5 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Gij zijt opgevaren in de hoogte; Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd; Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen, ja, ook de wederhorigen, om bij U te wonen, o Heere God!
Psalm 68:19
Hoe pijnlijk is het weerspannig te zijn! Er is bijna geen pijnlijker gevoel voor een mens wiens geweten vertederd is in de vreze Gods. Weerspannig te zijn tegen een heilig en wijs God; weerspannig tegen Zijn wegen en Zijn voorzienigheid; tegen Zijn onderwijs in de genade, omdat wij niet meer zien van het licht Zijns aanschijns! Wij weten dat God in niet één Zijner wegen dwalen kan, en toch van tijd tot tijd in zulk een vreselijke opstand tegen God te zijn, o, hoe pijnlijk is dat!
De minste kleinigheid kan die opstand doen ontstaan. Er is geen storm of rukwind nodig om zijn trotse golven te doen verheffen. Het minste windje, het zachtste koeltje dat waait, zal somtijds de baren van het weerspannig hart doen stijgen en met de grootste onstuimigheid doen zwellen. Maar welk een barmhartigheid is het voor de arme ziel, die kermt en treurt onder een weerspannig hart, dat die opgevaren Middelaar gaven voor haar ontvangen heeft!
Het is niet uw geduld, uw zachtmoedigheid en goedaardigheid, noch uw zachte en stille gemoedsgesteldheid, die de genade doet nederdalen in uw harten; maar God de Vader heeft al de genade en alle giften van de Geest in Zijn lieve Zoon gelegd, en zij worden u gegeven omdat gij deel hebt aan Zijn bloed en Zijn gerechtigheid. Dat leert ons de Heere. Zo wij altijd geduldig, volgzaam, heilig en onderworpen waren, nooit verontrust werden door de duivel en nimmer de werkingen van het bederf in ons gevoelden, zouden wij beginnen te geloven dat wij in staat waren Gode in onszelf te behagen. Maar zo wij door een pijnlijke ervaring geleerd hebben welk een ontaarde natuur en welk een weerspannig hart wij in ons omdragen, dan weten wij door genade vanwaar dat komt, en leren wij een afschuw aan onszelf krijgen en Zijn heilige Naam verheerlijken.
Gij deedt mij veel benauwdheid smaken
en drukkend harteleed,
maar tot mijn hulp gereed
zult Gij mij weder levend maken,
mij uit de afgrond trekken
en met uw vleug’len dekken.
Ps. 71:15
Aan de lezer…
Kent u, waarde lezer, die pijnlijke opstand van het hart? Het minste windje kan de baren doen stijgen, en dan schaamt u zich, want u weet dat God in niet één Zijner wegen dwalen kan. Misschien denkt u: zo’n weerspannig hart kan de Heere toch niet verdragen. Maar hoor wat hier staat: de opgevaren Middelaar heeft gaven genomen, „ja, ook de wederhorigen”.
Dat is de troost voor de arme ziel die kermt en treurt. De genade daalt niet neer om uw geduld of uw stille gemoedsgesteldheid, maar omdat de Vader alle gaven van de Geest in Zijn lieve Zoon gelegd heeft. Laat dan uw weerspannigheid u niet van Hem afdrijven, maar naar Hem heen. Ze leert u een afschuw aan uzelf, opdat u niet meer in uzelf zou rusten. En de Heere, Die u benauwdheid deed smaken, zal u weder levend maken.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Gij zijt opgevaren in de hoogte; Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd; Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen, ja, ook de wederhorigen, om bij U te wonen, o Heere God!
Psalm 68:19
Hoe pijnlijk is het weerspannig te zijn! Er is bijna geen pijnlijker gevoel voor iemand wiens geweten in de vreze Gods teder is gemaakt. Weerspannig te zijn tegen een heilig en wijs God; weerspannig tegen Zijn wegen en Zijn voorzienigheid; tegen Zijn onderwijs in de genade, omdat wij niet meer zien van het licht van Zijn aangezicht! Wij weten dat God in geen enkele van Zijn wegen kan dwalen, en toch zijn wij van tijd tot tijd in zo’n vreselijke opstand tegen God. O, hoe pijnlijk is dat!
Het geringste kan die opstand doen ontstaan. Er is geen storm of rukwind nodig om zijn trotse golven te doen opsteken. Het minste windje, het zachtste briesje kan soms de golven van het weerspannige hart doen stijgen en met de grootste onstuimigheid doen zwellen. Maar wat een barmhartigheid is het voor de arme ziel die kermt en treurt onder een weerspannig hart, dat die opgevaren Middelaar gaven voor haar ontvangen heeft!
Het is niet uw geduld, uw zachtmoedigheid en goedaardigheid, of uw zachte en stille gemoedsgesteldheid, die de genade in uw hart doet neerdalen. Nee, God de Vader heeft alle genade en alle gaven van de Geest in Zijn lieve Zoon gelegd, en zij worden u gegeven omdat u deel hebt aan Zijn bloed en Zijn gerechtigheid. Dat leert de Heere ons. Als wij altijd geduldig, volgzaam, heilig en onderworpen waren, nooit verontrust werden door de duivel en nooit de werkingen van het bederf in ons voelden, dan zouden wij gaan geloven dat wij in staat waren God uit onszelf te behagen. Maar wanneer wij door een pijnlijke bevinding geleerd hebben wat een verdorven natuur en wat een weerspannig hart wij met ons meedragen, dan weten wij door genade waar het vandaan komt, en leren wij van onszelf te walgen en Zijn heilige Naam te verheerlijken.
Gij deedt mij veel benauwdheid smaken
en drukkend harteleed,
maar tot mijn hulp gereed
zult Gij mij weder levend maken,
mij uit de afgrond trekken
en met uw vleug’len dekken.
Ps. 71:15
Aan de lezer…
Kent u die pijnlijke opstand van het hart? Het minste windje kan de golven doen stijgen, en dan schaamt u zich, want u weet dat God in geen enkele van Zijn wegen kan dwalen. Misschien denkt u: zo’n weerspannig hart kan de Heere toch niet verdragen. Maar hoor wat hier staat: de opgevaren Middelaar heeft gaven genomen, „ja, ook de wederhorigen”.
Dat is de troost voor de arme ziel die kermt en treurt. De genade daalt niet neer vanwege uw geduld of uw stille gemoedsgesteldheid, maar omdat de Vader alle gaven van de Geest in Zijn lieve Zoon gelegd heeft. Laat uw weerspannigheid u dan niet van Hem afdrijven, maar naar Hem toe. Zij leert u van uzelf te walgen, zodat u niet langer in uzelf zou rusten. En de Heere, Die u benauwdheid deed smaken, zal u weer levend maken.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Thou hast ascended on high, Thou hast led captivity captive: Thou hast received gifts for men; yea, for the rebellious also, that the LORD God might dwell among them.
Psalm 68:18
What a painful thing it is to be rebellious! There is hardly any feeling worse than rebellion to a man whose conscience is made tender in God’s fear. To have rebellion against a holy and wise God; rebellion against His dealings with us in providence; against His teachings in grace; because we have not more of the light of His countenance; because we have not more and clearer testimonies and manifestations! We know in our judgment that God cannot err in any of His dealings, and yet to find at times such dreadful rebellion against God, O how painful it is!
The least trifle can work up rebellion. It does not need a storm or a gale to lift up its proud waves. The slightest breath, the faintest breeze that blows, will at times stir up the billows of the rebellious heart, and make it swell with tumultuous heavings.
But what a mercy it is to the poor souls that groan and grieve under a rebellious heart, that this ascended Mediator has received gifts for them! It is not your patience, meekness, and good temper, nor your gentle and quiet disposition, that bring down grace into your hearts; but God the Father has lodged all the graces and gifts of the Spirit in His dear Son, and they are given to you because you have a saving interest in His blood and righteousness.
The Lord teaches us this. If we were always patient, meek, holy, submissive, never harassed by the devil, and never felt the workings of corruption, we would begin to think we had some power to please God in ourselves, and would slight and neglect a precious Saviour. But when taught by painful experience what a depraved nature and rebellious heart we carry in our bosom, when the Lord lets down a little mercy and grace into our soul, we then know the blessed quarter whence it comes, and learn to abhor ourselves and bless His holy name.
To the reader…
Do you know that painful rebellion of the heart? The slightest breeze can make the waves rise, and then you are ashamed, for you know that God cannot err in any of His ways. Perhaps you think: surely the Lord cannot bear with such a rebellious heart. But hear what is written here: the ascended Mediator has received gifts, “yea, for the rebellious also.”
That is the comfort for the poor soul that groans and grieves. Grace does not come down because of your patience or your quiet disposition, but because the Father has lodged all the gifts of the Spirit in His dear Son. So do not let your rebelliousness drive you away from Him, but toward Him. It teaches you to abhor yourself, so that you no longer rest in yourself. And the Lord, Who made you taste distress, will quicken you again.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Subiste a lo alto, cautivaste la cautividad, tomaste dones para los hombres, y también los rebeldes, para que habite entre ellos JAH Dios.
Salmo 68:18
¡Qué cosa tan dolorosa es ser rebelde! Apenas hay sentimiento peor que la rebelión para un hombre cuya conciencia ha sido hecha tierna en el temor de Dios. ¡Tener rebelión contra un Dios santo y sabio; rebelión contra Sus tratos con nosotros en la providencia; contra Sus enseñanzas en la gracia; porque no tenemos más de la luz de Su rostro; porque no tenemos más testimonios y manifestaciones, ni más claros! Sabemos en nuestro juicio que Dios no puede errar en ninguno de Sus tratos, y sin embargo hallar a veces una rebelión tan espantosa contra Dios, ¡oh, cuán doloroso es!
La menor bagatela puede levantar la rebelión. No necesita una tempestad ni un vendaval para alzar sus olas orgullosas. El soplo más leve, la brisa más tenue que sople, removerá a veces las olas del corazón rebelde y lo hará hincharse con agitaciones tumultuosas.
¡Pero qué misericordia es para las pobres almas que gimen y se afligen bajo un corazón rebelde, que este Mediador ascendido haya tomado dones para ellas! No es su paciencia, su mansedumbre y su buen carácter, ni su disposición apacible y sosegada, lo que trae la gracia a sus corazones; sino que Dios el Padre ha depositado todas las gracias y dones del Espíritu en Su amado Hijo, y se le dan a usted porque tiene una parte salvadora en Su sangre y en Su justicia.
El Señor nos enseña esto. Si fuéramos siempre pacientes, mansos, santos, sumisos, nunca acosados por el diablo, y nunca sintiéramos las obras de la corrupción, comenzaríamos a pensar que tenemos en nosotros mismos algún poder para agradar a Dios, y menospreciaríamos y descuidaríamos a un Salvador precioso. Pero cuando la experiencia dolorosa nos ha enseñado qué naturaleza depravada y qué corazón rebelde llevamos en el pecho, y el Señor deja descender un poco de misericordia y gracia a nuestra alma, entonces conocemos el bendito lugar de donde viene, y aprendemos a aborrecernos a nosotros mismos y a bendecir Su santo Nombre.
Al lector…
¿Conoce usted esa dolorosa rebelión del corazón? La brisa más leve puede hacer subir las olas, y entonces se avergüenza, porque sabe que Dios no puede errar en ninguno de Sus caminos. Quizá piense: seguramente el Señor no puede soportar un corazón tan rebelde. Pero oiga lo que aquí está escrito: el Mediador ascendido ha tomado dones, “y también los rebeldes”.
Ese es el consuelo para la pobre alma que gime y se aflige. La gracia no desciende a causa de su paciencia o de su disposición sosegada, sino porque el Padre ha depositado todos los dones del Espíritu en Su amado Hijo. No deje, pues, que su rebeldía le aleje de Él, sino que le lleve hacia Él. Ella le enseña a aborrecerse a sí mismo, para que ya no descanse en sí mismo. Y el Señor, que le hizo gustar la angustia, volverá a darle vida.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Genees mij
Genees mij, HEERE, zo zal ik genezen worden; behoud mij, zo zal ik behouden worden, want Gij zijt mijn lof.
Jeremia 17:14
De volgende twee dingen gaan altijd samen: als ik geen ziekte voel, wens ik geen geneesmiddel; als ik geen veroordeling voel, wens ik geen verlossing; als ik niet word beproefd door een besef van innerlijke schuld en nood, wens ik geen dierbaar bloed dat op mijn geweten wordt gesprenkeld; wens ik geen liefde die wordt uitgestort; wens ik geen gezegend bezoek van de Heere des levens en der heerlijkheid; wens ik geen zoete belofte die haar dauw in mijn ziel brengt; wens ik niets dat de Heere mij kan verlenen. Ik kan mijn geest bezighouden met tijdelijke en zintuiglijke dingen, en vleselijk, zinnelijk en aards zijn.
Maar als de verschillende oefeningen opnieuw beginnen in de ziel, en als de Heere het genadewerk in het hart doet herleven, dan wil ik iets goddelijks, dan wil ik iets ondervinden, dan wil ik iets toegepast krijgen, dan wil ik dat iets in mijn ziel wordt gedaan dat Hij alleen voor mij kan doen. Wat kan innerlijke vroomheid voor mij betekenen zonder deze oefeningen, zonder kennis van de vreselijke ziekte, zonder sterke verzoekingen, zonder dagelijkse strijd?
Als ik niet word geoefend, kan ik het stellen zonder innerlijke, ondervindelijke godsdienst; zonder de macht van Christus te voelen; zonder Christus, zonder de gezegende Geest, zonder de Bijbel. Maar als ik in omstandigheden van schuld, van oefening, van nood, van verdriet en van moeilijkheden, en in de verschillende verwarringen die het kind van God omringen, word geplaatst, en als de Heere mijn gemoed door middel hiervan tot smeken beweegt, dan zal mijn ziel iedere zegen willen hebben die God kan verlenen. Het kind van God zal afgescheiden zijn van de wereld en een leven van geloof en gebed leiden; het zal omgang hebben met God; het zal van het schepsel in al zijn vormen en gedaanten loskomen en eenvoudig en uitsluitend op de Heere Jezus Christus zien.
Zodat, wanneer wij de kennis van de kwaal in al haar verschillende vormen hebben en kennis hebben aan verzoeking, schuld, zonde, schaamte en verdriet – wanneer deze dingen toegang tot de kostbare waarheden van God verschaffen en hun hemelse invloed een plek in ons hart geven – dan komen wij tot de kennis van het geneesmiddel.
Lezen: Romeinen 7:1-13
Aan de lezer…
Wie zijn ziekte voelt, weet waarvan hier gesproken wordt; voelt u de uwe? Weet u van schuld die u benauwt, van verzoekingen die u bestrijden, van een hart dat u zelf niet kunt genezen? Schrik dan niet te zeer, alsof de Heere u vergeten had. Zolang een mens geen ziekte voelt, wenst hij geen geneesmiddel, en zolang hij geen veroordeling kent, vraagt hij niet naar het dierbare bloed. Juist deze oefeningen maken de ziel hongerig naar wat Hij alleen kan geven.
Zo wordt de pijnlijke kennis van de kwaal de deur tot de kennis van het geneesmiddel. Laat dan de bede van de profeet de uwe zijn: „Genees mij, HEERE, zo zal ik genezen worden.” Er is geen arts naast Hem, en er is geen kwaal die voor Hem te zwaar is. Wend u af van het schepsel in al zijn gedaanten en zie eenvoudig en alleen op de Heere Jezus Christus. Die u de wond deed voelen, wil u ook Zijn balsam doen smaken.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Genees mij, HEERE, zo zal ik genezen worden; behoud mij, zo zal ik behouden worden, want Gij zijt mijn lof.
Jeremia 17:14
De volgende twee dingen gaan altijd samen. Als ik geen ziekte voel, wens ik geen geneesmiddel; als ik geen veroordeling voel, wens ik geen verlossing. Als ik niet beproefd word door een besef van innerlijke schuld en nood, wens ik geen dierbaar bloed dat op mijn geweten wordt gesprenkeld. Dan wens ik geen liefde die wordt uitgestort, geen gezegend bezoek van de Heere van het leven en van de heerlijkheid, en geen zoete belofte die haar dauw in mijn ziel brengt; dan wens ik niets wat de Heere mij kan geven. Dan kan ik mijn geest bezighouden met tijdelijke en zichtbare dingen, en vleselijk, zinnelijk en aards zijn.
Maar als de verschillende oefeningen opnieuw in de ziel beginnen, en als de Heere het genadewerk in het hart laat herleven, dan wil ik iets goddelijks. Dan wil ik iets ervaren, dan wil ik dat mij iets wordt toegepast, dan wil ik dat er in mijn ziel iets gebeurt wat Hij alleen voor mij kan doen. Wat kan innerlijke godsvrucht voor mij betekenen zonder deze oefeningen, zonder kennis van de vreselijke ziekte, zonder sterke verzoekingen en zonder dagelijkse strijd?
Als ik niet geoefend word, kan ik het stellen zonder innerlijke, bevindelijke godsdienst, zonder de kracht van Christus te voelen, zonder Christus, zonder de gezegende Geest en zonder de Bijbel. Maar als ik terechtkom in omstandigheden van schuld, oefening, nood, verdriet en moeite, en in de verschillende verwarringen die het kind van God omringen, en als de Heere mijn hart daardoor tot smeken beweegt, dan zal mijn ziel iedere zegen willen hebben die God kan geven. Het kind van God zal dan afgescheiden zijn van de wereld en een leven van geloof en gebed leiden. Het zal omgang hebben met God, het zal loskomen van het schepsel in al zijn vormen en gedaanten, en eenvoudig en alleen op de Heere Jezus Christus zien.
Wanneer wij dus de kennis van de kwaal in al haar verschillende vormen hebben, en verzoeking, schuld, zonde, schaamte en verdriet kennen – wanneer deze dingen de kostbare waarheden van God toegang geven en hun hemelse invloed een plaats in ons hart geven – dan komen wij tot de kennis van het geneesmiddel.
Lezen: Romeinen 7:1-13
Aan de lezer…
Wie zijn ziekte voelt, weet waarover hier gesproken wordt; voelt u de uwe? Kent u schuld die u benauwt, verzoekingen die u bestrijden, een hart dat u zelf niet kunt genezen? Schrik dan niet te erg, alsof de Heere u vergeten had. Zolang een mens geen ziekte voelt, wenst hij geen geneesmiddel, en zolang hij geen veroordeling kent, vraagt hij niet naar het dierbare bloed. Juist deze oefeningen maken de ziel hongerig naar wat Hij alleen kan geven.
Zo wordt de pijnlijke kennis van de kwaal de deur tot de kennis van het geneesmiddel. Laat de bede van de profeet dan de uwe zijn: „Genees mij, HEERE, zo zal ik genezen worden.” Er is geen arts naast Hem, en er is geen kwaal die voor Hem te zwaar is. Keer u af van het schepsel in al zijn gedaanten en zie eenvoudig en alleen op de Heere Jezus Christus. Hij Die u de wond liet voelen, wil u ook Zijn balsam laten smaken.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Heal me, O LORD, and I shall be healed; save me, and I shall be saved: for Thou art my praise.
Jeremiah 17:14
The following two things always go together. If I feel no disease, I desire no remedy; if I feel no condemnation, I desire no salvation. If I am not exercised by a sense of inward guilt and distress, I desire no precious blood to be sprinkled upon my conscience. Then I desire no love to be shed abroad, no blessed visit from the Lord of life and glory, and no sweet promise bringing its dew into my soul; then I desire nothing that the Lord can give me. Then I can occupy my mind with things temporal and visible, and be carnal, sensual and earthly.
But when the various exercises begin again in the soul, and when the Lord revives the work of grace in the heart, then I want something divine. Then I want to experience something, then I want something applied to me, then I want something to take place in my soul which He alone can do for me. What can inward godliness mean to me without these exercises, without a knowledge of the dreadful disease, without powerful temptations and without daily conflict?
If I am not exercised, I can do without inward, experimental religion, without feeling the power of Christ, without Christ, without the blessed Spirit and without the Bible. But when I am brought into circumstances of guilt, exercise, distress, sorrow and trouble, and into the various perplexities that surround the child of God, and when the Lord thereby moves my heart to supplication, then my soul will want every blessing that God can give. The child of God will then be separated from the world and lead a life of faith and prayer. He will have communion with God, he will be weaned from the creature in all its forms and shapes, and look simply and solely to the Lord Jesus Christ.
When, therefore, we have the knowledge of the malady in all its various forms, and know temptation, guilt, sin, shame and sorrow—when these things give God’s precious truths an entrance and make room in our heart for their heavenly influence—then we come to the knowledge of the remedy.
Reading: Romans 7:1-13
To the reader…
Whoever feels his disease knows what is spoken of here; do you feel yours? Do you know guilt that distresses you, temptations that assail you, a heart that you cannot heal yourself? Then do not be too alarmed, as if the Lord had forgotten you. As long as a man feels no disease, he desires no remedy, and as long as he knows no condemnation, he does not ask for the precious blood. It is just these exercises that make the soul hungry for what He alone can give.
So the painful knowledge of the malady becomes the door to the knowledge of the remedy. Then let the prophet’s prayer be yours: “Heal me, O LORD, and I shall be healed.” There is no physician beside Him, and there is no malady too heavy for Him. Turn from the creature in all its shapes and look simply and solely to the Lord Jesus Christ. He Who made you feel the wound will also let you taste His balm.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Sáname, oh Jehová, y seré sano; sálvame, y seré salvo: porque Tú eres mi alabanza.
Jeremías 17:14
Las dos cosas siguientes van siempre juntas. Si no siento enfermedad, no deseo remedio; si no siento condenación, no deseo salvación. Si no estoy ejercitado por un sentimiento de culpa y angustia interior, no deseo que la preciosa sangre sea rociada sobre mi conciencia. Entonces no deseo que se derrame amor, ni una bendita visita del Señor de la vida y de la gloria, ni una dulce promesa que traiga su rocío a mi alma; entonces no deseo nada que el Señor pueda darme. Entonces puedo ocupar mi mente en las cosas temporales y visibles, y ser carnal, sensual y terrenal.
Pero cuando los diversos ejercicios comienzan de nuevo en el alma, y cuando el Señor aviva la obra de la gracia en el corazón, entonces quiero algo divino. Entonces quiero experimentar algo, entonces quiero que algo me sea aplicado, entonces quiero que tenga lugar en mi alma algo que solo Él puede hacer por mí. ¿Qué puede significar para mí la piedad interior sin estos ejercicios, sin un conocimiento de la terrible enfermedad, sin tentaciones poderosas y sin lucha diaria?
Si no estoy ejercitado, puedo pasar sin religión interior y experimental, sin sentir el poder de Cristo, sin Cristo, sin el bendito Espíritu y sin la Biblia. Pero cuando soy llevado a circunstancias de culpa, ejercicio, angustia, tristeza y aflicción, y a las diversas perplejidades que rodean al hijo de Dios, y cuando el Señor mueve por ello mi corazón a la súplica, entonces mi alma querrá toda bendición que Dios pueda dar. El hijo de Dios será entonces apartado del mundo y llevará una vida de fe y oración. Tendrá comunión con Dios, será destetado de la criatura en todas sus formas y figuras, y mirará sencilla y únicamente al Señor Jesucristo.
Cuando, por tanto, tenemos el conocimiento del mal en todas sus diversas formas, y conocemos la tentación, la culpa, el pecado, la vergüenza y la tristeza —cuando estas cosas dan entrada a las preciosas verdades de Dios y hacen lugar en nuestro corazón para su influencia celestial—, entonces llegamos al conocimiento del remedio.
Lectura: Romanos 7:1-13
Al lector…
Quien siente su enfermedad sabe de qué se habla aquí; ¿siente usted la suya? ¿Conoce una culpa que le angustia, tentaciones que le asaltan, un corazón que no puede sanar por sí mismo? Entonces no se alarme demasiado, como si el Señor le hubiera olvidado. Mientras un hombre no siente enfermedad, no desea remedio, y mientras no conoce condenación, no pide la preciosa sangre. Son justamente estos ejercicios los que dan al alma hambre de lo que solo Él puede dar.
Así el doloroso conocimiento del mal llega a ser la puerta al conocimiento del remedio. Sea, pues, suya la oración del profeta: “Sáname, oh Jehová, y seré sano”. No hay médico fuera de Él, y no hay mal demasiado grave para Él. Apártese de la criatura en todas sus figuras y mire sencilla y únicamente al Señor Jesucristo. Aquel que le hizo sentir la herida le hará gustar también Su bálsamo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
En gij zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrij maken.
Johannes 8:32
De waarheden van het Evangelie, ofschoon zij voor een verlicht oog als met een straal van licht door het gehele Woord schijnen, zijn toch voor het merendeel als in verborgen aderen opgelegd. „Gewisselijk, er is voor het zilver een uitgang, en een plaats voor het goud, dat zij smelten. Uit de aarde komt het brood voort, en onder zich wordt zij veranderd, alsof zij vuur ware. Haar stenen zijn de plaats van de saffier, en zij heeft stofjes van goud” (Job 28:5, 6). Doch waar is de plaats van de saffier? En waar zijn de stofjes van goud? In het pad dat geen roofvogel, geen onkuise belijder kent, en hetwelk het oog der kraai, scherp als het uitziet naar het dode aas der wereld, niet heeft gezien.
Maar voor een geestelijk gemoed is het een zoete en zichzelf belonende taak, indien het een taak genoemd kan worden, het Woord na te speuren als naar verborgen schatten. Geen zoeter, geen beter werkzaamheid kan hart en hand bezighouden, dan in de geest des gebeds en der meditatie, die der afzondering van de wereld, van een heilige vrees, van een begeren om de wil van God te kennen en te betrachten, in de geest van nederigheid, eenvoudigheid en goddelijke oprechtheid, te zoeken in te gaan in deze hemelse verborgenheden, die in de Schriften zijn opgelegd. En dit niet om het hoofd met kennis te verrijken, doch om de ziel te vullen met het brood des levens.
De waarheid in haar kracht en liefde te ontvangen, onderricht en bevestigt het oordeel, vernedert het hart en doet het smelten, verwarmt de genegenheden en trekt ze naar omhoog; zij maakt en houdt de consciëntie levendig en teder; zij is voedsel voor het geloof, de kracht der hoop en de hoofdader der liefde. De waarheid te kennen is een waar discipel te zijn en daardoor te zijn vrijgemaakt. Vrij van dwaling en van de vuile ketterij, waarvan het overal wemelt; vrij van onbeschaamdheid en eigengerechtigheid. Vrij van de vloek en de dienstbaarheid der wet en de veroordeling van een schuldige consciëntie. Vrij van slaafse vrees en het oordeel der mensen en de verachting en hoon van de wereld en wereldse belijders.
Vrij van de menigte te volgen in het kwaad doen; vrij van de omgang met degenen die een naam hebben dat zij leven, maar dood zijn. Maar ook vrij om de Heere en Zijn volk te beminnen; vrij om goed van Zijn Naam te spreken; vrij om Hem te verheerlijken met lichaam en ziel, die Hem toebehoren. Vrij in het toegaan tot een troon der genade en tot een met bloed besprengde genadestoel; vrij tot elk goed woord en werk. Vrij om te oefenen al wat waarachtig is, al wat eerlijk is, al wat rechtvaardig is, al wat rein is, al wat liefelijk is, al wat wel luidt.
Aan de lezer…
Bent u, waarde lezer, gebonden en weet u het? Gebonden door de veroordeling van een schuldige consciëntie, door slaafse vrees, door het oordeel der mensen, of door een hart dat telkens weer met de menigte meegaat? Dan spreekt de Heere hier een woord dat goud waard is: „De waarheid zal u vrij maken.” Niet de waarheid in het hoofd alleen, maar de waarheid in haar kracht en liefde ontvangen, die het hart vernedert en doet smelten.
Zoek haar dan, zoals men naar verborgen schatten zoekt, in de geest des gebeds en met een begeren om Gods wil te kennen. De weg erheen is verborgen voor het oog dat alleen naar het aas der wereld uitziet, maar niet voor de arme die om het brood des levens roept. Laat het u niet ontmoedigen dat de aderen diep liggen. Wie door die waarheid vrijgemaakt wordt, mag vrij toegaan tot de troon der genade en de met bloed besprengde genadestoel, en daar vindt hij al wat zijn ziel nodig heeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En gij zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrij maken.
Johannes 8:32
De waarheden van het Evangelie schijnen voor een verlicht oog als een lichtstraal door het hele Woord, maar toch liggen zij grotendeels als in verborgen aderen opgeslagen. „Gewisselijk, er is voor het zilver een uitgang, en een plaats voor het goud, dat zij smelten. Uit de aarde komt het brood voort, en onder zich wordt zij veranderd, alsof zij vuur ware. Haar stenen zijn de plaats van de saffier, en zij heeft stofjes van goud” (Job 28:5, 6). Maar waar is de plaats van de saffier? En waar zijn de stofjes van goud? Op het pad dat geen roofvogel, geen onkuise belijder kent, en dat het oog van de kraai niet heeft gezien, hoe scherp het ook uitziet naar het dode aas van de wereld.
Maar voor een geestelijk gezind hart is het een zoete taak, die zichzelf beloont – als het al een taak genoemd kan worden – om het Woord te doorzoeken als naar verborgen schatten. Er is geen zoeter en geen beter bezigheid voor hart en hand dan te proberen in te gaan in deze hemelse verborgenheden, die in de Schriften zijn opgeslagen. Dat gebeurt in de geest van gebed en overdenking, in de geest van afzondering van de wereld, van een heilige vrees en van een verlangen om de wil van God te kennen en te doen, in de geest van nederigheid, eenvoud en Goddelijke oprechtheid. En dat niet om het hoofd met kennis te verrijken, maar om de ziel te vullen met het brood des levens.
De waarheid ontvangen in haar kracht en liefde onderwijst en bevestigt het oordeel, vernedert het hart en doet het smelten, verwarmt de genegenheden en trekt ze omhoog. Zij maakt en houdt het geweten levend en teder; zij is voedsel voor het geloof, de kracht van de hoop en de hoofdader van de liefde. De waarheid kennen is een waar discipel zijn en daardoor vrijgemaakt zijn. Vrij van dwaling en van de vuile ketterij, waarvan het overal wemelt; vrij van onbeschaamdheid en eigengerechtigheid. Vrij van de vloek en de dienstbaarheid van de wet en van de veroordeling van een schuldig geweten. Vrij van slaafse vrees, van het oordeel van mensen en van de verachting en hoon van de wereld en van wereldse belijders.
Vrij van het volgen van de menigte in het kwaaddoen; vrij van de omgang met hen die de naam hebben dat zij leven, maar dood zijn. Maar ook vrij om de Heere en Zijn volk lief te hebben; vrij om goed te spreken van Zijn Naam; vrij om Hem te verheerlijken met lichaam en ziel, die van Hem zijn. Vrij in het naderen tot een troon van genade en tot een met bloed besprengde genadetroon; vrij tot elk goed woord en werk. Vrij om te doen al wat waarachtig is, al wat eerlijk is, al wat rechtvaardig is, al wat rein is, al wat liefelijk is, al wat wel luidt.
Aan de lezer…
Bent u gebonden, en weet u het? Gebonden door de veroordeling van een schuldig geweten, door slaafse vrees, door het oordeel van mensen, of door een hart dat telkens weer met de menigte meegaat? Dan spreekt de Heere hier een woord dat goud waard is: „De waarheid zal u vrij maken.” Niet de waarheid alleen in het hoofd, maar de waarheid ontvangen in haar kracht en liefde, die het hart vernedert en doet smelten.
Zoek haar dan, zoals men naar verborgen schatten zoekt, in de geest van gebed en met een verlangen om Gods wil te kennen. De weg erheen is verborgen voor het oog dat alleen naar het aas van de wereld uitziet, maar niet voor de arme die om het brood des levens roept. Laat het u niet ontmoedigen dat de aderen diep liggen. Wie door die waarheid vrijgemaakt wordt, mag vrij naderen tot de troon van genade en de met bloed besprengde genadetroon, en daar vindt hij alles wat zijn ziel nodig heeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“And ye shall know the truth, and the truth shall make you free.”
John 8:32
“The earth, from which food comes,
is transformed below as by fire;
sapphires come from its rocks,
and its dust contains nuggets of gold.
No bird of prey knows that hidden path,
no vulture’s eye has seen it.
Proud beasts do not set foot on it,
and no lion prowls there.”
Job 28:5-8
The truths of the gospel, though to an enlightened eye they shine as with a ray of light all through the Word, yet are they, for the most part, laid up as in deep veins—“Surely there is a vein for the silver, and a place where gold is refined.” “The earth, from which food comes, is transformed below as by fire; sapphires come from its rocks, and its dust contains nuggets of gold.” (Job 28:5-6).
But where is “the place of sapphires?” and where these “nuggets of gold?” “In the path which no bird of prey,” no unclean professor, “knows, and which the vulture’s eye,” keen though it be after this world’s carrion, “has not seen.”
But to a spiritual mind sweet and self-rewarding is the task, if task it can be called, of searching the Word as for hidden treasure. No sweeter, no better employment can engage heart and hands than, in the spirit of prayer and meditation, of separation from the world, of holy fear, of a desire to know the will of God and do it, of humility, simplicity, and godly sincerity, to seek to enter into those heavenly mysteries which are stored up in the Scriptures; and this, not to furnish the head with notions, but to feed the soul with the bread of life.
Truth, received in the love and power of it, informs and establishes the judgment, softens and melts the heart, warms and draws upward the affections, makes and keeps the conscience alive and tender, is the food of faith, the strength of hope, and the mainspring of love.
To know the truth is to be “a disciple indeed,” and to be made blessedly free; free from error, and the vile heresies which everywhere abound; free from presumption and self-righteousness; free from the curse and bondage of the law and the condemnation of a guilty conscience; free from a slavish fear of the opinion of men and the contempt and scorn of the world and worldly professors; free from following a multitude to do evil; free from companionship with those who have a name to live but are dead. But free to love the Lord and His dear people; free to speak well of His Name; free to glorify Him with our body and soul, which are His; free to a throne of grace and to a blood-besprinkled mercy-seat; free to every good word and work; free to “whatever things are good, whatever things are honest, whatever things are just, whatever things are pure, whatever things are lovely, whatever things are of good report.”
To the reader…
Are you in bondage, and do you know it? Bound by the condemnation of a guilty conscience, by slavish fear, by the opinion of men, or by a heart that keeps going along with the multitude? Then the Lord speaks a word here that is worth gold: “The truth shall make you free.” Not the truth only in the head, but the truth received in its power and love, which humbles the heart and makes it melt.
Seek it, then, as one searches for hidden treasure, in the spirit of prayer and with a desire to know God’s will. The way to it is hidden from the eye that looks only for the carrion of the world, but not from the poor one who cries for the bread of life. Do not let it discourage you that the veins lie deep. Whoever is made free by that truth may draw near freely to the throne of grace and the blood-besprinkled mercy-seat, and there he finds everything his soul needs.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y conoceréis la verdad, y la verdad os libertará.
Juan 8:32
“De la tierra nacía el pan,
y debajo de ella estaba como convertida en fuego.
Lugar hay cuyas piedras son zafiro,
y sus polvos de oro.
Senda que nunca la conoció ave,
ni ojo de buitre la vio:
nunca la pisaron animales fieros,
ni león pasó por ella.”
Job 28:5-8
Las verdades del evangelio, aunque para un ojo iluminado brillan como con un rayo de luz a lo largo de toda la Palabra, están, sin embargo, en su mayor parte guardadas como en vetas profundas: “Ciertamente la plata tiene sus veneros, y el oro lugar donde se forma.” “De la tierra nacía el pan, y debajo de ella estaba como convertida en fuego. Lugar hay cuyas piedras son zafiro, y sus polvos de oro” (Job 28:5-6).
Pero ¿dónde está “el lugar” cuyas piedras son “zafiro”? ¿Y dónde estos “polvos de oro”? En la “senda que nunca la conoció ave”, ningún profesante inmundo, “ni ojo de buitre la vio”, por agudo que sea tras la carroña de este mundo.
Pero para una mente espiritual es dulce y trae en sí misma su recompensa la tarea, si tarea puede llamarse, de escudriñar la Palabra como quien busca un tesoro escondido. Ninguna ocupación más dulce ni mejor puede ocupar el corazón y las manos que procurar entrar, con espíritu de oración y meditación, de separación del mundo, de santo temor, de deseo de conocer la voluntad de Dios y hacerla, de humildad, sencillez y sinceridad piadosa, en aquellos misterios celestiales que están atesorados en las Escrituras; y esto, no para llenar la cabeza de nociones, sino para alimentar el alma con el pan de vida.
La verdad, recibida en su amor y su poder, instruye y afirma el juicio, ablanda y derrite el corazón, calienta y atrae hacia arriba los afectos, hace y mantiene viva y tierna la conciencia; es el alimento de la fe, la fuerza de la esperanza y el resorte principal del amor.
Conocer la verdad es ser “verdaderamente discípulo”, y ser hecho bienaventuradamente libre: libre del error y de las viles herejías que abundan por doquier; libre de la presunción y de la justicia propia; libre de la maldición y la servidumbre de la ley y de la condenación de una conciencia culpable; libre de un temor servil a la opinión de los hombres y al desprecio y escarnio del mundo y de los profesantes mundanos; libre de seguir a la multitud para hacer el mal; libre de la compañía de quienes tienen nombre de que viven, pero están muertos. Pero libre para amar al Señor y a Su pueblo amado; libre para hablar bien de Su Nombre; libre para glorificarle en nuestro cuerpo y en nuestra alma, que son Suyos; libre para acudir a un trono de gracia y a un propiciatorio rociado con sangre; libre para toda buena palabra y obra; libre para “todo lo que es verdadero, todo lo honesto, todo lo justo, todo lo puro, todo lo amable, todo lo que es de buen nombre”.
Al lector…
¿Está usted en servidumbre, y lo sabe? ¿Atado por la condenación de una conciencia culpable, por un temor servil, por la opinión de los hombres, o por un corazón que sigue yendo con la multitud? Entonces el Señor dice aquí una palabra que vale oro: “La verdad os libertará.” No la verdad solo en la cabeza, sino la verdad recibida en su poder y amor, que humilla el corazón y lo hace derretirse.
Búsquela, pues, como quien busca un tesoro escondido, con espíritu de oración y con deseo de conocer la voluntad de Dios. El camino hacia ella está oculto al ojo que solo busca la carroña del mundo, pero no al pobre que clama por el pan de vida. No deje que le desanime que las vetas estén hondas. Quien es hecho libre por esa verdad puede acercarse libremente al trono de gracia y al propiciatorio rociado con sangre, y allí halla todo lo que su alma necesita.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl