19 de diciembre
Opdat uw geloof niet zoude zijn in wijsheid der mensen, maar in de kracht Gods.
1 Korinthe 2:5
Het is waar dat de wezenlijke genade noch verlies, noch teruggang kan ondergaan, maar haar openbaringen en werkingen wel. Wie die het geloof heeft, is zich niet bewust dat het afneemt en toeneemt, rijst en daalt, sterk is en zwak, en elke dag, elk uur afwisselt? Wanneer dan een scherpe beproeving komt, dan is haar onmiddellijke uitwerking dat zij het geloof neerdrukt. Zij valt erop als een gewicht en doet het tot op de grond neerbuigen.
Het geloof kan vergeleken worden bij het kwikzilver in een barometer of thermometer. De hoeveelheid kwik in het bolletje is altijd dezelfde, maar het rijst of daalt in de buis naarmate van de drukking der lucht of de warmte van de dampkring. Ofschoon nu het geloof in het hart woont zonder te verminderen, toch rijst of daalt het onder de indrukken, gelijk het kwik als het weer schoon of donker is, of als de zon zich vertoont of zich verbergt.
Steeg bijvoorbeeld het geloof van Job even hoog „in de dagen zijner jeugd” — de lente zijner ziel — toen „Gods verborgenheid over zijn tent was”, als toen „hij de dag vloekte waarop hij geboren was” en uitriep: „O, mocht ik weten waar ik Hem zou kunnen vinden”? Was het geloof van Petrus even sterk toen hij zwichtte voor een dienstmaagd, als toen hij gereed was in gevangenschap en in de dood te gaan? Of dat van Abraham, toen hij ontkende dat Sara zijn vrouw was, of toen hij met slechts driehonderdachttien man het leger van vier machtige koningen vervolgde en versloeg?
Zo het geloof nooit wankelt, nooit daalt en nooit rijst, dan hebben wij de dode verzekerdheid van een geleerde; dan hebben wij een geloof van onszelf; dan „hebben wij geen veranderingen en vrezen dus God niet”. Maar indien het geloof afwisselt als eb en vloed, wat is daarvan de oorzaak? Is die in onszelf? Kunnen wij iets tot onze lengte toedoen, of één haar wit of zwart maken? Zo niet, dan moet die eb en vloed van God komen.
Mijn God, U zal ik eeuwig loven,
omdat Gij ’t hebt gedaan!
’k Verwacht uw trouwe hulp van boven;
uw waarheid zal bestaan.
Uw naam is voor ’t oprecht gemoed
van al uw gunstvolk goed.
Psalm 52:7
Aan de lezer…
Het kan zijn dat uw geloof vandaag is als het kwik bij donker weer, laag gedaald onder de last van een scherpe beproeving. Vreest u daarom dat u het geloof nooit hebt gehad? Zie dan naar Job, die eens in de lente zijner ziel Gods verborgenheid over zijn tent had, en later uitriep: „O, mocht ik weten waar ik Hem zou kunnen vinden.” Zie naar Petrus en naar Abraham. Hun geloof rees en daalde, en toch waren zij Gods kinderen.
Een geloof dat nooit wankelt, is maar al te vaak een geloof van onszelf. Maar uw eb en vloed is een teken dat u met een levend God te doen hebt, Die het geloof doet rijzen en dalen naar Zijn wijsheid. U kunt het niet zelf doen stijgen, zomin als u één haar wit of zwart kunt maken. Wacht dan op Hem, opdat uw geloof niet zij in wijsheid der mensen, maar in de kracht Gods.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Opdat uw geloof niet zoude zijn in wijsheid der mensen, maar in de kracht Gods.
1 Korinthe 2:5
Het is waar dat de genade zelf geen verlies en geen achteruitgang kan ondergaan, maar haar openbaringen en werkingen wel. Wie het geloof heeft, is zich er niet van bewust dat het afneemt en toeneemt, rijst en daalt, sterk is en zwak, en elke dag en elk uur wisselt? Wanneer er dan een scherpe beproeving komt, is het directe gevolg daarvan dat zij het geloof neerdrukt. Zij valt erop als een gewicht en buigt het tot op de grond.
Het geloof kan vergeleken worden met het kwik in een barometer of thermometer. De hoeveelheid kwik in het bolletje is altijd dezelfde, maar het stijgt of daalt in de buis, al naar gelang de luchtdruk of de warmte van de dampkring. Zo woont het geloof in het hart zonder te verminderen, en toch stijgt of daalt het onder de indrukken, zoals het kwik doet wanneer het weer mooi of somber is, of wanneer de zon zich laat zien of zich verbergt.
Stond het geloof van Job bijvoorbeeld even hoog „in de dagen zijner jeugd” — de lente van zijn ziel — toen „Gods verborgenheid over zijn tent was”, als toen „hij de dag vloekte waarop hij geboren was” en uitriep: „O, mocht ik weten waar ik Hem zou kunnen vinden”? Was het geloof van Petrus even sterk toen hij bezweek voor een dienstmeisje, als toen hij bereid was in de gevangenis en in de dood te gaan? Of dat van Abraham, toen hij ontkende dat Sara zijn vrouw was, als toen hij met maar driehonderdachttien man het leger van vier machtige koningen achtervolgde en versloeg?
Als het geloof nooit wankelt, nooit daalt en nooit stijgt, dan hebben wij de dode verzekerdheid van een geleerde; dan hebben wij een geloof uit onszelf; dan „hebben wij geen veranderingen en vrezen dus God niet”. Maar als het geloof wisselt als eb en vloed, wat is daar dan de oorzaak van? Ligt die in onszelf? Kunnen wij iets aan onze lengte toevoegen, of één haar wit of zwart maken? Zo niet, dan moet die eb en vloed van God komen.
Mijn God, U zal ik eeuwig loven,
omdat Gij ’t hebt gedaan!
’k Verwacht uw trouwe hulp van boven;
uw waarheid zal bestaan.
Uw naam is voor ’t oprecht gemoed
van al uw gunstvolk goed.
Psalm 52:7
Aan de lezer…
Het kan zijn dat uw geloof vandaag is als het kwik bij somber weer, laag gedaald onder de last van een scherpe beproeving. Vreest u daarom dat u het geloof nooit hebt gehad? Zie dan naar Job, die eens in de lente van zijn ziel Gods verborgenheid over zijn tent had, en later uitriep: „O, mocht ik weten waar ik Hem zou kunnen vinden.” Zie naar Petrus en naar Abraham. Hun geloof steeg en daalde, en toch waren zij Gods kinderen.
Een geloof dat nooit wankelt, is maar al te vaak een geloof uit onszelf. Maar uw eb en vloed is een teken dat u met een levende God te doen hebt, Die het geloof laat stijgen en dalen naar Zijn wijsheid. U kunt het niet zelf laten stijgen, net zomin als u één haar wit of zwart kunt maken. Wacht dan op Hem, opdat uw geloof niet zij in wijsheid der mensen, maar in de kracht Gods.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
That your faith should not stand in the wisdom of men, but in the power of God.
1 Corinthians 2:5
It is true that real grace can suffer neither loss nor diminishing, but its manifestations and its actings may. Who that possesses faith is not conscious that it ebbs and flows, rises and sinks, is strong and weak, and varies from day to day and from hour to hour? Thus when a sharp trial comes, its immediate effect is to depress faith. It falls upon it like a weight, and bends it down to the ground. Faith may be compared to the mercury in a thermometer. The quantity of mercury in the bulb never varies; but it rises or falls in the tube, according to the heat of the day. Thus faith, though it abides in the heart without loss or diminishing, yet rises or sinks in the feelings, as the weather is fair or foul, or as the sun shows or hides himself.
Did Job’s faith, for instance, mount equally high when “in the days of his youth”—the spring of his soul—“the secret of God was upon his tabernacle,” and when “he cursed his day,” and cried, “O that I knew where I might find Him?” Was Peter’s faith as strong when he quailed before a servant girl as when he was ready to go to prison and to death? Or Abraham’s when he denied Sarah to be his wife, and when with but three hundred and eighteen men he pursued and smote the army of four mighty kings?
If faith never fluctuates, never sinks and never rises, then we have at once the dead assurance of a professor; then faith is in our own keeping; then it does not hang on the smile or frown of God; then we are no more beggars and bankrupts, living on supplies given or withheld, but independent and self-sufficient; then we “have no changes, and so fear not God.”
But if faith ebbs and flows, what is the cause? Is it in self? Can we add to its stature one cubit, or make one hair of it black or white? If not, then must its ebbings and flowings come from God.
To the reader…
It may be that your faith today is like the mercury in gloomy weather, sunk low under the weight of a sharp trial. Do you fear for that reason that you have never had faith? Then look at Job, who once, in the spring of his soul, had the secret of God upon his tabernacle, and later cried out, “O that I knew where I might find Him!” Look at Peter and at Abraham. Their faith rose and sank, and yet they were God’s children.
A faith that never wavers is all too often a faith of our own making. But your ebb and flow is a sign that you have to do with a living God, Who makes faith rise and sink according to His wisdom. You cannot make it rise yourself, any more than you can make one hair white or black. Wait, then, upon Him, that your faith should not stand in the wisdom of men, but in the power of God.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Para que vuestra fe no esté fundada en sabiduría de hombres, mas en poder de Dios.
1 Corintios 2:5
Es cierto que la gracia verdadera no puede sufrir pérdida ni disminución, pero sus manifestaciones y sus actuaciones sí. ¿Quién que posee fe no es consciente de que tiene sus bajamares y pleamares, sube y baja, es fuerte y débil, y varía de día en día y de hora en hora? Así, cuando viene una prueba aguda, su efecto inmediato es deprimir la fe. Cae sobre ella como un peso y la dobla hasta el suelo. La fe puede compararse al mercurio de un termómetro. La cantidad de mercurio en el bulbo nunca varía; pero sube o baja en el tubo, según el calor del día. Así la fe, aunque permanece en el corazón sin pérdida ni disminución, sube o baja sin embargo en los sentimientos, según el tiempo sea bueno o malo, o según el sol se muestre o se esconda.
¿Subió, por ejemplo, igualmente alto la fe de Job cuando “en los días de su mocedad”, la primavera de su alma, “el secreto de Dios estaba en su tienda”, y cuando “maldijo su día” y clamó: “¡Quién me diera el saber dónde hallarle!”? ¿Era tan fuerte la fe de Pedro cuando se acobardó ante una criada como cuando estaba dispuesto a ir a la cárcel y a la muerte? ¿O la de Abraham cuando negó que Sara fuera su mujer, y cuando con solo trescientos dieciocho hombres persiguió e hirió al ejército de cuatro reyes poderosos?
Si la fe nunca fluctúa, nunca baja y nunca sube, entonces tenemos en seguida la seguridad muerta de un mero profesante; entonces la fe está bajo nuestra propia custodia; entonces no depende de la sonrisa o del ceño de Dios; entonces ya no somos mendigos y quebrados que viven de provisiones dadas o retenidas, sino independientes y autosuficientes; entonces “no se mudan, ni temen a Dios”.
Pero si la fe tiene sus bajamares y pleamares, ¿cuál es la causa? ¿Está en nosotros mismos? ¿Podemos añadir a su estatura un codo, o hacer uno de sus cabellos blanco o negro? Si no, entonces sus bajamares y pleamares han de venir de Dios.
Al lector…
Puede ser que su fe esté hoy como el mercurio en un tiempo sombrío, hundida bajo el peso de una prueba aguda. ¿Teme por eso no haber tenido nunca fe? Mire entonces a Job, que una vez, en la primavera de su alma, tenía el secreto de Dios en su tienda, y más tarde clamó: “¡Quién me diera el saber dónde hallarle!”. Mire a Pedro y a Abraham. Su fe subía y bajaba, y sin embargo eran hijos de Dios.
Una fe que nunca vacila es con demasiada frecuencia una fe de nuestra propia hechura. Pero su bajamar y su pleamar son señal de que usted tiene que ver con un Dios vivo, que hace subir y bajar la fe según Su sabiduría. Usted no puede hacerla subir por sí mismo, como tampoco puede hacer un cabello blanco o negro. Espere, pues, en Él, para que su fe no esté fundada en sabiduría de hombres, sino en poder de Dios.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl