6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
13 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
En de armen wordt het Evangelie verkondigd.
Mattheus 11:5
Wat is het Evangelie? Is het Evangelie geen afkondiging van zuivere barmhartigheid, van overvloedige genade? Verklaart het niet de liefde Gods in de zending van de eengeboren Zoon om te lijden en te sterven, en door Zijn gehoorzaamheid, Zijn bloed en verdienste een behoudenis aan te brengen, zonder geld en zonder prijs? Is dit niet het Evangelie? Niet bemoeilijkt door voorwaarden, noch verlamd door iets dat het schepsel doen moet, maar vrij daarheen vloeiende als de lucht in de dampkring.
De armen aan wie het Evangelie verkondigd wordt, is het dierbaar; het is juist voor hen geschikt; het is lieflijk en kostbaar wanneer het hart is neergedrukt. Maar als ik mij verhef in geestelijke trots, als ik steun op mijn eigengerechtigheid, als ik niet ontdaan ben van alles in het schepsel, wat is dan het Evangelie voor mij? Ik heb geen hart om het te ontvangen; er is geen plaats in mijn ziel voor een Evangelie zonder geld en zonder prijs. Maar als ik zink in de diepte van de armoede van het schepsel, wanneer ik niets ben en niets heb dan een massa zonde en schuld, dan wordt het Evangelie, dat mijn zonde vergeeft, mijn naakte ziel bedekt, de liefde Gods verspreidt, mij in al wat goed is leidt, en mij opvoert tot de vreugde met een Drieënig God — dan, zeg ik, wordt het Evangelie kostbaar.
Als zulk een zuiver, zaligend Evangelie in mijn hart en geweten komt, heeft dan mijn voorafgaande armoede des geestes mij daartoe niet voorbereid? Heeft mijn vroeger bedelen het niet een weg gebaand, het mij aannemelijk en, als het komt, het mij kostbaar gemaakt? Wij moeten dus arm van geest worden om de kostelijkheid te gevoelen en te drinken van de lieflijkheid en zaligheid van het Evangelie van Gods genade.
Heer, ik voel mijn krachten wijken
en bezwijken.
Haast U tot mijn hulp en red,
red mij, Schutsheer, God der góden,
troost in noden,
grote Hoorder van ’t gebed!
Ps. 38:22
Aan de lezer…
Soms zinkt u in de diepte, en hebt u niets dan een massa zonde en schuld. Voelt u uw krachten wijken, en schaamt u zich dat u met lege handen staat? Dan is dit woord u geen bedreiging, maar een blijde boodschap: de armen wordt het Evangelie verkondigd. Het is juist voor zulken geschikt, niet bemoeilijkt door voorwaarden, maar vrij als de lucht.
Uw armoede des geestes is niet tevergeefs. Al uw bedelen baant het Evangelie een weg, en maakt het u aannemelijk en kostbaar wanneer het komt. Het vergeeft de zonde, bedekt de naakte ziel en verspreidt de liefde Gods in het hart, zonder geld en zonder prijs. Wie zich verheft, heeft geen plaats voor zulk een genade; maar wie niets is en niets heeft, mag haar ontvangen. Roep dan tot de grote Hoorder van het gebed.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En de armen wordt het Evangelie verkondigd.
Mattheus 11:5
Wat is het Evangelie? Is het Evangelie niet de afkondiging van louter barmhartigheid, van overvloedige genade? Maakt het niet de liefde van God bekend in het zenden van Zijn eniggeboren Zoon, om te lijden en te sterven en door Zijn gehoorzaamheid, Zijn bloed en Zijn verdienste een behoudenis tot stand te brengen, zonder geld en zonder prijs? Is dat niet het Evangelie? Het wordt niet bemoeilijkt door voorwaarden en niet verlamd door iets wat het schepsel moet doen, maar het stroomt vrij, zoals de lucht in de dampkring.
Voor de armen aan wie het Evangelie verkondigd wordt, is het dierbaar. Het is juist voor hen bestemd; het is lieflijk en kostbaar wanneer het hart neergedrukt is. Maar als ik mij verhef in geestelijke trots, als ik steun op mijn eigengerechtigheid, als ik niet ontdaan ben van alles wat van het schepsel is, wat is het Evangelie dan voor mij? Dan heb ik geen hart om het te ontvangen; dan is er in mijn ziel geen plaats voor een Evangelie zonder geld en zonder prijs. Maar wanneer ik wegzink in de diepte van de armoede van het schepsel, wanneer ik niets ben en niets heb dan een massa zonde en schuld, dan wordt het Evangelie dat mijn zonde vergeeft, mijn naakte ziel bedekt, de liefde van God uitstort, mij leidt in alles wat goed is en mij omhoogvoert tot de vreugde bij een Drie-enig God, dan, zeg ik, wordt het Evangelie kostbaar.
Wanneer zo’n zuiver, zaligmakend Evangelie in mijn hart en geweten komt, heeft mijn voorafgaande armoede van geest mij daar dan niet op voorbereid? Heeft mijn bedelen van vroeger er niet de weg voor gebaand, en het mij aannemelijk en, als het komt, kostbaar gemaakt? We moeten dus arm van geest worden om de kostbaarheid van het Evangelie van Gods genade te voelen en om te drinken van de lieflijkheid en zaligheid ervan.
Heer, ik voel mijn krachten wijken
en bezwijken.
Haast U tot mijn hulp en red,
red mij, Schutsheer, God der góden,
troost in noden,
grote Hoorder van ’t gebed!
Ps. 38:22
Aan de lezer…
Soms zinkt u weg in de diepte, en hebt u niets dan een massa zonde en schuld. Voelt u uw krachten wijken, en schaamt u zich dat u met lege handen staat? Dan is dit woord voor u geen bedreiging, maar een blijde boodschap: de armen wordt het Evangelie verkondigd. Het is juist voor zulke mensen bestemd, niet bemoeilijkt door voorwaarden, maar vrij als de lucht.
Uw armoede van geest is niet tevergeefs. Al uw bedelen baant het Evangelie een weg, en maakt het voor u aannemelijk en kostbaar wanneer het komt. Het vergeeft de zonde, bedekt de naakte ziel en stort de liefde van God uit in het hart, zonder geld en zonder prijs. Wie zich verheft, heeft geen plaats voor zo’n genade; maar wie niets is en niets heeft, mag haar ontvangen. Roep dan tot de grote Hoorder van het gebed.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
The poor have the gospel preached to them.
Matthew 11:5
What is the gospel? Is not the gospel a proclamation of pure mercy, of super-abounding grace? Does it not declare the loving-kindness of God in sending His only-begotten Son to bleed and die, and, by His obedience, blood, and merit, to bring in a salvation without money and without price? Is not this the gospel? Not clogged by conditions, nor crippled by anything that the creature has to perform; but flowing freely forth as the air in the skies?
The poor to whom the gospel is preached, value it; it is suitable to them; it is sweet and precious when the heart is brought down. But if I stand up in religious pride, if I rest upon my own righteousness, if I am not stripped of everything in the creature, what is the gospel to me? I have no heart to receive it; there is no place in my soul for a gospel without money and without price.
But when I sink into the depth of creature poverty, when I am nothing and have nothing but a mass of sin and guilt, then the blessed gospel, pardoning my sins, covering my naked soul, shedding abroad the love of God, guiding me into everything good, and leading me up into enjoyment with a Three-One God, becomes prized. When such a pure, such a blessed gospel comes into my heart and conscience, has not my previous poverty of spirit prepared me for it? Has not my previous beggary and necessity made a way for it, made it suitable to me, and when it comes, makes it precious to me? We must, then, sink into poverty of spirit, that painful place, in order to feel the preciousness, and drink into the sweetness and blessedness of the gospel of the grace of God.
To the reader…
Sometimes you sink into the depths, and you have nothing but a mass of sin and guilt. Do you feel your strength giving way, and are you ashamed to stand there with empty hands? Then this word is not a threat to you, but glad tidings: the poor have the gospel preached to them. It is meant precisely for such people, not clogged by conditions, but free as the air.
Your poverty of spirit is not in vain. All your begging makes a way for the gospel, and makes it suitable and precious to you when it comes. It pardons sin, covers the naked soul and sheds abroad the love of God in the heart, without money and without price. Whoever exalts himself has no room for such grace; but whoever is nothing and has nothing may receive it. Cry, then, to the great Hearer of prayer.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
A los pobres es anunciado el evangelio.
Mateo 11:5
¿Qué es el evangelio? ¿No es el evangelio una proclamación de pura misericordia, de gracia sobreabundante? ¿No declara la misericordia amorosa de Dios al enviar a Su Hijo unigénito a sangrar y morir, y a traer, por Su obediencia, Su sangre y Su mérito, una salvación sin dinero y sin precio? ¿No es esto el evangelio? ¿No entorpecido por condiciones, ni mutilado por cosa alguna que la criatura haya de cumplir, sino fluyendo libremente como el aire en los cielos?
Los pobres a quienes se anuncia el evangelio lo aprecian; les es adecuado; es dulce y precioso cuando el corazón ha sido abatido. Pero si me levanto en orgullo religioso, si descanso en mi propia justicia, si no he sido despojado de todo lo que es de la criatura, ¿qué es para mí el evangelio? No tengo corazón para recibirlo; no hay lugar en mi alma para un evangelio sin dinero y sin precio.
Pero cuando me hundo en lo profundo de la pobreza de la criatura, cuando no soy nada y no tengo nada sino una masa de pecado y culpa, entonces el bendito evangelio, que perdona mis pecados, cubre mi alma desnuda, derrama el amor de Dios, me guía a todo lo bueno y me conduce al gozo de un Dios Trino, llega a ser estimado. Cuando un evangelio tan puro, tan bendito, entra en mi corazón y en mi conciencia, ¿no me ha preparado para él mi anterior pobreza de espíritu? ¿No le ha abierto camino mi anterior mendicidad y necesidad, no me lo ha hecho adecuado, y, cuando llega, no me lo hace precioso? Debemos, pues, hundirnos en la pobreza de espíritu, ese lugar doloroso, para sentir lo precioso del evangelio de la gracia de Dios y beber de su dulzura y bienaventuranza.
Al lector…
A veces usted se hunde en lo profundo y no tiene nada sino una masa de pecado y culpa. ¿Siente que sus fuerzas le abandonan, y se avergüenza de estar ahí con las manos vacías? Entonces esta palabra no es para usted una amenaza, sino buenas nuevas: a los pobres es anunciado el evangelio. Está destinado precisamente a personas así, no entorpecido por condiciones, sino libre como el aire.
Su pobreza de espíritu no es en vano. Toda su mendicidad abre camino al evangelio, y se lo hace adecuado y precioso cuando llega. Perdona el pecado, cubre el alma desnuda y derrama el amor de Dios en el corazón, sin dinero y sin precio. Quien se ensalza a sí mismo no tiene lugar para tal gracia; pero quien no es nada y no tiene nada puede recibirla. Clame, pues, al gran Oidor de la oración.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Bevinding
In Uw licht zien wij het licht.
Psalm 36:10
Dat licht de werkzaamheden van de gezegende Geest aan de ziel vergezelt, blijkt zowel uit de Heilige Schrift als uit ervaring: „De opening Uwer woorden geeft licht” (Ps. 119:130). Daarom werd Paulus naar de heidenen gestuurd om hen te bekeren van de duisternis tot het licht (Hand. 26:18). Dezelfde apostel zegt tot de gelovigen van Efeze: „Gij waart eertijds duisternis, maar nu zijt gij licht in de Heere” (Ef. 5:8). Hoe zouden we anders het koninkrijk Gods kunnen zien, wat naar verluidt gebeurt als we opnieuw worden geboren (Joh. 3:3)? Of hoe zouden anders aan de ziel eeuwige of goddelijke zaken kunnen worden geopenbaard, zoals de apostel zegt: „Maar al deze dingen, van het licht bestraft zijnde, worden openbaar; want al wat openbaar maakt, is licht” (Ef. 5:13)?
Lezen we niet tevens: „Want bij U is de fontein des levens”? Dit is de bron van alle goddelijk leven. Maar er wordt aan toegevoegd: „In Uw licht zien wij het licht” (v. 10). Dus gaan het licht en het leven altijd samen, en zijn beslist de noodzakelijke en onveranderlijke gevolgen van de tot nieuw leven wekkende genade in de vaten der barmhartigheid (Rom. 9:23). Door het licht zien we; door het leven ervaren we.
De verlichtende stralen van de Geest doen Gods Woord oplichten, dat nu „een lamp voor de voet, en een licht voor het pad” wordt (Ps. 119:105). En wat dat licht openbaart, gelooft het hart, want de kracht van God waarmee het aanwenden van het Woord gepaard gaat, wekt het vertrouwen op in de ziel om Gods getuigenis te geloven. Als het Woord dan tot „geest en leven” voor de ziel is gemaakt (Joh. 6:63), worden de plechtige dingen die de gezegende Geest ermee tot geloof openbaart, vaste feiten, die haar diepste innerlijke wezen aangrijpen en in bezit nemen.
Lezen: Psalm 36
Aan de lezer…
Het kan zijn dat het donker is in uw ziel, en dat u de dingen van God niet kunt zien zoals u zou wensen. U was eertijds duisternis; misschien voelt u die duisternis nog maar al te goed. Weet dan dat het licht niet uit uzelf moet opgaan. „In Uw licht zien wij het licht”: zo spreekt de Schrift, en zo leert de ervaring. Waar de gezegende Geest werkt, daar gaan licht en leven samen.
Vraag Hem dan dat Hij Zijn Woord voor u doet oplichten, zodat het een lamp voor uw voet en een licht voor uw pad wordt. Wat dat licht openbaart, zal het hart geloven, want het gaat met de kracht van God gepaard. En wanneer het Woord u tot geest en leven gemaakt wordt, zullen de dingen die u nu nauwelijks durft hopen, vaste feiten worden, die uw diepste innerlijke wezen aangrijpen. Bij Hem is de fontein des levens.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
In Uw licht zien wij het licht.
Psalm 36:10
Dat de werkzaamheden van de gezegende Geest aan de ziel met licht gepaard gaan, blijkt zowel uit de Heilige Schrift als uit de ervaring: „De opening Uwer woorden geeft licht” (Ps. 119:130). Daarom werd Paulus naar de heidenen gezonden om hen te bekeren van de duisternis tot het licht (Hand. 26:18). Dezelfde apostel zegt tegen de gelovigen in Efeze: „Gij waart eertijds duisternis, maar nu zijt gij licht in de Heere” (Ef. 5:8). Hoe zouden we anders het Koninkrijk van God kunnen zien, wat volgens de Schrift gebeurt wanneer we wederom geboren worden (Joh. 3:3)? En hoe zouden anders eeuwige of goddelijke zaken aan de ziel geopenbaard kunnen worden? De apostel zegt immers: „Maar al deze dingen, van het licht bestraft zijnde, worden openbaar; want al wat openbaar maakt, is licht” (Ef. 5:13).
Lezen we ook niet: „Want bij U is de fontein des levens”? Dat is de bron van alle goddelijk leven. Maar er wordt aan toegevoegd: „In Uw licht zien wij het licht” (v. 10). Licht en leven gaan dus altijd samen. Zij zijn beslist de noodzakelijke en onveranderlijke gevolgen van de levendmakende genade in de vaten der barmhartigheid (Rom. 9:23). Door het licht zien we; door het leven ervaren we.
De verlichtende stralen van de Geest doen Gods Woord oplichten, dat nu „een lamp voor de voet, en een licht voor het pad” wordt (Ps. 119:105). En wat dat licht openbaart, gelooft het hart. Want de kracht van God, waarmee de toepassing van het Woord gepaard gaat, wekt in de ziel het vertrouwen op om Gods getuigenis te geloven. Wanneer het Woord dan voor de ziel tot „geest en leven” gemaakt is (Joh. 6:63), worden de plechtige dingen die de gezegende Geest daardoor aan het geloof openbaart, vaste feiten. Die grijpen haar diepste innerlijke wezen aan en nemen het in bezit.
Lezen: Psalm 36
Aan de lezer…
Het kan zijn dat het donker is in uw ziel, en dat u de dingen van God niet kunt zien zoals u zou wensen. U was eertijds duisternis; misschien voelt u die duisternis nog maar al te goed. Weet dan dat het licht niet uit uzelf moet opgaan. „In Uw licht zien wij het licht”: zo spreekt de Schrift, en zo leert de ervaring. Waar de gezegende Geest werkt, daar gaan licht en leven samen.
Vraag Hem dan of Hij Zijn Woord voor u wil doen oplichten, zodat het een lamp voor uw voet en een licht voor uw pad wordt. Wat dat licht openbaart, zal het hart geloven, want het gaat met de kracht van God gepaard. En wanneer het Woord voor u tot geest en leven gemaakt wordt, zullen de dingen die u nu nauwelijks durft te hopen, vaste feiten worden, die uw diepste innerlijke wezen aangrijpen. Bij Hem is de fontein des levens.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
In Thy light shall we see light.
Psalm 36:9
That the operations of the blessed Spirit upon the soul are attended with light is evident both from the Holy Scriptures and from experience: “The entrance of Thy words giveth light” (Psalm 119:130). Therefore Paul was sent to the Gentiles to turn them from darkness to light (Acts 26:18). The same apostle says to the believers at Ephesus, “Ye were sometimes darkness, but now are ye light in the Lord” (Ephesians 5:8). How else could we see the kingdom of God, which according to Scripture takes place when we are born again (John 3:3)? And how else could eternal or divine things be revealed to the soul? For the apostle says, “But all things that are reproved are made manifest by the light: for whatsoever doth make manifest is light” (Ephesians 5:13).
Do we not also read, “For with Thee is the fountain of life”? That is the source of all divine life. But it is added, “In Thy light shall we see light” (v. 9). Light and life, then, always go together. They are certainly the necessary and invariable effects of quickening grace in the vessels of mercy (Romans 9:23). By light we see; by life we feel.
The illuminating rays of the Spirit make God’s Word shine forth, which now becomes “a lamp unto the feet, and a light unto the path” (Psalm 119:105). And what that light reveals, the heart believes. For the power of God, which attends the application of the Word, raises up in the soul the confidence to believe God’s testimony. When, then, the Word has been made “spirit and life” to the soul (John 6:63), the solemn things which the blessed Spirit thereby reveals to faith become settled facts. These lay hold of and take possession of its deepest inward being.
Reading: Psalm 36
To the reader…
It may be that it is dark in your soul, and that you cannot see the things of God as you would wish. You were once darkness; perhaps you still feel that darkness only too well. Know, then, that the light does not have to rise out of yourself. “In Thy light shall we see light”: so speaks the Scripture, and so experience teaches. Where the blessed Spirit works, there light and life go together.
Ask Him, then, to make His Word shine for you, so that it becomes a lamp to your feet and a light to your path. What that light reveals, the heart will believe, for it is attended with the power of God. And when the Word is made spirit and life to you, the things you now scarcely dare to hope for will become settled facts, laying hold of your deepest inward being. With Him is the fountain of life.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
En Tu luz veremos la luz.
Salmo 36:9
Que las operaciones del bendito Espíritu en el alma van acompañadas de luz es evidente tanto por las Sagradas Escrituras como por la experiencia: “El principio de Tus palabras alumbra” (Salmo 119:130). Por eso Pablo fue enviado a los gentiles para que se convirtieran de las tinieblas a la luz (Hechos 26:18). El mismo apóstol dice a los creyentes de Éfeso: “Porque en otro tiempo erais tinieblas; mas ahora sois luz en el Señor” (Efesios 5:8). ¿De qué otro modo podríamos ver el reino de Dios, lo cual según la Escritura sucede cuando nacemos otra vez (Juan 3:3)? ¿Y de qué otro modo podrían revelarse al alma las cosas eternas o divinas? Porque el apóstol dice: “Mas todas las cosas cuando son redargüidas, son manifestadas por la luz; porque lo que manifiesta todo, la luz es” (Efesios 5:13).
¿No leemos también: “Porque contigo está el manantial de la vida”? Esa es la fuente de toda vida divina. Pero se añade: “En Tu luz veremos la luz” (v. 9). La luz y la vida, pues, siempre van juntas. Son ciertamente los efectos necesarios e invariables de la gracia vivificante en los vasos de misericordia (Romanos 9:23). Por la luz vemos; por la vida sentimos.
Los rayos iluminadores del Espíritu hacen resplandecer la Palabra de Dios, que ahora llega a ser “lámpara a los pies, y lumbrera al camino” (Salmo 119:105). Y lo que esa luz revela, el corazón lo cree. Porque el poder de Dios, que acompaña la aplicación de la Palabra, suscita en el alma la confianza para creer el testimonio de Dios. Cuando, pues, la Palabra ha sido hecha “espíritu y vida” para el alma (Juan 6:63), las cosas solemnes que el bendito Espíritu revela por ella a la fe llegan a ser hechos firmes. Estas se apoderan de su ser más profundo y toman posesión de él.
Lectura: Salmo 36
Al lector…
Puede ser que esté oscuro en su alma, y que no pueda ver las cosas de Dios como quisiera. En otro tiempo usted era tinieblas; quizá todavía siente esas tinieblas demasiado bien. Sepa, pues, que la luz no tiene que surgir de usted mismo. “En Tu luz veremos la luz”: así habla la Escritura, y así lo enseña la experiencia. Donde obra el bendito Espíritu, allí la luz y la vida van juntas.
Pídale, pues, que haga resplandecer Su Palabra para usted, de modo que llegue a ser lámpara a sus pies y lumbrera a su camino. Lo que esa luz revele, el corazón lo creerá, porque va acompañado del poder de Dios. Y cuando la Palabra le sea hecha espíritu y vida, las cosas que ahora apenas se atreve a esperar llegarán a ser hechos firmes, que se apoderarán de su ser más profundo. Con Él está el manantial de la vida.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Dewijl bij hen gans geen verandering is, en zij God niet vrezen.
Psalm 55:20
De ware godsdienst is gewis de zwaarste en toch de meest verborgen zaak waarmede wij in deze wereld te doen gehad of te doen kunnen hebben. En ik zal u zeggen dat zij u vertroosten of bedroeven zal. Zij zal uw gemoed beproeven, uw ziel moeite veroorzaken, uw geest neerdrukken en u waarlijk ellendig maken; anderszins zal zij u de bron van aangename vertroosting en van uw grootste blijdschap zijn. Uit de godsdienst spruit onze diepste smart en hoogste vergenoeging, de grootste onrust en de zoetste vrede. Er is in de ware godsdienst dit bijzondere kenmerk, dat zij in de grootste voorspoed de oorzaak kan zijn van onze grootste droefheid, of in de grootste tegenspoed de oorzaak van de reinste vreugde.
Wat is rijkdom of gezondheid, rang of titel en iedere vertroosting die de wereld kan verschaffen, voor een gewonde geest? Wat is armoede, ziekte, vervolging, verachting, een vliering of een gevangenis, voor een ziel die zich koestert in de toelachingen van eeuwige liefde? De godsdienst doet zich gevoelen waar zij leeft en zal getuigenis afleggen door haar kracht en tegenwoordigheid. Indien gij dan deel hebt aan de ware godsdienst, wie, waar en wat gij moogt zijn, dan kunt gij niet behoren tot de gerusten te Sion, want er zal zich altijd iets in uw eigen hart voordoen, of ook van een andere kant, dat u ongerust doet zijn.
Job was eenmaal op zijn gemak, maar hem werd niet toegelaten in zijn nest de geest te geven. Daarom zegt hij: „Ik was gerust, maar Hij heeft mij verbroken en bij mijn nek gegrepen; en Hij heeft mij Zich tot een doelwit opgericht.” En toch, met deze onverwachte en naar het scheen wrede behandeling kon hij nog zeggen: „Ook nu, zie, in de hemel is mijn Getuige, en mijn Getuige in de hoogte.” Ofschoon zo zeer beproefd en benauwd dat hij moest uitroepen: „Mijn gebeente kleeft aan mijn huid en aan mijn vlees, en ik ben ontkomen met de huid mijner tanden. Ontfermt u mijner, ontfermt u mijner, o gij mijn vrienden, want de hand Gods heeft mij aangeraakt”, toch kon hij, begerig dat zijn woorden niet mochten verloren gaan, er in geloofsvertrouwen aan toevoegen:
„Och, of nu mijn woorden toch opgeschreven wierden! Och, of zij in een boek wierden opgetekend! Dat zij met een ijzeren griffel en lood voor eeuwig in een rots gehouwen wierden! Want ik weet: mijn Verlosser leeft; en Hij zal de laatste over het stof opstaan. En als zij na mijn huid dit doorknaagd zullen hebben, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen; Dewelke ik voor mij aanschouwen zal, en mijn ogen zien zullen, en niet een vreemde; mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot.”
Aan de lezer…
Lezer, maakt uw godsdienst u soms ongerust en ellendig? Is er altijd iets in uw eigen hart, of van een andere kant, dat u verhindert rustig in uw nest te zitten? Vrees dan niet dat het daarom slecht met u staat. Juist zij bij wie gans geen verandering is, vrezen God niet; maar de ware godsdienst doet zich gevoelen waar zij leeft, in smart zowel als in vreugde.
Zie op Job, die verbroken en bij de nek gegrepen werd, en wiens gebeente aan zijn huid kleefde. Toch kon hij zeggen: „Ook nu, zie, in de hemel is mijn Getuige.” En uit die diepte klonk zijn geloofsvertrouwen: „Ik weet: mijn Verlosser leeft.” Zo kan ook uw onrust de weg zijn waarlangs u de zoetste vrede leert kennen. Wat is alle wereldse vertroosting voor een gewonde geest? En wat is een vliering of een gevangenis voor een ziel die zich koestert in de toelachingen van eeuwige liefde?
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Dewijl bij hen gans geen verandering is, en zij God niet vrezen.
Psalm 55:20
De ware godsdienst is zeker de zwaarste en toch de meest verborgen zaak waarmee wij in deze wereld te maken hebben gehad of kunnen hebben. En ik zeg u dat hij u zal vertroosten of bedroeven. Hij zal uw gemoed beproeven, uw ziel moeite bezorgen, uw geest neerdrukken en u werkelijk ellendig maken; of anders zal hij voor u de bron zijn van aangename vertroosting en van uw grootste blijdschap. Uit de godsdienst komen onze diepste smart en ons hoogste genoegen voort, de grootste onrust en de zoetste vrede. De ware godsdienst heeft dit bijzondere kenmerk, dat hij in de grootste voorspoed de oorzaak kan zijn van onze grootste droefheid, of in de grootste tegenspoed de oorzaak van de zuiverste vreugde.
Wat zijn rijkdom of gezondheid, rang of titel en iedere vertroosting die de wereld kan geven, voor een gewonde geest? Wat zijn armoede, ziekte, vervolging, verachting, een zolderkamertje of een gevangenis, voor een ziel die zich koestert in de glimlach van eeuwige liefde? De godsdienst laat zich voelen waar hij leeft, en zal getuigenis afleggen door zijn kracht en tegenwoordigheid. Als u dan deel hebt aan de ware godsdienst, wie, waar en wat u ook bent, dan kunt u niet tot de gerusten in Sion behoren. Want er zal altijd iets zijn, in uw eigen hart of van een andere kant, dat u onrustig maakt.
Job was eens op zijn gemak, maar het werd hem niet toegestaan in zijn nest de geest te geven. Daarom zegt hij: „Ik was gerust, maar Hij heeft mij verbroken en bij mijn nek gegrepen; en Hij heeft mij Zich tot een doelwit opgericht.” En toch kon hij, bij deze onverwachte en schijnbaar wrede behandeling, nog zeggen: „Ook nu, zie, in de hemel is mijn Getuige, en mijn Getuige in de hoogte.” Hij was zo zwaar beproefd en benauwd dat hij moest uitroepen: „Mijn gebeente kleeft aan mijn huid en aan mijn vlees, en ik ben ontkomen met de huid mijner tanden. Ontfermt u mijner, ontfermt u mijner, o gij mijn vrienden, want de hand Gods heeft mij aangeraakt.” Toch kon hij, verlangend dat zijn woorden niet verloren zouden gaan, er in geloofsvertrouwen aan toevoegen:
„Och, of nu mijn woorden toch opgeschreven wierden! Och, of zij in een boek wierden opgetekend! Dat zij met een ijzeren griffel en lood voor eeuwig in een rots gehouwen wierden! Want ik weet: mijn Verlosser leeft; en Hij zal de laatste over het stof opstaan. En als zij na mijn huid dit doorknaagd zullen hebben, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen; Dewelke ik voor mij aanschouwen zal, en mijn ogen zien zullen, en niet een vreemde; mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot.”
Aan de lezer…
Lezer, maakt uw godsdienst u soms onrustig en ellendig? Is er altijd iets in uw eigen hart, of van een andere kant, dat u verhindert rustig in uw nest te zitten? Vrees dan niet dat het daarom slecht met u staat. Juist zij bij wie gans geen verandering is, vrezen God niet; maar de ware godsdienst laat zich voelen waar hij leeft, in smart en in vreugde.
Zie op Job, die verbroken en bij de nek gegrepen werd, en wiens gebeente aan zijn huid kleefde. Toch kon hij zeggen: „Ook nu, zie, in de hemel is mijn Getuige.” En uit die diepte klonk zijn geloofsvertrouwen: „Ik weet: mijn Verlosser leeft.” Zo kan ook uw onrust de weg zijn waarlangs u de zoetste vrede leert kennen. Wat is alle wereldse vertroosting voor een gewonde geest? En wat is een zolderkamertje of een gevangenis voor een ziel die zich koestert in de glimlach van eeuwige liefde?
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Because they have no changes, therefore they fear not God.”
Psalm 55:19
True religion is certainly the most weighty, and yet the most mysterious matter that we ever have had or can have to do with in this world. And I will tell you this, that it will either comfort you, or it will distress you. It will either exercise your mind, trouble your soul, cast down your spirit, and make you truly miserable, or else be the source of your choicest comfort and your greatest happiness. From religion come our deepest sorrows and highest joys, the greatest uneasiness and the sweetest peace.
There is this peculiar feature about true religion, that in the greatest prosperity it may be the cause to us of the chief trouble, or in the greatest adversity be to us the cause of the purest joy. What are wealth or health, rank or titles, and every comfort the world can afford to a wounded spirit? What are poverty, sickness, persecution, contempt, a garret or a prison to a soul basking in the smiles of eternal love?
Religion will surely make itself felt wherever it exists, and will testify by its power to its presence. If, then, you are a partaker of true religion, be you who, where, or what you may, you cannot be at ease in Zion, for there will be ever something working up out of your own heart or arising from some other quarter to make you uneasy.
Job was once at ease, but he was not allowed to die in his soft nest. He therefore says, “I was at ease, but He has broken me asunder—He has also taken me by my neck, and shaken me to pieces, and set me up for His mark.” And yet with all this unexpected and apparently cruel treatment, he could still say, “Behold, my witness is in heaven, and my record is on high.” And though so exercised and distressed that he had to cry out, “I have been reduced to skin and bones and have escaped death by the skin of my teeth. Have mercy on me, my friends, have mercy, for the hand of God has struck me.”
Yet he could add, in all the confidence of faith, as desirous that his words might stand forever upon record—“Oh, that my words could be written. Oh, that they could be inscribed on a monument, carved with an iron chisel and filled with lead, engraved forever in the rock. But as for me, I know that my Redeemer lives, and that He will stand upon the earth at last. And after my body has decayed, yet in my body I will see God! I will see Him for myself. Yes, I will see Him with my own eyes. I am overwhelmed at the thought!” Job 19:23-27
To the reader…
Reader, does your religion sometimes make you uneasy and miserable? Is there always something in your own heart, or from some other quarter, that keeps you from sitting at ease in your nest? Then do not fear that it is therefore ill with you. It is precisely those who have no changes that fear not God; but true religion makes itself felt where it lives, in sorrow and in joy.
Look at Job, who was broken asunder and taken by the neck, and whose bone cleaved to his skin. Yet he could say, “Also now, behold, my witness is in heaven.” And out of that depth rang his confidence of faith: “I know that my Redeemer liveth.” So your uneasiness, too, may be the way by which you come to know the sweetest peace. What is all worldly comfort to a wounded spirit? And what is a garret or a prison to a soul basking in the smiles of eternal love?
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Por cuanto no se mudan, ni temen á Dios.”
Salmo 55:19
La verdadera religión es sin duda el asunto más grave, y a la vez el más misterioso, con que jamás hemos tenido o podemos tener que ver en este mundo. Y le diré esto: o le consolará, o le angustiará. O ejercitará su mente, turbará su alma, abatirá su espíritu y le hará verdaderamente desdichado, o bien será la fuente de su consuelo más escogido y de su mayor felicidad. De la religión vienen nuestros dolores más hondos y nuestros gozos más altos, la mayor inquietud y la paz más dulce.
Tiene la verdadera religión este rasgo peculiar: que en la mayor prosperidad puede ser para nosotros la causa de la principal aflicción, o en la mayor adversidad ser para nosotros la causa del gozo más puro. ¿Qué son la riqueza o la salud, el rango o los títulos, y todo consuelo que el mundo puede ofrecer, para un espíritu herido? ¿Qué son la pobreza, la enfermedad, la persecución, el desprecio, una buhardilla o una cárcel, para un alma que se goza en las sonrisas del amor eterno?
La religión se hará sentir sin duda dondequiera que exista, y por su poder dará testimonio de su presencia. Si, pues, usted es partícipe de la verdadera religión, sea quien sea, esté donde esté o sea lo que sea, no puede estar reposado en Sión, porque siempre habrá algo que suba de su propio corazón o que surja de algún otro lado para inquietarle.
Job estuvo una vez en reposo, pero no se le permitió morir en su blando nido. Por eso dice: “Próspero estaba, y desmenuzóme: y arrebatóme por la cerviz, y despedazóme, y púsome por blanco suyo.” Y sin embargo, con todo este trato inesperado y en apariencia cruel, aún podía decir: “He aquí que en los cielos está mi testigo, y mi testimonio en las alturas.” Y aunque estaba tan ejercitado y angustiado que tuvo que clamar: “Mi cuero y mi carne se pegaron á mis huesos; y he escapado con la piel de mis dientes. ¡Oh vosotros mis amigos, tened compasión de mí, tened compasión de mí! porque la mano de Dios me ha tocado.”
Con todo, podía añadir, con toda la confianza de la fe, como deseando que sus palabras quedaran para siempre registradas: “¡Quién diese ahora que mis palabras fuesen escritas! ¡quién diese que se escribieran en un libro! ¡Que con cincel de hierro y con plomo fuesen en piedra esculpidas para siempre! Yo sé que mi Redentor vive, y al fin se levantará sobre el polvo: y después de deshecha esta mi piel, aun he de ver en mi carne á Dios; al cual yo tengo de ver por mí, y mis ojos lo verán, y no otro, aunque mis riñones se consuman dentro de mí.” Job 19:23-27
Al lector…
Lector, ¿le hace a veces su religión sentirse inquieto y desdichado? ¿Hay siempre algo en su propio corazón, o de algún otro lado, que le impide sentarse reposado en su nido? Entonces no tema que por eso le vaya mal. Son precisamente los que no se mudan los que no temen a Dios; pero la verdadera religión se hace sentir donde vive, en el dolor y en el gozo.
Mire a Job, que fue desmenuzado y arrebatado por la cerviz, y cuyos huesos se pegaron a su piel. Sin embargo pudo decir: “Mas he aquí que en los cielos está mi testigo.” Y desde aquella profundidad resonó su confianza de fe: “Yo sé que mi Redentor vive.” Así también su inquietud puede ser el camino por el que llegue a conocer la paz más dulce. ¿Qué es todo consuelo del mundo para un espíritu herido? ¿Y qué es una buhardilla o una cárcel para un alma que se goza en las sonrisas del amor eterno?
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl