke en eeuwige verlossing van alle vloek en veroordeling; de waarheid waardoor de ziel wordt vrijgemaakt, overeenkomstig deze woorden: „En gij zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrijmaken.” De waarheid waardoor de genegenheden worden losgemaakt van de dingen van de tijd en van de zinnen, en gericht worden op de werkelijkheden van de eeuwigheid. In één woord: het is Jezus Zelf kennen door Zijn eigen zoete openbaring, want Hij is de Weg, de Waarheid en het Leven; en dat Hij in onze ziel genoten mag worden als de inhoud en de vastheid van de waarheid.
Aan de lezer…
Wandelt u in de duisternis, en weet u wel dat er bij God licht is, maar ziet u het niet? Dan bent u als iemand die in de mijn verdwaald is en niets heeft aan de zon in de lucht zolang er geen straaltje tot hem doordringt. Schaam u niet voor dat reikhalzen; het is zelf al een teken dat de Heere u de genade geeft naar Hem te verlangen. Blote kennis kan de ziel niet tevredenstellen; zij moet het licht in haar eigen hart ontvangen.
Bid dan met David: „Zend Uw licht en Uw waarheid.” Vraag niet om een nieuwe gedachte, maar om Jezus Zelf, de Weg, de Waarheid en het Leven. Vraag om de waarheid van Zijn bloed en van Zijn gerechtigheid, die u vrijspreekt van alles wat de wet van Mozes niet kon wegnemen. Eén straaltje van Zijn aangezicht is meer waard dan duizend zonnen die u niet ziet. Hij Die het licht in Zich heeft, kan het ook in uw ziel uitzenden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“O send out thy light and thy truth.”
Psalm 43:3
“O send out Your light.” The Psalmist desired that light might be sent out, that is, that there might be a communication of it. The soul walking in darkness, and enabled under that darkness to pant and cry after light, is not satisfied with the conviction, however deep, that with God is light. The thirsty man is not satisfied with knowing that there is water in the well; nor the man who has lost his way in a mine, with knowing that there is light in the sun. One faint ray gleaming through a chink were worth to him a thousand suns, blazing, unseen by him, in the sky.
And thus the benighted saint cannot rest in the bare knowledge that “God is light, and in Him is no darkness at all,” but his sigh and cry is that this light may be sent out of the fullness of the Godhead into his soul, so as to shed abroad an inward light in his heart, whereby he may see the truth of God; whereby he may see the glory of God in the face of Jesus Christ; whereby he may see his name written in the book of life, and clearly discern his saving interest in the “everlasting covenant, ordered in all things, and sure;” whereby he may see Jesus, and in seeing Jesus see his own eternal union with Jesus, and in seeing his own eternal union with Jesus may enjoy sweet communion with Him, so as to feel His presence in his soul, and have His glory revealed, and manifested to his heart.
David wanted something more than light. He says, “O send out Your light and Your truth.” What was “the truth” which he sought to know, and realize its inward power by its being sent out of the fullness of the Godhead? Doubtless, the very same truth that saints are crying to be sent out now; and this can be nothing less than “the truth as it is in Jesus;” the truth of His blood as atoning for sin, the truth of His righteousness as justifying us from all things from which we could not be justified by the law of Moses; the truth of personal and everlasting deliverance from all curse and condemnation, that truth whereby the soul is made free, according to those words, “You shall know the truth, and the truth shall make you free;” the truth whereby the affections are separated from the things of time and sense, and fixed on the realities of eternity; in a word, to know Jesus Himself, by His own sweet revelation, for He is “the way, the truth, and the life,” and that He may be Himself enjoyed in our soul as the sum and substance of truth.
To the reader…
Are you walking in darkness, and do you know well enough that with God there is light, yet you do not see it? Then you are like someone who has lost his way in a mine and has nothing of the sun in the sky so long as not one ray reaches him. Do not be ashamed of that longing; it is itself a sign that the Lord gives you the grace to long for Him. Bare knowledge cannot satisfy the soul; it must receive the light in its own heart.
Pray, then, with David: “O send out Thy light and Thy truth.” Do not ask for a new thought, but for Jesus Himself, the Way, the Truth, and the Life. Ask for the truth of His blood and of His righteousness, which justifies you from all things from which the law of Moses could not justify you. One ray of His countenance is worth more than a thousand suns that you do not see. He Who has the light in Himself can also send it out into your soul.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Envía Tu luz y Tu verdad.
Salmo 43:3
“Envía Tu luz.” El salmista deseaba que la luz fuera enviada, es decir, que hubiera una comunicación de ella. El alma que anda en tinieblas, y que bajo esas tinieblas es capacitada para anhelar y clamar por luz, no se satisface con la convicción, por profunda que sea, de que en Dios hay luz. El sediento no se satisface con saber que hay agua en el pozo; ni el que ha perdido su camino en una mina, con saber que hay luz en el sol. Un solo rayo débil que brillara por una rendija valdría para él más que mil soles resplandeciendo en el cielo sin que él los viera.
Y así el santo entenebrecido no puede descansar en el mero conocimiento de que “Dios es luz, y en Él no hay ningunas tinieblas”, sino que su suspiro y clamor es que esta luz sea enviada desde la plenitud de la Deidad a su alma, para derramar una luz interior en su corazón, por la cual pueda ver la verdad de Dios; por la cual pueda ver la gloria de Dios en la faz de Jesucristo; por la cual pueda ver su nombre escrito en el libro de la vida, y discernir claramente su parte salvadora en el “pacto perpetuo, ordenado en todas las cosas, y será guardado”; por la cual pueda ver a Jesús, y al ver a Jesús ver su propia unión eterna con Jesús, y al ver su propia unión eterna con Jesús gozar de dulce comunión con Él, de modo que sienta Su presencia en su alma y tenga Su gloria revelada y manifestada a su corazón.
David quería algo más que luz. Dice: “Envía Tu luz y Tu verdad.” ¿Cuál era “la verdad” que él buscaba conocer, y cuyo poder interior deseaba experimentar al ser enviada desde la plenitud de la Deidad? Sin duda, la misma verdad que los santos claman ahora que les sea enviada; y esta no puede ser nada menos que “la verdad que está en Jesús”: la verdad de Su sangre como expiación del pecado; la verdad de Su justicia como justificándonos de todo aquello de que no pudimos ser justificados por la ley de Moisés; la verdad de la liberación personal y eterna de toda maldición y condenación, aquella verdad por la cual el alma es hecha libre, conforme a aquellas palabras: “Conoceréis la verdad, y la verdad os libertará”; la verdad por la cual los afectos son separados de las cosas del tiempo y de los sentidos, y fijados en las realidades de la eternidad; en una palabra, conocer a Jesús mismo por Su propia dulce revelación, porque Él es “el camino, y la verdad, y la vida”, y que Él mismo sea gozado en nuestra alma como la suma y sustancia de la verdad.
Al lector…
¿Anda usted en tinieblas, y sabe muy bien que en Dios hay luz, pero no la ve? Entonces es como quien ha perdido su camino en una mina y de nada le sirve el sol del cielo mientras ni un solo rayo le alcance. No se avergüence de ese anhelo; es en sí mismo una señal de que el Señor le da la gracia de anhelarle. El mero conocimiento no puede satisfacer al alma; esta ha de recibir la luz en su propio corazón.
Ore, pues, con David: “Envía Tu luz y Tu verdad.” No pida un pensamiento nuevo, sino a Jesús mismo, el Camino, la Verdad y la Vida. Pida la verdad de Su sangre y de Su justicia, que le justifica de todo aquello de que la ley de Moisés no pudo justificarle. Un solo rayo de Su rostro vale más que mil soles que usted no ve. Aquel que tiene la luz en Sí mismo puede también enviarla a su alma.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl