6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
13 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Wie zijt gij, o grote berg? Voor het aangezicht Zerubbabels zult gij worden tot een vlak veld, want hij zal de hoofdsteen voortbrengen, met toeroepingen: Genade, genade zij dezelve!
Zacharia 4:7
Indien de wezenlijke tempel was opgebouwd zonder enige moeite; indien alles gemakkelijk en gelijkmatig was geschied, zouden er geen toeroepingen van „genade, genade” geweest zijn bij zijn voltooiing. Maar toen men gezien had hoe de Heere enige weinige zwakke bannelingen van Babel had teruggebracht; toen Hij hen had gesteund onder en gedragen door al hun moeilijkheden; en hoe Hij, Die de grondslag gelegd had, de hoofdsteen had voortgebracht, konden allen die erbij stonden, zeggen: „Genade, genade zij dezelve.” Het waren juist die moeilijkheden en beproevingen die hen zo eenstemmig de juichtoon deden aanheffen, en hart en ziel met de stem deden paren, toen zij riepen: „Genade, genade zij dezelve.”
En wie zal hiernamaals het luidst roepen? Hij die het meest de vele zonden heeft gekend en gevoeld, om zijn ziel in smart en leed te doen verzinken, en de vele genade over de zonde, om hem te doen zegevieren en juichen. Wie zal het meest reden hebben om te zingen: „Genade, genade”? De verloren ellendeling, die duizenden malen gevreesd heeft dat hij ter helle zou varen, en toch door souvereine genade daaruit verlost en tot hemelse heerlijkheid en vreugde gebracht is. Geen ander kan in dat lied instemmen, en ik weet zeker dat niemand anders ermee zal instemmen dan hij die bij ervaring en met smart de bitterheid der zonde en het kwaad van een bedorven hart gekend heeft, en het toch gezien heeft dat genade over alles heeft gezegevierd, ondanks duivel, wereld en zichzelf, en hem gebracht heeft tot die gezegende plaats, waar hij, ondanks zijn vrees van er nooit te zullen komen, gebracht is.
Hij heeft, o God, van U begeerd
het onvergank’lijk leven.
Gij hebt het hem gegeven.
Zo zijn de dagen hem vermeêrd,
zo leeft de Vorst altoos,
zo leeft hij eindeloos.
Ps. 21:4
Aan de lezer…
Vermoeide pelgrim, is uw weg vol moeilijkheden, en staat er een grote berg voor u die u niet kunt verzetten? Hebt u duizenden malen gevreesd dat u ter helle zou varen, en kent u met smart de bitterheid der zonde en het kwaad van een bedorven hart? Denk dan niet dat dit alles u buitensluit van het lied der verlosten. Het waren juist de moeilijkheden die de bannelingen eenstemmig deden juichen.
Want Hij, Die de grondslag gelegd heeft, zal ook de hoofdsteen voortbrengen. Wie het meest de vele zonden heeft gekend, zal het luidst roepen van de vele genade over de zonde. Zo kan ook uw vrees van er nooit te zullen komen eens beschaamd worden, wanneer genade over alles heeft gezegevierd, ondanks duivel, wereld en uzelf. Dan zal ook uw hart en ziel met de stem paren: „Genade, genade zij dezelve!”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Wie zijt gij, o grote berg? Voor het aangezicht Zerubbabels zult gij worden tot een vlak veld, want hij zal de hoofdsteen voortbrengen, met toeroepingen: Genade, genade zij dezelve!
Zacharia 4:7
Als de letterlijke tempel zonder enige moeite was opgebouwd, en alles gemakkelijk en zonder hindernis was verlopen, dan zouden er bij de voltooiing geen toeroepingen van „genade, genade” geklonken hebben. Maar men had gezien hoe de Heere enkele zwakke ballingen uit Babel had teruggebracht. Men had gezien hoe Hij hen in en door al hun moeilijkheden had gesteund en gedragen, en hoe Hij, Die de grondslag gelegd had, de hoofdsteen had voortgebracht. Toen konden allen die erbij stonden zeggen: „Genade, genade zij dezelve.” Juist die moeilijkheden en beproevingen deden hen zo eenstemmig de juichtoon aanheffen, en deden hart en ziel samengaan met de stem, toen zij riepen: „Genade, genade zij dezelve.”
En wie zal straks in de eeuwigheid het luidst roepen? Hij die het diepst de vele zonden heeft gekend en gevoeld, die zijn ziel in smart en leed deden wegzinken, en ook de overvloedige genade over de zonde, die hem deed zegevieren en juichen. Wie zal de meeste reden hebben om te zingen: „Genade, genade”? De verloren ellendeling die duizenden keren gevreesd heeft dat hij ter helle zou varen, en toch door soevereine genade daaruit verlost en tot hemelse heerlijkheid en vreugde gebracht is. Geen ander kan in dat lied instemmen. Ik weet zeker dat niemand anders erin zal instemmen dan hij die door ervaring en met smart de bitterheid van de zonde en het kwaad van een bedorven hart gekend heeft. Toch heeft hij gezien dat de genade over alles heeft gezegevierd, ondanks de duivel, de wereld en hemzelf, en dat zij hem gebracht heeft op die gezegende plaats, waar hij terechtgekomen is, ondanks zijn vrees dat hij er nooit zou komen.
Hij heeft, o God, van U begeerd
het onvergank’lijk leven.
Gij hebt het hem gegeven.
Zo zijn de dagen hem vermeêrd,
zo leeft de Vorst altoos,
zo leeft hij eindeloos.
Ps. 21:4
Aan de lezer…
Vermoeide pelgrim, is uw weg vol moeilijkheden, en staat er een grote berg voor u die u niet kunt verzetten? Hebt u duizenden keren gevreesd dat u ter helle zou varen, en kent u met smart de bitterheid van de zonde en het kwaad van een bedorven hart? Denk dan niet dat dit alles u buitensluit van het lied van de verlosten. Juist de moeilijkheden deden de ballingen eenstemmig juichen.
Want Hij, Die de grondslag gelegd heeft, zal ook de hoofdsteen voortbrengen. Wie het diepst de vele zonden heeft gekend, zal het luidst roepen over de overvloedige genade over de zonde. Zo kan ook uw vrees dat u er nooit zult komen eens beschaamd worden, wanneer de genade over alles heeft gezegevierd, ondanks de duivel, de wereld en uzelf. Dan zullen ook uw hart en ziel met uw stem instemmen: „Genade, genade zij dezelve!”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Who art thou, O great mountain? before Zerubbabel thou shalt become a plain: and he shall bring forth the headstone thereof with shoutings, crying, Grace, grace unto it.
Zechariah 4:7
If the literal temple had been built up without any trouble whatever; if all had gone on smooth and easy, there would not have been any shouting of “Grace, grace,” when it was finished. But when it was seen how the Lord had brought a few feeble exiles from Babylon; how He had supported them amid and carried them through all their troubles; and how He that laid the foundation had brought forth the head-stone, all that stood by could say, “Grace, grace unto it.” It was these very perplexities and trials that made them join so cheerily in the shout, and made the heart and soul to leap with the lips, when they burst forth with “Grace, grace unto it.” And who will shout the loudest hereafter?
He that has known and felt the most of the aboundings of sin to sink his soul down into grief and sorrow, and most of the super-aboundings of grace over sin to make him triumph and rejoice. Who will have most reason to sing, “Grace, grace?” The lost and ruined wretch, who has feared that he would go to hell a thousand times over, and yet has been delivered thence by sovereign grace, and brought to the glory and joy of heaven.
No other person is fit to join in that song; and I am sure no other will join in it but he who has known painfully and experimentally the bitterness of sin and the evil of a depraved heart; and yet has seen and felt that grace has triumphed over all, in spite of the devil, in spite of the world, and in spite of himself, and brought him to that blessed place where many times he was afraid he would never come.
To the reader…
Weary pilgrim, is your way full of difficulties, and is there a great mountain before you that you cannot move? Have you feared a thousand times that you would go to hell, and do you know with sorrow the bitterness of sin and the evil of a depraved heart? Then do not think that all this shuts you out of the song of the redeemed. It was the very difficulties that made the exiles shout with one voice.
For He Who laid the foundation will also bring forth the headstone. Whoever has most deeply known the aboundings of sin will shout the loudest over the super-aboundings of grace. So your fear that you will never get there may one day be put to shame, when grace has triumphed over everything, in spite of the devil, the world and yourself. Then your heart and soul too will join with your voice: “Grace, grace unto it!”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
¿Quién eres tú, oh gran monte? Delante de Zorobabel serás reducido a llanura: él sacará la primera piedra con aclamaciones de Gracia, gracia a ella.
Zacarías 4:7
Si el templo literal se hubiera edificado sin dificultad alguna; si todo hubiera marchado suave y fácilmente, no habría habido ninguna aclamación de “Gracia, gracia” al terminarlo. Pero cuando se vio cómo el Señor había traído de Babilonia a unos pocos desterrados débiles; cómo los había sostenido en medio de todas sus dificultades y los había llevado a través de ellas; y cómo Aquel que había puesto el fundamento había sacado la piedra principal, todos los presentes pudieron decir: “Gracia, gracia a ella”. Fueron precisamente esas perplejidades y pruebas las que les hicieron unirse con tanta alegría a la aclamación, y las que hicieron saltar el corazón y el alma junto con los labios, cuando prorrumpieron en “Gracia, gracia a ella”. ¿Y quién aclamará con más fuerza en el más allá?
Aquel que más ha conocido y sentido la abundancia del pecado, que hundió su alma en aflicción y tristeza, y más la sobreabundancia de la gracia sobre el pecado, que le hace triunfar y regocijarse. ¿Quién tendrá más motivo para cantar “Gracia, gracia”? El miserable perdido y arruinado, que mil veces ha temido ir al infierno, y que sin embargo ha sido librado de él por la gracia soberana y llevado a la gloria y al gozo del cielo.
Ninguna otra persona es apta para unirse a ese cántico; y estoy seguro de que ningún otro se unirá a él, sino aquel que ha conocido dolorosa y experimentalmente la amargura del pecado y la maldad de un corazón depravado; y que, no obstante, ha visto y sentido que la gracia ha triunfado sobre todo, a pesar del diablo, a pesar del mundo y a pesar de sí mismo, y le ha llevado a aquel lugar bendito al que muchas veces temió no llegar jamás.
Al lector…
Peregrino cansado, ¿está su camino lleno de dificultades, y se alza delante de usted un gran monte que no puede mover? ¿Ha temido mil veces ir al infierno, y conoce con dolor la amargura del pecado y la maldad de un corazón depravado? Entonces no piense que todo esto le excluye del cántico de los redimidos. Fueron precisamente las dificultades las que hicieron que los desterrados aclamaran a una voz.
Porque Aquel que puso el fundamento sacará también la piedra principal. Quien más profundamente ha conocido la abundancia del pecado aclamará con más fuerza la sobreabundancia de la gracia. Así, su temor de no llegar jamás puede un día quedar avergonzado, cuando la gracia haya triunfado sobre todo, a pesar del diablo, del mundo y de usted mismo. Entonces también su corazón y su alma se unirán a su voz: “¡Gracia, gracia a ella!”
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Bevinding
Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht.
2 Korinthe 12:9
Wat een genade is het te denken dat men zo weinig vroomheid heeft! Sommigen zeggen wellicht: „Ik begrijp niet wat u met die uitdrukking bedoelt, dat het een genade is te denken dat men zo weinig vroomheid heeft; ik ben het niet met u eens, want volgens mij is het helemaal geen genade, aangezien ik graag veel meer wil hebben dan ik volgens mij bezit.” Maar stelt u zich voor dat u en ik alle vroomheid hadden die we willen hebben, zou er dan niet een groot gevaar bestaan dat wij die vroomheid stellen in plaats van Jezus Christus? En in plaats van arm en behoeftig, leeg en naakt tot de Heere te komen, zoals we nu gehouden zijn te komen, aangezien we niets van onszelf hebben en zijn, zouden we niet eerder bereid zijn tot Hem te komen met onze vroomheid om op te rusten, en ons aan Zijn gunst toe te vertrouwen?
Is het dus eigenlijk geen genade erachter te komen dat we zo weinig vroomheid hebben, als we daardoor arm en behoeftig, leeg en naakt Christus’ volheid deelachtig kunnen worden, en genade voor genade? Want hoe minder we menen te hebben, des te meer willen we bezitten; hoe leger we onszelf vinden, des te meer willen we gevuld worden, en een des te grotere bekwaamheid om te ontvangen willen we hebben; hoe zwakker we zijn, des te meer willen we dat Christus’ kracht in onze zwakheid wordt volbracht (2 Kor. 12:9); hoe dwazer we ons voelen, des te meer hebben we Gods onderricht nodig, en des te meer wordt Gods wijsheid in onze dwaasheid vergroot; en hoe hulpelozer we zijn, des te meer hebben we de hulp van de Heere nodig. Zodat, in plaats van dat het droevig en betreurenswaardig is te denken dat we zo weinig vroomheid bezitten, het onze zegen is te beseffen hoe weinig we hebben, als we, in het besef van onze leegte, komen om Christus’ volheid deelachtig te kunnen zijn.
Lezen: 2 Korinthe 12:1-10
Aan de lezer…
Wie zou niet klagen dat hij zo weinig vroomheid heeft? Zucht u dat uw ziel zo leeg, zo arm en zo zwak is, en dat u zo veel meer zou willen bezitten dan u in uzelf vindt? Het is een bittere ontdekking, en toch kan zij een genade zijn. Want hadden wij alle vroomheid die wij begeren, hoe licht zouden wij haar stellen in de plaats van Jezus Christus en met onze eigen schat tot Hem komen.
Nu mag u komen zoals u gehouden bent te komen: arm en behoeftig, leeg en naakt. Hoe leger u uzelf vindt, des te meer verlangt u gevuld te worden; hoe zwakker u bent, des te meer kan Zijn kracht in uw zwakheid volbracht worden. Laat dan uw gebrek u niet van Hem afdrijven, maar tot Hem heen. Zijn genade is u genoeg, en uit Zijn volheid is er genade voor genade.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht.
2 Korinthe 12:9
Wat een genade is het te denken dat men zo weinig vroomheid heeft! Sommigen zeggen misschien: „Ik begrijp niet wat u met die uitdrukking bedoelt, dat het een genade is te denken dat men zo weinig vroomheid heeft; ik ben het niet met u eens, want volgens mij is het helemaal geen genade, aangezien ik graag veel meer wil hebben dan ik volgens mij bezit.” Maar stel dat u en ik alle vroomheid hadden die we zouden willen hebben. Zou er dan niet een groot gevaar bestaan dat wij die vroomheid in de plaats van Jezus Christus stelden? Nu moeten we arm en behoeftig, leeg en naakt tot de Heere komen, omdat we niets van onszelf hebben en zijn. Zouden we dan niet eerder geneigd zijn met onze vroomheid tot Hem te komen, om daarop te rusten en ons zo aan Zijn gunst toe te vertrouwen?
Is het dus eigenlijk geen genade te ontdekken dat we zo weinig vroomheid hebben, als we daardoor, arm en behoeftig, leeg en naakt, deel mogen krijgen aan Christus’ volheid, en genade voor genade? Want hoe minder we menen te hebben, des te meer willen we bezitten. Hoe leger we onszelf vinden, des te meer willen we gevuld worden, en des te groter is het vermogen om te ontvangen dat we wensen. Hoe zwakker we zijn, des te meer willen we dat Christus’ kracht in onze zwakheid volbracht wordt (2 Kor. 12:9). Hoe dwazer we ons voelen, des te meer hebben we Gods onderwijs nodig, en des te meer wordt Gods wijsheid in onze dwaasheid groot gemaakt. En hoe hulpelozer we zijn, des te meer hebben we de hulp van de Heere nodig.
Het is dus niet droevig en betreurenswaardig te denken dat we zo weinig vroomheid bezitten. Integendeel, het is onze zegen te beseffen hoe weinig we hebben, als we in het besef van onze leegte komen om deel te krijgen aan Christus’ volheid.
Lezen: 2 Korinthe 12:1-10
Aan de lezer…
Wie zou niet klagen dat hij zo weinig vroomheid heeft? Zucht u dat uw ziel zo leeg, zo arm en zo zwak is, en dat u zo veel meer zou willen bezitten dan u in uzelf vindt? Het is een bittere ontdekking, en toch kan zij een genade zijn. Want als wij alle vroomheid hadden die wij begeren, hoe snel zouden wij haar dan in de plaats van Jezus Christus stellen en met onze eigen schat tot Hem komen.
Nu mag u komen zoals u moet komen: arm en behoeftig, leeg en naakt. Hoe leger u uzelf vindt, des te meer verlangt u gevuld te worden; hoe zwakker u bent, des te meer kan Zijn kracht in uw zwakheid volbracht worden. Laat uw gebrek u dan niet van Hem afdrijven, maar naar Hem toe. Zijn genade is u genoeg, en uit Zijn volheid is er genade voor genade.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
My grace is sufficient for thee: for My strength is made perfect in weakness.
2 Corinthians 12:9
What a mercy it is to think that we have so little religion! Some may say, “I do not understand what you mean by that expression, that it is a mercy to think we have so little religion; I do not agree with you, for to my mind it is no mercy at all, since I want to have much more than I think I possess.” But suppose that you and I had all the religion we should like to have. Would there not then be great danger that we should put that religion in the place of Jesus Christ? Now we must come to the Lord poor and needy, empty and naked, because we have and are nothing of ourselves. Should we not then rather be inclined to come to Him with our religion, to rest upon it and so to commend ourselves to His favour?
Is it not, then, really a mercy to discover that we have so little religion, if thereby, poor and needy, empty and naked, we may receive of Christ’s fulness, and grace for grace? For the less we think we have, the more we want to possess. The emptier we find ourselves, the more we want to be filled, and the greater is the capacity to receive what we desire. The weaker we are, the more we want Christ’s strength to be made perfect in our weakness (2 Corinthians 12:9). The more foolish we feel, the more we need God’s teaching, and the more is God’s wisdom magnified in our folly. And the more helpless we are, the more we need the Lord’s help.
It is not, then, a sad and lamentable thing to think that we possess so little religion. On the contrary, it is our blessing to feel how little we have, if in the sense of our emptiness we come to receive of Christ’s fulness.
Reading: 2 Corinthians 12:1-10
To the reader…
Who would not complain that he has so little religion? Do you sigh that your soul is so empty, so poor and so weak, and that you would like to possess so much more than you find in yourself? It is a bitter discovery, and yet it can be a mercy. For if we had all the religion we desire, how quickly we would put it in the place of Jesus Christ and come to Him with our own treasure.
Now you may come as you must come: poor and needy, empty and naked. The emptier you find yourself, the more you long to be filled; the weaker you are, the more His strength can be made perfect in your weakness. Do not let your want drive you away from Him, then, but towards Him. His grace is sufficient for you, and out of His fulness there is grace for grace.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Bástate Mi gracia; porque Mi potencia en la flaqueza se perfecciona.
2 Corintios 12:9
¡Qué misericordia es pensar que tenemos tan poca religión! Alguno dirá: “No entiendo lo que usted quiere decir con esa expresión, que es una misericordia pensar que tenemos tan poca religión; no estoy de acuerdo con usted, porque a mi parecer no es misericordia alguna, pues quiero tener mucho más de lo que creo poseer”. Pero supongamos que usted y yo tuviéramos toda la religión que quisiéramos tener. ¿No habría entonces gran peligro de que pusiéramos esa religión en el lugar de Jesucristo? Ahora debemos venir al Señor pobres y necesitados, vacíos y desnudos, porque de nosotros mismos nada tenemos ni somos. ¿No estaríamos entonces más bien inclinados a venir a Él con nuestra religión, a apoyarnos en ella y así hacernos gratos a Su favor?
¿No es, pues, realmente una misericordia descubrir que tenemos tan poca religión, si por ello, pobres y necesitados, vacíos y desnudos, podemos recibir de la plenitud de Cristo, y gracia por gracia? Porque cuanto menos creemos tener, más deseamos poseer. Cuanto más vacíos nos hallamos, más deseamos ser llenados, y mayor es la capacidad para recibir lo que deseamos. Cuanto más débiles somos, más deseamos que la potencia de Cristo se perfeccione en nuestra flaqueza (2 Corintios 12:9). Cuanto más necios nos sentimos, más necesitamos la enseñanza de Dios, y más se engrandece la sabiduría de Dios en nuestra necedad. Y cuanto más desvalidos somos, más necesitamos la ayuda del Señor.
No es, pues, algo triste y lamentable pensar que poseemos tan poca religión. Al contrario, es nuestra bendición sentir cuán poco tenemos, si en el sentimiento de nuestro vacío venimos a recibir de la plenitud de Cristo.
Lectura: 2 Corintios 12:1-10
Al lector…
¿Quién no se quejaría de tener tan poca religión? ¿Suspira usted porque su alma está tan vacía, tan pobre y tan débil, y porque quisiera poseer mucho más de lo que halla en sí mismo? Es un descubrimiento amargo, y sin embargo puede ser una misericordia. Porque si tuviéramos toda la religión que deseamos, cuán pronto la pondríamos en el lugar de Jesucristo y vendríamos a Él con nuestro propio tesoro.
Ahora usted puede venir como debe venir: pobre y necesitado, vacío y desnudo. Cuanto más vacío se halla, más anhela ser llenado; cuanto más débil es, más puede Su potencia perfeccionarse en su flaqueza. No deje, pues, que su necesidad lo aparte de Él, sino que lo lleve hacia Él. Su gracia le basta, y de Su plenitud hay gracia por gracia.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
En desgelijks komt ook de Geest onze zwakheden mede te hulp; want wij weten niet wat wij bidden zullen, gelijk het behoort; maar de Geest Zelf bidt in ons met onuitsprekelijke zuchtingen.
Romeinen 8:26
„Wij weten niet wat wij bidden zullen, gelijk het behoort.” Hoe dikwijls bevinden wij dat dit met ons het geval is! De donkerheid verdekt onze geest, onkunde strekt zich over onze ziel uit, ongeloof kwelt onze geest, schuld verontrust onze consciëntie, een menigte van boze denkbeelden, dwaze, ja erger dan dwaze omzwervingen, verstrooien onze gedachten. De satan schiet zijn vurige pijlen op ons af en de genadestoel is als met een dikke wolk overdekt. Het ongeloof fluistert zijn lage bedenkingen in, totdat in het midden van al dit raaskallend gepeupel zulk een verwarring en dienstbaarheid ontstaat, dat de woorden slechts als een ijdel verhaal en het gebed tot de God des hemels als enkel bedrog voorkomen.
Hoe dierbaar is het dan, als in dit toneel van verwarring en verstrooiing, wanneer alles schijnt schipbreuk te lijden, de gezegende Geest inkomt om verlossing te brengen aan de verbijsterde heilige en hem onderricht hoe te bidden en waarom te bidden. Er wordt dan ook van Hem gezegd dat Hij onze zwakheden mede te hulp komt; want deze boosheden, waarvan wij gesproken hebben, zijn geen opzettelijke, tevoren overlegde zonden, maar ellendige zwakheden van het vlees.
Hij helpt dan onze zwakheden door de kracht en de invloed van het ongeloof te onderwerpen, door een stille kalmte in de geest te verwekken; door de satan met zijn vurige pijlen op de vlucht te drijven; door de ziel te vervullen met een eerbiedige vrees voor en besef van de majesteit en de tegenwoordigheid Gods; door de Heere Jezus voor ogen te stellen als de Middelaar aan de rechterhand des Vaders; door het geloof op te wekken om te zien op Zijn Persoon en werk, op Zijn bloed en gerechtigheid; en boven alles door Hem te zien tussentreden voor ons en in ons met onuitsprekelijke zuchtingen. Wanneer de ziel zo verwaardigd wordt te bidden, dan zijn haar smekingen een geestelijke offerande, en haar geroep klimt op in de oren van de Heere Zebaoth. „Want Hij, Die de harten onderzoekt, weet welke de mening des Geestes zij, omdat Hij overeenkomstig de wil van God voor de heiligen bidt” (Rom. 8:27; Jac. 5:4; 1 Petr. 2:5).
Aan de lezer…
Lezer, zit u soms voor de genadestoel en weet u niet wat u bidden zult? Verdekt de donkerheid uw geest, kwelt het ongeloof u en zijn uw gedachten verstrooid, zodat het gebed u als enkel bedrog voorkomt? Wanhoop dan niet aan uzelf, alsof u nooit een kind van God zou kunnen zijn. Deze dingen zijn ellendige zwakheden van het vlees, en het is juist bij die zwakheden dat de Geest mede te hulp komt.
Wanneer alles schijnt schipbreuk te lijden, kan Hij inkomen en een stille kalmte in de geest verwekken. Hij drijft de vurige pijlen op de vlucht, stelt de Heere Jezus voor uw ogen als de Middelaar aan de rechterhand des Vaders en doet u zien op Zijn bloed en gerechtigheid. Dan wordt uw zucht een geestelijke offerande, en uw geroep klimt op in de oren van de Heere Zebaoth. Wacht dan op Hem; Hij bidt met onuitsprekelijke zuchtingen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En desgelijks komt ook de Geest onze zwakheden mede te hulp; want wij weten niet wat wij bidden zullen, gelijk het behoort; maar de Geest Zelf bidt in ons met onuitsprekelijke zuchtingen.
Romeinen 8:26
„Wij weten niet wat wij bidden zullen, gelijk het behoort.” Hoe vaak ervaren wij dat dit bij ons zo is! Duisternis bedekt onze geest, onwetendheid spreidt zich over onze ziel uit, ongeloof kwelt onze geest en schuld verontrust ons geweten. Een menigte boze voorstellingen en dwaze, ja erger dan dwaze, omzwervingen verstrooien onze gedachten. Satan schiet zijn vurige pijlen op ons af, en de genadetroon is als met een dikke wolk bedekt. Het ongeloof fluistert zijn lage bedenkingen in, totdat er midden in dit hele razende gepeupel zo’n verwarring en dienstbaarheid ontstaat, dat de woorden alleen nog als een ijdel verhaal lijken en het gebed tot de God van de hemel als louter bedrog.
Hoe dierbaar is het dan wanneer, in dit tafereel van verwarring en verstrooiing, waarin alles schipbreuk lijkt te lijden, de gezegende Geest binnenkomt om verlossing te brengen aan de verbijsterde heilige en hem te onderwijzen hoe hij moet bidden en waarom hij moet bidden. Daarom wordt er van Hem ook gezegd dat Hij onze zwakheden mede te hulp komt. Want deze boosheden waarover wij gesproken hebben, zijn geen opzettelijke, vooraf overwogen zonden, maar ellendige zwakheden van het vlees.
Hij helpt dan onze zwakheden door de kracht en de invloed van het ongeloof te onderwerpen en door een stille kalmte in de geest te wekken. Hij doet het door satan met zijn vurige pijlen op de vlucht te jagen, door de ziel te vervullen met een eerbiedige vrees voor en een besef van de majesteit en de tegenwoordigheid van God, en door de Heere Jezus voor ogen te stellen als de Middelaar aan de rechterhand van de Vader. Hij doet het door het geloof op te wekken om te zien op Zijn Persoon en werk, op Zijn bloed en gerechtigheid; en boven alles doordat wij Hem zien tussenbeide treden voor ons en in ons met onuitsprekelijke zuchtingen. Wanneer de ziel zo verwaardigd wordt te bidden, dan zijn haar smekingen een geestelijke offerande, en haar geroep stijgt op in de oren van de Heere Zebaoth. „Want Hij, Die de harten onderzoekt, weet welke de mening des Geestes zij, omdat Hij overeenkomstig de wil van God voor de heiligen bidt” (Rom. 8:27; Jac. 5:4; 1 Petr. 2:5).
Aan de lezer…
Lezer, zit u soms voor de genadetroon en weet u niet wat u moet bidden? Bedekt de duisternis uw geest, kwelt het ongeloof u en zijn uw gedachten verstrooid, zodat het gebed u als louter bedrog voorkomt? Wanhoop dan niet aan uzelf, alsof u nooit een kind van God zou kunnen zijn. Deze dingen zijn ellendige zwakheden van het vlees, en juist bij die zwakheden komt de Geest mede te hulp.
Wanneer alles schipbreuk lijkt te lijden, kan Hij binnenkomen en een stille kalmte in de geest wekken. Hij jaagt de vurige pijlen op de vlucht, stelt de Heere Jezus u voor ogen als de Middelaar aan de rechterhand van de Vader en laat u zien op Zijn bloed en gerechtigheid. Dan wordt uw zucht een geestelijke offerande, en uw geroep stijgt op in de oren van de Heere Zebaoth. Wacht dan op Hem; Hij bidt met onuitsprekelijke zuchtingen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Likewise the Spirit also helpeth our infirmities: for we know not what we should pray for as we ought: but the Spirit itself maketh intercession for us with groanings which cannot be uttered.”
Romans 8:26
“We know not what we should pray for as we ought.” How often do we find and feel this to be our case. Darkness covers our mind; ignorance pervades our soul; unbelief vexes our spirit; guilt troubles our conscience; a crowd of evil imaginations, or foolish or worse than foolish wanderings distract our thoughts; Satan hurls in thick and fast his fiery darts; a dense cloud is spread over the mercy-seat; infidelity whispers its vile suggestions, until, amid all this rabble throng, such confusion and bondage prevail that words seem idle breath, and prayer to the God of heaven but empty mockery.
In this scene of confusion and distraction, when all seems going to the wreck, how kind, how gracious is it in the blessed Spirit to come, as it were, to the rescue of the poor bewildered saint, and to teach him how to pray and what to pray for. He is therefore said “to help our infirmities,” for these evils of which we have been speaking are not willful, deliberate sins, but wretched infirmities of the flesh.
He helps, then, our infirmities by subduing the power and prevalence of unbelief; by commanding in the mind a solemn calm; by rebuking and chasing away Satan and his fiery darts; by awing the soul with a reverential sense of the power and presence of God; by presenting Jesus before our eyes as the Mediator at the right hand of the Father; by raising up and drawing forth faith upon His Person and work, blood and righteousness; and, above all, by Himself interceding for us and in us “with groanings which cannot be uttered.” When the soul is favored thus to pray, its petitions are a spiritual sacrifice, and its cries enter the ears of the Lord Almighty, for “He that searches the hearts knows what is the mind of the Spirit, because He makes intercession for the saints according to the will of God” (Rom. 8:27; James 5:4; 1 Peter 2:5).
To the reader…
Reader, do you sometimes sit before the throne of grace and not know what to pray? Does darkness cover your mind, does unbelief vex you, and are your thoughts so scattered that prayer seems to you nothing but empty mockery? Then do not despair of yourself, as if you could never be a child of God. These things are wretched infirmities of the flesh, and it is precisely with these infirmities that the Spirit comes to help.
When everything seems to be going to the wreck, He can come in and command a quiet calm in the mind. He chases away the fiery darts, sets the Lord Jesus before your eyes as the Mediator at the right hand of the Father, and enables you to look to His blood and righteousness. Then your sigh becomes a spiritual sacrifice, and your cry enters the ears of the Lord of Sabaoth. Wait, then, upon Him; He intercedes with groanings which cannot be uttered.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Y asimismo también el Espíritu ayuda nuestra flaqueza: porque qué hemos de pedir como conviene, no lo sabemos; sino que el mismo Espíritu pide por nosotros con gemidos indecibles.”
Romanos 8:26
“Qué hemos de pedir como conviene, no lo sabemos.” ¡Cuántas veces hallamos y sentimos que este es nuestro caso! Las tinieblas cubren nuestra mente; la ignorancia invade nuestra alma; la incredulidad atormenta nuestro espíritu; la culpa turba nuestra conciencia; una multitud de malas imaginaciones, o divagaciones necias o peores que necias, distraen nuestros pensamientos; Satanás arroja densos y rápidos sus dardos de fuego; una nube espesa se extiende sobre el propiciatorio; la infidelidad susurra sus viles sugestiones, hasta que, en medio de toda esta turba tumultuosa, prevalecen tal confusión y tal servidumbre que las palabras parecen aliento vano, y la oración al Dios del cielo no más que una burla vacía.
En esta escena de confusión y distracción, cuando todo parece ir al naufragio, ¡qué bondadoso, qué lleno de gracia es el bendito Espíritu al venir, por así decirlo, al rescate del pobre santo desconcertado, y enseñarle cómo orar y qué pedir! Por eso se dice que “ayuda nuestra flaqueza”, pues estos males de que hemos hablado no son pecados voluntarios y deliberados, sino miserables flaquezas de la carne.
Él ayuda, pues, nuestras flaquezas sometiendo el poder y el predominio de la incredulidad; imponiendo en la mente una calma solemne; reprendiendo y ahuyentando a Satanás y sus dardos de fuego; sobrecogiendo el alma con un sentido reverente del poder y la presencia de Dios; presentando a Jesús ante nuestros ojos como el Mediador a la diestra del Padre; levantando y haciendo brotar la fe en Su Persona y obra, Su sangre y Su justicia; y, sobre todo, intercediendo Él mismo por nosotros y en nosotros “con gemidos indecibles”. Cuando al alma se le concede orar así, sus peticiones son un sacrificio espiritual, y sus clamores entran en los oídos del Señor Todopoderoso, porque “el que escudriña los corazones, sabe cuál es el intento del Espíritu, porque conforme á la voluntad de Dios, demanda por los santos” (Rom. 8:27; Sant. 5:4; 1 Pedro 2:5).
Al lector…
Lector, ¿se sienta usted a veces ante el trono de la gracia sin saber qué pedir? ¿Cubren las tinieblas su mente, le atormenta la incredulidad, y están sus pensamientos tan dispersos que la oración le parece no más que una burla vacía? Entonces no desespere de sí mismo, como si nunca pudiera ser hijo de Dios. Estas cosas son miserables flaquezas de la carne, y es precisamente con estas flaquezas que el Espíritu viene a ayudar.
Cuando todo parece ir al naufragio, Él puede entrar e imponer una calma serena en la mente. Ahuyenta los dardos de fuego, pone al Señor Jesús ante sus ojos como el Mediador a la diestra del Padre, y le capacita para mirar a Su sangre y Su justicia. Entonces su suspiro se vuelve un sacrificio espiritual, y su clamor entra en los oídos del Señor de los ejércitos. Espere, pues, en Él; Él intercede con gemidos indecibles.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl