vandaag verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
7 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
11 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
2 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Dat wij, verlost zijnde uit de hand onzer vijanden, Hem dienen zouden zonder vreze, in heiligheid en gerechtigheid voor Hem, alle de dagen onzes levens.
Lucas 1:74, 75
Heiligheid bestaat hoofdzakelijk uit twee punten. 1°. Dat men deelgenoot gemaakt is van de Geest der heiligheid, waardoor wij, als uit God geboren, bekwaam gemaakt worden deelgenoot te zijn van de erfenis der heiligen in het licht; dat ons verlangen gericht is naar de dingen daarboven, waar Christus zit aan de rechterhand Gods; dat onze omgang is in de hemel; dat wij de nieuwe mens hebben aangedaan, welke vernieuwd is in kennis naar het beeld van Hem, Die hem geschapen heeft; dat wij een leven leiden van geloof in de Zoon van God, en, als in een spiegel de heerlijkheid des Heeren aanschouwende, veranderd zijn in hetzelfde beeld van heerlijkheid tot heerlijkheid, als door des Heeren Geest.
Zo tot God gebracht te zijn, door Zijn lieve Zoon, zo geestelijk gezind te zijn, voor Hem te wandelen in het licht Zijns aanschijns, en iets te kennen van geestelijke gemeenschap met de Heere des levens en der heerlijkheid, gezeten op Zijn genadetroon in de volheid Zijner opstandingskracht, en in de hoogte, diepte, lengte en breedte Zijner stervende liefde, is te smaken, te tasten, te ervaren en te genieten; is deelgenoot gemaakt te zijn van Zijn heiligheid, en geheiligd te zijn door de Geest Gods als een inwonend Leermeester, Leidsman, Voorspraak en Trooster. En zo wij niets van deze dingen verstaan, ten minste in enige kleine mate, of er niet naar uitzien en verlangen dat zij door een Goddelijke kracht in ons hart gebracht worden, geven wij maar weinig bewijs dat de genade Gods ons hart heeft bereikt en ons vernieuwd heeft in de geest van ons gemoed.
2°. Het tweede punt van heiligheid is een leven, een gedrag en een wandel naar de voorschriften des Evangelies; en het ene ontstaat uit het andere. „Maak de boom goed,” zegt onze gezegende Heere, „en zijn vrucht is ook goed; want men kent de boom aan zijn vruchten.” De vrucht des Evangelies moet groeien op de boom des Evangelies; dus moeten de vruchten van een heilig en Goddelijk leven voortkomen uit die Goddelijke werkingen van de Heilige Geest op het hart, waarvan wij zoëven gesproken hebben.
Leven en handelen is, om zo te zeggen, „heilig zijn in alle wandel”, dat is: in onze dagelijkse wandel; een nakomen van het voorschrift dat God weleer aan Zijn volk Israël gaf en dat in het Nieuwe Testament is aangehaald, om te doen zien dat het geestelijk vervuld is in dat uitverkoren volk dat Hij door Zijn grote genade onder het Evangelie geroepen heeft.
Ps. 84:5
Aan de lezer…
Deze woorden spreken van dienen „in heiligheid en gerechtigheid”; maar wat verstaat u onder heiligheid? Is het voor u alleen een stelsel van regels, een uiterlijke wandel die u met moeite volhoudt? Hier wordt u een andere weg gewezen. De boom moet eerst goed gemaakt worden, eer de vrucht goed kan zijn. Ware heiligheid begint daar waar de Geest der heiligheid in het hart komt wonen als Leermeester, Leidsman, Voorspraak en Trooster, en waar de ziel, de heerlijkheid des Heeren aanschouwende, veranderd wordt naar Zijn beeld.
Verstaat u daar weinig van, en ziet u met droefheid hoe weinig vrucht er in uw dagelijkse wandel is? Zoek het dan niet in uw eigen kracht, maar bij Hem, Die verlost uit de hand der vijanden, opdat wij Hem dienen zouden zonder vreze. Wat de Geest in het hart werkt, zal ook in de wandel openbaar worden. Bid dan dat Hij u door Zijn grote genade zo tot God brengt, dat u Hem dient alle de dagen uws levens.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Dat wij, verlost zijnde uit de hand onzer vijanden, Hem dienen zouden zonder vreze, in heiligheid en gerechtigheid voor Hem, alle de dagen onzes levens.
Lucas 1:74, 75
Heiligheid bestaat hoofdzakelijk uit twee punten. 1°. Dat men deelgenoot gemaakt is van de Geest van heiligheid, door Wie wij, als uit God geboren, bekwaam gemaakt worden om deel te hebben aan de erfenis van de heiligen in het licht. Dat ons verlangen gericht is op de dingen daarboven, waar Christus zit aan de rechterhand van God, en dat onze omgang in de hemel is. Dat wij de nieuwe mens hebben aangedaan, die vernieuwd wordt tot kennis naar het beeld van Hem Die hem geschapen heeft. Dat wij een leven leiden van geloof in de Zoon van God, en, terwijl wij als in een spiegel de heerlijkheid van de Heere aanschouwen, veranderd worden naar hetzelfde beeld, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als door de Geest van de Heere.
Zo geestelijk gezind te zijn, zo door Zijn geliefde Zoon tot God gebracht te zijn, voor Hem te wandelen in het licht van Zijn aangezicht, en iets te kennen van geestelijke gemeenschap met de Heere van leven en heerlijkheid, Die op Zijn genadetroon zit in de volle kracht van Zijn opstanding, en van de hoogte, diepte, lengte en breedte van Zijn stervende liefde: dat betekent smaken, tasten, ervaren en genieten. Het betekent deelgenoot gemaakt te zijn van Zijn heiligheid, en geheiligd te zijn door de Geest van God als inwonende Leermeester, Leidsman, Voorspraak en Trooster. En als wij niets van deze dingen begrijpen, in elk geval in enige kleine mate, of er niet naar uitzien en verlangen dat zij door Goddelijke kracht in ons hart gebracht worden, geven wij maar weinig bewijs dat de genade van God ons hart heeft bereikt en ons heeft vernieuwd in de geest van ons gemoed.
2°. Het tweede punt van heiligheid is een leven, een gedrag en een wandel naar de voorschriften van het Evangelie; en het een komt voort uit het ander. „Maak de boom goed,” zegt onze gezegende Heere, „en zijn vrucht is ook goed; want men kent de boom aan zijn vruchten.” De vrucht van het Evangelie moet groeien aan de boom van het Evangelie. Zo moeten de vruchten van een heilig en Goddelijk leven voortkomen uit de Goddelijke werkingen van de Heilige Geest op het hart, waarover wij zojuist gesproken hebben.
Zo leven en handelen is als het ware „heilig zijn in alle wandel”, dat wil zeggen: in onze dagelijkse wandel. Het is het opvolgen van het voorschrift dat God vroeger aan Zijn volk Israël gaf, en dat in het Nieuwe Testament wordt aangehaald om te laten zien dat het geestelijk vervuld wordt in het uitverkoren volk dat Hij door Zijn grote genade onder het Evangelie geroepen heeft.
Ps. 84:5
Aan de lezer…
Deze woorden spreken over dienen „in heiligheid en gerechtigheid”; maar wat verstaat u onder heiligheid? Is het voor u alleen een stelsel van regels, een uiterlijke wandel die u met moeite volhoudt? Hier wordt u een andere weg gewezen. De boom moet eerst goed gemaakt worden, voordat de vrucht goed kan zijn. Ware heiligheid begint waar de Geest van heiligheid in het hart komt wonen als Leermeester, Leidsman, Voorspraak en Trooster, en waar de ziel, terwijl zij de heerlijkheid van de Heere aanschouwt, veranderd wordt naar Zijn beeld.
Begrijpt u daar weinig van, en ziet u met droefheid hoe weinig vrucht er in uw dagelijkse wandel is? Zoek het dan niet in uw eigen kracht, maar bij Hem Die verlost uit de hand van de vijanden, opdat wij Hem zonder vrees zouden dienen. Wat de Geest in het hart werkt, zal ook in de wandel zichtbaar worden. Bid dan dat Hij u door Zijn grote genade zo tot God brengt, dat u Hem dient al de dagen van uw leven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
That He would grant unto us, that we being delivered out of the hand of our enemies might serve Him without fear, in holiness and righteousness before Him, all the days of our life.
Luke 1:74-75
Holiness consists mainly of two points—
1. being made a partaker of the spirit of holiness whereby, as born of God, we are made fit to be partakers of the inheritance of the saints in light; set our affections on things above, where Christ sits on the right hand of God; have our conversation in heaven; put on the new man which is renewed in knowledge after the image of Him which created him; live a life of faith in the Son of God, and beholding, as in a mirror, the glory of the Lord, are changed into the same image from glory to glory, even as by the Spirit of the Lord.
To be thus spiritually-minded, to be thus brought near unto God through His dear Son, to walk before Him in the light of His countenance, and to know something of spiritual communion with the Lord of life and glory as sitting on His mercy-seat in the fullness of His risen power, and in the heights, depths, lengths, and breadths of His dying love—thus to taste, to handle, to experience, and to enjoy is to be made a partaker of true holiness, and to be sanctified by the Spirit of God as an indwelling Teacher, Guide, Advocate, and Comforter. And if we know nothing of these things, at least in some small measure, or are not looking after and longing for them to be brought into our heart by a divine power, we give but little evidence that the grace of God has reached our heart and renewed us in the spirit of our mind.
2. The second branch of holiness is a life, conduct, and conversation agreeable to the precepts of the gospel; and the one springs out of the other. “Make the tree good,” said our blessed Lord, “and his fruit good, for the tree is known by his fruit.” Gospel fruit must grow upon a gospel tree, and thus the fruits of a holy and godly life must spring out of those divine operations of the Holy Spirit upon the heart of which we have just spoken. Thus to speak, live, and act is to be “holy in all manner of conversation,” that is in our daily walk; and is a fulfilling of the precept which God gave of old to His typical people Israel, and quoted in the New Testament to show that it is spiritually fulfilled in that peculiar people whom He calls by His distinguishing grace under the gospel.
To the reader…
These words speak of serving “in holiness and righteousness”; but what do you understand by holiness? Is it for you only a system of rules, an outward walk that you keep up with great effort? Here you are shown another way. The tree must first be made good before the fruit can be good. True holiness begins where the Spirit of holiness comes to dwell in the heart as Teacher, Guide, Advocate and Comforter, and where the soul, beholding the glory of the Lord, is changed into His image.
Do you understand little of that, and do you see with sorrow how little fruit there is in your daily walk? Then do not seek it in your own strength, but with Him Who delivers out of the hand of our enemies, that we might serve Him without fear. What the Spirit works in the heart will also become visible in the walk. Pray, then, that by His great grace He will so bring you to God that you serve Him all the days of your life.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Que nos había de dar, que sin temor librados de nuestros enemigos, Le serviríamos en santidad y en justicia delante de Él, todos los días nuestros.
Lucas 1:74-75
La santidad consiste principalmente en dos puntos:
1. ser hechos partícipes del espíritu de santidad, por el cual, como nacidos de Dios, somos hechos aptos para participar de la herencia de los santos en luz; ponemos la mira en las cosas de arriba, donde está Cristo sentado a la diestra de Dios; tenemos nuestra conversación en los cielos; nos vestimos del nuevo hombre, que se renueva para conocimiento conforme a la imagen del que lo creó; vivimos una vida de fe en el Hijo de Dios, y mirando como en un espejo la gloria del Señor, somos transformados de gloria en gloria en la misma semejanza, como por el Espíritu del Señor.
Ser así espiritualmente de mente, ser así acercados a Dios por medio de Su amado Hijo, andar delante de Él a la luz de Su rostro, y saber algo de la comunión espiritual con el Señor de la vida y de la gloria, sentado en Su propiciatorio en la plenitud de Su poder de resucitado, y en las alturas, profundidades, longitudes y anchuras de Su amor que muere: así gustar, palpar, experimentar y gozar es ser hechos partícipes de la verdadera santidad, y ser santificados por el Espíritu de Dios como Maestro, Guía, Abogado y Consolador que mora en nosotros. Y si no sabemos nada de estas cosas, al menos en alguna pequeña medida, o no las buscamos ni anhelamos que sean traídas a nuestro corazón por un poder divino, damos poca evidencia de que la gracia de Dios ha llegado a nuestro corazón y nos ha renovado en el espíritu de nuestra mente.
2. La segunda rama de la santidad es una vida, una conducta y una conversación conformes a los preceptos del evangelio; y la una brota de la otra. “O haced el árbol bueno, y su fruto bueno”, dijo nuestro bendito Señor, “porque por el fruto es conocido el árbol”. El fruto del evangelio tiene que crecer en un árbol del evangelio, y así los frutos de una vida santa y piadosa tienen que brotar de aquellas operaciones divinas del Espíritu Santo en el corazón de las que acabamos de hablar. Hablar, vivir y obrar así es ser “santos en toda conversación”, es decir, en nuestro andar diario; y es el cumplimiento del precepto que Dios dio antiguamente a Su pueblo típico Israel, y que se cita en el Nuevo Testamento para mostrar que se cumple espiritualmente en aquel pueblo peculiar al que Él llama por Su gracia distintiva bajo el evangelio.
Al lector…
Estas palabras hablan de servir “en santidad y en justicia”; pero ¿qué entiende usted por santidad? ¿Es para usted solo un sistema de reglas, un andar exterior que mantiene con gran esfuerzo? Aquí se le muestra otro camino. Primero hay que hacer bueno el árbol para que el fruto pueda ser bueno. La verdadera santidad comienza donde el Espíritu de santidad viene a morar en el corazón como Maestro, Guía, Abogado y Consolador, y donde el alma, mirando la gloria del Señor, es transformada en Su imagen.
¿Entiende usted poco de esto, y ve con tristeza cuán poco fruto hay en su andar diario? Entonces no lo busque en sus propias fuerzas, sino en Aquel que libra de la mano de nuestros enemigos, para que Le sirvamos sin temor. Lo que el Espíritu obra en el corazón se hará visible también en el andar. Ore, pues, para que por Su gran gracia Él le acerque de tal manera a Dios que Le sirva todos los días de su vida.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Die Koning verhore ons
O Heere! Behoud; die Koning verhore ons, ten dage van ons roepen.
Psalm 20:10
Als de Kerk zegt: „Die Koning verhore ons ten dage van ons roepen”, heeft ze het over Jezus als haar Heere, Die in haar ziel regeert, haar gedachten leidt, in haar hart plaats heeft als haar Vorst en Heerser, en over haar heerst door middel van Zijn wil en Woord. Ze verkeerde echter in nood en verwarring; in haar beleving voelde ze nog steeds haar behoefte, haar steeds groter wordende behoefte aan Hem. Kijk eens naar haar woorden: „Die Koning verhore ons ten dage van ons roepen”, niet alleen als we bidden, als we vragen, als we verlangen. Het woord roepen houdt een besef van de noodzaak in, een uiterste nood die onmiddellijke verlossing vereist.
We roepen om hulp, als iemand die bezig is te verdrinken in een rivier; we roepen om verlossing, als een man die door rovers wordt belaagd, of als een vrouw die wordt beledigd en bedreigd en die van haar kwelgeest wil worden verlost. Daarom houdt de uitdrukking „roepen” dringende behoefte in. Als de Kerk derhalve zegt: „Die Koning verhore ons ten dage van ons roepen”, bedoelt ze dat ze in nood en in verwarring verkeert, waardoor de ziel tot uitroepen wordt gedwongen.
Slaat dit de ijdele verwachting niet in stukken, dat we ooit zover zullen komen dat we de Heere niet nodig hebben? Als de Heere onze Leraar is, zullen we Hem steeds vaker nodig hebben. Naarmate we zwakker en zwakker worden, naarmate we een dieper inzicht in onszelf krijgen en een hogere aanblik op Jezus, zullen we Hem elke dag meer nodig hebben. Wee ons, wee ons, als we ooit zover komen dat we Christus niet nodig hebben. Wees ervan verzekerd: we zijn in een land van de dood gekomen, buiten bereik van het werk van de Geest aan ons hart, als we zover komen dat we Christus nooit meer nodig hebben.
„Die Koning verhore ons,” zegt de Kerk dus, „ten dage van ons roepen. Als onze ziel is geoefend; als we in nood verkeren door de verschillende verwarringen die we onderweg tegenkomen; als we willen dat Hij ons in moeilijke tijden helpt, laat de Koning ons dan verhoren; laten onze gebeden Zijn oren bereiken; laten onze uitroepen tot Hem, Die machtig is te verlossen, verlichting brengen.”
Lezen: Psalm 61
Aan de lezer…
Als u zich soms schaamt dat u de Heere nog altijd zo nodig hebt, meent u dan misschien dat een ware christen allengs sterker in zichzelf moet worden, en dat uw roepen en kermen een teken is dat het met u niet goed staat? Hoor dan wat hier gezegd wordt: wie door de Heere geleerd wordt, zal Hem niet minder, maar steeds meer nodig hebben. Hoe dieper het inzicht in uzelf, hoe hoger de aanblik op Jezus, en hoe dringender het roepen wordt.
Wee ons als wij ooit zover komen dat wij Christus niet meer nodig hebben; dan zijn wij in een land van de dood. Maar bent u als iemand die in de rivier dreigt te verdrinken, en kunt u niet meer dan roepen, wees dan niet moedeloos. Uw nood is geen bewijs tegen u. Breng hem tot de Koning, Die in het hart van Zijn Kerk regeert en machtig is te verlossen. Hij verhoort ten dage van het roepen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
O Heere! Behoud; die Koning verhore ons, ten dage van ons roepen.
Psalm 20:10
Als de Kerk zegt: „Die Koning verhore ons ten dage van ons roepen”, spreekt zij over Jezus als haar Heere, Die in haar ziel regeert, haar gedachten leidt, in haar hart de plaats inneemt van haar Vorst en Heerser, en over haar heerst door Zijn wil en Woord. Toch verkeerde zij in nood en verwarring; in haar bevinding voelde zij nog steeds haar gebrek, haar steeds groter wordende behoefte aan Hem. Let op haar woorden: „Die Koning verhore ons ten dage van ons roepen”, niet alleen als we bidden, als we vragen, als we verlangen. Het woord roepen houdt een besef van nood in, een uiterste nood die om onmiddellijke verlossing vraagt.
We roepen om hulp, zoals iemand die in een rivier dreigt te verdrinken. We roepen om verlossing, zoals een man die door rovers wordt overvallen, of zoals een vrouw die beledigd en bedreigd wordt en van haar kwelgeest verlost wil worden. Daarom houdt het woord „roepen” dringende nood in. Als de Kerk dus zegt: „Die Koning verhore ons ten dage van ons roepen”, bedoelt zij dat zij in nood en verwarring verkeert, zodat de ziel gedwongen wordt het uit te roepen.
Slaat dit de ijdele verwachting niet in stukken dat we ooit zover zullen komen dat we de Heere niet meer nodig hebben? Als de Heere onze Leraar is, zullen we Hem steeds meer nodig hebben. Naarmate we zwakker en zwakker worden, naarmate we dieper inzicht in onszelf krijgen en een hoger zicht op Jezus, zullen we Hem elke dag meer nodig hebben. Wee ons, wee ons, als we ooit zover komen dat we Christus niet nodig hebben. Wees ervan verzekerd: we zijn dan in een land van de dood gekomen, buiten het bereik van het werk van de Geest in ons hart, als we zover komen dat we Christus nooit meer nodig hebben.
„Die Koning verhore ons,” zegt de Kerk dus, „ten dage van ons roepen. Als onze ziel is geoefend; als we in nood verkeren door de verschillende verwarringen die we onderweg tegenkomen; als we willen dat Hij ons in moeilijke tijden helpt, laat de Koning ons dan verhoren; laten onze gebeden Zijn oren bereiken; laten onze uitroepen tot Hem, Die machtig is te verlossen, verlichting brengen.”
Lezen: Psalm 61
Aan de lezer…
Als u zich soms schaamt dat u de Heere nog altijd zo nodig hebt, denkt u dan misschien dat een ware christen geleidelijk sterker in zichzelf moet worden, en dat uw roepen en klagen een teken is dat het met u niet goed staat? Hoor dan wat hier gezegd wordt: wie door de Heere geleerd wordt, zal Hem niet minder, maar steeds meer nodig hebben. Hoe dieper het inzicht in uzelf, hoe hoger het zicht op Jezus, en hoe dringender het roepen wordt.
Wee ons als wij ooit zover komen dat wij Christus niet meer nodig hebben; dan zijn wij in een land van de dood. Maar bent u als iemand die in de rivier dreigt te verdrinken, en kunt u niet meer dan roepen, wees dan niet moedeloos. Uw nood is geen bewijs tegen u. Breng hem bij de Koning, Die in het hart van Zijn Kerk regeert en machtig is te verlossen. Hij verhoort ten dage van het roepen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Save, LORD: let the king hear us when we call.
Psalm 20:9
When the Church says, “Let the King hear us when we call,” she speaks of Jesus as her Lord, Who reigns in her soul, guides her thoughts, takes the place in her heart of her Sovereign and Ruler, and rules over her by His will and Word. Yet she was in distress and perplexity; in her experience she still felt her want, her ever-increasing need of Him. Mark her words: “Let the King hear us when we call,” not merely when we pray, when we ask, when we desire. The word call implies a sense of distress, an extreme need that demands immediate deliverance.
We call for help, like a man in danger of drowning in a river. We call for deliverance, like a man set upon by robbers, or like a woman insulted and threatened who wants to be delivered from her tormentor. Therefore the word “call” implies urgent need. When the Church, then, says, “Let the King hear us when we call,” she means that she is in distress and perplexity, so that the soul is compelled to cry out.
Does not this break to pieces the vain expectation that we shall ever come to the point where we no longer need the Lord? If the Lord is our Teacher, we shall need Him more and more. As we become weaker and weaker, as we get a deeper insight into ourselves and a higher view of Jesus, we shall need Him more every day. Woe to us, woe to us, if we ever come to the point where we do not need Christ. Be assured of this: we have then come into a land of death, out of the reach of the work of the Spirit in our heart, if we come to the point where we never need Christ any more.
“Let the King hear us,” says the Church, then, “when we call. When our soul is exercised; when we are in distress through the various perplexities we meet with on the way; when we want Him to help us in times of trouble, then let the King hear us; let our prayers reach His ears; let our cries to Him, Who is mighty to save, bring relief.”
Reading: Psalm 61
To the reader…
If you are sometimes ashamed that you still need the Lord so much, do you perhaps think that a true Christian ought gradually to grow stronger in himself, and that your crying and complaining is a sign that all is not well with you? Then hear what is said here: whoever is taught by the Lord will need Him not less, but more and more. The deeper the insight into yourself, the higher the view of Jesus, and the more urgent the cry becomes.
Woe to us if we ever come to the point where we no longer need Christ; then we are in a land of death. But if you are like someone in danger of drowning in the river, and can do no more than cry out, do not lose heart. Your need is no evidence against you. Bring it to the King, Who reigns in the heart of His Church and is mighty to save. He hears when we call.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Salva, Jehová: que el Rey nos oiga el día que lo invocáremos.
Salmo 20:9
Cuando la Iglesia dice: “Que el Rey nos oiga el día que lo invocáremos”, habla de Jesús como su Señor, Quien reina en su alma, guía sus pensamientos, ocupa en su corazón el lugar de Soberano y Gobernante, y la rige por Su voluntad y Su Palabra. Sin embargo, ella estaba en angustia y perplejidad; en su experiencia seguía sintiendo su falta, su necesidad siempre creciente de Él. Fíjese en sus palabras: “Que el Rey nos oiga el día que lo invocáremos”, no solo cuando oramos, cuando pedimos, cuando deseamos. La palabra invocar, clamar, implica un sentimiento de angustia, una necesidad extrema que exige liberación inmediata.
Clamamos pidiendo ayuda, como un hombre en peligro de ahogarse en un río. Clamamos pidiendo liberación, como un hombre asaltado por ladrones, o como una mujer ultrajada y amenazada que quiere ser librada de su atormentador. Por eso la palabra “clamar” implica una necesidad apremiante. Cuando la Iglesia, pues, dice: “Que el Rey nos oiga el día que lo invocáremos”, quiere decir que está en angustia y perplejidad, de modo que el alma se ve obligada a clamar.
¿No hace pedazos esto la vana expectativa de que alguna vez llegaremos al punto en que ya no necesitemos al Señor? Si el Señor es nuestro Maestro, lo necesitaremos más y más. A medida que nos volvemos más y más débiles, a medida que obtenemos una visión más profunda de nosotros mismos y una visión más alta de Jesús, lo necesitaremos más cada día. ¡Ay de nosotros, ay de nosotros, si alguna vez llegamos al punto en que no necesitemos a Cristo! Tenga esto por seguro: si llegamos al punto en que ya nunca necesitamos a Cristo, hemos entrado entonces en una tierra de muerte, fuera del alcance de la obra del Espíritu en nuestro corazón.
“Que el Rey nos oiga”, dice, pues, la Iglesia, “el día que lo invocáremos. Cuando nuestra alma esté ejercitada; cuando estemos en angustia por las diversas perplejidades que encontramos en el camino; cuando queramos que Él nos ayude en tiempos de aflicción, entonces que el Rey nos oiga; que nuestras oraciones lleguen a Sus oídos; que nuestros clamores a Él, Quien es poderoso para salvar, nos traigan alivio”.
Lectura: Salmo 61
Al lector…
Si a veces se avergüenza de que todavía necesita tanto al Señor, ¿piensa quizás que un verdadero cristiano debería irse haciendo más fuerte en sí mismo, y que su clamar y quejarse es señal de que algo no anda bien en usted? Escuche entonces lo que aquí se dice: quien es enseñado por el Señor no lo necesitará menos, sino más y más. Cuanto más profunda es la visión de uno mismo, cuanto más alta la visión de Jesús, tanto más apremiante se vuelve el clamor.
¡Ay de nosotros si alguna vez llegamos al punto en que ya no necesitamos a Cristo; entonces estamos en una tierra de muerte! Pero si usted es como alguien en peligro de ahogarse en el río, y no puede hacer más que clamar, no se desanime. Su necesidad no es prueba en su contra. Llévela al Rey, Quien reina en el corazón de Su Iglesia y es poderoso para salvar. Él oye cuando clamamos.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
En stel mij niet tot een smaad der dwazen.
Psalm 39:8
Wie zijn deze dwazen? Ik geloof dat het beste antwoord hierop gegeven is door de Heere Zelf in de gelijkenis van de wijze en de dwaze maagden. De dwazen waren zij die olie in hun lampen hadden, maar niet in hun vaten. Wij kunnen derhalve onder de dwazen in de tekst hen verstaan die licht van kennis in hun hoofden hebben en de lamp der belijdenis in hun hand, maar geen olie van genade in hun harten. Zij zijn dwaas, omdat zij noch God, noch zichzelf kennen, noch zonde, noch zaligheid, noch de diepte van de val, noch de grootheid van het geneesmiddel.
Zij zijn dwaas ten opzichte van zichzelf, gelovende dat licht en kennis hen zullen behouden zonder leven en genade; en zij zijn dwaas ten opzichte van anderen, uit gebrek aan een bevindelijke kennismaking met het hart. Zij kennen derhalve niets van de verzoekingen van een kind van God: hoe het van alle zijden benauwd wordt, hoe de satan het dreigt of verlokt, hoe zijn eigen hart hem aanspoort tot het kwaad en hoe hem van alle zijden strikken voor de voeten worden gespannen. De dwazen weten niets van deze beproevingen. Zij zijn Farizeeën, die het buitenste des drinkbekers reinigen, die de graven witpleisteren en versieren, terwijl zij van binnen vol doodsbeenderen en onreinheid zijn.
David wist het wel, en elk kind van God eveneens, dat, wanneer hij werd toegelaten om uit te glijden of iets te zeggen of te doen wat niet bepaald stichtelijk was, dezen hem allereerst daarvan verwijt zouden doen. De dwaas kan en wil niets door de vingers zien ten opzichte van de geringste misstap, hetzij van tong of voet, want hijzelf is onbekend met de zwakheid van het vlees, met de geslepenheid van satan, met de kracht der zonde en van de verzoeking. Zou hij struikelen of vallen, dan zou de dwaas hem zonder twijfel met de vinger nawijzen.
Wanneer hij dan deze smeking opzendt, mogen wij wel veronderstellen dat hij wil zeggen: „Heere, welke verzoekingen ik zal moeten doormaken, welke strikken van satan of welke begeerten van het vlees mij van voren en van achteren mogen bezetten, o, bewaar mij, bewaar mij, dat ik niet worde tot een smaad der dwazen; dat zij niet iets zouden kunnen vinden waarop zij de hand kunnen leggen, uit welke oorzaak zij mij tot een spotrede zouden stellen en Uw Naam en zaak en waarheid daarom gelasterd zouden worden.”
Aan de lezer…
Kent u, waarde lezer, die vrees die David hier uitspreekt? U weet hoe u van alle zijden benauwd wordt; hoe uw eigen hart u tot het kwaad aanspoort, en hoe strikken voor uw voeten gespannen liggen. En u weet ook dat er ogen zijn die op uw struikelen wachten, ogen van hen die zelf de zwakheid van het vlees en de kracht der zonde niet kennen. Zij zien niets door de vingers; één misstap van tong of voet, en zij wijzen u na.
Laat dat u niet tot wanhoop drijven, maar tot het gebed. Zo smeekte David: „Bewaar mij, bewaar mij.” U kunt uzelf niet staande houden, maar de Heere kan het wel. En is uw zorg niet allereerst uw eigen naam, maar dat Zijn Naam en zaak en waarheid niet gelasterd zouden worden, dan is dat een teken dat er olie van genade in uw hart is, en niet alleen licht in uw hoofd. Roep dan tot Hem; Hij hoort zulk een bede.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En stel mij niet tot een smaad der dwazen.
Psalm 39:8
Wie zijn deze dwazen? Ik geloof dat het beste antwoord hierop door de Heere Zelf gegeven is in de gelijkenis van de wijze en de dwaze maagden. De dwazen waren zij die olie in hun lampen hadden, maar niet in hun vaten. Onder de dwazen in de tekst kunnen wij daarom hen verstaan die het licht van kennis in hun hoofd hebben en de lamp van de belijdenis in hun hand, maar geen olie van genade in hun hart. Zij zijn dwaas, omdat zij noch God, noch zichzelf kennen, noch zonde, noch zaligheid, noch de diepte van de val, noch de grootheid van het geneesmiddel.
Zij zijn dwaas met betrekking tot zichzelf, omdat zij geloven dat licht en kennis hen zonder leven en genade zullen behouden. En zij zijn dwaas met betrekking tot anderen, omdat het hun ontbreekt aan een bevindelijke kennis van het hart. Daarom weten zij niets van de verzoekingen van een kind van God: hoe het van alle kanten benauwd wordt, hoe satan het bedreigt of verlokt, hoe zijn eigen hart hem tot het kwaad aanzet en hoe er van alle kanten strikken voor zijn voeten worden gespannen. De dwazen weten niets van deze beproevingen. Zij zijn Farizeeën, die de buitenkant van de drinkbeker reinigen, die de graven witten en versieren, terwijl zij vanbinnen vol doodsbeenderen en onreinheid zijn.
David wist heel goed, en ieder kind van God weet het evengoed, dat wanneer hij werd toegelaten uit te glijden of iets te zeggen of te doen wat niet bepaald stichtelijk was, juist zij hem dat als eersten zouden verwijten. De dwaas kan en wil niets door de vingers zien, zelfs niet de kleinste misstap van tong of voet, want hij is zelf onbekend met de zwakheid van het vlees, met de sluwheid van satan, met de kracht van de zonde en van de verzoeking. Als hij zou struikelen of vallen, zou de dwaas hem zonder twijfel met de vinger nawijzen.
Wanneer hij dan deze smeking opzendt, mogen wij wel aannemen dat hij wil zeggen: „Heere, welke verzoekingen ik ook zal moeten doormaken, welke strikken van satan of welke begeerten van het vlees mij ook van voren en van achteren mogen belagen, o, bewaar mij, bewaar mij, dat ik niet word tot een smaad der dwazen; dat zij niets zouden kunnen vinden waar zij de hand op kunnen leggen, waardoor zij mij tot een spotrede zouden maken en Uw Naam en zaak en waarheid daarom gelasterd zouden worden.”
Aan de lezer…
Kent u, waarde lezer, die vrees die David hier uitspreekt? U weet hoe u van alle kanten benauwd wordt, hoe uw eigen hart u tot het kwaad aanzet en hoe er strikken voor uw voeten gespannen liggen. En u weet ook dat er ogen zijn die op uw struikelen wachten, ogen van hen die zelf de zwakheid van het vlees en de kracht van de zonde niet kennen. Zij zien niets door de vingers; één misstap van tong of voet, en zij wijzen u na.
Laat dat u niet tot wanhoop drijven, maar tot het gebed. Zo smeekte David: „Bewaar mij, bewaar mij.” U kunt uzelf niet staande houden, maar de Heere kan het wel. En is uw zorg niet in de eerste plaats uw eigen naam, maar dat Zijn Naam en zaak en waarheid niet gelasterd worden, dan is dat een teken dat er olie van genade in uw hart is, en niet alleen licht in uw hoofd. Roep dan tot Hem; Hij hoort zo’n bede.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Make me not the reproach of the foolish.”
Psalm 39:8
Who are these “foolish?” I think the best answer to this question is given by our Lord Himself, in the parable of the wise and foolish virgins. “The foolish” were those who had oil in their lamps, but none in their vessels. By “the foolish” in the text, therefore, we may understand those who have the light of knowledge in their heads, and the lamp of profession in their hands, but no oil of grace in their hearts. They are “foolish,” because they know neither God nor themselves, neither sin nor salvation, neither the depth of the fall nor the greatness of the remedy.
They are “foolish,” as regards themselves, in thinking that light and knowledge will save them, without life and grace; and they are “foolish,” as regards others, for lack of an experimental acquaintance with the heart. They know nothing, therefore, of the temptations of a child of God; how he is beset on every hand; how Satan is ever thrusting at or enticing him; how his own heart is continually prompting him to evil; and how snares are in every direction laid for his feet. “The foolish” know nothing of these trials; they are Pharisees, who “make clean the outside of the cup and platter,” who whitewash and adorn the sepulcher outside, while within it is “full of dead men’s bones and all uncleanness.”
David knew well, and every child of God knows well, that if he were allowed to slip, if he were allowed to say or do anything unbecoming, these would be the very first to make him an open reproach. “The foolish” can, and will, make no allowances for the least slip of tongue or foot, for they themselves are ignorant of the weakness of the flesh, the subtlety of Satan, the strength of sin, and the power of temptation. Were he to stumble and fall, “the foolish” would be sure to point the finger of scorn at him.
In breathing forth, then, this petition, we may well suppose him to say, “Lord, whatever temptations I may be called upon to endure, whatever snares of Satan or lusts of the flesh may beset my path behind and before, O keep me, keep me that I may not be ‘the reproach of the foolish;’ that they may have nothing to take hold of, to make me a bye-word, and through me to reproach Your Name, cause, and truth.”
To the reader…
Do you know, dear reader, the fear that David expresses here? You know how you are hard pressed on every side, how your own heart urges you to evil and how snares are laid for your feet. And you know too that there are eyes waiting for you to stumble, the eyes of those who themselves do not know the weakness of the flesh and the power of sin. They make no allowances; one slip of tongue or foot, and they point at you.
Do not let that drive you to despair, but to prayer. So David pleaded: “Keep me, keep me.” You cannot hold yourself up, but the Lord can. And if your concern is not first of all your own name, but that His Name and cause and truth should not be reproached, then that is a sign that there is oil of grace in your heart, and not only light in your head. Cry to Him, then; He hears such a plea.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“No me pongas por escarnio del insensato.”
Salmo 39:8
¿Quiénes son estos “insensatos”? Creo que la mejor respuesta a esta pregunta la da nuestro Señor mismo, en la parábola de las vírgenes prudentes y las insensatas. “Las insensatas” eran las que tenían aceite en sus lámparas, pero ninguno en sus vasos. Por “el insensato” del texto, por tanto, podemos entender a aquellos que tienen la luz del conocimiento en la cabeza y la lámpara de la profesión en la mano, pero ningún aceite de gracia en el corazón. Son “insensatos” porque no conocen ni a Dios ni a sí mismos, ni el pecado ni la salvación, ni la profundidad de la caída ni la grandeza del remedio.
Son “insensatos” en cuanto a sí mismos, al pensar que la luz y el conocimiento los salvarán sin vida y sin gracia; y son “insensatos” en cuanto a los demás, por falta de un conocimiento experimental del corazón. No saben nada, por tanto, de las tentaciones de un hijo de Dios; de cómo está asediado por todos lados; de cómo Satanás siempre le está acometiendo o tentándole; de cómo su propio corazón le incita continuamente al mal; y de cómo se tienden lazos a sus pies en todas direcciones. “Los insensatos” no saben nada de estas pruebas; son fariseos, que “limpian lo que está de fuera del vaso y del plato”, que blanquean y adornan el sepulcro por fuera, mientras que por dentro está “lleno de huesos de muertos y de toda suciedad”.
David sabía bien, y todo hijo de Dios sabe bien, que si se le permitiera resbalar, si se le permitiera decir o hacer algo indecoroso, estos serían los primeros en hacerle un escarnio público. “Los insensatos” no pueden ni quieren tener indulgencia con el menor resbalón de la lengua o del pie, porque ellos mismos ignoran la debilidad de la carne, la astucia de Satanás, la fuerza del pecado y el poder de la tentación. Si él tropezara y cayera, “los insensatos” no dejarían de señalarle con el dedo del desprecio.
Al exhalar, pues, esta petición, bien podemos suponer que dice: “Señor, cualesquiera que sean las tentaciones que se me llame a soportar, cualesquiera que sean los lazos de Satanás o las concupiscencias de la carne que asedien mi senda por detrás y por delante, oh guárdame, guárdame, para que no sea ‘escarnio del insensato’; para que no tengan nada de qué asirse para hacer de mí un refrán y, por medio de mí, vituperar Tu Nombre, Tu causa y Tu verdad.”
Al lector…
¿Conoce usted, querido lector, el temor que David expresa aquí? Usted sabe cómo es apremiado por todos lados, cómo su propio corazón le impulsa al mal y cómo se tienden lazos a sus pies. Y sabe también que hay ojos que esperan que usted tropiece, los ojos de aquellos que ellos mismos no conocen la debilidad de la carne ni el poder del pecado. No tienen indulgencia; un resbalón de la lengua o del pie, y le señalan con el dedo.
No deje que eso le lleve a la desesperación, sino a la oración. Así suplicaba David: “Guárdame, guárdame.” Usted no puede sostenerse a sí mismo, pero el Señor sí puede. Y si lo que le preocupa no es ante todo su propio nombre, sino que Su Nombre, Su causa y Su verdad no sean vituperados, eso es señal de que hay aceite de gracia en su corazón, y no solo luz en su cabeza. Clame, pues, a Él; Él oye semejante súplica.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl