5 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Toen opende Hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden.
Lucas 24:45
Zalig open doen, wanneer Hij, Die de sleutel Davids in Zijn hand heeft en de deur ontsluit, de deur van ons hart, om Zijn eigen Woord te ontvangen. Wanneer wij dan tot het Woord der waarheid gaan, nadat het tot ons gekomen is, druipen onze vingertoppen van welriekende mirre op de handhaven van het slot. Er staat geschreven dat „de doden de stem zullen horen van de Zoon Gods, en die ze horen, zullen leven.” O, de stem te horen van de Zoon Gods! Voorzeker, die stem zal onze dode harten, ons koud gemoed, onze kwijnende hoop, onze afnemende liefde, ons stervend geloof, onze trage gebeden, onze bezwijkende harten doen leven; ja, herleven als het koren en groeien als de wijnstok.
Wat is alle godsdienst zonder een Goddelijk begin, midden en einde, beginnende, voortgezet en voleindigd met een hemelse macht, bovennatuurlijk leven en geestelijke zalving? Wel mogen wij beschaamd zijn over, krank van, en bedroefd over al onze gedachten, woorden en werken, al onze kennis en onze belijdenis, die niet bestand was en niet bestand is tegen de macht, de onderwijzing en de wijsheid Gods. Al ons spreken was ijdel geklap; onze gebeden lippendienst; onze prediking wind en ijdelheid; onze belijdenis huichelarij; onze kennis de ergste soort van onwetendheid, en al onze godsdienst vleselijkheid en misleiding, indien zij ons niet door God Zelf waren ingegeven.
Men verhaalt van Isaac Newton, de wijste Engelse wijsgeer, dat hij tot iemand die hem geluk wenste met zijn kennis, zeide: „Ik ben geweest gelijk een klein kind, dat aan het strand een weinig water nam in een schelp, terwijl de grote oceaan van waarheid bedekt voor mij lag.” Veel meer mag een geestelijk mens gevoelen hoe weinig, hoe hij niets weet van de onnaspeurlijke rijkdommen van Christus en de grenzeloze schatten van wijsheid die erin verborgen liggen.
Mijn hart verheft zich niet, o Heer,
mijn ogen zijn niet hoog. ’k Verkeer,
ik wandel niet in ’t geen te groot,
te vreemd is voor Uw gunstgenoot.
Ps. 131:1
Aan de lezer…
Leest u de Schriften, lezer, en blijven zij voor u een gesloten boek? U kent de woorden, misschien zelfs veel woorden, maar het hart blijft koud en de ogen blijven gesloten. Ik zeg het u eerlijk: al onze kennis en belijdenis, die niet door God Zelf zijn ingegeven, zijn niet bestand tegen Zijn licht. Wel mogen wij daarover beschaamd zijn en het met een gebroken hart voor Hem belijden.
Maar Hij Die de sleutel Davids heeft, kan ook de deur van uw hart ontsluiten. Wat Hij de discipelen deed, toen Hij hun verstand opende opdat zij de Schriften verstonden, dat doet Hij nog. Zijn stem kan uw dode hart, uw kwijnende hoop, uw trage gebeden en uw stervend geloof doen herleven. Ga dan niet tot het Woord in eigen wijsheid, maar als een klein kind dat weet hoe weinig het verstaat. Vraag Hem dat Hij Zelf het opent; dan zult u iets zien van de onnaspeurlijke rijkdom van Christus.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Toen opende Hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden.
Lucas 24:45
Wat een zalig openen is het, wanneer Hij Die de sleutel Davids in Zijn hand heeft, de deur ontsluit: de deur van ons hart, om Zijn eigen Woord te ontvangen. Wanneer wij dan naar het Woord van de waarheid gaan, nadat het tot ons gekomen is, druipen onze vingertoppen van welriekende mirre op de handvatten van het slot. Er staat geschreven dat „de doden de stem zullen horen van de Zoon Gods, en die ze horen, zullen leven.” O, de stem van de Zoon van God te horen! Voorzeker, die stem zal onze dode harten, ons koude gemoed, onze kwijnende hoop, onze afnemende liefde, ons stervende geloof, onze trage gebeden en onze bezwijkende harten doen leven; ja, doen herleven als het koren en groeien als de wijnstok.
Wat is alle godsdienst zonder een Goddelijk begin, midden en einde: begonnen, voortgezet en voltooid met hemelse kracht, bovennatuurlijk leven en geestelijke zalving? Wij mogen wel beschaamd, ziek en bedroefd zijn over al onze gedachten, woorden en werken, over al onze kennis en onze belijdenis die niet bestand was en niet bestand is tegen de kracht, het onderwijs en de wijsheid van God. Al ons spreken was ijdel geklets, onze gebeden waren lippendienst, onze prediking wind en ijdelheid, onze belijdenis huichelarij, onze kennis de ergste soort onwetendheid, en al onze godsdienst vleselijkheid en misleiding, als zij ons niet door God Zelf waren ingegeven.
Men vertelt van Isaac Newton, de wijste Engelse geleerde, dat hij tegen iemand die hem gelukwenste met zijn kennis, zei: „Ik ben geweest gelijk een klein kind, dat aan het strand een weinig water nam in een schelp, terwijl de grote oceaan van waarheid bedekt voor mij lag.” Veel meer nog mag een geestelijk mens voelen hoe weinig hij weet, ja, dat hij niets weet van de onnaspeurlijke rijkdom van Christus en van de grenzeloze schatten van wijsheid die daarin verborgen liggen.
Mijn hart verheft zich niet, o Heer,
mijn ogen zijn niet hoog. ’k Verkeer,
ik wandel niet in ’t geen te groot,
te vreemd is voor Uw gunstgenoot.
Ps. 131:1
Aan de lezer…
Leest u de Schriften, lezer, en blijven zij voor u een gesloten boek? U kent de woorden, misschien zelfs veel woorden, maar het hart blijft koud en de ogen blijven gesloten. Ik zeg het u eerlijk: al onze kennis en belijdenis die niet door God Zelf is ingegeven, is niet bestand tegen Zijn licht. Wij mogen daarover wel beschaamd zijn en het met een gebroken hart voor Hem belijden.
Maar Hij Die de sleutel Davids heeft, kan ook de deur van uw hart ontsluiten. Wat Hij voor de discipelen deed, toen Hij hun verstand opende opdat zij de Schriften verstonden, dat doet Hij nog steeds. Zijn stem kan uw dode hart, uw kwijnende hoop, uw trage gebeden en uw stervende geloof doen herleven. Ga dan niet in eigen wijsheid naar het Woord, maar als een klein kind dat weet hoe weinig het begrijpt. Vraag Hem of Hij het Zelf wil openen; dan zult u iets zien van de onnaspeurlijke rijkdom van Christus.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Then opened He their understanding, that they might understand the scriptures.
Luke 24:45
Blessed opening, when He that hath the key of David puts in His hand by the hole of the door, and opens our heart to receive His own Word. Then when we go to the Word of Truth, after it has come to us, our fingers drop with sweet-smelling myrrh upon the handles of the lock. It is said that “the dead shall hear the voice of the Son of God, and they that hear shall live.” O, to hear the voice of the Son of God in our hearts! Surely it shall make our dead hearts, cold frames, withering hopes, drooping love, dying faith, languishing prayers, and fainting minds live; yes, revive as the corn, and grow as the vine.
What is all religion without a divine beginning, middle, and end—commencing, carried on, and accomplished with a heavenly power, supernatural life, and spiritual unction? Well may we be ashamed and sick of, and sorry for, all our thoughts, words, and works, all our knowledge and profession that have not stood, or do not stand, in the power, teaching, and wisdom of God. All our talk has been but vain babbling, our prayers lip-service, our preaching wind and vanity, our profession hypocrisy, our knowledge the worst kind of ignorance, and all our religion carnality or delusion, if they have not been divinely communicated.
Sir Isaac Newton, the wisest philosopher, is said to have remarked to one who congratulated him on his knowledge, “I have been like a little child on the sea-shore taking up a little water in a shell when the vast ocean of truth lay undiscovered before me.” Much more may a spiritual man feel how little, how nothing he knows of the unsearchable riches of Christ, and the boundless stores of wisdom hid in them.
To the reader…
Do you read the Scriptures, reader, and do they remain a closed book to you? You know the words, perhaps even many words, but the heart stays cold and the eyes stay closed. I tell you honestly: all our knowledge and profession that has not been given by God Himself cannot stand before His light. We may well be ashamed of that and confess it before Him with a broken heart.
But He that hath the key of David can also unlock the door of your heart. What He did for the disciples, when He opened their understanding that they might understand the Scriptures, He still does. His voice can make your dead heart, your withering hope, your sluggish prayers and your dying faith live again. So do not come to the Word in your own wisdom, but as a little child who knows how little he understands. Ask Him to open it Himself; then you will see something of the unsearchable riches of Christ.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Entonces les abrió el sentido, para que entendiesen las Escrituras.
Lucas 24:45
Bendito abrir, cuando Aquel que tiene la llave de David mete Su mano por el agujero de la puerta y abre nuestro corazón para recibir Su propia Palabra. Entonces, cuando vamos a la Palabra de verdad, después de que ella ha venido a nosotros, nuestros dedos gotean mirra olorosa sobre las asas del candado. Está dicho que “los muertos oirán la voz del Hijo de Dios: y los que oyeren vivirán”. ¡Oh, oír la voz del Hijo de Dios en nuestro corazón! Ciertamente hará vivir nuestros corazones muertos, nuestros estados fríos, nuestras esperanzas marchitas, nuestro amor decaído, nuestra fe moribunda, nuestras oraciones lánguidas y nuestras mentes desfallecidas; sí, serán vivificados como el trigo y florecerán como la vid.
¿Qué es toda religión sin un principio, un medio y un fin divinos, comenzada, continuada y consumada con un poder celestial, una vida sobrenatural y una unción espiritual? Bien podemos estar avergonzados, hastiados y pesarosos de todos nuestros pensamientos, palabras y obras, de todo nuestro conocimiento y profesión que no han estado o no están en el poder, la enseñanza y la sabiduría de Dios. Toda nuestra conversación no ha sido más que vana palabrería, nuestras oraciones servicio de labios, nuestra predicación viento y vanidad, nuestra profesión hipocresía, nuestro conocimiento la peor clase de ignorancia, y toda nuestra religión carnalidad o engaño, si no nos han sido comunicados divinamente.
Se dice que Sir Isaac Newton, el más sabio de los filósofos, comentó a alguien que le felicitaba por su conocimiento: “He sido como un niño pequeño en la orilla del mar, recogiendo un poco de agua en una concha, mientras el vasto océano de la verdad yacía sin descubrir delante de mí”. Mucho más puede un hombre espiritual sentir cuán poco, cuán nada sabe de las inescrutables riquezas de Cristo y de los tesoros ilimitados de sabiduría escondidos en ellas.
Al lector…
¿Lee usted las Escrituras, lector, y siguen siendo para usted un libro cerrado? Conoce las palabras, quizá incluso muchas palabras, pero el corazón permanece frío y los ojos siguen cerrados. Le digo con sinceridad: todo nuestro conocimiento y profesión que no nos ha sido dado por Dios mismo no puede sostenerse delante de Su luz. Bien podemos avergonzarnos de ello y confesarlo delante de Él con corazón quebrantado.
Pero Aquel que tiene la llave de David puede abrir también la puerta de su corazón. Lo que hizo con los discípulos, cuando les abrió el sentido para que entendiesen las Escrituras, lo sigue haciendo. Su voz puede hacer vivir de nuevo su corazón muerto, su esperanza marchita, sus oraciones perezosas y su fe moribunda. No venga, pues, a la Palabra con su propia sabiduría, sino como un niño pequeño que sabe cuán poco entiende. Pídale que Él mismo se la abra; entonces verá algo de las inescrutables riquezas de Cristo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Het gekrookte riet
Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen.
Jesaja 42:3
De gezegende Geest vergelijkt een beproefd christen ook met de „rokende vlaswiek”. Het woord „vlaswiek” betekent hier waarschijnlijk het hennep- of vlasafval. Het schijnt de gewoonte te zijn geweest om dit afval te verbranden, en omdat er veel vuil in zat, werd het een smeulend vuur. Dit rokende vlas is het beeld dat de Heilige Geest heeft gebruikt om het leven en werk in het hart van een christen te verklaren.
Wat is deze „vlaswiek”? Is het niet het vuil en de verdorvenheid van onze slechte aard, het afval, als het ware, van Adams val? En wat is het vuur dat de rook veroorzaakt? Is dit niet het leven Gods vanbinnen – dat vuur dat wordt aangestoken met een gloeiende kool die van het altaar is afgenomen? Er wordt dus over een christen niet alleen gezegd dat hij in een heldere, stralende vlam uitbarst, maar ook dat hij als „een rokend vlaswiek” is, al naar gelang de hoeveelheid leven Gods die in de ziel aanwezig is om rook te maken zonder veel vlammen of hitte.
Zeer vele van Gods kinderen verkeren in deze toestand; ook al voelen ze hun verdorvenheden heel sterk, toch brandt er in de kern van hun hart een vuur, een gezegend vuur, dat God Zelf heeft aangestoken. Ze zouden, als ze konden, in een heilige vlam uitbarsten; hun ogen zouden niet voortdurend worden geprikkeld door de rook van hun eigen verdorvenheden, maar ze zouden naar God oplaaien in de zoete uitbarsting van geloof, hoop en liefde. Hun verdorvenheden en ongeloof, hun zonde en schaamte, lijken echter allemaal het leven Gods in de ziel weg te drukken. Zoals in de rokende vlaswiek, verstikken het vuil en het afval het vuur dermate dat het gaat smeulen en roken, maar niet in brand kan vliegen, zodat het vuil en de dwaasheid van onze verdorven aard de heilige vlam van de genade in de ziel lijken te verstikken.
Lezen: Mattheüs 12:9-12
Aan de lezer…
Wie in zijn eigen hart kijkt, ziet er vaak meer rook dan vlam. Ziet u dat ook bij uzelf? Prikken uw ogen voortdurend van de rook van uw eigen verdorvenheid, terwijl u zo graag in een heilige vlam van geloof, hoop en liefde naar God zou oplaaien? Dan staat u hier niet alleen. Zeer velen van Gods kinderen verkeren in deze toestand, en de Heilige Geest heeft hen in dit beeld met zorg beschreven.
Want waar rook is, daar is vuur. Het vuil van onze slechte natuur maakt de rook, maar het vuur onder dat vuil is aangestoken met een gloeiende kool van het altaar. Dat vuur hebt u niet zelf ontstoken en het is niet uit, hoe dikwijls het ook lijkt te smoren. Treur over de rook, en treur oprecht. Maar vergeet niet dat Hij, Die het vuur gaf, de rokende vlaswiek niet zal uitblussen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen.
Jesaja 42:3
De gezegende Geest vergelijkt een beproefde christen ook met de „rokende vlaswiek”. Het woord „vlaswiek” betekent hier waarschijnlijk het afval van hennep of vlas. Het was blijkbaar de gewoonte dit afval te verbranden, en omdat er veel vuil in zat, werd het een smeulend vuur. Dit rokende vlas is het beeld dat de Heilige Geest heeft gebruikt om het leven en het werk in het hart van een christen te verklaren.
Wat is deze „vlaswiek”? Is het niet het vuil en de verdorvenheid van onze boze natuur, als het ware het afval van Adams val? En wat is het vuur dat de rook veroorzaakt? Is dat niet het leven van God vanbinnen, het vuur dat aangestoken wordt met een gloeiende kool die van het altaar is genomen? Van een christen wordt dus niet alleen gezegd dat hij in een heldere, stralende vlam uitslaat, maar ook dat hij is als „een rokend vlaswiek”. Dat hangt af van de mate van het leven van God in de ziel, dat rook kan geven zonder veel vlam of hitte.
Heel veel van Gods kinderen verkeren in deze toestand. Al voelen ze hun verdorvenheden heel sterk, toch brandt er in het binnenste van hun hart een vuur, een gezegend vuur, dat God Zelf heeft aangestoken. Als ze konden, zouden ze in een heilige vlam uitslaan. Hun ogen zouden dan niet voortdurend prikken van de rook van hun eigen verdorvenheden, maar ze zouden naar God oplaaien in het zoete uitslaan van geloof, hoop en liefde. Maar hun verdorvenheden en ongeloof, hun zonde en schaamte lijken allemaal het leven van God in de ziel te onderdrukken. Zoals bij de rokende vlaswiek het vuil en het afval het vuur zo verstikken dat het smeult en rookt maar niet kan opvlammen, zo lijken het vuil en de dwaasheid van onze verdorven natuur de heilige vlam van de genade in de ziel te verstikken.
Lezen: Mattheüs 12:9-12
Aan de lezer…
Wie in zijn eigen hart kijkt, ziet er vaak meer rook dan vlam. Ziet u dat ook bij uzelf? Prikken uw ogen voortdurend van de rook van uw eigen verdorvenheid, terwijl u zo graag in een heilige vlam van geloof, hoop en liefde naar God zou oplaaien? Dan staat u hier niet alleen. Heel veel van Gods kinderen verkeren in deze toestand, en de Heilige Geest heeft hen in dit beeld met zorg beschreven.
Want waar rook is, daar is vuur. Het vuil van onze boze natuur geeft de rook, maar het vuur onder dat vuil is aangestoken met een gloeiende kool van het altaar. Dat vuur hebt u niet zelf ontstoken, en het is niet uit, hoe vaak het ook lijkt te smoren. Treur over de rook, en treur oprecht. Maar vergeet niet dat Hij Die het vuur gaf, de rokende vlaswiek niet zal uitblussen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
A bruised reed shall He not break, and the smoking flax shall He not quench.
Isaiah 42:3
The blessed Spirit also compares a tried Christian to “the smoking flax.” The word “flax” here probably means the refuse of hemp or flax. It was evidently the custom to burn this refuse, and because there was much dirt in it, it became a smouldering fire. This smoking flax is the figure which the Holy Spirit has used to explain the life and work in the heart of a Christian.
What is this “flax”? Is it not the filth and corruption of our evil nature, as it were the refuse of Adam’s fall? And what is the fire that causes the smoke? Is it not the life of God within, the fire kindled by a live coal taken from off the altar? So it is not only said of a Christian that he bursts out into a bright, shining flame, but also that he is like “the smoking flax.” That depends on the measure of the life of God in the soul, which may give smoke without much flame or heat.
Very many of God’s children are in this state. Though they feel their corruptions very strongly, yet in the depth of their heart there burns a fire, a blessed fire, which God Himself has kindled. If they could, they would burst out into a holy flame. Their eyes would then not be continually smarting from the smoke of their own corruptions, but they would blaze up towards God in the sweet outgoings of faith, hope and love. But their corruptions and unbelief, their sin and shame, all seem to keep down the life of God in the soul. As with the smoking flax the dirt and refuse so choke the fire that it smoulders and smokes but cannot flame up, so the filth and folly of our corrupt nature seem to choke the holy flame of grace in the soul.
Reading: Matthew 12:9-12
To the reader…
Whoever looks into his own heart often sees more smoke there than flame. Do you see that in yourself too? Do your eyes smart continually from the smoke of your own corruption, while you long so much to blaze up towards God in a holy flame of faith, hope and love? Then you do not stand alone here. Very many of God’s children are in this state, and the Holy Spirit has described them with care in this figure.
For where there is smoke, there is fire. The filth of our evil nature gives the smoke, but the fire beneath that filth was kindled with a live coal from the altar. You did not light that fire yourself, and it has not gone out, however often it seems to be smothered. Mourn over the smoke, and mourn sincerely. But do not forget that He Who gave the fire will not quench the smoking flax.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
No quebrará la caña cascada, ni apagará el pábilo que humeare.
Isaías 42:3
El bendito Espíritu compara también al cristiano probado con “el pábilo que humea”. La palabra aquí traducida “pábilo” significa probablemente los desechos del cáñamo o del lino. Evidentemente era costumbre quemar estos desechos, y como había mucha suciedad en ellos, se convertían en un fuego que ardía sin llama. Este pábilo humeante es la figura que el Espíritu Santo ha empleado para explicar la vida y la obra en el corazón de un cristiano.
¿Qué es este “pábilo”? ¿No es la inmundicia y la corrupción de nuestra mala naturaleza, por así decirlo, los desechos de la caída de Adán? ¿Y cuál es el fuego que produce el humo? ¿No es la vida de Dios en el interior, el fuego encendido por un carbón encendido tomado del altar? Así que del cristiano no solo se dice que estalla en una llama clara y brillante, sino también que es como “el pábilo que humea”. Eso depende de la medida de la vida de Dios en el alma, que puede dar humo sin mucha llama ni calor.
Muchísimos de los hijos de Dios se encuentran en este estado. Aunque sienten muy fuertemente sus corrupciones, en lo hondo de su corazón arde un fuego, un fuego bendito, que Dios mismo ha encendido. Si pudieran, estallarían en una llama santa. Entonces sus ojos no estarían continuamente escocidos por el humo de sus propias corrupciones, sino que se alzarían ardiendo hacia Dios en las dulces salidas de la fe, la esperanza y el amor. Pero sus corrupciones e incredulidad, su pecado y su vergüenza, todo parece sofocar la vida de Dios en el alma. Como en el pábilo humeante la suciedad y los desechos ahogan de tal modo el fuego que arde sin llama y humea, pero no puede levantar llama, así la inmundicia y la necedad de nuestra naturaleza corrompida parecen ahogar la santa llama de la gracia en el alma.
Lectura: Mateo 12:9-12
Al lector…
Quien mira dentro de su propio corazón a menudo ve allí más humo que llama. ¿Lo ve usted también en sí mismo? ¿Le escuecen continuamente los ojos por el humo de su propia corrupción, mientras anhela tanto alzarse ardiendo hacia Dios en una llama santa de fe, esperanza y amor? Entonces no está solo en esto. Muchísimos de los hijos de Dios se encuentran en este estado, y el Espíritu Santo los ha descrito con cuidado en esta figura.
Porque donde hay humo, hay fuego. La inmundicia de nuestra mala naturaleza da el humo, pero el fuego que está debajo de esa inmundicia fue encendido con un carbón encendido del altar. No fue usted quien encendió ese fuego, y no se ha apagado, por muchas veces que parezca sofocado. Lamente el humo, y lamente sinceramente. Pero no olvide que Aquel que dio el fuego no apagará el pábilo que humea.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
En ik hoorde een grote stem zeggende in de hemel: „Nu is de zaligheid.”
Openbaring 12:10
Zaligheid. Wat zaligheid? Zaligheid uit genade, vol en vrij. Zaligheid zonder enige inmenging van ’s schepsels gerechtigheid; zaligheid, stromende uit de boezem Gods; zaligheid, vloeiende geheel en alleen door het bloed des Lams. Doch de zaligheid kan nooit gesmaakt worden zonder een voorafgaande veroordeling. Men kan nooit een geloofsblik ten hemel slaan, of er moet een nederblikken geweest zijn in de poort der hel. Er moet een bevinding van schuld geweest zijn, vóór er blijdschap kan zijn over de verzoening.
„Nu is de zaligheid.” Waarvandaan? Van de beschuldigingen van satan, van de vloeken der wet, de vrees des doods, de schrik der hel, het vonnis der veroordeling? En hoe wordt de zaligheid geopenbaard? Terwijl de strijd gaande is, terwijl de afloop twijfelachtig is, terwijl man tegen man, en voet voor voet, de strijd tussen satan en de ziel wordt gestreden, en zij zijn gewikkeld in een dodelijke strijd? Neen, hier wordt geen zaligheid geproefd. Er moge een hoop zijn die de soldaat in staat stelt staande te blijven, maar er is geen vreugdekreet van overwinning, tenzij de vijand op de vlucht gedreven is. Maar wanneer satan verslagen is, zijn beschuldigingen tot zwijgen gebracht zijn en de ziel bevrijd is, dan is er zaligheid.
Het zoetste gezang dat de hemel ooit liet horen, de meestgewijde toon die ooit de ziel deed smelten, is „zaligheid”. Verlost te zijn, verlost van de dood en van de hel, verlost van de worm die niet sterft, en van het vuur dat niet uitgeblust wordt; verlost van de sulfervlammen van de bodemloze put; verlost van het gezelschap van de kwellende boze geesten en van alle onreine schelmen, waaronder de wereld gezucht heeft. Verlost van de onuitsprekelijke smart over het lasteren van God; verlost van een eeuwige ellende zonder hoop.
En veilig in de hemel, en Jezus te zien, zoals Hij is. Volkomen heiligheid en blijdschap met het gezegend gezelschap van de heilige engelen en verheerlijkte heiligen! En dit alles te genieten gedurende de ontelbare eeuwen van een gezegende eeuwigheid. Welke tong van mensen of engelen kan het miljoenste deel beschrijven van wat vervat is in het woord „zaligheid”?
Aan de lezer…
Kind van God, staat u nog midden in de strijd? Voelt u de beschuldigingen van satan, de vloek der wet en de vrees des doods, zodat u man tegen man en voet voor voet moet worstelen, en nog geen vreugdekreet over uw lippen kan komen? Schrik dan niet, alsof dat bewijst dat u buiten de zaligheid staat. Wie de zaligheid smaken zal, moet eerst in de poort der hel hebben geblikt en de schuld hebben leren kennen.
Maar het blijft niet altijd strijd. Er komt een uur dat de Heere de vijand op de vlucht drijft, zijn beschuldigingen tot zwijgen brengt en de ziel bevrijdt. Dan klinkt ook in uw hart: „Nu is de zaligheid”, vrij en vol, alleen door het bloed des Lams. Houd dan uw hoop vast, al is zij zwak. Het zoetste gezang dat de hemel ooit liet horen, is voor zulke arme zondaars bestemd.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En ik hoorde een grote stem zeggende in de hemel: „Nu is de zaligheid.”
Openbaring 12:10
Zaligheid. Welke zaligheid? Zaligheid uit genade, vol en vrij. Zaligheid zonder enige inmenging van de gerechtigheid van het schepsel; zaligheid die voortstroomt uit de boezem van God; zaligheid die geheel en alleen vloeit door het bloed van het Lam. Maar de zaligheid kan nooit gesmaakt worden zonder een voorafgaande veroordeling. Men kan nooit met een blik van geloof naar de hemel opzien, of er moet eerst een neerkijken geweest zijn in de poort van de hel. Er moet een bevinding van schuld geweest zijn, voordat er blijdschap kan zijn over de verzoening.
„Nu is de zaligheid.” Waarvan? Van de beschuldigingen van satan, van de vloeken van de wet, de vrees voor de dood, de schrik van de hel, het vonnis van de veroordeling? En wanneer wordt de zaligheid geopenbaard? Terwijl de strijd nog gaande is, terwijl de afloop onzeker is, terwijl man tegen man en voet voor voet de strijd tussen satan en de ziel wordt gestreden, en zij in een strijd op leven en dood gewikkeld zijn? Nee, hier wordt geen zaligheid geproefd. Er kan een hoop zijn die de soldaat in staat stelt staande te blijven, maar er is geen overwinningskreet, tenzij de vijand op de vlucht gedreven is. Maar wanneer satan verslagen is, zijn beschuldigingen tot zwijgen gebracht zijn en de ziel bevrijd is, dan is er zaligheid.
Het zoetste lied dat de hemel ooit liet horen, de meest gewijde toon die ooit de ziel deed smelten, is „zaligheid”. Verlost te zijn: verlost van de dood en van de hel, verlost van de worm die niet sterft en van het vuur dat niet uitgeblust wordt; verlost van de zwavelvlammen van de bodemloze put; verlost van het gezelschap van de kwellende boze geesten en van alle onreine schurken onder wie de wereld gezucht heeft. Verlost van de onuitsprekelijke smart van het lasteren van God; verlost van een eeuwige ellende zonder hoop.
En veilig in de hemel te zijn, en Jezus te zien zoals Hij is. Volkomen heiligheid en blijdschap, met het gezegende gezelschap van de heilige engelen en de verheerlijkte heiligen! En dit alles te genieten gedurende de ontelbare eeuwen van een gezegende eeuwigheid. Welke tong van mensen of engelen kan het miljoenste deel beschrijven van wat besloten ligt in het woord „zaligheid”?
Aan de lezer…
Kind van God, staat u nog midden in de strijd? Voelt u de beschuldigingen van satan, de vloek van de wet en de vrees voor de dood, zodat u man tegen man en voet voor voet moet worstelen, en er nog geen vreugdekreet over uw lippen kan komen? Schrik dan niet, alsof dat bewijst dat u buiten de zaligheid staat. Wie de zaligheid smaken zal, moet eerst in de poort van de hel hebben gekeken en de schuld hebben leren kennen.
Maar het blijft niet altijd strijd. Er komt een uur dat de Heere de vijand op de vlucht drijft, zijn beschuldigingen tot zwijgen brengt en de ziel bevrijdt. Dan klinkt ook in uw hart: „Nu is de zaligheid”, vrij en vol, alleen door het bloed van het Lam. Houd dan uw hoop vast, al is zij zwak. Het zoetste lied dat de hemel ooit liet horen, is voor zulke arme zondaars bestemd.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And I heard a loud voice saying in heaven, Now is come salvation.
Revelation 12:10
“Salvation.” WHAT “salvation?” Salvation by grace, full and free; salvation without any intermixture of creature righteousness; salvation gushing from the bosom of God; salvation flowing wholly and solely through the blood of the Lamb. But salvation can never be tasted without a previous foretaste of condemnation. Heaven can never be looked up into before there has been a looking down into the gate of hell. There must have been an experience of guilt, before there can be the enjoyment of pardon.
“Now has come salvation.” FROM WHAT? From the accusations of Satan, the curses of the law, the fear of death, the terrors of hell, and sentence of damnation.
And HOW does salvation come? While the battle is going on, while the issue is doubtful, while hand to hand, foot to foot, and shoulder to shoulder, Satan and the soul are engaged in deadly strife, there is no felt experience of salvation. There may be hope, enabling the soldier to stand his ground; there is no shout of victory until the enemy is put to flight. But when Satan is defeated, his accusations silenced, and the soul liberated, then “has come salvation.”
The sweetest song that heaven ever proclaimed, the most blessed note that ever melted the soul, is “salvation.” To be saved—saved from death and hell; saved from “the worm which dies not, and the fire which is not quenched;” saved from the sulphurous flames of the bottomless pit; saved from the companionship of tormenting fiends, and of all the foul wretches under which earth has groaned; saved from blaspheming God in unutterable woe; saved from an eternity of misery without hope; and saved into heaven—the sight of Jesus as He is, perfect holiness and happiness, the blissful company of holy angels and glorified saints! And all this during the countless ages of a blessed eternity! What tongue of men or angels can describe the millionth part of what is contained in the word “salvation!”
To the reader…
Child of God, are you still in the midst of the battle? Do you feel the accusations of Satan, the curse of the law and the fear of death, so that you must wrestle hand to hand and foot to foot, and no shout of joy can yet pass your lips? Do not be alarmed, as though this proves that you stand outside salvation. Whoever is to taste salvation must first have looked into the gate of hell and have come to know his guilt.
But it will not always be battle. An hour comes when the Lord puts the enemy to flight, silences his accusations and sets the soul free. Then in your heart too it will sound: “Now is come salvation,” free and full, through the blood of the Lamb alone. Hold fast your hope, then, weak though it may be. The sweetest song that heaven ever let be heard is meant for just such poor sinners.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y oí una grande voz en el cielo que decía: Ahora ha venido la salvación.
Apocalipsis 12:10
“La salvación.” ¿QUÉ “salvación”? La salvación por gracia, plena y gratuita; la salvación sin ninguna mezcla de justicia de la criatura; la salvación que mana del seno de Dios; la salvación que fluye total y únicamente por la sangre del Cordero. Pero la salvación nunca puede ser gustada sin un previo anticipo de la condenación. Nunca se puede alzar la mirada al cielo sin antes haber mirado hacia abajo, a la puerta del infierno. Tiene que haber habido una experiencia de la culpa antes de que pueda haber el gozo del perdón.
“Ahora ha venido la salvación.” ¿DE QUÉ? De las acusaciones de Satanás, de las maldiciones de la ley, del temor de la muerte, de los terrores del infierno y de la sentencia de condenación.
¿Y CÓMO viene la salvación? Mientras la batalla continúa, mientras el desenlace es dudoso, mientras Satanás y el alma están trabados en lucha mortal, mano a mano, pie con pie y hombro con hombro, no hay experiencia sentida de la salvación. Puede haber esperanza, que capacita al soldado para mantenerse firme; pero no hay grito de victoria hasta que el enemigo es puesto en fuga. Mas cuando Satanás es derrotado, sus acusaciones acalladas y el alma liberada, entonces “ha venido la salvación”.
El canto más dulce que el cielo jamás proclamó, la nota más bendita que jamás derritió el alma, es “salvación”. ¡Ser salvo: salvo de la muerte y del infierno; salvo de “el gusano que no muere, y el fuego que nunca se apaga”; salvo de las llamas de azufre del abismo sin fondo; salvo de la compañía de demonios atormentadores y de todos los viles malvados bajo los cuales ha gemido la tierra; salvo de blasfemar a Dios en una angustia indecible; salvo de una eternidad de miseria sin esperanza; y salvo para el cielo: la visión de Jesús tal como Él es, la santidad y la felicidad perfectas, la bienaventurada compañía de los santos ángeles y de los santos glorificados! ¡Y todo esto durante las incontables edades de una bendita eternidad! ¿Qué lengua de hombres o de ángeles puede describir la millonésima parte de lo que se contiene en la palabra “salvación”?
Al lector…
Hijo de Dios, ¿está usted todavía en medio de la batalla? ¿Siente las acusaciones de Satanás, la maldición de la ley y el temor de la muerte, de modo que tiene que luchar mano a mano y pie con pie, y ningún grito de gozo puede aún salir de sus labios? No se alarme, como si esto demostrara que está fuera de la salvación. Quien ha de gustar la salvación tiene que haber mirado antes a la puerta del infierno y haber llegado a conocer su culpa.
Pero no siempre será batalla. Llega una hora en que el Señor pone en fuga al enemigo, acalla sus acusaciones y libera el alma. Entonces resonará también en su corazón: “Ahora ha venido la salvación”, gratuita y plena, solo por la sangre del Cordero. Aférrese, pues, a su esperanza, por débil que sea. El canto más dulce que el cielo jamás hizo oír es precisamente para tales pobres pecadores.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl