6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
13 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Verzadig ons in de morgenstond met uw goedertierenheid, zo zullen wij juichen, en verblijd zijn in al onze dagen.
Psalm 90:14
Velen der kinderen Gods worden op een zee van grote onzekerheid, twijfel en vrees heen en weder geslingerd, omdat zij geen merkbare openbaringen van Christus aan hun ziel gehad hebben. Hij is tot hen niet ingegaan in de kracht Zijner liefde; toch zeggen zij dikwijls: „Wanneer zult Gij tot mij komen? O bezoek mij met Uw zaligheid; spreek een woord tot mijn ziel; U en U alleen wil ik horen, zien en kennen!” Dit nu is trekken van de genadige Heere, het geheime begin van Zijn komst, de herauten Zijner nadering, het aanbreken van de dag vóór de Morgenster opkomt en de Zon haar op het spoor volgt.
Maar wanneer de Heere komt in een liefelijke openbaring Zijner tegenwoordigheid of macht, dan wil Hij ook woning maken waar Hij gekomen is, want nooit verlaat of begeeft Hij de ziel die Hij eens bezocht heeft. Hij moge zo schijnen te doen; Hij moge Zich terugtrekken, en wie kan Hem dan zien? Maar nooit verlaat Hij in werkelijkheid de tempel die Hij eens door Zijn tegenwoordigheid heeft versierd en geheiligd. Christus is gevormd in de harten van Zijn volk tot de hope der heerlijkheid; hun lichaam is de tempel des Heiligen Geestes, en Christus woont in hen door het geloof. Ofschoon wij dikwijls treuren over Zijn afwezigheid en Zijn genadige tegenwoordigheid niet gevoelen zoals wij wensten, toch is Hij daar, als Hij er eens gekomen is.
Gij, die God vreest, gij allen prijst de Heer!
Dat Jakobs zaad zijn grote naam vereer’!
ontzie Hem toch, o Israël, en leer
vertrouwend wachten.
Wie mij veracht’, God wou mij niet verachten,
noch oor noch oog van mijn verdrukking wenden,
maar heeft verhoord, wanneer ik uit d’ellenden
riep naar omhoog.
Ps. 22:12
Aan de lezer…
Wie nog nooit zo’n merkbare openbaring van Christus aan zijn ziel gekend heeft als waarvan anderen getuigen, kan daarover bekommerd zijn; misschien bent u zo iemand. Wordt u daarom heen en weer geslingerd tussen hoop en vrees? En roept u toch: „Wanneer zult Gij tot mij komen? Spreek een woord tot mijn ziel”? Weet dan dat dit roepen zelf al het trekken van de Heere is, het aanbreken van de dag voordat de Morgenster opgaat.
En is Hij eens tot u gekomen, maar voelt u Zijn tegenwoordigheid niet meer zoals u wenst? Hij mag Zich terugtrekken, maar Hij verlaat nooit werkelijk de ziel die Hij eens bezocht heeft. Hij is daar, ook als u treurt over Zijn afwezigheid. Bid dan met de psalmist: „Verzadig ons in de morgenstond met Uw goedertierenheid.” Die het begin gaf, zal ook de volheid geven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Verzadig ons in de morgenstond met uw goedertierenheid, zo zullen wij juichen, en verblijd zijn in al onze dagen.
Psalm 90:14
Veel kinderen van God worden heen en weer geslingerd op een zee van grote onzekerheid, twijfel en vrees, omdat zij geen merkbare openbaringen van Christus aan hun ziel ontvangen hebben. Hij is niet bij hen binnengekomen in de kracht van Zijn liefde. Toch zeggen zij vaak: „Wanneer zult Gij tot mij komen? O, bezoek mij met Uw zaligheid; spreek een woord tot mijn ziel; U en U alleen wil ik horen, zien en kennen!” Dat zijn de trekkingen van de genadige Heere, het verborgen begin van Zijn komst, de herauten van Zijn nadering, het aanbreken van de dag voordat de Morgenster opgaat en de Zon haar op de voet volgt.
Maar wanneer de Heere komt in een lieflijke openbaring van Zijn tegenwoordigheid of macht, dan wil Hij ook woning maken waar Hij gekomen is. Want nooit verlaat of begeeft Hij de ziel die Hij eens bezocht heeft. Het kan lijken alsof Hij dat doet; Hij kan Zich terugtrekken, en wie kan Hem dan zien? Maar in werkelijkheid verlaat Hij nooit de tempel die Hij eens door Zijn tegenwoordigheid versierd en geheiligd heeft. Christus is in de harten van Zijn volk gevormd tot de hoop der heerlijkheid; hun lichaam is de tempel van de Heilige Geest, en Christus woont in hen door het geloof. Hoewel wij vaak treuren over Zijn afwezigheid en Zijn genadige tegenwoordigheid niet voelen zoals wij zouden wensen, is Hij er toch, als Hij er eens gekomen is.
Gij, die God vreest, gij allen prijst de Heer!
Dat Jakobs zaad zijn grote naam vereer’!
ontzie Hem toch, o Israël, en leer
vertrouwend wachten.
Wie mij veracht’, God wou mij niet verachten,
noch oor noch oog van mijn verdrukking wenden,
maar heeft verhoord, wanneer ik uit d’ellenden
riep naar omhoog.
Ps. 22:12
Aan de lezer…
Wie nog nooit zo’n merkbare openbaring van Christus aan zijn ziel gekend heeft als waarvan anderen getuigen, kan daarover bekommerd zijn; misschien bent u zo iemand. Wordt u daarom heen en weer geslingerd tussen hoop en vrees? En roept u toch: „Wanneer zult Gij tot mij komen? Spreek een woord tot mijn ziel”? Weet dan dat dit roepen zelf al het trekken van de Heere is, het aanbreken van de dag voordat de Morgenster opgaat.
En is Hij eens tot u gekomen, maar voelt u Zijn tegenwoordigheid niet meer zoals u wenst? Hij kan Zich terugtrekken, maar Hij verlaat nooit werkelijk de ziel die Hij eens bezocht heeft. Hij is daar, ook als u treurt over Zijn afwezigheid. Bid dan met de psalmist: „Verzadig ons in de morgenstond met Uw goedertierenheid.” Hij Die het begin gaf, zal ook de volheid geven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
O satisfy us early with thy mercy; that we may rejoice and be glad all our days.
Psalm 90:14
Many of the dear children of God are tossed up and down on a sea of great uncertainty, doubt and fear, because they have not had sensible manifestations of Christ to their soul. He has not come into them in the power of His love; still they often say, “When will You come unto me? O visit me with Your salvation; speak a word to my soul; it is Yourself, and Yourself alone, I want to hear, to see, and to know!”
Now these are drawings of the gracious Lord, the secret beginnings of His coming, the heralds of His approach, the dawning of the day before the morning star arises and the sun follows upon his track. But when the Lord does come in any sweet manifestation of His presence or of His power, then He will abide where He has come, for He never leaves or forsakes a soul which He has once visited. He may seem to do so; He may withdraw Himself; and then who can behold Him? But He never really leaves the temple which He has once adorned and sanctified with His presence. Christ is formed in the hearts of His people the hope of glory; their body is the temple of the Holy Spirit, and Christ dwells in them by faith. Though we often mourn over His absence and do not feel His gracious presence as we would, still He is there, if He has once come.
To the reader…
Whoever has never known such a sensible manifestation of Christ to his soul as others testify of may be troubled about it; perhaps you are such a one. Are you tossed up and down between hope and fear because of it? And do you still cry, “When wilt Thou come unto me? Speak a word to my soul”? Then know that this very crying is already the drawing of the Lord, the dawning of the day before the morning star arises.
And if He has once come to you, but you no longer feel His presence as you would wish? He may withdraw Himself, but He never really leaves the soul He has once visited. He is there, even when you mourn over His absence. Pray, then, with the psalmist: “O satisfy us early with Thy mercy.” He Who gave the beginning will also give the fullness.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Sácianos presto de Tu misericordia: y cantaremos y nos alegraremos todos nuestros días.
Salmo 90:14
Muchos de los amados hijos de Dios son zarandeados de un lado a otro en un mar de gran incertidumbre, duda y temor, porque no han tenido manifestaciones sensibles de Cristo a su alma. Él no ha venido a ellos en el poder de Su amor; aun así, a menudo dicen: “¿Cuándo vendrás a mí? ¡Oh, visítame con Tu salud; habla una palabra a mi alma; es a Ti, y solo a Ti, a Quien quiero oír, ver y conocer!”
Ahora bien, estas son atracciones del Señor misericordioso, los comienzos secretos de Su venida, los heraldos de Su llegada, el alba del día antes de que se levante la estrella de la mañana y el sol siga en su carrera. Pero cuando el Señor viene en alguna dulce manifestación de Su presencia o de Su poder, entonces permanecerá donde ha venido, porque nunca deja ni desampara a un alma que una vez ha visitado. Puede parecer que lo hace; puede retirarse; y entonces, ¿quién Lo mirará? Pero nunca deja realmente el templo que una vez adornó y santificó con Su presencia. Cristo es formado en el corazón de Su pueblo como la esperanza de gloria; su cuerpo es templo del Espíritu Santo, y Cristo habita en ellos por la fe. Aunque a menudo lloramos Su ausencia y no sentimos Su presencia misericordiosa como quisiéramos, aun así Él está allí, si una vez ha venido.
Al lector…
Quien nunca ha conocido una manifestación sensible de Cristo a su alma como otros testifican puede afligirse por ello; quizá usted es uno de esos. ¿Es zarandeado por ello de un lado a otro entre esperanza y temor? ¿Y sigue clamando: “¿Cuándo vendrás a mí? Habla una palabra a mi alma”? Sepa entonces que ese mismo clamor es ya la atracción del Señor, el alba del día antes de que se levante la estrella de la mañana.
¿Y si Él vino una vez a usted, pero ya no siente Su presencia como desearía? Puede retirarse, pero nunca deja realmente el alma que una vez visitó. Él está allí, aun cuando usted llora Su ausencia. Ore, pues, con el salmista: “Sácianos presto de Tu misericordia”. El que dio el comienzo dará también la plenitud.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Christus’ hemelvaart
Gij zijt opgevaren in de hoogte; Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd; Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen; ja ook de wederhorigen, om bij U te wonen.
Psalm 68:19
Het is goed om in gedachten te houden dat Jezus, als Sions verheven Koning, „gaven genomen heeft om uit te delen onder de mensen; ja, ook de wederhorigen om bij U te wonen.” Dit brengt Petrus duidelijk naar voren in de preek die hij op de gedenkwaardige dag van het Pinksterfeest predikte: „Hij dan, door de rechterhand Gods verhoogd zijnde, en de belofte des Heiligen Geestes ontvangen hebbende van de Vader, heeft dit uitgestort, dat gij nu ziet en hoort” (Hand. 2:33). Het was als onze gekroonde Koning dat Hij de gaven en genaden van de Heilige Geest, de beloofde Trooster, ontving en uitstortte.
Dezelfde gezegende waarheid wordt bevestigd en ontvouwd door de apostel Paulus: „Daarom zegt Hij: Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen, en heeft de mensen gaven gegeven. Nu dit: Hij is opgevaren; wat is het dan dat Hij ook eerst is nedergedaald in de nederste delen der aarde? Die nedergedaald is, is Dezelfde ook, Die opgevaren is ver boven al de hemelen, opdat Hij alle dingen vervullen zou” (Ef. 4:8-10). De apostel zinspeelt hier op de voorspellende verklaring in Ps. 68:19. Een uitdrukking in deze verklaring is heel zoet en mooi, volgens de vertaling in de kanttekening: „Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen”, waarbij in de kanttekening staat „in de mens”, dat wil zeggen, in Zijn menselijke natuur, waarin Hij is verhoogd als onze gezalfde Koning.
Lezen: Psalm 68:1-21
Aan de lezer…
Hoe vaak voelt u zich arm en ledig, zonder licht, zonder leven, zonder kracht om te bidden? Hoor dan wat de psalm zegt: de verheven Koning heeft gaven genomen om uit te delen onder de mensen, ja, ook de wederhorigen. Die gaven zijn niet voor wie al rijk zijn, maar voor wie niets hebben. Hij ontving ze niet voor Zichzelf, maar om ze uit te storten.
En let erop: Hij ontving ze „in de mens”, in Zijn menselijke natuur. Die opgevaren is ver boven al de hemelen, is Dezelfde Die eerst nedergedaald is. Hij kent de nood van een mensenhart van binnenuit. Breng dan uw ledigheid tot Hem. Hebt u Hem weerstaan en bent u wederhorig geweest, sluit uzelf niet buiten; ook voor zulken zijn de gaven bestemd, opdat zij bij Hem zouden wonen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Gij zijt opgevaren in de hoogte; Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd; Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen; ja ook de wederhorigen, om bij U te wonen.
Psalm 68:19
Het is goed om te bedenken dat Jezus, als Sions verheven Koning, „gaven genomen heeft om uit te delen onder de mensen; ja, ook de wederhorigen om bij U te wonen.” Petrus brengt dit duidelijk naar voren in de preek die hij op de gedenkwaardige Pinksterdag hield: „Hij dan, door de rechterhand Gods verhoogd zijnde, en de belofte des Heiligen Geestes ontvangen hebbende van de Vader, heeft dit uitgestort, dat gij nu ziet en hoort” (Hand. 2:33). Het was als onze gekroonde Koning dat Hij de gaven en genaden van de Heilige Geest, de beloofde Trooster, ontving en uitstortte.
Dezelfde gezegende waarheid wordt bevestigd en uitgelegd door de apostel Paulus: „Daarom zegt Hij: Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen, en heeft de mensen gaven gegeven. Nu dit: Hij is opgevaren; wat is het dan dat Hij ook eerst is nedergedaald in de nederste delen der aarde? Die nedergedaald is, is Dezelfde ook, Die opgevaren is ver boven al de hemelen, opdat Hij alle dingen vervullen zou” (Ef. 4:8-10). De apostel zinspeelt hier op de profetische uitspraak in Ps. 68:19. Eén uitdrukking in die uitspraak is heel zoet en mooi, volgens de vertaling in de kanttekening: „Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen”, waarbij in de kanttekening staat „in de mens”, dat wil zeggen: in Zijn menselijke natuur, waarin Hij verhoogd is als onze gezalfde Koning.
Lezen: Psalm 68:1-21
Aan de lezer…
Hoe vaak voelt u zich arm en leeg, zonder licht, zonder leven, zonder kracht om te bidden? Hoor dan wat de psalm zegt: de verheven Koning heeft gaven genomen om uit te delen onder de mensen, ja, ook de wederhorigen. Die gaven zijn niet voor wie al rijk zijn, maar voor wie niets hebben. Hij ontving ze niet voor Zichzelf, maar om ze uit te storten.
En let erop: Hij ontving ze „in de mens”, in Zijn menselijke natuur. Hij Die opgevaren is ver boven al de hemelen, is Dezelfde Die eerst nedergedaald is. Hij kent de nood van een mensenhart van binnenuit. Breng dan uw leegte bij Hem. Hebt u Hem weerstaan en bent u wederhorig geweest, sluit uzelf dan niet buiten; ook voor zulke mensen zijn de gaven bestemd, zodat zij bij Hem zouden wonen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Thou hast ascended on high, Thou hast led captivity captive: Thou hast received gifts for men; yea, for the rebellious also, that the LORD God might dwell among them.
Psalm 68:18
It is good to remember that Jesus, as Zion’s exalted King, “received gifts for men; yea, for the rebellious also.” Peter brings this out clearly in the sermon which he preached on the memorable day of Pentecost: “Therefore being by the right hand of God exalted, and having received of the Father the promise of the Holy Ghost, He hath shed forth this, which ye now see and hear” (Acts 2:33). It was as our crowned King that He received and poured out the gifts and graces of the Holy Spirit, the promised Comforter.
The same blessed truth is confirmed and explained by the apostle Paul: “Wherefore He saith, When He ascended up on high, He led captivity captive, and gave gifts unto men. (Now that He ascended, what is it but that He also descended first into the lower parts of the earth? He that descended is the same also that ascended up far above all heavens, that He might fill all things)” (Eph. 4:8-10). The apostle here alludes to the prophetic utterance in Ps. 68:18. One expression in that utterance is very sweet and beautiful, according to the rendering in the margin: “Thou hast received gifts for men,” where the margin reads “in the man,” that is, in His human nature, in which He is exalted as our anointed King.
Reading: Psalm 68:1-21
To the reader…
How often do you feel poor and empty, without light, without life, without strength to pray? Then hear what the psalm says: the exalted King has received gifts for men, yea, for the rebellious also. Those gifts are not for those who are already rich, but for those who have nothing. He did not receive them for Himself, but to pour them out.
And notice: He received them “in the man,” in His human nature. He Who ascended up far above all heavens is the same Who first descended. He knows the need of a human heart from within. Bring your emptiness to Him, then. If you have resisted Him and been rebellious, do not shut yourself out; the gifts are meant for such people too, that they might dwell with Him.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Subiste a lo alto, cautivaste la cautividad, tomaste dones para los hombres, y también los rebeldes, para que habite entre ellos JAH Dios.
Salmo 68:18
Es bueno recordar que Jesús, como el exaltado Rey de Sion, “tomó dones para los hombres, y también los rebeldes”. Pedro lo expone claramente en el sermón que predicó en el memorable día de Pentecostés: “Así que, levantado por la diestra de Dios, y recibiendo del Padre la promesa del Espíritu Santo, ha derramado esto que vosotros veis y oís” (Hechos 2:33). Fue como nuestro Rey coronado que Él recibió y derramó los dones y las gracias del Espíritu Santo, el Consolador prometido.
La misma bendita verdad la confirma y explica el apóstol Pablo: “Por lo cual dice: Subiendo a lo alto, llevó cautiva la cautividad, y dio dones a los hombres. (Y que subió, ¿qué es, sino que también había descendido primero a las partes más bajas de la tierra? El que descendió, Él mismo es el que también subió sobre todos los cielos para cumplir todas las cosas)” (Ef. 4:8-10). El apóstol alude aquí a la palabra profética de Sal. 68:18. Una expresión de esa palabra es muy dulce y hermosa, según la traducción del margen: “Tomaste dones para los hombres”, donde el margen dice “en el hombre”, es decir, en Su naturaleza humana, en la cual Él está exaltado como nuestro Rey ungido.
Lectura: Salmo 68:1-21
Al lector…
¿Cuántas veces se siente usted pobre y vacío, sin luz, sin vida, sin fuerzas para orar? Escuche entonces lo que dice el salmo: el Rey exaltado ha tomado dones para los hombres, y también para los rebeldes. Esos dones no son para los que ya son ricos, sino para los que no tienen nada. No los recibió para Sí mismo, sino para derramarlos.
Y observe: los recibió “en el hombre”, en Su naturaleza humana. Aquel que subió sobre todos los cielos es el mismo que primero descendió. Él conoce desde dentro la necesidad de un corazón humano. Lleve, pues, su vacío a Él. Si usted Le ha resistido y ha sido rebelde, no se excluya a sí mismo; los dones son también para los tales, para que habiten con Él.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout.
1 Petrus 2:24
Wij vragen somwijlen aan de Heere om een verbroken hart, een verslagen geest, een tedere consciëntie, een nederige geest; maar het is alleen een geloofsgezicht op hetgeen de vriendelijke Verlosser heeft moeten doorstaan aan het kruis, toen Hij onze zonden met hun ganse gewicht en de toorn Gods daarover heeft gedragen, dat in waarheid een hard en stenen hart verbreken kan. Geen gezicht, behalve dit, kan ons zo’n bevatting geven van de hatelijkheid van de zonde. Maar het geloofsoog, hierop starende, druipt weg van Goddelijke smart en de zondaar snikt van waarachtig berouw, en betuigt met de diepste en nederigste belijdenissen voor God wat een vreselijk zondaar en lage afkerige hij geweest is voor de ogen van Zijn oneindige heiligheid, majesteit en vlekkeloosheid. Ach, welke hoop is er voor onze schuldige zielen, welke toevlucht of verberging vanwege de rechtvaardige toorn Gods, welke bedekking tegen de vloek van een vurige wet, dan alleen in het kruis van Jezus?
O, welk een gezicht van Hem, geopenbaard voor de ogen van ons verlicht verstand, dragende onze zonden in Zijn lichaam op het hout! O, door het oog des geloofs te beschouwen al deze vreselijke zonden, die ons zo veel inwendige smart en moeite hebben veroorzaakt; al deze vreselijke afkerigheden en treurige afwijkingen, waarop wij niet dan met schaamte en smart kunnen terugzien. O, te zien alles wat wij hebben gezegd, gedacht en gedaan en waartegen de consciëntie getuigt, en al die ontelbare boosheden, waarbij wij nooit hebben stilgestaan en die de consciëntie vergeten had. O, al deze gruwelen door het oog des geloofs van ons schuldig hoofd te zien weggenomen en gelegd op het hoofd van het Lam Gods! Waar, o waar zouden wij hulp hebben kunnen krijgen uit een andere bron of door een andere weg? Er is elders geen hulp.
Waar kunt gij de verzoening vinden, verzegeld in uw gemoed, vergeving, geopenbaard in uw ziel, of enige verwachting van de hemel te gewinnen en de hel te ontkomen, dan alleen in het kruis? En wat anders kan u troosten dan enig getuigenis in uw eigen boezem te hebben van uw aandeel in dit dierbaar bloed en die gerechtigheid, en de kennis voor uzelf dat de dierbare Verlosser uw zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout?
Ik weet waarlijk zeer wel dat het een bijzonder geloof vereist, een geloof als een gift en opwekking van God, om dit te geloven; dat het een bijzondere openbaring vereist van de zaligheid door het bloed van het Lam aan de ziel, en een gezegende mededeling van de kracht van de gekruiste Christus aan het hart. Maar ik geloof – ik spreek slechts naar de innerlijke overtuiging van elk hart dat door de vinger Gods is aangeraakt – ik geloof dat, tenzij dit in enige mate wordt beoefend, er geen ware verlichting, geen ware vrede met God, geen sterk, blijvend fundament kan zijn, waarop wij ons kunnen gronden voor de eeuwigheid. Niets dan dit is sterk genoeg om de vrees des doods weg te nemen en de poorten des hemels te openen.
Aan de lezer…
Bidt u soms om een verbroken hart, lieve lezer, en blijft het toch zo hard en koud? Wij kunnen ons hart niet zelf breken, hoe wij ook proberen. Er is maar één gezicht dat een stenen hart kan doen smelten: het geloofsgezicht op de vriendelijke Verlosser, Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout. Daar leert de ziel wat de zonde is, en daar vloeien de tranen van waarachtig berouw.
Denk eens aan al die zonden waarop u met schaamte terugziet, en aan al die ontelbare boosheden die u zelf vergeten bent. Wat zou het zijn ze van uw schuldig hoofd te zien weggenomen en gelegd op het hoofd van het Lam Gods! Elders is er geen hulp, geen bedekking tegen de vloek van een vurige wet. Vraag dan de Heere om dat geloof, dat Zijn eigen gave is, opdat u persoonlijk mag weten: Hij droeg ook mijn zonden. Niets anders is sterk genoeg om de vrees des doods weg te nemen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout.
1 Petrus 2:24
We vragen de Heere soms om een verbroken hart, een verslagen geest, een teder geweten, een nederige geest. Maar alleen een geloofsgezicht op wat de vriendelijke Verlosser aan het kruis heeft moeten doorstaan, toen Hij onze zonden met hun hele gewicht en de toorn van God daarover gedragen heeft, kan werkelijk een hard en stenen hart breken. Geen enkel ander gezicht kan ons zo’n besef geven van de afschuwelijkheid van de zonde. Maar het oog van het geloof dat hierop gericht is, smelt weg van Goddelijke smart. De zondaar snikt van waarachtig berouw en betuigt met de diepste en nederigste belijdenissen voor God wat een vreselijke zondaar en lage afvallige hij geweest is voor de ogen van Zijn oneindige heiligheid, majesteit en vlekkeloosheid. Ach, welke hoop is er voor onze schuldige zielen, welke toevlucht of schuilplaats voor de rechtvaardige toorn van God, welke bedekking tegen de vloek van een vurige wet, dan alleen in het kruis van Jezus?
O, wat een gezicht is het, wanneer Hij voor de ogen van ons verlicht verstand geopenbaard wordt als Hij Die onze zonden in Zijn lichaam op het hout droeg! O, met het oog van het geloof al die vreselijke zonden te zien die ons zoveel inwendige smart en moeite hebben bezorgd; al die vreselijke afkeringen en treurige afwijkingen waarop we alleen met schaamte en smart kunnen terugzien. O, alles te zien wat we gezegd, gedacht en gedaan hebben en waartegen het geweten getuigt, en al die ontelbare boosheden waarbij we nooit hebben stilgestaan en die het geweten vergeten was. O, al deze gruwelen met het oog van het geloof van ons schuldig hoofd weggenomen te zien en gelegd op het hoofd van het Lam van God! Waar, o waar zouden we hulp hebben kunnen krijgen uit een andere bron of langs een andere weg? Er is elders geen hulp.
Waar kunt u de verzoening vinden, verzegeld in uw gemoed, vergeving, geopenbaard in uw ziel, of enige verwachting de hemel te verkrijgen en aan de hel te ontkomen, dan alleen in het kruis? En wat anders kan u troosten dan in uw eigen binnenste enig getuigenis te hebben van uw deel aan dit dierbare bloed en die gerechtigheid, en voor uzelf te weten dat de dierbare Verlosser uw zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout?
Ik weet werkelijk heel goed dat er een bijzonder geloof nodig is om dit te geloven, een geloof dat een gave en een werking van God is. Er is een bijzondere openbaring van de zaligheid door het bloed van het Lam aan de ziel voor nodig, en een gezegende mededeling van de kracht van de gekruisigde Christus aan het hart. Maar ik geloof (ik spreek alleen naar de innerlijke overtuiging van elk hart dat door de vinger van God is aangeraakt), ik geloof dat, tenzij dit in enige mate beoefend wordt, er geen ware verlichting, geen ware vrede met God, geen sterk en blijvend fundament kan zijn waarop we ons voor de eeuwigheid kunnen gronden. Niets dan dit is sterk genoeg om de vrees voor de dood weg te nemen en de poorten van de hemel te openen.
Aan de lezer…
Bidt u soms om een verbroken hart, en blijft het toch zo hard en koud? We kunnen ons hart niet zelf breken, hoe we het ook proberen. Er is maar één gezicht dat een stenen hart kan doen smelten: het geloofsgezicht op de vriendelijke Verlosser, Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout. Daar leert de ziel wat de zonde is, en daar vloeien de tranen van waarachtig berouw.
Denk eens aan al die zonden waarop u met schaamte terugziet, en aan al die ontelbare boosheden die u zelf vergeten bent. Wat zou het zijn ze van uw schuldig hoofd weggenomen te zien en gelegd op het hoofd van het Lam van God! Elders is er geen hulp, geen bedekking tegen de vloek van een vurige wet. Vraag de Heere dan om dat geloof, dat Zijn eigen gave is, zodat u persoonlijk mag weten: Hij droeg ook mijn zonden. Niets anders is sterk genoeg om de vrees voor de dood weg te nemen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Who His own self bare our sins in His own body on the tree.
1 Peter 2:24
We beg of the Lord, sometimes, to give us a broken heart, a contrite spirit, a tender conscience, and a humble mind. But it is only a view by faith of what the gracious Redeemer endured upon the cross, when He bore our sins in His own body with all their weight and pressure, and with all the anger of God due to them, that can really melt a hard, and break a stony heart. No sight, short of this, can make sin felt to be hateful; bring tears of godly sorrow out of the eyes, sobs of true repentance out of the breast, and the deepest, humblest confessions before God what dreadful sinners and base backsliders we have been before the eyes of His infinite Purity, Majesty, and Holiness.
Oh, what hope is there for our guilty souls; what refuge from the wrath of God so justly our due; what shelter from the curse of a fiery law, except it be in the cross of Jesus? O for a view of Him revealed to the eyes of our enlightened understanding, as bearing our sins in His own body on the tree! O to see by the eye of faith, all those dreadful sins which have caused us so much inward grief and trouble, all those fearful backslidings and sad entanglements on which we can but reflect with shame and grief; O to see all we have said and thought and done, which conscience testifies against, and all those innumerable evils that we have never seen or conscience has forgotten; to view them by the eye of faith taken off our guilty head and put upon the head of the Lord the Lamb.
Where, oh, where, can we get relief from any other source or by any other way? There is no relief anywhere else! Where can you find pardon sealed upon your breast, forgiveness manifested to your soul, or any expectation of winning heaven and escaping hell, except in the cross, and some testimony in your own bosom of your saving interest in that precious blood and righteousness, and the knowledge for yourself that the dear Redeemer bore your sins in His body on the tree? I know, indeed, full well, that it requires special faith, a faith of God’s own giving and raising up to believe this, an especial manifestation of salvation by the blood of the Lamb to the soul; a blessed bringing in of the power of Christ crucified to the heart.
But I believe I do but speak the inmost conviction of every heart touched by the finger of God when I say, that until this is in some measure done, there is no solid relief; no true peace with God; no firm, abiding foundation on which we can stand, as if for eternity; nothing strong enough to banish the fear of death and open the gates of heaven.
To the reader…
Do you sometimes pray for a broken heart, and yet it stays so hard and cold? We cannot break our own heart, however hard we try. There is only one sight that can melt a heart of stone: the view by faith of the gracious Redeemer, Who His own self bare our sins in His own body on the tree. There the soul learns what sin is, and there the tears of true repentance flow.
Think of all those sins you look back on with shame, and of all those countless evils you yourself have forgotten. What would it be to see them taken off your guilty head and laid upon the head of the Lamb of God! There is no help elsewhere, no shelter from the curse of a fiery law. Ask the Lord, then, for that faith, which is His own gift, so that you may know personally: He bore my sins as well. Nothing else is strong enough to take away the fear of death.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
El cual mismo llevó nuestros pecados en Su cuerpo sobre el madero.
1 Pedro 2:24
A veces pedimos al Señor que nos dé un corazón quebrantado, un espíritu contrito, una conciencia tierna y un ánimo humilde. Pero solo una visión por fe de lo que el Redentor lleno de gracia soportó en la cruz, cuando llevó nuestros pecados en Su cuerpo con todo su peso y presión, y con toda la ira de Dios que les correspondía, puede realmente derretir un corazón duro y quebrantar un corazón de piedra. Ninguna vista que no sea esta puede hacer que el pecado se sienta aborrecible; sacar de los ojos lágrimas de tristeza según Dios, del pecho sollozos de verdadero arrepentimiento, y las confesiones más profundas y humildes delante de Dios de cuán terribles pecadores y viles rebeldes hemos sido ante los ojos de Su infinita Pureza, Majestad y Santidad.
¡Oh, qué esperanza hay para nuestras almas culpables; qué refugio de la ira de Dios que tan justamente merecemos; qué abrigo de la maldición de una ley de fuego, sino en la cruz de Jesús? ¡Oh, tener una visión de Él revelada a los ojos de nuestro entendimiento iluminado, llevando nuestros pecados en Su cuerpo sobre el madero! ¡Oh, ver con el ojo de la fe todos esos terribles pecados que nos han causado tanto dolor y angustia interior, todas esas espantosas rebeliones y tristes enredos en los que no podemos pensar sino con vergüenza y dolor; oh, ver todo lo que hemos dicho, pensado y hecho, contra lo cual testifica la conciencia, y todos esos innumerables males que nunca hemos visto o que la conciencia ha olvidado; contemplarlos con el ojo de la fe quitados de nuestra cabeza culpable y puestos sobre la cabeza del Señor, el Cordero!
¿Dónde, oh, dónde podemos hallar alivio de alguna otra fuente o por algún otro camino? ¡No hay alivio en ninguna otra parte! ¿Dónde puede usted hallar el perdón sellado en su pecho, la remisión manifestada a su alma, o alguna esperanza de alcanzar el cielo y escapar del infierno, sino en la cruz, y en algún testimonio en su propio pecho de su parte salvadora en esa preciosa sangre y justicia, y en saber por sí mismo que el amado Redentor llevó sus pecados en Su cuerpo sobre el madero? Sé muy bien, ciertamente, que para creer esto se requiere una fe especial, una fe dada y suscitada por Dios mismo, una manifestación especial de la salvación por la sangre del Cordero al alma; una bendita introducción del poder de Cristo crucificado en el corazón.
Pero creo que no hago más que expresar la convicción más íntima de todo corazón tocado por el dedo de Dios cuando digo que, hasta que esto se haga en alguna medida, no hay alivio sólido; no hay verdadera paz con Dios; no hay fundamento firme y permanente sobre el cual podamos estar como para la eternidad; nada lo bastante fuerte para desterrar el temor de la muerte y abrir las puertas del cielo.
Al lector…
¿Ora usted a veces por un corazón quebrantado, y sin embargo sigue tan duro y frío? No podemos quebrantar nuestro propio corazón, por mucho que lo intentemos. Solo hay una vista que puede derretir un corazón de piedra: la visión por fe del Redentor lleno de gracia, el cual mismo llevó nuestros pecados en Su cuerpo sobre el madero. Allí aprende el alma lo que es el pecado, y allí corren las lágrimas del verdadero arrepentimiento.
Piense en todos esos pecados que recuerda con vergüenza, y en todos esos innumerables males que usted mismo ha olvidado. ¡Qué sería verlos quitados de su cabeza culpable y puestos sobre la cabeza del Cordero de Dios! No hay ayuda en otra parte, ni abrigo de la maldición de una ley de fuego. Pida, pues, al Señor esa fe, que es don Suyo, para que pueda saber personalmente: Él llevó también mis pecados. Ninguna otra cosa es lo bastante fuerte para quitar el temor de la muerte.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl