Nieuw verschenenHet gesprek van een gelovige met zijn zielPreken · vandaag
Joseph Charles Philpot J.C. Philpot Bevindelijke geschriften & prediking
Steun

Korenaren

 

 

Vandaag

Korenaren Uit De Volle Oogst

21 november Korenaren uit de volle oogst

Dat wij, verlost zijnde uit de hand onzer vijanden, Hem dienen zouden zonder vreze, in heiligheid en gerechtigheid voor Hem, alle de dagen onzes levens.
Lucas 1:74, 75

Heiligheid bestaat hoofdzakelijk uit twee punten. 1°. Dat men deelgenoot gemaakt is van de Geest van heiligheid, door Wie wij, als uit God geboren, bekwaam gemaakt worden om deel te hebben aan de erfenis van de heiligen in het licht. Dat ons verlangen gericht is op de dingen daarboven, waar Christus zit aan de rechterhand van God, en dat onze omgang in de hemel is. Dat wij de nieuwe mens hebben aangedaan, die vernieuwd wordt tot kennis naar het beeld van Hem Die hem geschapen heeft. Dat wij een leven leiden van geloof in de Zoon van God, en, terwijl wij als in een spiegel de heerlijkheid van de Heere aanschouwen, veranderd worden naar hetzelfde beeld, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als door de Geest van de Heere.

Zo geestelijk gezind te zijn, zo door Zijn geliefde Zoon tot God gebracht te zijn, voor Hem te wandelen in het licht van Zijn aangezicht, en iets te kennen van geestelijke gemeenschap met de Heere van leven en heerlijkheid, Die op Zijn genadetroon zit in de volle kracht van Zijn opstanding, en van de hoogte, diepte, lengte en breedte van Zijn stervende liefde: dat betekent smaken, tasten, ervaren en genieten. Het betekent deelgenoot gemaakt te zijn van Zijn heiligheid, en geheiligd te zijn door de Geest van God als inwonende Leermeester, Leidsman, Voorspraak en Trooster. En als wij niets van deze dingen begrijpen, in elk geval in enige kleine mate, of er niet naar uitzien en verlangen dat zij door Goddelijke kracht in ons hart gebracht worden, geven wij maar weinig bewijs dat de genade van God ons hart heeft bereikt en ons heeft vernieuwd in de geest van ons gemoed.

2°. Het tweede punt van heiligheid is een leven, een gedrag en een wandel naar de voorschriften van het Evangelie; en het een komt voort uit het ander. „Maak de boom goed,” zegt onze gezegende Heere, „en zijn vrucht is ook goed; want men kent de boom aan zijn vruchten.” De vrucht van het Evangelie moet groeien aan de boom van het Evangelie. Zo moeten de vruchten van een heilig en Goddelijk leven voortkomen uit de Goddelijke werkingen van de Heilige Geest op het hart, waarover wij zojuist gesproken hebben.

Zo leven en handelen is als het ware „heilig zijn in alle wandel”, dat wil zeggen: in onze dagelijkse wandel. Het is het opvolgen van het voorschrift dat God vroeger aan Zijn volk Israël gaf, en dat in het Nieuwe Testament wordt aangehaald om te laten zien dat het geestelijk vervuld wordt in het uitverkoren volk dat Hij door Zijn grote genade onder het Evangelie geroepen heeft.

Ps. 84:5

Aan de lezer…

Deze woorden spreken over dienen „in heiligheid en gerechtigheid”; maar wat verstaat u onder heiligheid? Is het voor u alleen een stelsel van regels, een uiterlijke wandel die u met moeite volhoudt? Hier wordt u een andere weg gewezen. De boom moet eerst goed gemaakt worden, voordat de vrucht goed kan zijn. Ware heiligheid begint waar de Geest van heiligheid in het hart komt wonen als Leermeester, Leidsman, Voorspraak en Trooster, en waar de ziel, terwijl zij de heerlijkheid van de Heere aanschouwt, veranderd wordt naar Zijn beeld.

Begrijpt u daar weinig van, en ziet u met droefheid hoe weinig vrucht er in uw dagelijkse wandel is? Zoek het dan niet in uw eigen kracht, maar bij Hem Die verlost uit de hand van de vijanden, opdat wij Hem zonder vrees zouden dienen. Wat de Geest in het hart werkt, zal ook in de wandel zichtbaar worden. Bid dan dat Hij u door Zijn grote genade zo tot God brengt, dat u Hem dient al de dagen van uw leven.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina

365 Dagen Met Philpot

21 november 365 dagen met Philpot

Die Koning verhore ons

O Heere! Behoud; die Koning verhore ons, ten dage van ons roepen.
Psalm 20:10

Als de Kerk zegt: „Die Koning verhore ons ten dage van ons roepen”, spreekt zij over Jezus als haar Heere, Die in haar ziel regeert, haar gedachten leidt, in haar hart de plaats inneemt van haar Vorst en Heerser, en over haar heerst door Zijn wil en Woord. Toch verkeerde zij in nood en verwarring; in haar bevinding voelde zij nog steeds haar gebrek, haar steeds groter wordende behoefte aan Hem. Let op haar woorden: „Die Koning verhore ons ten dage van ons roepen”, niet alleen als we bidden, als we vragen, als we verlangen. Het woord roepen houdt een besef van nood in, een uiterste nood die om onmiddellijke verlossing vraagt.

We roepen om hulp, zoals iemand die in een rivier dreigt te verdrinken. We roepen om verlossing, zoals een man die door rovers wordt overvallen, of zoals een vrouw die beledigd en bedreigd wordt en van haar kwelgeest verlost wil worden. Daarom houdt het woord „roepen” dringende nood in. Als de Kerk dus zegt: „Die Koning verhore ons ten dage van ons roepen”, bedoelt zij dat zij in nood en verwarring verkeert, zodat de ziel gedwongen wordt het uit te roepen.

Slaat dit de ijdele verwachting niet in stukken dat we ooit zover zullen komen dat we de Heere niet meer nodig hebben? Als de Heere onze Leraar is, zullen we Hem steeds meer nodig hebben. Naarmate we zwakker en zwakker worden, naarmate we dieper inzicht in onszelf krijgen en een hoger zicht op Jezus, zullen we Hem elke dag meer nodig hebben. Wee ons, wee ons, als we ooit zover komen dat we Christus niet nodig hebben. Wees ervan verzekerd: we zijn dan in een land van de dood gekomen, buiten het bereik van het werk van de Geest in ons hart, als we zover komen dat we Christus nooit meer nodig hebben.

„Die Koning verhore ons,” zegt de Kerk dus, „ten dage van ons roepen. Als onze ziel is geoefend; als we in nood verkeren door de verschillende verwarringen die we onderweg tegenkomen; als we willen dat Hij ons in moeilijke tijden helpt, laat de Koning ons dan verhoren; laten onze gebeden Zijn oren bereiken; laten onze uitroepen tot Hem, Die machtig is te verlossen, verlichting brengen.”

Lezen: Psalm 61

Aan de lezer…

Als u zich soms schaamt dat u de Heere nog altijd zo nodig hebt, denkt u dan misschien dat een ware christen geleidelijk sterker in zichzelf moet worden, en dat uw roepen en klagen een teken is dat het met u niet goed staat? Hoor dan wat hier gezegd wordt: wie door de Heere geleerd wordt, zal Hem niet minder, maar steeds meer nodig hebben. Hoe dieper het inzicht in uzelf, hoe hoger het zicht op Jezus, en hoe dringender het roepen wordt.

Wee ons als wij ooit zover komen dat wij Christus niet meer nodig hebben; dan zijn wij in een land van de dood. Maar bent u als iemand die in de rivier dreigt te verdrinken, en kunt u niet meer dan roepen, wees dan niet moedeloos. Uw nood is geen bewijs tegen u. Breng hem bij de Koning, Die in het hart van Zijn Kerk regeert en machtig is te verlossen. Hij verhoort ten dage van het roepen.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina

Door Baca's Vallei

21 november Door Baca’s vallei

En stel mij niet tot een smaad der dwazen.
Psalm 39:8

Wie zijn deze dwazen? Ik geloof dat het beste antwoord hierop door de Heere Zelf gegeven is in de gelijkenis van de wijze en de dwaze maagden. De dwazen waren zij die olie in hun lampen hadden, maar niet in hun vaten. Onder de dwazen in de tekst kunnen wij daarom hen verstaan die het licht van kennis in hun hoofd hebben en de lamp van de belijdenis in hun hand, maar geen olie van genade in hun hart. Zij zijn dwaas, omdat zij noch God, noch zichzelf kennen, noch zonde, noch zaligheid, noch de diepte van de val, noch de grootheid van het geneesmiddel.

Zij zijn dwaas met betrekking tot zichzelf, omdat zij geloven dat licht en kennis hen zonder leven en genade zullen behouden. En zij zijn dwaas met betrekking tot anderen, omdat het hun ontbreekt aan een bevindelijke kennis van het hart. Daarom weten zij niets van de verzoekingen van een kind van God: hoe het van alle kanten benauwd wordt, hoe satan het bedreigt of verlokt, hoe zijn eigen hart hem tot het kwaad aanzet en hoe er van alle kanten strikken voor zijn voeten worden gespannen. De dwazen weten niets van deze beproevingen. Zij zijn Farizeeën, die de buitenkant van de drinkbeker reinigen, die de graven witten en versieren, terwijl zij vanbinnen vol doodsbeenderen en onreinheid zijn.

David wist heel goed, en ieder kind van God weet het evengoed, dat wanneer hij werd toegelaten uit te glijden of iets te zeggen of te doen wat niet bepaald stichtelijk was, juist zij hem dat als eersten zouden verwijten. De dwaas kan en wil niets door de vingers zien, zelfs niet de kleinste misstap van tong of voet, want hij is zelf onbekend met de zwakheid van het vlees, met de sluwheid van satan, met de kracht van de zonde en van de verzoeking. Als hij zou struikelen of vallen, zou de dwaas hem zonder twijfel met de vinger nawijzen.

Wanneer hij dan deze smeking opzendt, mogen wij wel aannemen dat hij wil zeggen: „Heere, welke verzoekingen ik ook zal moeten doormaken, welke strikken van satan of welke begeerten van het vlees mij ook van voren en van achteren mogen belagen, o, bewaar mij, bewaar mij, dat ik niet word tot een smaad der dwazen; dat zij niets zouden kunnen vinden waar zij de hand op kunnen leggen, waardoor zij mij tot een spotrede zouden maken en Uw Naam en zaak en waarheid daarom gelasterd zouden worden.”

Aan de lezer…

Kent u, waarde lezer, die vrees die David hier uitspreekt? U weet hoe u van alle kanten benauwd wordt, hoe uw eigen hart u tot het kwaad aanzet en hoe er strikken voor uw voeten gespannen liggen. En u weet ook dat er ogen zijn die op uw struikelen wachten, ogen van hen die zelf de zwakheid van het vlees en de kracht van de zonde niet kennen. Zij zien niets door de vingers; één misstap van tong of voet, en zij wijzen u na.

Laat dat u niet tot wanhoop drijven, maar tot het gebed. Zo smeekte David: „Bewaar mij, bewaar mij.” U kunt uzelf niet staande houden, maar de Heere kan het wel. En is uw zorg niet in de eerste plaats uw eigen naam, maar dat Zijn Naam en zaak en waarheid niet gelasterd worden, dan is dat een teken dat er olie van genade in uw hart is, en niet alleen licht in uw hoofd. Roep dan tot Hem; Hij hoort zo’n bede.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina