6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus?
Romeinen 8:35
Dit vergete men nooit, dat, zo wij ooit door de werkingen des levenden geloofs bij de Heere Jezus Christus gebracht zijn, er nimmer een afgedane, werkelijke scheiding van Hem kan plaatshebben. In de donkerste ogenblikken, in de treurigste uren, onder de smartelijkste oefeningen en de hevigste aanvechtingen is er evenals met Jona in de buik der hel een uitzien naar de heilige tempel. Er is somtijds een zucht, een kreet, een gekerm, het uitademen van de begeerte des harten om „Hem te kennen in de kracht Zijner opstanding”; opdat Hij ons tot Zich mocht trekken en Zich kostbaar maken aan onze zielen. En dat roepen en zuchten, dat kermen en ademen bewijzen, dat, welke duisternis der ziel, de schuld des gewetens, of het ongeloof, dat wij gevoelen, mogen zijn, er geen wezenlijke scheiding is.
Het is in de genade als in het natuurlijke: de wolken vagen de zon niet weg; deze is steeds aan de hemel, al worden haar schitterende stralen dikwijls onderschept. Zo ook met de gezegende Zon der Gerechtigheid; ons ongeloof, onze onwetendheid, onze duisternis in het verstand, de schuld van ons geweten, onze vele verzoekingen, deze vagen de Zon der Gerechtigheid niet weg van de hemel der genade. Ofschoon dikke wolken zich tussen Haar en ons samenpakken en het ons is als ware zij uitgewist, of ten minste, als waren wij uit Zijn aandenken uitgewist, toch zet, door barmhartigheid, waar genade het werk is begonnen, de genade dat werk voort: „Vertrouwende ditzelve, dat Hij Die in u een goed werk begonnen heeft, dat voleindigen zal tot op de dag van Jezus Christus” (Fil. 1:6).
Ik steun op God, mijn toeverlaat,
dies heb ik niets te vrezen:
wie God vertrouwt, die deert geen kwaad;
uw tent zal veilig wezen.
Hij zal zijn engelen gebiên
dat z’ u op weg bevrijden:
gij zult hen in gevaren zien
voor uw behoud’nis strijden.
Ps. 91:5
Aan de lezer…
Misschien voelt u zich ver van Christus, zo ver dat u vreest dat de band voorgoed verbroken is. De duisternis is dik, het geweten bezwaard, het ongeloof sterk. U kunt Hem niet zien en Hem niet voelen. Hoor dan dit woord: wolken vagen de zon niet weg. Zij is er nog, ook al worden haar stralen onderschept.
Zo is het met de Zon der Gerechtigheid. Uw onwetendheid, uw schuld, uw vele verzoekingen nemen Hem niet van de hemel der genade weg. En hebt u nog een zucht, een kreet, een verlangen om Hem te kennen, zoals Jona in de diepte nog uitzag naar de heilige tempel? Dan is dat zelf een teken dat er geen wezenlijke scheiding is. Houd u dan vast aan wat Hij beloofd heeft: Die in u een goed werk begonnen heeft, zal het voleindigen. Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus?
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus?
Romeinen 8:35
Laten wij dit nooit vergeten: als wij ooit door de werkingen van het levend geloof bij de Heere Jezus Christus gebracht zijn, kan er nooit een definitieve, werkelijke scheiding van Hem plaatsvinden. In de donkerste ogenblikken, in de treurigste uren, onder de pijnlijkste oefeningen en de hevigste aanvechtingen is er, zoals bij Jona in de buik van de hel, een uitzien naar de heilige tempel. Er is soms een zucht, een kreet, een gekerm, het uitademen van de begeerte van het hart om „Hem te kennen in de kracht Zijner opstanding”, en dat Hij ons tot Zich zou trekken en Zich kostbaar zou maken voor onze ziel. En dat roepen en zuchten, dat kermen en ademen bewijst dat er geen wezenlijke scheiding is, hoe groot de duisternis van de ziel, de schuld van het geweten of het ongeloof dat wij voelen ook mag zijn.
Het is in de genade zoals in de natuur: de wolken vagen de zon niet weg. Zij staat altijd aan de hemel, ook al worden haar schitterende stralen vaak onderschept. Zo is het ook met de gezegende Zon der Gerechtigheid. Ons ongeloof, onze onwetendheid, de duisternis van ons verstand, de schuld van ons geweten, onze vele verzoekingen: zij vagen de Zon der Gerechtigheid niet weg van de hemel van de genade. Hoewel er dikke wolken tussen Hem en ons samenpakken en het ons lijkt alsof Hij uitgewist is, of in elk geval alsof wij uit Zijn gedachtenis zijn uitgewist, toch zet de genade, door barmhartigheid, het werk voort waar zij het begonnen is: „Vertrouwende ditzelve, dat Hij Die in u een goed werk begonnen heeft, dat voleindigen zal tot op de dag van Jezus Christus” (Fil. 1:6).
Ik steun op God, mijn toeverlaat,
dies heb ik niets te vrezen:
wie God vertrouwt, die deert geen kwaad;
uw tent zal veilig wezen.
Hij zal zijn engelen gebiên
dat z’ u op weg bevrijden:
gij zult hen in gevaren zien
voor uw behoud’nis strijden.
Ps. 91:5
Aan de lezer…
Misschien voelt u zich ver van Christus, zo ver dat u vreest dat de band voorgoed verbroken is. De duisternis is dik, het geweten bezwaard, het ongeloof sterk. U kunt Hem niet zien en Hem niet voelen. Hoor dan dit woord: wolken vagen de zon niet weg. Zij is er nog, ook al worden haar stralen onderschept.
Zo is het met de Zon der Gerechtigheid. Uw onwetendheid, uw schuld, uw vele verzoekingen nemen Hem niet weg van de hemel van de genade. En hebt u nog een zucht, een kreet, een verlangen om Hem te kennen, zoals Jona in de diepte nog uitzag naar de heilige tempel? Dan is dat zelf een teken dat er geen wezenlijke scheiding is. Houd u dan vast aan wat Hij beloofd heeft: Hij Die in u een goed werk begonnen heeft, zal het voleindigen. Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus?
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Who shall separate us from the love of Christ?
Romans 8:35
Be this never forgotten, that if we have ever been brought near to the Lord Jesus Christ by the actings of living faith, there never can be any final, actual separation from Him. In the darkest moments, in the dreariest hours, under the most painful exercises, the most fiery temptations, there is, as with Jonah in the belly of hell, a looking again toward the holy temple. There is sometimes a sigh, a cry, a groan, a breathing forth of the heart’s desire to “know Him, and the power of His resurrection;” that He would draw us near unto Himself, and make Himself precious to our souls. And these very cries and sighs, groanings and breathings, all prove that whatever darkness of mind, guilt of conscience, or unbelief we may feel, there is no real separation.
It is in grace as it is in nature; the clouds do not blot out the sun; it is still in the sky, though they often cut off his bright rays. And so with the blessed Sun of righteousness; our unbelief, our ignorance, our darkness of mind, our guilt of conscience, our many temptations–these do not blot out the Sun of righteousness from the sky of grace. Though thick clouds come between Him and us and make us feel as though He was blotted out, or at least as if we were blotted from His remembrance, yet, through mercy, where grace has begun the work, grace carries it on–“Being confident of this very thing, that He Who has begun a good work in you will perform it until the day of Jesus Christ” (Phil. 1:6).
To the reader…
Perhaps you feel far from Christ, so far that you fear the bond has been broken for good. The darkness is thick, your conscience is burdened, your unbelief is strong. You cannot see Him and you cannot feel Him. Then hear this word: the clouds do not blot out the sun. It is still there, even though its rays are cut off.
So it is with the Sun of righteousness. Your ignorance, your guilt and your many temptations do not remove Him from the sky of grace. And do you still have a sigh, a cry, a longing to know Him, as Jonah in the depths still looked again toward the holy temple? Then that in itself is a sign that there is no real separation. Hold fast, then, to what He has promised: He Who has begun a good work in you will perform it. Who shall separate us from the love of Christ?
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
¿Quién nos apartará del amor de Cristo?
Romanos 8:35
Nunca se olvide esto: que si alguna vez hemos sido acercados al Señor Jesucristo por los actos de una fe viva, nunca puede haber una separación final y real de Él. En los momentos más oscuros, en las horas más sombrías, bajo los ejercicios más dolorosos, las tentaciones más encendidas, hay, como con Jonás en el vientre del infierno, un volver a mirar hacia el santo templo. Hay a veces un suspiro, un clamor, un gemido, un exhalar el deseo del corazón de “conocerle, y la virtud de Su resurrección”; de que Él nos acerque a Sí mismo y se haga precioso a nuestras almas. Y estos mismos clamores y suspiros, gemidos y alientos, prueban todos que, sea cual sea la oscuridad de la mente, la culpa de la conciencia o la incredulidad que sintamos, no hay separación real.
Sucede en la gracia como en la naturaleza: las nubes no borran el sol; sigue estando en el cielo, aunque a menudo corten sus brillantes rayos. Y así sucede con el bendito Sol de justicia; nuestra incredulidad, nuestra ignorancia, nuestra oscuridad de mente, nuestra culpa de conciencia, nuestras muchas tentaciones, no borran al Sol de justicia del cielo de la gracia. Aunque espesas nubes se interpongan entre Él y nosotros y nos hagan sentir como si Él hubiera sido borrado, o al menos como si nosotros hubiéramos sido borrados de Su memoria, sin embargo, por misericordia, donde la gracia ha comenzado la obra, la gracia la lleva adelante: “Estando confiado de esto, que el que comenzó en vosotros la buena obra, la perfeccionará hasta el día de Jesucristo” (Filipenses 1:6).
Al lector…
Quizá usted se siente lejos de Cristo, tan lejos que teme que el vínculo se haya roto para siempre. La oscuridad es espesa, su conciencia está cargada, su incredulidad es fuerte. No puede verle ni puede sentirle. Entonces oiga esta palabra: las nubes no borran el sol. Sigue estando allí, aunque sus rayos estén cortados.
Así es con el Sol de justicia. Su ignorancia, su culpa y sus muchas tentaciones no le quitan del cielo de la gracia. ¿Y tiene usted todavía un suspiro, un clamor, un anhelo de conocerle, como Jonás en lo profundo todavía volvía a mirar hacia el santo templo? Entonces eso mismo es una señal de que no hay separación real. Aférrese, pues, a lo que Él ha prometido: el que comenzó en usted la buena obra, la perfeccionará. ¿Quién nos apartará del amor de Cristo?
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Wat moet ik doen, opdat ik zalig worde?
Wat moet ik doen, opdat ik zalig worde?
Handelingen 16:30
Ziet u eens naar de juwelen aan elke kant die de genade in de kroon van de Verlosser heeft gezet van de meest verdorven en ellendige materialen! Wie waren bijvoorbeeld die Efeziërs aan wie Paulus die prachtige brief heeft geschreven? De meest dwaze en bedwelmde afgodsdienaren, zo verzot op hun afgodsbeeld dat van Jupiter was neergevallen — hoogstwaarschijnlijk een meteoriet die uit de hemel was gevallen — dat ze twee uur lang tot vermoeiens toe uitriepen: „Groot is de Diana der Efezeren!” (Hand. 19:34); mannen verworden door elke begeerte, rijp voor elke denkbare misdaad.
Hoe rijk, hoe wonderbaarlijk is de genade die de aanbidders van Diana veranderde in aanbidders van de HEERE, onmenselijke schreeuwers in zangers, „zingende en psalmende de Heere in hun hart” (v. 19), en tovenaars, vol „ijdele kunsten” en satanische hekserij, in heiligen gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten! Welnu, kan dezelfde genade die zoveel voor hen heeft gedaan, soortgelijke dingen voor ons doen? Is de aard van de mens nu minder verachtelijk, of is de genade van Christus nu minder vol en onbeperkt? Heeft de tijd de mens uit de diepten van de zondeval opgeheven, de zonde met wortel en tak uit zijn gesteldheid getrokken, de melaatsheid van zijn natuur gereinigd, en haar tot heiligheid gezuiverd?
Haal het dunne laken van fatsoenlijk gedrag en beschaving van het lijk en zie het in heel zijn doodsbleke akeligheid liggen. De menselijke natuur is nog steeds wat zij altijd is geweest — dood door de misdaden en de zonden. Of heeft de tijd, die zovele dingen op aarde verandert, de dingen in de hemel veranderd? Is God niet dezelfde barmhartige Vader, Jezus dezelfde medelijdende Verlosser, de Heilige Geest dezelfde hemelse Leraar? Wordt het evangelie niet gevormd door dezelfde blijde boodschappen van verlossing, en is de kracht van het evangelie niet dezelfde voor een ieder die gelooft?
Waarom zouden wij dan niet worden gezegend met dezelfde geestelijke zegeningen als de heiligen van Efeze? Waarom kan dezelfde Jezus voor ons zijn wat Hij voor hen was — dezelfde Geest voor ons en in ons doen wat Hij voor en in hen heeft gedaan — en dezelfde genade ons verlossen en heiligen die hen heeft verlost en geheiligd? Hierin, en alleen hierin, ligt onze sterkte, onze hulp, onze hoop, ons alles.
Lezen: Hebreeën 13
Aan de lezer…
Denkt u weleens dat u te ver heen bent voor de genade? Zie dan naar de Efeziërs. Zij waren dwaze afgodsdienaars, verwilderd door elke begeerte, schreeuwers voor een stenen beeld, en toch maakte de genade hen tot heiligen, zingende en psalmende de Heere in hun hart. Is uw natuur erger dan de hunne? Zij is niet beter, maar ook niet buiten het bereik van dezelfde genade.
Want de tijd heeft veel veranderd op aarde, maar niets in de hemel. God is dezelfde barmhartige Vader, Jezus dezelfde medelijdende Verlosser, de Heilige Geest dezelfde hemelse Leraar. Wat Hij voor hen deed, kan Hij voor u doen. Haal dan het laken van uw eigen fatsoen weg en durf uzelf te zien zoals u bent; juist daar wil Christus uw sterkte, uw hulp, uw hoop en uw alles worden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Wat moet ik doen, opdat ik zalig worde?
Handelingen 16:30
Kijk eens naar de juwelen die de genade aan alle kanten in de kroon van de Verlosser heeft gezet, gemaakt van het meest verdorven en ellendige materiaal! Wie waren bijvoorbeeld die Efeziërs aan wie Paulus die prachtige brief heeft geschreven? Het waren de dwaaste en meest verblinde afgodendienaars. Ze waren zo verzot op hun afgodsbeeld dat van Jupiter was neergevallen — hoogstwaarschijnlijk een meteoriet die uit de hemel was gevallen — dat ze twee uur lang tot vermoeiens toe riepen: „Groot is de Diana der Efezeren!” (Hand. 19:34). Het waren mannen die door elke begeerte verdorven waren, rijp voor elke denkbare misdaad.
Hoe rijk, hoe wonderbaar is de genade die de aanbidders van Diana veranderde in aanbidders van de HEERE! Zij maakte van onmenselijke schreeuwers zangers, „zingende en psalmende de Heere in hun hart” (v. 19), en van tovenaars, vol „ijdele kunsten” en satanische hekserij, heiligen die gebouwd zijn op het fundament van de apostelen en profeten! Welnu, kan dezelfde genade die zoveel voor hen heeft gedaan, ook zulke dingen voor ons doen? Is de natuur van de mens nu minder verachtelijk, of is de genade van Christus nu minder vol en onbeperkt? Heeft de tijd de mens opgeheven uit de diepten van de zondeval, de zonde met wortel en tak uit zijn gesteldheid getrokken, de melaatsheid van zijn natuur gereinigd en haar tot heiligheid gezuiverd?
Haal het dunne laken van fatsoenlijk gedrag en beschaving van het lijk en zie het daar liggen in al zijn doodsbleke akeligheid. De menselijke natuur is nog steeds wat zij altijd is geweest: dood door de misdaden en de zonden. Of heeft de tijd, die zoveel dingen op aarde verandert, de dingen in de hemel veranderd? Is God niet dezelfde barmhartige Vader, Jezus dezelfde medelijdende Verlosser, de Heilige Geest dezelfde hemelse Leraar? Bestaat het evangelie niet uit dezelfde blijde boodschap van verlossing, en is de kracht van het evangelie niet dezelfde voor ieder die gelooft?
Waarom zouden wij dan niet gezegend worden met dezelfde geestelijke zegeningen als de heiligen van Efeze? Waarom kan dezelfde Jezus voor ons zijn wat Hij voor hen was, dezelfde Geest voor ons en in ons doen wat Hij voor hen en in hen heeft gedaan, en dezelfde genade die hen heeft verlost en geheiligd, ook ons verlossen en heiligen? Hierin, en alleen hierin, ligt onze sterkte, onze hulp, onze hoop, ons alles.
Lezen: Hebreeën 13
Aan de lezer…
Denkt u weleens dat u te ver heen bent voor de genade? Kijk dan naar de Efeziërs. Zij waren dwaze afgodendienaars, verwilderd door elke begeerte, schreeuwers voor een stenen beeld, en toch maakte de genade hen tot heiligen, zingende en psalmende de Heere in hun hart. Is uw natuur erger dan de hunne? Zij is niet beter, maar ook niet buiten het bereik van dezelfde genade.
Want de tijd heeft veel veranderd op aarde, maar niets in de hemel. God is dezelfde barmhartige Vader, Jezus dezelfde medelijdende Verlosser, de Heilige Geest dezelfde hemelse Leraar. Wat Hij voor hen deed, kan Hij voor u doen. Haal dan het laken van uw eigen fatsoen weg en durf uzelf te zien zoals u bent; juist daar wil Christus uw sterkte, uw hulp, uw hoop en uw alles worden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
What must I do to be saved?
Acts 16:30
Look at the jewels which grace has set on every side in the Redeemer’s crown, fashioned out of the vilest and most wretched materials! Who, for instance, were those Ephesians to whom Paul wrote that blessed epistle? They were the most foolish and blinded idolaters. They were so infatuated with their image which fell down from Jupiter, most probably a meteorite that had fallen from the sky, that for two hours they cried out till they were weary, “Great is Diana of the Ephesians!” (Acts 19:34). They were men corrupted by every lust, ripe for every conceivable crime.
How rich, how wonderful is the grace that changed the worshippers of Diana into worshippers of the LORD! It made inhuman brawlers into singers, “singing and making melody in their heart to the Lord” (verse 19), and turned sorcerers, full of “curious arts” and satanic witchcraft, into saints built upon the foundation of the apostles and prophets! Well then, can the same grace which did so much for them do such things for us also? Is the nature of man now less vile, or is the grace of Christ now less full and sovereign? Has time raised man out of the depths of the fall, plucked sin root and branch out of his constitution, cleansed the leprosy of his nature and purified it into holiness?
Draw aside the thin sheet of decent behaviour and refinement from the corpse, and see it lying there in all its ghastly hideousness. Human nature is still what it always has been: dead in trespasses and sins. Or has time, which changes so many things on earth, changed the things in heaven? Is not God the same merciful Father, Jesus the same compassionate Redeemer, the Holy Spirit the same heavenly Teacher? Is not the gospel made up of the same glad tidings of salvation, and is not the power of the gospel the same to every one that believeth?
Why then should not we be blessed with the same spiritual blessings as the saints at Ephesus? Why may not the same Jesus be to us what He was to them, the same Spirit do for us and in us what He did for them and in them, and the same grace which saved and sanctified them save and sanctify us also? In this, and in this alone, lies our strength, our help, our hope, our all.
Reading: Hebrews 13
To the reader…
Do you sometimes think that you are too far gone for grace? Then look at the Ephesians. They were foolish idolaters, run wild with every lust, shouting for an image of stone, and yet grace made them saints, singing and making melody in their heart to the Lord. Is your nature worse than theirs? It is no better, but neither is it beyond the reach of the same grace.
For time has changed much on earth, but nothing in heaven. God is the same merciful Father, Jesus the same compassionate Redeemer, the Holy Spirit the same heavenly Teacher. What He did for them, He can do for you. So draw aside the sheet of your own respectability and dare to see yourself as you are; it is just there that Christ will become your strength, your help, your hope and your all.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
¿Qué es menester que yo haga para ser salvo?
Hechos 16:30
¡Mire las joyas que la gracia ha engastado por todos lados en la corona del Redentor, labradas de los materiales más viles y miserables! ¿Quiénes eran, por ejemplo, aquellos efesios a quienes Pablo escribió esa bendita epístola? Eran los idólatras más necios y ciegos. Estaban tan obsesionados con su imagen venida de Júpiter, muy probablemente un meteorito caído del cielo, que durante dos horas gritaron hasta cansarse: “¡Grande es Diana de los Efesios!” (Hechos 19:34). Eran hombres corrompidos por toda concupiscencia, maduros para todo crimen imaginable.
¡Cuán rica, cuán maravillosa es la gracia que convirtió a los adoradores de Diana en adoradores de Jehová! Hizo de pendencieros inhumanos cantores, “cantando y alabando al Señor en vuestros corazones” (versículo 19), ¡y convirtió a hechiceros, llenos de “vanas artes” y de brujería satánica, en santos edificados sobre el fundamento de los apóstoles y profetas! Pues bien, ¿puede la misma gracia que hizo tanto por ellos hacer tales cosas también por nosotros? ¿Es ahora la naturaleza del hombre menos vil, o es ahora la gracia de Cristo menos plena y soberana? ¿Ha levantado el tiempo al hombre de las profundidades de la caída, arrancado el pecado de raíz y rama de su constitución, limpiado la lepra de su naturaleza y purificado esta en santidad?
Retire la delgada sábana de la conducta decente y del refinamiento que cubre el cadáver, y véalo allí tendido en toda su horrible fealdad. La naturaleza humana sigue siendo lo que siempre ha sido: muerta en delitos y pecados. ¿O acaso el tiempo, que cambia tantas cosas en la tierra, ha cambiado las cosas del cielo? ¿No es Dios el mismo Padre misericordioso, Jesús el mismo Redentor compasivo, el Espíritu Santo el mismo Maestro celestial? ¿No consiste el evangelio en las mismas buenas nuevas de salvación, y no es el poder del evangelio el mismo para todo aquel que cree?
¿Por qué, pues, no habríamos de ser bendecidos con las mismas bendiciones espirituales que los santos de Éfeso? ¿Por qué no puede el mismo Jesús ser para nosotros lo que fue para ellos, el mismo Espíritu hacer por nosotros y en nosotros lo que hizo por ellos y en ellos, y la misma gracia que los salvó y santificó salvarnos y santificarnos también a nosotros? En esto, y solo en esto, está nuestra fuerza, nuestra ayuda, nuestra esperanza, nuestro todo.
Lectura: Hebreos 13
Al lector…
¿Piensa usted a veces que está demasiado perdido para la gracia? Entonces mire a los efesios. Eran idólatras necios, desenfrenados en toda concupiscencia, que gritaban por una imagen de piedra, y sin embargo la gracia los hizo santos, que cantaban y alababan al Señor en sus corazones. ¿Es su naturaleza peor que la de ellos? No es mejor, pero tampoco está fuera del alcance de la misma gracia.
Porque el tiempo ha cambiado mucho en la tierra, pero nada en el cielo. Dios es el mismo Padre misericordioso, Jesús el mismo Redentor compasivo, el Espíritu Santo el mismo Maestro celestial. Lo que hizo por ellos, puede hacerlo por usted. Retire, pues, la sábana de su propia respetabilidad y atrévase a verse tal como es; precisamente allí Cristo llegará a ser su fuerza, su ayuda, su esperanza y su todo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt.
Mattheüs 26:41
Het komen in de verzoeking is onderscheiden van de verzoeking zelf. „Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt.” Een verzoeking presenteert zichzelf, komt tot ons en wij komen tot de verzoeking. Indien de consciëntie een alarm doet horen, zo te zeggen de loefzijde van de verzoeking houdt, dan zijn wij voor het tegenwoordige veilig. De verzoeking is de lager wal, waarop de wind hevig blaast; het is een kuststrook met duizend wrakken en overspoeld met de dorre beenderen van ontelbare verdronken zeelieden. Houdt de voorsteven van het schip op de wind en het zal de omstandigheden trotseren. Veronachtzaamt het zeil en het roer, en het schip zal stranden.
David en Jozef werden aan een bijzondere verzoeking blootgesteld. David weerstond ze niet en viel; Jozef hoedde zich ervoor en bleef staande. In het land ziet ge dikwijls een voetpad, dat het pad kruist, en als wij in dit voetpad blijven, gaan wij veilig. Maar wij kunnen door verschillende dingen verzocht worden een weinig daarvan af te wijken, om bijvoorbeeld een bloem te plukken of ons gemak te zoeken aan de oever der rivier of een kort uitstapje te doen in het veld. Nu, terwijl wij op het voetpad zijn, moge de verzoeking zeer nabij zijn, maar wij zijn er nog niet op ingegaan of hebben erin toegestemd; wij wandelen om zo te zeggen wel op het kantje, doch hebben haar grondgebied nog niet betreden.
Weinigen zijn er, zo er inderdaad enigen zijn, die de verzoeking gehoor geven en er niet door gevallen zijn. De vliegende insecten rondom het spinnenweb zijn, wanneer zij het aanraken, gevangen. De vogel, die vliegt rond de strik van de vogelvanger om van het aas te bijten, moet in de strik geraken. De rondom de kaars fladderende mot moet in aanraking komen met de vlam en brandt haar vleugels. De woorden des Heeren waren niet: waakt en bidt tegen de verzoeking, maar: „opdat gij niet in verzoeking komt.” Weinigen komen uit de verzoeking zoals zij erin gekomen zijn.
Hoe duidelijk beschrijft de apostel Jacobus het onderscheid tussen het verdragen van de verzoeking en het vallen in de verzoeking. Hij zegt niet: „Welzalig is de man, die vrij is van de verzoeking,” maar „die de verzoeking verdraagt.” Welgelukzalig is de man, die op het voetpad gehouden wordt, die ziet de verzoeking aan alle zijden, maar verdraagt ze en wordt niet van het pad afgetrokken, want als hij beproefd zal geweest zijn, zal hij de kroon des levens ontvangen. Hij heeft de goede strijd gestreden, de strijd gewonnen en zal de kroon ontvangen.
Maar hij voegt eraan toe: „Niemand, als hij verzocht wordt, zegge: Ik word van God verzocht.” Hij moet niet zeggen, dat de Heere hem de verzoeking voorstelt en dat derhalve Hij de schuld is wanneer hij valt. Neen, zegt Jacobus, laat deze gedachte verre van u zijn. God kan niet verzocht worden van het kwade en Hij Zelf verzoekt niemand. Maar een iegelijk wordt verzocht als hij van zijn eigen begeerlijkheden afgetrokken en verlokt wordt.
Er is in de verzoeking geen zonde, want de Heere Jezus was ook verzocht in alles, gelijk wij, en zonder zonde. Ook is er in de begeerte geen dadelijke uitoefening van de zonde, maar een bespiegelende zonde. Doch wanneer deze twee elkander ontmoeten, elkaar omhelzen en de wil toestemt in deze vereniging, en de stem van God en de consciëntie het zwijgen wordt opgelegd, dan wordt de zonde in de dadelijkheid voortgebracht. En daarop volgt de vreselijke en treurige vrucht. De zonde voleindigd zijnde, baart de dood, dat is, zo ik het begrijp, de dood in de consciëntie, schuld, veroordeling, ellende en uitblussing van alle vruchten en genaden van de gezegende Geest.
Aan de lezer…
Misschien staat u vandaag dicht bij die lager wal, waar al zovele schepen gestrand zijn. De verzoeking lokt u een weinig van het voetpad af, om een bloem te plukken of uw gemak te zoeken, en het schijnt zo onschuldig. Waarde lezer, let op de stem van uw consciëntie wanneer zij alarm slaat. De Heere zegt niet tevergeefs: „Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt.” De mot die om de kaars fladdert, verbrandt haar vleugels; weinigen komen uit de verzoeking zoals zij erin gingen.
Wordt u nu bestreden, schaam u niet over de strijd zelf, want er is in de verzoeking geen zonde: ook de Heere Jezus werd verzocht in alles, gelijk wij, doch zonder zonde. En geef God niet de schuld; uw eigen begeerlijkheid trekt u af. Houd dan de voorsteven op de wind, en roep tot Hem Die u op het pad kan houden. Welgelukzalig is de man die de verzoeking verdraagt; hem is de kroon des levens beloofd.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt.
Mattheüs 26:41
In verzoeking komen is iets anders dan de verzoeking zelf. „Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt.” Een verzoeking dient zich aan, komt naar ons toe, en wij komen bij de verzoeking. Als het geweten alarm slaat en als het ware aan de loefzijde van de verzoeking blijft, dan zijn wij voorlopig veilig. De verzoeking is de lagerwal waarop de wind hevig staat; het is een kuststrook vol met duizend wrakken, bezaaid met de dorre beenderen van talloze verdronken zeelieden. Houd de boeg van het schip op de wind, en het zal het weer trotseren. Verwaarloos zeil en roer, en het schip zal stranden.
David en Jozef werden aan een bijzondere verzoeking blootgesteld. David weerstond haar niet en viel; Jozef wachtte zich ervoor en bleef staande. Op het land ziet u vaak een voetpad dat de weg kruist, en zolang wij op dat voetpad blijven, gaan wij veilig. Maar wij kunnen door allerlei dingen verleid worden er een beetje van af te wijken, bijvoorbeeld om een bloem te plukken, om aan de oever van de rivier wat rust te zoeken of om een kort uitstapje in het veld te maken. Zolang wij op het voetpad zijn, kan de verzoeking heel dichtbij zijn, maar wij zijn er nog niet op ingegaan en hebben er nog niet in toegestemd. Wij lopen als het ware wel op het randje, maar hebben haar gebied nog niet betreden.
Er zijn er maar weinig, als er al zijn, die aan de verzoeking gehoor geven en er niet door gevallen zijn. Vliegende insecten rond een spinnenweb zijn gevangen zodra zij het aanraken. De vogel die rond de strik van de vogelvanger vliegt om van het aas te pikken, moet wel in de strik terechtkomen. De mot die rond de kaars fladdert, moet wel met de vlam in aanraking komen en verbrandt haar vleugels. De woorden van de Heere waren niet: waakt en bidt tegen de verzoeking, maar: „opdat gij niet in verzoeking komt.” Weinigen komen uit de verzoeking zoals zij erin gekomen zijn.
Hoe duidelijk beschrijft de apostel Jakobus het verschil tussen het verdragen van de verzoeking en het vallen in de verzoeking! Hij zegt niet: „Welzalig is de man, die vrij is van de verzoeking,” maar „die de verzoeking verdraagt.” Welgelukzalig is de man die op het voetpad gehouden wordt, die de verzoeking aan alle kanten ziet, maar haar verdraagt en niet van het pad wordt afgetrokken; want als hij beproefd zal zijn geweest, zal hij de kroon des levens ontvangen. Hij heeft de goede strijd gestreden, de strijd gewonnen, en zal de kroon ontvangen.
Maar hij voegt eraan toe: „Niemand, als hij verzocht wordt, zegge: Ik word van God verzocht.” Hij moet niet zeggen dat de Heere hem de verzoeking voorlegt en dat Hij dus de schuld heeft als hij valt. Nee, zegt Jakobus, laat die gedachte ver van u zijn. God kan niet verzocht worden door het kwade, en Hij Zelf verzoekt niemand. Maar ieder wordt verzocht wanneer hij door zijn eigen begeerten wordt meegetrokken en verlokt.
In de verzoeking zelf is geen zonde, want de Heere Jezus is ook in alles verzocht geweest zoals wij, maar zonder zonde. Ook is er in de begeerte nog geen daadwerkelijke uitoefening van de zonde, maar een zonde in gedachten. Maar wanneer die twee elkaar ontmoeten en omhelzen, de wil instemt met die vereniging en de stem van God en van het geweten tot zwijgen wordt gebracht, dan wordt de zonde daadwerkelijk voortgebracht. En daarop volgt de vreselijke en treurige vrucht. De zonde, voleindigd zijnde, baart de dood; dat is, als ik het goed begrijp, de dood in het geweten: schuld, veroordeling, ellende, en het uitdoven van alle vruchten en genadegaven van de gezegende Geest.
Aan de lezer…
Misschien staat u vandaag dicht bij die lagerwal, waar al zoveel schepen gestrand zijn. De verzoeking lokt u een beetje van het voetpad af, om een bloem te plukken of wat rust te zoeken, en het lijkt zo onschuldig. Let dan op de stem van uw geweten wanneer het alarm slaat. De Heere zegt niet voor niets: „Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt.” De mot die om de kaars fladdert, verbrandt haar vleugels; weinigen komen uit de verzoeking zoals zij erin gingen.
Wordt u nu bestreden? Schaam u dan niet over de strijd zelf, want in de verzoeking is geen zonde: ook de Heere Jezus werd in alles verzocht zoals wij, maar zonder zonde. En geef God niet de schuld; het is uw eigen begeerte die u meetrekt. Houd dan de boeg op de wind, en roep tot Hem Die u op het pad kan houden. Welgelukzalig is de man die de verzoeking verdraagt; hem is de kroon des levens beloofd.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Watch and pray, that ye enter not into temptation.
Matthew 26:41
The entering into temptation is a different thing from temptation itself. “Watch and pray, that you enter not into temptation.” A temptation presents itself, draws near to us, or we draw near to it. If conscience sounds an alarm, and we keep, so to speak, to the windward of temptation, we are for the present safe. Temptation is a lee shore on which the wind fiercely blows; it is a coast strewed with a thousand wrecks, and with the bleached bones of innumerable drowned mariners. Keep the ship’s head to windward, and she may weather the point; neglect sail and helm, and she will go ashore.
David and Joseph were exposed to a similar temptation. David entered into it, and fell; Joseph was kept from entering into it, and stood. In the country you often see a footpath across a field; if we keep in it we are safe. But we may be tempted by various objects to diverge a little, to gather a flower, or saunter upon the banks of the river, or make a shortcut across the fields. While we are in the footpath, temptation may be very near, but we have not yet entered into it; we are upon the borders of it, but we have not yet entered into its territory.
Few, if any, enter into temptation without falling by it. The FLY hovers round the spider’s web; to touch it is to enter into it. The BIRD flies around the fowler’s snare; to peck at the bait is to enter the trap. The MOTH flutters round the candle; to enter the flame is to burn its wings.
The Lord’s words were not, “watch and pray against temptation,” but “that you enter not into temptation.” Few come out of temptation as they entered into it. How clearly James has described the difference between enduring temptation and falling by temptation. He does not say, “Blessed is the man who is free from temptation,” but “who endures temptation.” Blessed is the man who is kept in the footpath, who sees temptation on every side, but endures it, is not drawn out of the path by it, for “when he is tried, he shall receive a crown of life.” He has fought the good fight, won the battle, and shall receive the crown.
But he adds, “Let no man say when he is tempted, I am tempted by God.” He must not say that the Lord presents temptation to him, and is therefore chargeable with it if he falls. “No,” says James, “let that thought be abhorred. God cannot be tempted with evil, neither tempts He any man. But every man is tempted when he is drawn away of his own lust and enticed.” There is no sin in temptation, for the Lord Jesus was “tempted in all points like as we are, yet without sin.” Nor in lust is there practical, though there is speculative sin. It is when the two meet and embrace, and the will consents to the union, silencing the voice of God and conscience, that sin is produced.
And thirdly, follows the fearful and fatal fruit, “Sin, when it is finished, brings forth death;” that is, as I understand it, death in the conscience, guilt, condemnation, and misery, and the deadening of all the fruits and graces of the blessed Spirit.
To the reader…
Perhaps today you stand close to that lee shore where so many ships have been wrecked. Temptation lures you a little way off the footpath, to gather a flower or to seek some rest, and it seems so harmless. Then heed the voice of your conscience when it sounds the alarm. The Lord does not say in vain: “Watch and pray, that ye enter not into temptation.” The moth that flutters round the candle burns its wings; few come out of temptation as they went into it.
Are you being assailed now? Then do not be ashamed of the struggle itself, for there is no sin in temptation: the Lord Jesus too was tempted in all points like as we are, yet without sin. And do not lay the blame on God; it is your own lust that draws you away. Keep the bow to the wind, then, and cry to Him Who is able to keep you on the path. Blessed is the man that endureth temptation; to him the crown of life is promised.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Velad y orad, para que no entréis en tentación.
Mateo 26:41
Entrar en la tentación es cosa distinta de la tentación misma. “Velad y orad, para que no entréis en tentación.” Una tentación se presenta, se acerca a nosotros, o nosotros nos acercamos a ella. Si la conciencia da la alarma y nos mantenemos, por así decirlo, a barlovento de la tentación, por el momento estamos a salvo. La tentación es una costa de sotavento contra la cual sopla el viento con furia; es una costa sembrada de mil naufragios y de los huesos blanqueados de innumerables marineros ahogados. Mantenga la proa del barco al viento, y podrá doblar el cabo; descuide la vela y el timón, y encallará.
David y José estuvieron expuestos a una tentación semejante. David entró en ella y cayó; José fue guardado de entrar en ella y permaneció en pie. En el campo se ve a menudo un sendero que atraviesa un prado; si nos mantenemos en él, estamos a salvo. Pero diversos objetos pueden tentarnos a apartarnos un poco: a recoger una flor, a pasear por la orilla del río o a tomar un atajo por los campos. Mientras estamos en el sendero, la tentación puede estar muy cerca, pero todavía no hemos entrado en ella; estamos en sus límites, pero aún no hemos entrado en su territorio.
Pocos, si es que alguno, entran en la tentación sin caer por ella. La MOSCA revolotea alrededor de la tela de la araña; tocarla es entrar en ella. El PÁJARO vuela alrededor del lazo del cazador; picar el cebo es entrar en la trampa. La POLILLA revolotea alrededor de la vela; entrar en la llama es quemarse las alas.
Las palabras del Señor no fueron: “Velad y orad contra la tentación”, sino “para que no entréis en tentación”. Pocos salen de la tentación tal como entraron en ella. ¡Con qué claridad ha descrito Santiago la diferencia entre sufrir la tentación y caer por la tentación! No dice: “Bienaventurado el varón que está libre de tentación”, sino “que sufre la tentación”. Bienaventurado el hombre que es guardado en el sendero, que ve la tentación por todos lados, pero la sufre y no es apartado del camino por ella; porque “cuando fuere probado, recibirá la corona de vida”. Ha peleado la buena batalla, ha ganado la lucha y recibirá la corona.
Pero añade: “Cuando alguno es tentado, no diga que es tentado de Dios”. No debe decir que el Señor le presenta la tentación y que, por tanto, es culpable de ella si cae. “No”, dice Santiago, “aborrézcase tal pensamiento. Dios no puede ser tentado de los malos, ni Él tienta a alguno; mas cada uno es tentado, cuando de su propia concupiscencia es atraído y cebado.” No hay pecado en la tentación, porque el Señor Jesús fue “tentado en todo según nuestra semejanza, pero sin pecado”. Ni en la concupiscencia hay pecado práctico, aunque sí lo hay especulativo. Es cuando ambas se encuentran y se abrazan, y la voluntad consiente en la unión, acallando la voz de Dios y de la conciencia, cuando se produce el pecado.
Y en tercer lugar sigue el fruto terrible y fatal: “El pecado, siendo cumplido, engendra muerte”; es decir, según yo lo entiendo, muerte en la conciencia, culpa, condenación y miseria, y el amortecimiento de todos los frutos y gracias del bendito Espíritu.
Al lector…
Quizá hoy se encuentre usted cerca de esa costa de sotavento donde tantos barcos han naufragado. La tentación le atrae a apartarse un poco del sendero, a recoger una flor o a buscar algo de descanso, y parece tan inofensiva. Atienda entonces a la voz de su conciencia cuando da la alarma. No en vano dice el Señor: “Velad y orad, para que no entréis en tentación”. La polilla que revolotea alrededor de la vela se quema las alas; pocos salen de la tentación tal como entraron en ella.
¿Está usted siendo asaltado ahora? No se avergüence entonces de la lucha misma, porque no hay pecado en la tentación: también el Señor Jesús fue tentado en todo según nuestra semejanza, pero sin pecado. Y no eche la culpa a Dios; es su propia concupiscencia la que le atrae. Mantenga, pues, la proa al viento y clame a Aquel que puede guardarle en el camino. Bienaventurado el varón que sufre la tentación; a él se le ha prometido la corona de vida.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl