gisteren verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
8 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
13 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
3 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Opdat uw geloof niet zoude zijn in wijsheid der mensen, maar in de kracht Gods.
1 Korinthe 2:5
Het is waar dat de wezenlijke genade noch verlies, noch teruggang kan ondergaan, maar haar openbaringen en werkingen wel. Wie die het geloof heeft, is zich niet bewust dat het afneemt en toeneemt, rijst en daalt, sterk is en zwak, en elke dag, elk uur afwisselt? Wanneer dan een scherpe beproeving komt, dan is haar onmiddellijke uitwerking dat zij het geloof neerdrukt. Zij valt erop als een gewicht en doet het tot op de grond neerbuigen.
Het geloof kan vergeleken worden bij het kwikzilver in een barometer of thermometer. De hoeveelheid kwik in het bolletje is altijd dezelfde, maar het rijst of daalt in de buis naarmate van de drukking der lucht of de warmte van de dampkring. Ofschoon nu het geloof in het hart woont zonder te verminderen, toch rijst of daalt het onder de indrukken, gelijk het kwik als het weer schoon of donker is, of als de zon zich vertoont of zich verbergt.
Steeg bijvoorbeeld het geloof van Job even hoog „in de dagen zijner jeugd” — de lente zijner ziel — toen „Gods verborgenheid over zijn tent was”, als toen „hij de dag vloekte waarop hij geboren was” en uitriep: „O, mocht ik weten waar ik Hem zou kunnen vinden”? Was het geloof van Petrus even sterk toen hij zwichtte voor een dienstmaagd, als toen hij gereed was in gevangenschap en in de dood te gaan? Of dat van Abraham, toen hij ontkende dat Sara zijn vrouw was, of toen hij met slechts driehonderdachttien man het leger van vier machtige koningen vervolgde en versloeg?
Zo het geloof nooit wankelt, nooit daalt en nooit rijst, dan hebben wij de dode verzekerdheid van een geleerde; dan hebben wij een geloof van onszelf; dan „hebben wij geen veranderingen en vrezen dus God niet”. Maar indien het geloof afwisselt als eb en vloed, wat is daarvan de oorzaak? Is die in onszelf? Kunnen wij iets tot onze lengte toedoen, of één haar wit of zwart maken? Zo niet, dan moet die eb en vloed van God komen.
Mijn God, U zal ik eeuwig loven,
omdat Gij ’t hebt gedaan!
’k Verwacht uw trouwe hulp van boven;
uw waarheid zal bestaan.
Uw naam is voor ’t oprecht gemoed
van al uw gunstvolk goed.
Psalm 52:7
Aan de lezer…
Het kan zijn dat uw geloof vandaag is als het kwik bij donker weer, laag gedaald onder de last van een scherpe beproeving. Vreest u daarom dat u het geloof nooit hebt gehad? Zie dan naar Job, die eens in de lente zijner ziel Gods verborgenheid over zijn tent had, en later uitriep: „O, mocht ik weten waar ik Hem zou kunnen vinden.” Zie naar Petrus en naar Abraham. Hun geloof rees en daalde, en toch waren zij Gods kinderen.
Een geloof dat nooit wankelt, is maar al te vaak een geloof van onszelf. Maar uw eb en vloed is een teken dat u met een levend God te doen hebt, Die het geloof doet rijzen en dalen naar Zijn wijsheid. U kunt het niet zelf doen stijgen, zomin als u één haar wit of zwart kunt maken. Wacht dan op Hem, opdat uw geloof niet zij in wijsheid der mensen, maar in de kracht Gods.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Opdat uw geloof niet zoude zijn in wijsheid der mensen, maar in de kracht Gods.
1 Korinthe 2:5
Het is waar dat de genade zelf geen verlies en geen achteruitgang kan ondergaan, maar haar openbaringen en werkingen wel. Wie het geloof heeft, is zich er niet van bewust dat het afneemt en toeneemt, rijst en daalt, sterk is en zwak, en elke dag en elk uur wisselt? Wanneer er dan een scherpe beproeving komt, is het directe gevolg daarvan dat zij het geloof neerdrukt. Zij valt erop als een gewicht en buigt het tot op de grond.
Het geloof kan vergeleken worden met het kwik in een barometer of thermometer. De hoeveelheid kwik in het bolletje is altijd dezelfde, maar het stijgt of daalt in de buis, al naar gelang de luchtdruk of de warmte van de dampkring. Zo woont het geloof in het hart zonder te verminderen, en toch stijgt of daalt het onder de indrukken, zoals het kwik doet wanneer het weer mooi of somber is, of wanneer de zon zich laat zien of zich verbergt.
Stond het geloof van Job bijvoorbeeld even hoog „in de dagen zijner jeugd” — de lente van zijn ziel — toen „Gods verborgenheid over zijn tent was”, als toen „hij de dag vloekte waarop hij geboren was” en uitriep: „O, mocht ik weten waar ik Hem zou kunnen vinden”? Was het geloof van Petrus even sterk toen hij bezweek voor een dienstmeisje, als toen hij bereid was in de gevangenis en in de dood te gaan? Of dat van Abraham, toen hij ontkende dat Sara zijn vrouw was, als toen hij met maar driehonderdachttien man het leger van vier machtige koningen achtervolgde en versloeg?
Als het geloof nooit wankelt, nooit daalt en nooit stijgt, dan hebben wij de dode verzekerdheid van een geleerde; dan hebben wij een geloof uit onszelf; dan „hebben wij geen veranderingen en vrezen dus God niet”. Maar als het geloof wisselt als eb en vloed, wat is daar dan de oorzaak van? Ligt die in onszelf? Kunnen wij iets aan onze lengte toevoegen, of één haar wit of zwart maken? Zo niet, dan moet die eb en vloed van God komen.
Mijn God, U zal ik eeuwig loven,
omdat Gij ’t hebt gedaan!
’k Verwacht uw trouwe hulp van boven;
uw waarheid zal bestaan.
Uw naam is voor ’t oprecht gemoed
van al uw gunstvolk goed.
Psalm 52:7
Aan de lezer…
Het kan zijn dat uw geloof vandaag is als het kwik bij somber weer, laag gedaald onder de last van een scherpe beproeving. Vreest u daarom dat u het geloof nooit hebt gehad? Zie dan naar Job, die eens in de lente van zijn ziel Gods verborgenheid over zijn tent had, en later uitriep: „O, mocht ik weten waar ik Hem zou kunnen vinden.” Zie naar Petrus en naar Abraham. Hun geloof steeg en daalde, en toch waren zij Gods kinderen.
Een geloof dat nooit wankelt, is maar al te vaak een geloof uit onszelf. Maar uw eb en vloed is een teken dat u met een levende God te doen hebt, Die het geloof laat stijgen en dalen naar Zijn wijsheid. U kunt het niet zelf laten stijgen, net zomin als u één haar wit of zwart kunt maken. Wacht dan op Hem, opdat uw geloof niet zij in wijsheid der mensen, maar in de kracht Gods.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
That your faith should not stand in the wisdom of men, but in the power of God.
1 Corinthians 2:5
It is true that real grace can suffer neither loss nor diminishing, but its manifestations and its actings may. Who that possesses faith is not conscious that it ebbs and flows, rises and sinks, is strong and weak, and varies from day to day and from hour to hour? Thus when a sharp trial comes, its immediate effect is to depress faith. It falls upon it like a weight, and bends it down to the ground. Faith may be compared to the mercury in a thermometer. The quantity of mercury in the bulb never varies; but it rises or falls in the tube, according to the heat of the day. Thus faith, though it abides in the heart without loss or diminishing, yet rises or sinks in the feelings, as the weather is fair or foul, or as the sun shows or hides himself.
Did Job’s faith, for instance, mount equally high when “in the days of his youth”—the spring of his soul—“the secret of God was upon his tabernacle,” and when “he cursed his day,” and cried, “O that I knew where I might find Him?” Was Peter’s faith as strong when he quailed before a servant girl as when he was ready to go to prison and to death? Or Abraham’s when he denied Sarah to be his wife, and when with but three hundred and eighteen men he pursued and smote the army of four mighty kings?
If faith never fluctuates, never sinks and never rises, then we have at once the dead assurance of a professor; then faith is in our own keeping; then it does not hang on the smile or frown of God; then we are no more beggars and bankrupts, living on supplies given or withheld, but independent and self-sufficient; then we “have no changes, and so fear not God.”
But if faith ebbs and flows, what is the cause? Is it in self? Can we add to its stature one cubit, or make one hair of it black or white? If not, then must its ebbings and flowings come from God.
To the reader…
It may be that your faith today is like the mercury in gloomy weather, sunk low under the weight of a sharp trial. Do you fear for that reason that you have never had faith? Then look at Job, who once, in the spring of his soul, had the secret of God upon his tabernacle, and later cried out, “O that I knew where I might find Him!” Look at Peter and at Abraham. Their faith rose and sank, and yet they were God’s children.
A faith that never wavers is all too often a faith of our own making. But your ebb and flow is a sign that you have to do with a living God, Who makes faith rise and sink according to His wisdom. You cannot make it rise yourself, any more than you can make one hair white or black. Wait, then, upon Him, that your faith should not stand in the wisdom of men, but in the power of God.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Para que vuestra fe no esté fundada en sabiduría de hombres, mas en poder de Dios.
1 Corintios 2:5
Es cierto que la gracia verdadera no puede sufrir pérdida ni disminución, pero sus manifestaciones y sus actuaciones sí. ¿Quién que posee fe no es consciente de que tiene sus bajamares y pleamares, sube y baja, es fuerte y débil, y varía de día en día y de hora en hora? Así, cuando viene una prueba aguda, su efecto inmediato es deprimir la fe. Cae sobre ella como un peso y la dobla hasta el suelo. La fe puede compararse al mercurio de un termómetro. La cantidad de mercurio en el bulbo nunca varía; pero sube o baja en el tubo, según el calor del día. Así la fe, aunque permanece en el corazón sin pérdida ni disminución, sube o baja sin embargo en los sentimientos, según el tiempo sea bueno o malo, o según el sol se muestre o se esconda.
¿Subió, por ejemplo, igualmente alto la fe de Job cuando “en los días de su mocedad”, la primavera de su alma, “el secreto de Dios estaba en su tienda”, y cuando “maldijo su día” y clamó: “¡Quién me diera el saber dónde hallarle!”? ¿Era tan fuerte la fe de Pedro cuando se acobardó ante una criada como cuando estaba dispuesto a ir a la cárcel y a la muerte? ¿O la de Abraham cuando negó que Sara fuera su mujer, y cuando con solo trescientos dieciocho hombres persiguió e hirió al ejército de cuatro reyes poderosos?
Si la fe nunca fluctúa, nunca baja y nunca sube, entonces tenemos en seguida la seguridad muerta de un mero profesante; entonces la fe está bajo nuestra propia custodia; entonces no depende de la sonrisa o del ceño de Dios; entonces ya no somos mendigos y quebrados que viven de provisiones dadas o retenidas, sino independientes y autosuficientes; entonces “no se mudan, ni temen a Dios”.
Pero si la fe tiene sus bajamares y pleamares, ¿cuál es la causa? ¿Está en nosotros mismos? ¿Podemos añadir a su estatura un codo, o hacer uno de sus cabellos blanco o negro? Si no, entonces sus bajamares y pleamares han de venir de Dios.
Al lector…
Puede ser que su fe esté hoy como el mercurio en un tiempo sombrío, hundida bajo el peso de una prueba aguda. ¿Teme por eso no haber tenido nunca fe? Mire entonces a Job, que una vez, en la primavera de su alma, tenía el secreto de Dios en su tienda, y más tarde clamó: “¡Quién me diera el saber dónde hallarle!”. Mire a Pedro y a Abraham. Su fe subía y bajaba, y sin embargo eran hijos de Dios.
Una fe que nunca vacila es con demasiada frecuencia una fe de nuestra propia hechura. Pero su bajamar y su pleamar son señal de que usted tiene que ver con un Dios vivo, que hace subir y bajar la fe según Su sabiduría. Usted no puede hacerla subir por sí mismo, como tampoco puede hacer un cabello blanco o negro. Espere, pues, en Él, para que su fe no esté fundada en sabiduría de hombres, sino en poder de Dios.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Gerechtigheden en sterkte
Men zal van Mij zeggen: Gewisselijk, in de Heere zijn gerechtigheden en sterkte; tot Hem zal men komen.
Jesaja 45:24
Er is een zaad, een uitverkoren zaad, genaamd het zaad van Israël, van wie God heeft gezegd dat ze gerechtvaardigd zullen worden, vrijgesproken van alle wettelijke aanklachten, en voor het aangezicht van God gesteld zonder vlek of rimpel of iets van dien aard. God heeft gezegd: „In de Heere [alleen] zullen … zich beroemen, het ganse zaad van Israël” (Jes. 45:25). Als ze zich beroemen, zich verheugen, bidden of spreken, zal het in Hem zijn; alles wat ze hebben of zijn, komt voort uit Hem en is gericht op Hem. Ze komen door middel van gebed, smeekbede, felle uitroepen, heftige verlangens en vurige pleidooien, en ze komen tot Hem om het verlangen van hun ziel te vervullen, dat Hij hen liefheeft, hen zegent en tot hun hart spreekt. Zulke mensen maakt Hij het mogelijk te zeggen: in de Heere heb ik, arme ik, verloren ik, schuldige ik, rechtvaardigheid en sterkte.
Ook zijn er personen die heel anders zijn: er zijn er die geen schoonheid in Jezus zien, zodat ze naar Hem verlangen. Ze voelen geen behoefte aan Hem, zien Zijn geschiktheid niet in, worden nooit aangezet door Zijn liefde, aanschouwen nooit Zijn eer, ondervinden nooit Zijn gunst en genieten nooit van Zijn aanwezigheid. Integendeel: hun hart is vervuld van helse vijandschap tegen Hem en allen die de Zijnen zijn. Over dezen lezen we zonder uitzondering dat ze beschaamd zullen worden.
Voor zover we door de sterke hand van de Geest in onze ziel ertoe zijn gebracht naar Jezus te kijken en tot Hem te komen, en soms te ervaren hoe dierbaar Hij ons is, voor zover hebben we de Geest van Christus, en zijn Gods gedachten onze gedachten en Zijn wegen onze wegen. Dan, als we in Gods mal zijn gegoten, is wat God zegt aangenaam voor ons, en wat wij doen aangenaam voor God. Dan is er een verbinding en omgang tussen God en de gelovige ziel die ertoe is gebracht naar Jezus te kijken, te ervaren hoe dierbaar Hij is, en zich in Hem te beroemen, en in Hem alleen.
Lezen: Efeze 5:22-23
Aan de lezer…
Bestreden ziel, kunt u met de arme, verloren, schuldige zondaar zeggen: „In de Heere heb ik rechtvaardigheid en sterkte”? Of durft u het niet te zeggen, omdat u nog zo weinig in uzelf ziet? Bedenk dan dat het zaad van Israël niet uitblinkt door eigen goedheid, maar daardoor dat het tot Hem komt: met gebed, smeekbede, felle uitroepen en heftige verlangens, opdat Hij het liefheeft, zegent en tot het hart spreekt.
Ziet u enige schoonheid in Jezus, voelt u behoefte aan Hem, smacht u naar Zijn gunst en aanwezigheid? Dat is niet uit uzelf; dat is de sterke hand van de Geest in uw ziel. Zij die beschaamd worden, zijn zij die geen behoefte aan Hem hebben. Maar wie ertoe gebracht is naar Jezus te kijken en soms te ervaren hoe dierbaar Hij is, wordt door Hem niet beschaamd. Beroem u dan in Hem, en in Hem alleen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Men zal van Mij zeggen: Gewisselijk, in de Heere zijn gerechtigheden en sterkte; tot Hem zal men komen.
Jesaja 45:24
Er is een zaad, een uitverkoren zaad, dat het zaad van Israël genoemd wordt. Van hen heeft God gezegd dat ze gerechtvaardigd zullen worden, vrijgesproken van alle aanklachten van de wet, en voor het aangezicht van God gesteld zonder vlek of rimpel of iets dergelijks. God heeft gezegd: „In de Heere [alleen] zullen … zich beroemen, het ganse zaad van Israël” (Jes. 45:25). Als ze zich beroemen, zich verblijden, bidden of spreken, zal het in Hem zijn; alles wat ze hebben of zijn, komt uit Hem voort en is op Hem gericht. Ze komen met gebed, smeekbede, felle uitroepen, heftige verlangens en vurige pleitgronden, en ze komen tot Hem opdat Hij het verlangen van hun ziel vervult: dat Hij hen liefheeft, hen zegent en tot hun hart spreekt. Zulke mensen stelt Hij in staat te zeggen: in de Heere heb ik, arme ik, verloren ik, schuldige ik, gerechtigheid en sterkte.
Er zijn ook mensen die heel anders zijn: zij zien geen schoonheid in Jezus waardoor ze naar Hem zouden verlangen. Ze voelen geen behoefte aan Hem, zien Zijn geschiktheid niet, worden nooit bewogen door Zijn liefde, aanschouwen nooit Zijn heerlijkheid, ondervinden nooit Zijn gunst en genieten nooit van Zijn tegenwoordigheid. Integendeel: hun hart is vervuld van helse vijandschap tegen Hem en tegen allen die de Zijnen zijn. Van hen lezen we zonder uitzondering dat ze beschaamd zullen worden.
Voor zover we door de sterke hand van de Geest in onze ziel ertoe gebracht zijn naar Jezus te kijken en tot Hem te komen, en soms te ervaren hoe dierbaar Hij ons is, voor zover hebben we de Geest van Christus, en zijn Gods gedachten onze gedachten en Zijn wegen onze wegen. Dan, als we in Gods mal gegoten zijn, is wat God zegt aangenaam voor ons, en wat wij doen aangenaam voor God. Dan is er een gemeenschap en omgang tussen God en de gelovige ziel die ertoe gebracht is naar Jezus te kijken, te ervaren hoe dierbaar Hij is, en zich in Hem te beroemen, en in Hem alleen.
Lezen: Efeze 5:22-23
Aan de lezer…
Bestreden ziel, kunt u met de arme, verloren, schuldige zondaar zeggen: „In de Heere heb ik gerechtigheid en sterkte”? Of durft u het niet te zeggen, omdat u nog zo weinig in uzelf ziet? Bedenk dan dat het zaad van Israël niet uitblinkt door eigen goedheid, maar doordat het tot Hem komt: met gebed, smeekbede, felle uitroepen en heftige verlangens, opdat Hij het liefheeft, zegent en tot het hart spreekt.
Ziet u enige schoonheid in Jezus, voelt u behoefte aan Hem, smacht u naar Zijn gunst en tegenwoordigheid? Dat komt niet uit uzelf; dat is de sterke hand van de Geest in uw ziel. Wie beschaamd worden, zijn zij die geen behoefte aan Hem hebben. Maar wie ertoe gebracht is naar Jezus te kijken en soms te ervaren hoe dierbaar Hij is, wordt door Hem niet beschaamd. Beroem u dan in Hem, en in Hem alleen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Surely, shall one say, in the LORD have I righteousness and strength: even to Him shall men come.
Isaiah 45:24
There is a seed, an elect seed, which is called the seed of Israel. Of them God has said that they shall be justified, acquitted of all the charges of the law, and presented before the face of God without spot or wrinkle or any such thing. God has said, “In the LORD [alone] shall all the seed of Israel be justified, and shall glory” (Isa. 45:25). If they glory, rejoice, pray or speak, it shall be in Him; all that they have or are comes from Him and is directed to Him. They come with prayer, supplication, earnest cries, vehement longings and fervent pleadings, and they come to Him that He may fulfil the desire of their souls: that He would love them, bless them and speak to their hearts. Such people He enables to say: in the Lord I, poor I, lost I, guilty I, have righteousness and strength.
There are also people who are very different: they see no beauty in Jesus that they should desire Him. They feel no need of Him, see not His suitability, are never moved by His love, never behold His glory, never experience His favour and never enjoy His presence. On the contrary, their hearts are filled with hellish enmity against Him and against all who are His. Of them we read without exception that they shall be ashamed.
So far as we have been brought by the strong hand of the Spirit in our souls to look to Jesus and to come to Him, and sometimes to feel how precious He is to us, so far we have the Spirit of Christ, and God’s thoughts are our thoughts and His ways our ways. Then, when we have been cast into God’s mould, what God says is pleasing to us, and what we do is pleasing to God. Then there is a communion and fellowship between God and the believing soul that has been brought to look to Jesus, to feel how precious He is, and to glory in Him, and in Him alone.
Reading: Ephesians 5:22-23
To the reader…
Tried soul, can you say with the poor, lost, guilty sinner, “In the LORD have I righteousness and strength”? Or do you not dare to say it, because you still see so little in yourself? Then remember that the seed of Israel does not excel by any goodness of its own, but by coming to Him: with prayer, supplication, earnest cries and vehement longings, that He may love it, bless it and speak to its heart.
Do you see any beauty in Jesus, do you feel a need of Him, do you long for His favour and presence? That does not come from yourself; that is the strong hand of the Spirit in your soul. Those who are ashamed are those who have no need of Him. But whoever has been brought to look to Jesus and sometimes to feel how precious He is will never be put to shame by Him. Glory, then, in Him, and in Him alone.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y diráse de Mí: Ciertamente en Jehová está la justicia y la fuerza: a Él vendrán.
Isaías 45:24
Hay una simiente, una simiente elegida, que es llamada la simiente de Israel. De ellos ha dicho Dios que serán justificados, absueltos de todas las acusaciones de la ley, y presentados delante del rostro de Dios sin mancha ni arruga ni cosa semejante. Dios ha dicho: “En Jehová [solo] será justificada y se gloriará toda la generación de Israel” (Isaías 45:25). Si se glorían, se alegran, oran o hablan, será en Él; todo lo que tienen o son viene de Él y se dirige a Él. Vienen con oración, súplica, clamores fervientes, anhelos vehementes y ruegos ardientes, y vienen a Él para que cumpla el deseo de sus almas: que Él los ame, los bendiga y hable a sus corazones. A tales personas Él las capacita para decir: en el Señor yo, pobre de mí, perdido, culpable, tengo justicia y fuerza.
Hay también personas muy diferentes: no ven en Jesús ningún atractivo para que le deseen. No sienten necesidad de Él, no ven Su idoneidad, nunca son conmovidas por Su amor, nunca contemplan Su gloria, nunca experimentan Su favor y nunca gozan de Su presencia. Al contrario, sus corazones están llenos de una enemistad infernal contra Él y contra todos los que son Suyos. De ellos leemos sin excepción que serán avergonzados.
En la medida en que hemos sido llevados por la mano fuerte del Espíritu en nuestras almas a mirar a Jesús y venir a Él, y a veces a sentir cuán precioso es para nosotros, en esa medida tenemos el Espíritu de Cristo, y los pensamientos de Dios son nuestros pensamientos y Sus caminos nuestros caminos. Entonces, cuando hemos sido vaciados en el molde de Dios, lo que Dios dice nos agrada, y lo que hacemos agrada a Dios. Entonces hay una comunión y una unión entre Dios y el alma creyente que ha sido llevada a mirar a Jesús, a sentir cuán precioso es, y a gloriarse en Él, y solo en Él.
Lectura: Efesios 5:22-23
Al lector…
Alma probada, ¿puede decir con el pobre pecador perdido y culpable: “En Jehová está mi justicia y mi fuerza”? ¿O no se atreve a decirlo, porque todavía ve tan poco en sí mismo? Recuerde entonces que la simiente de Israel no sobresale por ninguna bondad propia, sino por venir a Él: con oración, súplica, clamores fervientes y anhelos vehementes, para que Él la ame, la bendiga y hable a su corazón.
¿Ve usted algún atractivo en Jesús, siente necesidad de Él, anhela Su favor y Su presencia? Eso no viene de usted mismo; es la mano fuerte del Espíritu en su alma. Los que serán avergonzados son los que no tienen necesidad de Él. Pero quien ha sido llevado a mirar a Jesús y a veces a sentir cuán precioso es, nunca será avergonzado por Él. Gloríese, pues, en Él, y solo en Él.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
God is ons een toevlucht en sterkte; Hij is krachtiglijk bevonden een hulp in benauwdheden.
Psalm 46:1
De christen die ooit heeft geweten wat het is God in geest en waarheid te aanbidden, heeft een God Die hem in zijn somberste ongelegenheden helpt; want zolang de Geest des gebeds in zijn hart blijft — en die Geest, eens gegeven, wordt nooit meer weggenomen — kan hij bij tijden en ogenblikken zijn hart voor God uitstorten en Hem bevinden als zijn hulp en sterkte. Dit is een van de zegeningen, dat hij een God heeft tot Wie hij de toevlucht kan nemen, de Heere der heirscharen, in Wiens oren zijn gebeden mogen opklimmen. Doch behalve deze weldaad zijn alle beloften aan zijn zijde, welke ja en amen zijn in Christus Jezus.
Ook is hij niet zonder zwaard of schild, of zelfs zonder de gehele wapenrusting Gods. Ook is hij niet zonder geloof en hoop, of zonder verborgen ondersteuning van kracht, die in zwakheid volbracht wordt. Ook is hij niet zonder een kennis der waarheid, of ontbloot van de bewijzen van zijn aandeel daarin. Laat dus een christen gewikkeld worden in de grootste verlegenheid, dan is nog de stem des gebeds in zijn boezem, en de uitgangen door een levend geloof tot de Zoon van God, Die aan zijn ziel werd geopenbaard, en hij werpt het anker zijner hoop nog binnen het voorhangsel.
Hij is niet als een zeeman die op de wijde oceanen omzwerft zonder een roer aan zijn schip, zonder kaart of kompas. Hij weet wat hij doen moet, hij weet de koers die hij zeilen moet; hij kent het land waarop zijn ogen te allen tijde gevestigd zijn. Laat hem in de grootste ongelegenheden komen, dan weet hij nog dat aan de rechterhand des Vaders Jezus is, Die machtig is uit alle nood te verlossen. Een feit blijft dat diep in zijn ziel een onuitwisbare indruk gegrift is van de vorige ontdekkingen, toen hij de Koning in Zijn schoonheid zag; en hij gelooft dat Jezus volkomen kan zalig maken allen die door Hem tot God gaan. Zo wordt hij dus niet gelaten zonder toevlucht, hulp of hoop.
Aan de lezer…
Bent u, bestreden ziel, in grote verlegenheid gewikkeld, zodat u niet meer weet waarheen? U bent toch niet als een zeeman zonder roer, kaart of kompas, indien u ooit God in geest en waarheid hebt leren aanbidden. De Geest des gebeds, eens gegeven, wordt nooit meer weggenomen. Een zucht, een uitroep, een hart dat zich voor Hem uitstort: het is nog altijd de weg naar Hem Die krachtiglijk bevonden wordt een hulp in benauwdheden.
En zijn er dagen dat u weinig voelt, gedenk dan de ogenblikken waarin u de Koning in Zijn schoonheid zag. Die indruk is niet uitgewist, al lijkt hij nu verborgen. Aan de rechterhand des Vaders is Jezus, Die machtig is uit alle nood te verlossen en volkomen kan zalig maken allen die door Hem tot God gaan. Werp dan het anker uwer hoop opnieuw binnen het voorhangsel; daar houdt het, ook in de zwaarste storm.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
God is ons een toevlucht en sterkte; Hij is krachtiglijk bevonden een hulp in benauwdheden.
Psalm 46:1
De christen die ooit geweten heeft wat het is God in geest en waarheid te aanbidden, heeft een God Die hem in zijn somberste moeiten helpt. Want zolang de Geest van het gebed in zijn hart blijft — en die Geest wordt, eenmaal gegeven, nooit meer weggenomen — kan hij op bepaalde tijden en ogenblikken zijn hart voor God uitstorten en Hem ervaren als zijn hulp en sterkte. Dit is een van de zegeningen: dat hij een God heeft bij Wie hij zijn toevlucht kan zoeken, de Heere van de legermachten, in Wiens oren zijn gebeden mogen opstijgen. Maar behalve deze weldaad staan alle beloften aan zijn kant, die ja en amen zijn in Christus Jezus.
Ook is hij niet zonder zwaard of schild, of zelfs zonder de hele wapenrusting van God. Ook is hij niet zonder geloof en hoop, of zonder de verborgen ondersteuning van de kracht die in zwakheid wordt volbracht. Ook is hij niet zonder kennis van de waarheid, of zonder de bewijzen van zijn deel daaraan. Laat een christen dus in de grootste verlegenheid verwikkeld raken, dan is de stem van het gebed nog in zijn binnenste. Dan gaat er nog een levend geloof uit naar de Zoon van God, Die aan zijn ziel werd geopenbaard, en werpt hij het anker van zijn hoop nog uit binnen het voorhangsel.
Hij is niet als een zeeman die over de wijde oceanen zwerft zonder roer aan zijn schip, zonder kaart of kompas. Hij weet wat hij moet doen, hij weet welke koers hij moet zeilen; hij kent het land waarop zijn ogen altijd gericht zijn. Laat hem in de grootste moeiten komen, dan weet hij nog dat Jezus aan de rechterhand van de Vader is, Die machtig is uit alle nood te verlossen. Het blijft een feit dat diep in zijn ziel een onuitwisbare indruk gegrift staat van de vroegere ontdekkingen, toen hij de Koning in Zijn schoonheid zag; en hij gelooft dat Jezus volkomen zalig kan maken allen die door Hem tot God gaan. Zo wordt hij dus niet zonder toevlucht, hulp of hoop gelaten.
Aan de lezer…
Bent u, bestreden ziel, in grote verlegenheid verwikkeld, zodat u niet meer weet waarheen? U bent toch niet als een zeeman zonder roer, kaart of kompas, als u ooit God in geest en waarheid hebt leren aanbidden. De Geest van het gebed wordt, eenmaal gegeven, nooit meer weggenomen. Een zucht, een uitroep, een hart dat zich voor Hem uitstort: het is nog altijd de weg naar Hem Die krachtiglijk bevonden is een hulp in benauwdheden.
En zijn er dagen dat u weinig voelt, denk dan aan de ogenblikken waarop u de Koning in Zijn schoonheid zag. Die indruk is niet uitgewist, al lijkt hij nu verborgen. Aan de rechterhand van de Vader is Jezus, Die machtig is uit alle nood te verlossen en volkomen zalig kan maken allen die door Hem tot God gaan. Werp dan het anker van uw hoop opnieuw uit binnen het voorhangsel; daar houdt het, ook in de zwaarste storm.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“God is our refuge and strength, a very present help in trouble.”
Psalm 46:1
The Christian who has known what it is to worship God in spirit and in truth has a God to help him in his direst extremities; for as long as the spirit of prayer abides in his bosom—and that spirit once given is never taken away—he can at times and seasons pour out his heart before God, and find help and strength in Him. This, then, is one of his blessed resources, that he has a God to go to, the Lord Almighty, into Whose ears his cries may enter. But besides this, all the promises are on his side, which are yes and amen in Christ Jesus. Nor is he without sword or shield, or the whole armor of God. Nor is he without faith and hope, or secret supplies of strength made perfect in weakness. Nor is he without a knowledge of the truth, nor destitute of evidences of a saving interest in it.
Thus, let a Christian be involved in the greatest perplexity, there is still the voice of prayer in his bosom, and still the goings up and actings of a living faith upon the Son of God Who has been manifested to his soul, still the firm anchorings of hope within the veil. He is not like a sailor cast upon a wide ocean without rudder, chart, or compass. He knows what to do; he knows what course to steer; he knows the land to which his eyes are ever directed. Let him sink into the greatest perplexity, he still knows there is at the right hand of the Father a Jesus, upon Whom help is laid as One that is mighty.
Still, still the solemn fact is recorded deep in his mind, an ineffaceable impression has been left upon his soul from former discoveries of the King in His beauty, that this Jesus is able to save to the uttermost all who come unto God by Him. Thus he is not left without resource, help, or hope.
To the reader…
Tried soul, are you caught up in great perplexity, so that you no longer know which way to turn? Yet you are not like a sailor without rudder, chart or compass, if you have ever learned to worship God in spirit and in truth. The spirit of prayer, once given, is never taken away. A sigh, a cry, a heart poured out before Him: it is still the way to Him Who is a very present help in trouble.
And if there are days when you feel little, then think of the moments when you saw the King in His beauty. That impression has not been erased, even though it seems hidden now. At the right hand of the Father is Jesus, Who is mighty to deliver from all distress and able to save to the uttermost all who come unto God by Him. Cast the anchor of your hope again within the veil, then; there it holds, even in the heaviest storm.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Dios es nuestro amparo y fortaleza, nuestro pronto auxilio en las tribulaciones.”
Salmo 46:1
El cristiano que ha conocido lo que es adorar a Dios en espíritu y en verdad tiene un Dios que le ayude en sus más extremos apuros; porque mientras el espíritu de oración permanezca en su pecho —y ese espíritu, una vez dado, nunca es quitado—, puede en tiempos y ocasiones derramar su corazón delante de Dios y hallar en Él ayuda y fuerza. Este es, pues, uno de sus benditos recursos: que tiene un Dios a Quien acudir, el Señor Todopoderoso, en Cuyos oídos pueden entrar sus clamores. Pero además de esto, todas las promesas están de su parte, las cuales son en Cristo Jesús Sí y Amén. Tampoco está sin espada ni escudo, ni sin toda la armadura de Dios. Tampoco está sin fe ni esperanza, ni sin secretas provisiones de fuerza perfeccionada en la flaqueza. Tampoco está sin conocimiento de la verdad, ni desprovisto de evidencias de una parte salvadora en ella.
Así, aunque un cristiano se vea envuelto en la mayor perplejidad, todavía está la voz de la oración en su pecho, y todavía los movimientos y actos de una fe viva hacia el Hijo de Dios, Quien ha sido manifestado a su alma, todavía el firme anclaje de la esperanza dentro del velo. No es como un marinero arrojado a un ancho océano sin timón, carta ni brújula. Sabe qué hacer; sabe qué rumbo seguir; conoce la tierra hacia la cual siempre se dirigen sus ojos. Aunque se hunda en la mayor perplejidad, todavía sabe que a la diestra del Padre hay un Jesús sobre Quien está puesto el socorro, como sobre Uno que es valiente.
Todavía, todavía está grabado hondo en su mente el hecho solemne —una impresión imborrable ha quedado en su alma de anteriores descubrimientos del Rey en Su hermosura— de que este Jesús puede salvar eternamente a todos los que por Él se allegan a Dios. Así no queda sin recurso, ayuda ni esperanza.
Al lector…
Alma probada, ¿está envuelta en gran perplejidad, de modo que ya no sabe hacia dónde volverse? Sin embargo, no es usted como un marinero sin timón, carta ni brújula, si alguna vez ha aprendido a adorar a Dios en espíritu y en verdad. El espíritu de oración, una vez dado, nunca es quitado. Un suspiro, un clamor, un corazón derramado delante de Él: sigue siendo el camino hacia Aquel que es nuestro pronto auxilio en las tribulaciones.
Y si hay días en que siente poco, piense entonces en los momentos en que vio al Rey en Su hermosura. Esa impresión no se ha borrado, aunque ahora parezca oculta. A la diestra del Padre está Jesús, Quien es poderoso para librar de toda angustia y puede salvar eternamente a todos los que por Él se allegan a Dios. Eche, pues, de nuevo el ancla de su esperanza dentro del velo; allí sostiene, aun en la tormenta más fuerte.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl