vandaag verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
6 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
11 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
2 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Maar de duif vond geen ruste voor het hol haars voets; zo keerde zij weder tot hem in de ark.
Genesis 8:9
Welk een rusteloos schepsel is een verzocht kind van God! Hoe is hij dikwijls buiten staat om op dezelfde plaats te blijven, zijn stoel te nemen en rustig bij zijn haard te zitten! Gelijk de duif van Noach kan hij geen rust vinden voor het hol van zijn voet op de drijvende puinhopen ener verloren wereld. Men heeft verhaald van de gevangenen die in de eerste Franse omwenteling in hun gevangenis de oproeping verwachtten om voor het Schrikbewind te verschijnen, dat sommigen al hun tijd doorbrachten met in hun cel op en neer te wandelen. Zo stappen ook wij onder beproevingen en verzoekingen de kamer op en neder, als zochten wij de inspanning van onze geest door de inspanning van ons lichaam te doen verdwijnen; of wij lopen door straten en wegen, om het hart in zuchten en kermen lucht te geven.
En evenals een beproefd kind van God dikwijls niet op dezelfde plaats kan blijven, zo kan het ook niet geestelijk rusten. Het kan niet rusten in zijn eigen gerechtigheid, noch in een belijdenis der lippen, noch in een vorm van godzaligheid, noch in de meningen der mensen, noch in iets dat uit het schepsel voortkomt of in het schepsel zich verenigt. Er is altijd iets ongerusts, hetzij in hemzelf, hetzij in de grond waarop hij rust. Somtijds is die met doornen en distels bezaaid, somtijds bezet met ruwe rotsblokken.
En toch, ware het niet om dit rusteloze en ongeruste gevoel, hoevelen zelfs van de kinderen Gods zouden menen de rust des Evangelies gevonden te hebben! Enigen zouden rust vinden in valse godsvrucht; anderen in de wereld; anderen zouden van hun eigen gerechtigheid een god gemaakt hebben; en anderen zouden, gelijk de dwaze maagden, gerust zijn ingeslapen, terwijl de olie in hun lampen verbrandde. Maar in die rusteloze, moeilijke strijd, waarin het leven en de genade Gods zijn, kan de ziel geen rust vinden dan alleen in die welke van God geschonken wordt. „Er blijft dus een rust over voor het volk van God.” Die rust is Christus: het bloed, de gerechtigheid, de liefde en de genade van het Lam Gods.
Zelfs vindt de mus een huis, o Heer!
De zwaluw legt haar jongskens neer
in ’t kunstig nest bij uw altaren.
Ps. 84:2
Aan de lezer…
U die zo onrustig bent dat u de kamer op en neer gaat en nergens kunt neerzitten, vindt u, als de duif van Noach, geen plaats voor het hol uws voets op de puinhopen van deze wereld, en ook niet in uw eigen gerechtigheid of in een vorm van godzaligheid? Het is een moeilijke strijd, en u zou wel eens willen dat het stil werd in uw ziel.
Maar dank God voor die onrust. Ware zij er niet, u zou misschien met de dwaze maagden gerust zijn ingeslapen, terwijl de olie in uw lamp verbrandde. Nu drijft zij u uit al het schepsel uit. De duif keerde weder tot de ark; keer u zo ook weder tot Christus. Er blijft een rust over voor het volk van God, en die rust is Hij: Zijn bloed, Zijn gerechtigheid, Zijn liefde en de genade van het Lam Gods.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Maar de duif vond geen ruste voor het hol haars voets; zo keerde zij weder tot hem in de ark.
Genesis 8:9
Wat een rusteloos schepsel is een verzocht kind van God! Hoe vaak kan hij niet op dezelfde plaats blijven, in zijn stoel gaan zitten en rustig bij zijn haard blijven! Zoals de duif van Noach kan hij geen rust vinden voor het hol van zijn voet op de drijvende puinhopen van een verloren wereld. Men heeft verteld van de gevangenen die tijdens de eerste Franse Revolutie in hun gevangenis wachtten op de oproep om voor het Schrikbewind te verschijnen, dat sommigen van hen al hun tijd doorbrachten met in hun cel op en neer te lopen. Zo lopen ook wij onder beproevingen en verzoekingen de kamer op en neer, alsof wij de inspanning van onze geest wilden laten verdwijnen door de inspanning van ons lichaam. Of wij lopen door straten en over wegen om ons hart lucht te geven in zuchten en kermen.
En zoals een beproefd kind van God vaak niet op dezelfde plaats kan blijven, zo kan het ook geestelijk niet rusten. Het kan niet rusten in zijn eigen gerechtigheid, niet in een belijdenis van de lippen, niet in een vorm van godzaligheid, niet in de meningen van mensen, en ook niet in iets wat uit het schepsel voortkomt of in het schepsel samenkomt. Er is altijd iets wat onrust geeft, hetzij in hemzelf, hetzij in de grond waarop hij rust. Soms is die met doornen en distels bezaaid, soms bezet met ruwe rotsblokken.
En toch: als dit rusteloze en onrustige gevoel er niet was, hoevelen, zelfs van de kinderen van God, zouden dan menen de rust van het Evangelie gevonden te hebben! Sommigen zouden rust vinden in valse godsvrucht, anderen in de wereld; weer anderen zouden van hun eigen gerechtigheid een god gemaakt hebben, en nog anderen zouden, zoals de dwaze maagden, gerust in slaap gevallen zijn terwijl de olie in hun lampen opbrandde. Maar in die rusteloze, moeilijke strijd, waarin het leven en de genade van God aanwezig zijn, kan de ziel geen rust vinden dan alleen in de rust die door God geschonken wordt. „Er blijft dus een rust over voor het volk van God.” Die rust is Christus: het bloed, de gerechtigheid, de liefde en de genade van het Lam van God.
Zelfs vindt de mus een huis, o Heer!
De zwaluw legt haar jongskens neer
in ’t kunstig nest bij uw altaren.
Ps. 84:2
Aan de lezer…
U die zo onrustig bent dat u de kamer op en neer loopt en nergens kunt gaan zitten: vindt u, zoals de duif van Noach, geen plaats voor het hol van uw voet op de puinhopen van deze wereld, en ook niet in uw eigen gerechtigheid of in een vorm van godzaligheid? Het is een moeilijke strijd, en u zou soms zo graag willen dat het stil werd in uw ziel.
Maar dank God voor die onrust. Was zij er niet, dan was u misschien met de dwaze maagden gerust in slaap gevallen, terwijl de olie in uw lamp opbrandde. Nu drijft zij u weg van alles wat geschapen is. De duif keerde terug naar de ark; keer zo ook terug naar Christus. Er blijft een rust over voor het volk van God, en die rust is Hij: Zijn bloed, Zijn gerechtigheid, Zijn liefde en de genade van het Lam van God.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
But the dove found no rest for the sole of her foot, and she returned unto him into the ark.
Genesis 8:9
What a restless being is a tempted child of God! How unable he often is even to rest locally, to take his chair, and sit quietly by his fire-side! Like Noah’s dove, he can find no rest for the sole of his foot on the floating carcases of a ruined world. It is recorded of the prisoners, who in the first French revolution, were awaiting in their dungeons the summons to the dread tribunal of blood, that some passed nearly the whole of their time in walking up and down their cells. So sometimes under trials and temptations, we pace up and down the room as if we sought to dissipate the exercise of our minds by the exercise of our bodies; or rush into the streets and fields to pour the heart out in sighs and groans, the restless mind acting and reacting upon the body.
And as an exercised child of God often cannot rest physically, so cannot he rest spiritually. He cannot rest in his own righteousness, nor in a sound creed, nor in a form of godliness, nor in the opinions of men, nor in anything that springs from or centers in the creature. There is always something uneasy, either in himself or in the ground on which he would repose. Sometimes it is strewed with thorns and briers; sometimes beset with sharp and rugged rocks.
And yet, but for these restless, uneasy feelings, how many even of the Lord’s own family would settle down short of gospel rest! Some would settle down in false religion; others in the world; some would make a god of their own righteousness; and others, like the foolish virgins, would securely sleep while their lamp was burning out.
But there is that restless, painful exercise where the life and grace of God are, that the soul cannot, if it would, settle down in any rest but that of God’s own providing. “There remains, therefore, a rest to the people of God.” That rest is Christ; the blood, righteousness, love, and grace of the Lamb of God.
To the reader…
You who are so restless that you pace up and down the room and cannot settle anywhere: do you, like Noah’s dove, find no rest for the sole of your foot on the ruins of this world, nor in your own righteousness or in a form of godliness? It is a hard struggle, and sometimes you would so dearly like your soul to be still.
But thank God for that restlessness. If it were not there, you might, like the foolish virgins, have fallen securely asleep while the oil in your lamp burned out. Now it drives you away from everything created. The dove returned to the ark; return likewise to Christ. There remains a rest for the people of God, and that rest is He: His blood, His righteousness, His love and the grace of the Lamb of God.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y no halló la paloma donde sentar la planta de su pie, y volvióse a él al arca.
Génesis 8:9
¡Qué ser tan inquieto es un hijo de Dios tentado! ¡Cuán incapaz es a menudo aun de descansar en un lugar, de tomar su silla y sentarse tranquilamente junto a su fuego! Como la paloma de Noé, no halla donde sentar la planta de su pie sobre los cadáveres flotantes de un mundo arruinado. Se cuenta de los prisioneros que, en la primera revolución francesa, aguardaban en sus calabozos la citación ante el temible tribunal de sangre, que algunos pasaban casi todo su tiempo andando de un lado a otro de sus celdas. Así a veces, bajo pruebas y tentaciones, recorremos la habitación de un lado a otro, como si quisiéramos disipar el ejercicio de nuestra mente con el ejercicio de nuestro cuerpo; o salimos precipitadamente a las calles y a los campos para derramar el corazón en suspiros y gemidos, mientras la mente inquieta obra y reacciona sobre el cuerpo.
Y así como un hijo de Dios ejercitado a menudo no puede descansar físicamente, tampoco puede descansar espiritualmente. No puede descansar en su propia justicia, ni en un credo sano, ni en una forma de piedad, ni en las opiniones de los hombres, ni en nada que brote de la criatura o se centre en ella. Siempre hay algo que inquieta, ya sea en él mismo o en el terreno sobre el cual quisiera reposar. A veces está sembrado de espinas y zarzas; a veces erizado de rocas agudas y escarpadas.
Y sin embargo, de no ser por estos sentimientos inquietos y desasosegados, ¡cuántos aun de la propia familia del Señor se acomodarían sin llegar al reposo del evangelio! Algunos se acomodarían en una religión falsa; otros en el mundo; algunos harían un dios de su propia justicia; y otros, como las vírgenes insensatas, dormirían confiados mientras su lámpara se apagaba.
Pero donde están la vida y la gracia de Dios hay ese ejercicio inquieto y doloroso, de modo que el alma no puede, aunque quisiera, acomodarse en ningún reposo sino en el que Dios mismo provee. “Por tanto, queda un reposo para el pueblo de Dios.” Ese reposo es Cristo: la sangre, la justicia, el amor y la gracia del Cordero de Dios.
Al lector…
Usted que está tan inquieto que recorre la habitación de un lado a otro y no puede asentarse en ninguna parte: ¿no halla usted, como la paloma de Noé, donde sentar la planta de su pie sobre las ruinas de este mundo, ni en su propia justicia ni en una forma de piedad? Es una lucha dura, y a veces desearía tanto que su alma estuviera tranquila.
Pero dé gracias a Dios por esa inquietud. Si no estuviera, quizá usted, como las vírgenes insensatas, se habría dormido confiado mientras el aceite de su lámpara se agotaba. Ahora le aleja de todo lo creado. La paloma volvió al arca; vuelva usted también a Cristo. Queda un reposo para el pueblo de Dios, y ese reposo es Él: Su sangre, Su justicia, Su amor y la gracia del Cordero de Dios.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Die Koning verhore ons
O HEERE! behoud; die Koning verhore ons, ten dage van ons roepen.
Psalm 20:10
Gods kinderen zijn er door de Heilige Geest min of meer van overtuigd geraakt dat er in henzelf geen goed aanwezig is, en dat daarom al het goede dat ze hebben wel een vrije gave vanuit de overvloedige genade Gods moet zijn. Het kan enige tijd in beslag nemen, het kan een proces van vele jaren zijn, het kan het gevolg van vele pijnlijke beproevingen zijn, het kan de vrucht van vele verwarrende angsten zijn, om iemand ertoe te brengen alle vertrouwen in het vlees te laten varen. Maar pas als hij zover is dat hij alle vleselijke afhankelijkheid heeft opgegeven, is hij zover dat hij uitsluitend op het volbrachte werk van Christus kan vertrouwen.
Er is een tijd geweest waarin hij dacht dat hij berouw zou hebben, dat hij zou geloven en zijn eigen ziel zou verlossen; maar hij ontdekte tot zijn bittere smart dat het niet langer aan hem was of hij berouw zou hebben, maar of God hem berouw wilde geven; niet langer of hij zou geloven, maar of God zo goed wilde zijn om hem de kostbare gave van het geloof te schenken. Ik geloof dat elk kind van God op het punt komt dat hij van zichzelf wordt ontdaan, in zijn gevoelens zo volledig omlaag wordt gehaald voor Gods voetbank, dat hij beseft dat hij, als God Zijn hand niet uitsteekt, in diepe wateren zal wegzinken.
De Kerk zegt daarom: „O HEERE! behoud.” „Begunstig me toch door Uw verlossing aan mijn hart toe te passen. Verzeker mijn ziel van haar deel in het volbrachte werk van Uw dierbare Zoon.” Dit is wat elke ziel zegt die zo vernederd is dat zij kan beseffen dat zij zonder toepassing van het bloed en de liefde van Christus voor eeuwig zal verzinken.
Maar als de Kerk zegt: „Heere, verlos ons”, wat houdt dit dan in? Het houdt in dat we van iets moeten worden verlost, anders kan er geen sprake van een verlossing zijn. Verlossing is niet slechts een negatief iets; het is een daadwerkelijke redding, een echte verlossing; de ziel wordt werkelijk uit een noodsituatie gehaald. Dus als de Kerk zegt: „Verlos ons”, betekent dit dat ze bevrijd wil worden uit datgene wat anders haar ondergang zal worden.
Lezen: Psalm 20
Aan de lezer…
Soms duurt het lang voordat u tot uw bittere smart ontdekt dat het niet in uw macht ligt uzelf tot berouw en geloof te brengen. Voelt u zich zo laag aan Gods voetbank liggen dat u weet: als Hij Zijn hand niet uitsteekt, zink ik weg in diepe wateren? Schrik daar niet voor terug. Het is een pijnlijke weg, soms van vele jaren, maar het is de weg waarlangs de Heere een ziel van alle vertrouwen in het vlees losmaakt.
Want juist zo leert de ziel roepen: „O HEERE! behoud.” Niet als een vrome gewoonte, maar als de kreet van iemand die werkelijk uit nood gered moet worden. Hij Die aan deze bede Zijn oor leent, kan het bloed en de liefde van Christus aan uw hart toepassen en uw ziel verzekeren van haar deel in het volbrachte werk van Zijn dierbare Zoon. Roep dan, ten dage van uw roepen; de Koning hoort.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
O HEERE! behoud; die Koning verhore ons, ten dage van ons roepen.
Psalm 20:10
Gods kinderen zijn door de Heilige Geest er min of meer van overtuigd dat er in henzelf geen goed is, en dat daarom al het goede dat zij hebben een vrije gave moet zijn uit de overvloedige genade van God. Het kan enige tijd duren, het kan een weg van vele jaren zijn, het kan de vrucht zijn van vele pijnlijke beproevingen en van vele verwarrende angsten, voordat iemand zover gebracht is dat hij alle vertrouwen op het vlees laat varen. Maar pas als hij alle vleselijke steun heeft opgegeven, is hij zover dat hij alleen op het volbrachte werk van Christus kan vertrouwen.
Er is een tijd geweest dat hij dacht dat hij berouw zou hebben, dat hij zou geloven en zijn eigen ziel zou verlossen. Maar tot zijn bittere smart ontdekte hij dat het niet langer de vraag was of hij berouw zou hebben, maar of God hem berouw wilde geven; niet langer of hij zou geloven, maar of God zo goed wilde zijn hem de kostbare gave van het geloof te schenken. Ik geloof dat elk kind van God op het punt komt dat hij van zichzelf ontdaan wordt. In zijn gevoel wordt hij zo diep neergelegd aan Gods voetbank, dat hij beseft dat hij in diepe wateren zal wegzinken als God Zijn hand niet uitsteekt.
Daarom zegt de Kerk: „O HEERE! behoud.” „Begunstig me toch door Uw verlossing aan mijn hart toe te passen. Verzeker mijn ziel van haar deel in het volbrachte werk van Uw dierbare Zoon.” Dit zegt elke ziel die zo vernederd is dat zij beseft dat zij voor eeuwig zal wegzinken zonder de toepassing van het bloed en de liefde van Christus.
Maar als de Kerk zegt: „Heere, verlos ons”, wat houdt dat dan in? Het houdt in dat we ergens van moeten worden verlost; anders kan er van verlossing geen sprake zijn. Verlossing is niet alleen iets negatiefs; het is een daadwerkelijke redding, een echte verlossing: de ziel wordt werkelijk uit de nood gehaald. Als de Kerk dus zegt: „Verlos ons”, betekent dat dat zij bevrijd wil worden van wat anders haar ondergang zou worden.
Lezen: Psalm 20
Aan de lezer…
Soms duurt het lang voordat u tot uw bittere smart ontdekt dat het niet in uw macht ligt uzelf tot berouw en geloof te brengen. Voelt u zich zo laag aan Gods voetbank liggen dat u weet: als Hij Zijn hand niet uitsteekt, zink ik weg in diepe wateren? Schrik daar niet voor terug. Het is een pijnlijke weg, soms van vele jaren, maar het is de weg waarlangs de Heere een ziel losmaakt van alle vertrouwen op het vlees.
Want juist zo leert de ziel roepen: „O HEERE! behoud.” Niet als een vrome gewoonte, maar als de roep van iemand die werkelijk uit de nood gered moet worden. Hij Die naar deze bede luistert, kan het bloed en de liefde van Christus aan uw hart toepassen en uw ziel verzekeren van haar deel in het volbrachte werk van Zijn dierbare Zoon. Roep dan, ten dage van uw roepen; de Koning hoort.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Save, LORD: let the king hear us when we call.
Psalm 20:9
God’s children are more or less convinced by the Holy Ghost that there is no good in themselves, and that therefore all the good they have must be a free gift from the superabounding grace of God. It may take some time, it may be a path of many years, it may be the fruit of many painful trials and of many perplexing fears, before a man is brought to give up all confidence in the flesh. But only when he has given up all fleshly props is he brought to the point where he can trust solely in the finished work of Christ.
There was a time when he thought he would repent, that he would believe and save his own soul. But to his bitter sorrow he found that it was no longer a question whether he would repent, but whether God would give him repentance; no longer whether he would believe, but whether God would be so good as to bestow on him the precious gift of faith. I believe every child of God comes to the point where he is stripped of self. In his feelings he is laid so low at God’s footstool that he knows he will sink in deep waters unless God puts forth His hand.
Therefore the Church says, “Save, LORD.” “O favour me by applying Thy salvation to my heart. Assure my soul of its interest in the finished work of Thy dear Son.” So says every soul that is so humbled as to feel it will sink for ever without the application of the blood and love of Christ.
But when the Church says, “Lord, save us,” what does that imply? It implies that we must be saved from something; otherwise there can be no talk of salvation. Salvation is not merely something negative; it is an actual rescue, a real deliverance: the soul is really brought out of distress. When, then, the Church says, “Save us,” it means that she wants to be delivered from that which would otherwise be her ruin.
Reading: Psalm 20
To the reader…
Sometimes it takes a long while before you find, to your bitter sorrow, that it is not in your power to bring yourself to repentance and faith. Do you feel yourself lying so low at God’s footstool that you know: if He does not put forth His hand, I shall sink in deep waters? Do not shrink back from that. It is a painful path, sometimes of many years, but it is the path by which the Lord loosens a soul from all confidence in the flesh.
For in just this way the soul learns to cry, “Save, LORD.” Not as a pious habit, but as the cry of one who must really be rescued out of distress. He Who listens to this prayer can apply the blood and love of Christ to your heart and assure your soul of its interest in the finished work of His dear Son. Call, then, in the day of your calling; the King hears.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Salva, Jehová: que el Rey nos oiga el día que Le invocáremos.
Salmo 20:9
Los hijos de Dios están más o menos convencidos por el Espíritu Santo de que no hay bien en ellos mismos, y de que por tanto todo el bien que tienen debe ser un don gratuito de la sobreabundante gracia de Dios. Puede llevar algún tiempo, puede ser un camino de muchos años, puede ser el fruto de muchas pruebas dolorosas y de muchos temores desconcertantes, antes de que un hombre sea llevado a renunciar a toda confianza en la carne. Pero solo cuando ha renunciado a todos los apoyos carnales es llevado al punto en que puede confiar únicamente en la obra consumada de Cristo.
Hubo un tiempo en que pensaba que se arrepentiría, que creería y salvaría su propia alma. Pero para su amargo pesar halló que ya no era cuestión de si él se arrepentiría, sino de si Dios le daría arrepentimiento; ya no de si él creería, sino de si Dios sería tan bueno como para otorgarle el precioso don de la fe. Creo que todo hijo de Dios llega al punto en que es despojado del yo. En sus sentimientos es abatido tan bajo ante el estrado de Dios que sabe que se hundirá en aguas profundas a menos que Dios extienda Su mano.
Por eso la Iglesia dice: “Salva, Jehová.” “Oh, favoréceme aplicando Tu salvación a mi corazón. Asegura a mi alma su parte en la obra consumada de Tu amado Hijo.” Así dice toda alma que es tan humillada que siente que se hundirá para siempre sin la aplicación de la sangre y el amor de Cristo.
Pero cuando la Iglesia dice: “Señor, sálvanos”, ¿qué implica eso? Implica que debemos ser salvados de algo; de lo contrario no puede hablarse de salvación. La salvación no es meramente algo negativo; es un rescate real, una verdadera liberación: el alma es realmente sacada de la angustia. Cuando, pues, la Iglesia dice: “Sálvanos”, quiere decir que desea ser librada de aquello que de otro modo sería su ruina.
Lectura: Salmo 20
Al lector…
A veces pasa mucho tiempo antes de que usted descubra, para su amargo pesar, que no está en su poder llevarse a sí mismo al arrepentimiento y a la fe. ¿Se siente tan abatido ante el estrado de Dios que sabe: si Él no extiende Su mano, me hundiré en aguas profundas? No retroceda ante eso. Es un camino doloroso, a veces de muchos años, pero es el camino por el cual el Señor desprende a un alma de toda confianza en la carne.
Porque precisamente así aprende el alma a clamar: “Salva, Jehová.” No como una costumbre piadosa, sino como el clamor de alguien que realmente tiene que ser rescatado de la angustia. Aquel que escucha esta oración puede aplicar la sangre y el amor de Cristo a su corazón y asegurar a su alma su parte en la obra consumada de Su amado Hijo. Invoque, pues, en el día de su clamor; el Rey oye.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Mijn Vader, Die ze Mij gegeven heeft, is groter dan allen; en niemand zal hen rukken uit de hand Mijns Vaders.
Johannes 10:29
In dit zeer voortreffelijke en roerende gebed, dat de Heere Jezus Christus, als de grote Hogepriester over het huis Gods, aan Zijn hemelse Vader opofferde alvorens Hij Zijn dierbaar bloed aan het kruis vergoot, is een smeking, of liever een uitdrukking van Zijn heilige wil, die een onuitsprekelijke zegen in zich bevat: „Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt; want Gij hebt Mij liefgehad vóór de grondlegging der wereld.” De verandering van een smeken als Priester tot een voordragen van Zijn wil als Koning is zeer opmerkelijk, en werpt een dierbaar licht op de natuur van Christus’ middelaarsbediening aan de rechterhand Gods.
Ingevolge de uitvoering van Zijn verbondsverplichtingen, van Zijn verzoenende offerande en volbrachte werk, en krachtens de volkomen evengelijkheid van Zijn Goddelijke natuur met die Zijns Vaders en des Heiligen Geestes, brengt Hij de uitdrukking van Zijn soevereine wil voort, die was en wezenlijk is de eeuwige wil en de vastgestelde besluiten van Zijn hemelse Vader. En o, hoe vol en kernachtig, hoe dierbaar en voorkomend is de wil van Christus, aldus uitgedrukt! Hoe omvat Hij in Zijn sterke en soevereine greep al de leden van Zijn verborgen lichaam, al de schapen Zijner weide en de kudde Zijner hand, al dat de Vader Hem als een eeuwig eigendom had toegekend!
Ja, al de ontelbare miljoenen die vóór de grondlegging der wereld Hem gegeven zijn als Zijn blijdschap en kroon, als Zijn eeuwige erfenis, als het vermaak Zijns harten en de toegezegde beloning op Zijn vleeswording, Zijn lijden en dood, zij allen waren in de uitdrukking van Zijn heilige en onveranderlijke wil ingesloten. Wat ook hun staat en toestand hier beneden zij, onder welke zonden en smarten zij ook te zuchten en te kermen hebben, welke tegenstand zij mogen ondervinden van de aarde of van de hel, deze wil van Christus bewaart hen, zodat zij niet uit Zijn hand kunnen vallen, noch beroofd kunnen worden van hun heerlijke erfenis.
Aan de lezer…
Zucht u, waarde lezer, onder zonden en smarten, en vreest u dat u eens uit de hand van de Heere zult vallen? Kijkt u naar de tegenstand van de aarde en van de hel, en dan naar uw eigen zwakheid, en zinkt de moed u in de schoenen? Hoor dan wat de grote Hogepriester tot Zijn Vader sprak, niet als een bede alleen, maar als de wil van een Koning: „Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt.”
Daarin ligt uw veiligheid: niet in de kracht van uw greep op Hem, maar in Zijn sterke en soevereine greep op de Zijnen. Niemand zal hen rukken uit de hand Zijns Vaders. Bent u een arm schaap dat Zijn stem kent en naar Hem uitziet, wat uw staat hier beneden ook zij, deze wil van Christus bewaart u. Zie dan van uzelf af en op Hem, Die Zijn dierbaar bloed vergoot voor wie de Vader Hem gaf.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Mijn Vader, Die ze Mij gegeven heeft, is groter dan allen; en niemand zal hen rukken uit de hand Mijns Vaders.
Johannes 10:29
In het zeer voortreffelijke en ontroerende gebed dat de Heere Jezus Christus, als de grote Hogepriester over het huis van God, tot Zijn hemelse Vader opzond voordat Hij Zijn dierbaar bloed aan het kruis vergoot, staat een smeking, of liever een uitdrukking van Zijn heilige wil, die een onuitsprekelijke zegen in zich draagt: „Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt; want Gij hebt Mij liefgehad vóór de grondlegging der wereld.” De overgang van smeken als Priester naar het uitspreken van Zijn wil als Koning is zeer opmerkelijk, en werpt een kostbaar licht op de aard van Christus’ middelaarsbediening aan de rechterhand van God.
Op grond van de vervulling van Zijn verbondsverplichtingen, van Zijn verzoenend offer en volbrachte werk, en krachtens de volkomen gelijkheid van Zijn goddelijke natuur met die van Zijn Vader en van de Heilige Geest, spreekt Hij Zijn soevereine wil uit. Die wil was en is in wezen de eeuwige wil en het vastgestelde besluit van Zijn hemelse Vader. En o, hoe vol en krachtig, hoe dierbaar en voorkomend is de wil van Christus, zoals die hier wordt uitgesproken! Hoe omvat Hij in Zijn sterke en soevereine greep alle leden van Zijn verborgen lichaam, alle schapen van Zijn weide en de kudde van Zijn hand, alles wat de Vader Hem als eeuwig eigendom had toegekend!
Ja, alle ontelbare miljoenen die Hem vóór de grondlegging van de wereld gegeven zijn als Zijn blijdschap en kroon, als Zijn eeuwige erfenis, als de vreugde van Zijn hart en de beloofde beloning voor Zijn vleeswording, Zijn lijden en dood, zij allen waren ingesloten in de uitdrukking van Zijn heilige en onveranderlijke wil. Wat hun staat en toestand hier beneden ook is, onder welke zonden en smarten zij ook moeten zuchten en kermen, welke tegenstand zij ook ondervinden van de aarde of van de hel: deze wil van Christus bewaart hen. Daardoor kunnen zij niet uit Zijn hand vallen en ook niet van hun heerlijke erfenis beroofd worden.
Aan de lezer…
Zucht u, waarde lezer, onder zonden en smarten, en vreest u dat u ooit uit de hand van de Heere zult vallen? Kijkt u naar de tegenstand van de aarde en van de hel, en dan naar uw eigen zwakheid, en zinkt de moed u in de schoenen? Hoor dan wat de grote Hogepriester tot Zijn Vader sprak, niet alleen als een bede, maar als de wil van een Koning: „Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt.”
Daarin ligt uw veiligheid: niet in de kracht van uw greep op Hem, maar in Zijn sterke en soevereine greep op de Zijnen. Niemand zal hen rukken uit de hand van Zijn Vader. Bent u een arm schaap dat Zijn stem kent en naar Hem uitziet, wat uw staat hier beneden ook is, deze wil van Christus bewaart u. Zie dan van uzelf af en op Hem, Die Zijn dierbaar bloed vergoot voor wie de Vader Hem gaf.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“My Father, which gave them me, is greater than all; and no man is able to pluck them out of my Father’s hand.”
John 10:29
In that most sublime and touching prayer which the Lord Jesus Christ, as the great High Priest over the house of God, offered up to His heavenly Father before He shed His precious blood on the cross, there is one petition, or rather an expression of His holy will, which is full of unspeakable blessedness. “Father, I will that they also, whom You have given Me, be with Me where I am; that they may behold My glory, which You have given Me; for You loved Me before the foundation of the world.” The change from ‘petitioning as a Priest’ to ‘willing as a King’ is very remarkable, and casts a gracious light on the nature of Christ’s mediatorial intercession at the right hand of God. On the footing of His covenant engagements, atoning sacrifice, and finished work, as well as from the perfect equality of His divine nature with that of the Father and of the Holy Spirit, He utters the expression of that sovereign will which was and is identically the same with the eternal will and fixed decrees of His heavenly Father.
And oh, how full and comprehensive, how gracious and condescending is the will of Christ as thus expressed! How it embraces in its firm and sovereign grasp all the members of His mystical body, all the sheep of His pasture and the flock of His hand, all that the Father gave Him to be eternally His own! Yes; all the countless millions who before the foundation of the world were given to Him—as His joy and crown, as His eternal inheritance, as the delight of His heart, and the promised reward of His incarnation, sufferings, and death, were included in this expression of His holy and unchanging will. Whatever be their state and condition here below, whatever sins and sorrows they may have to sigh and groan under, whatever opposition they may encounter from earth or hell, this will of Christ holds them up so that they cannot fall out of His hand, or be deprived of their glorious inheritance.
To the reader…
Do you sigh, dear reader, under sins and sorrows, and do you fear that one day you will fall out of the Lord’s hand? Do you look at the opposition of earth and hell, and then at your own weakness, and does your courage sink? Then hear what the great High Priest said to His Father, not only as a petition, but as the will of a King: “Father, I will that they also, whom Thou hast given Me, be with Me where I am.”
That is where your safety lies: not in the strength of your grip on Him, but in His strong and sovereign grip on His own. No one shall pluck them out of His Father’s hand. If you are a poor sheep that knows His voice and looks to Him, whatever your state here below, this will of Christ keeps you. Look away from yourself, then, and to Him, Who shed His precious blood for those whom the Father gave Him.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Mi Padre que me las dio, mayor que todos es; y nadie las puede arrebatar de la mano de mi Padre.”
Juan 10:29
En aquella oración tan sublime y conmovedora que el Señor Jesucristo, como el gran Sumo Sacerdote sobre la casa de Dios, elevó a Su Padre celestial antes de derramar Su preciosa sangre en la cruz, hay una petición, o más bien una expresión de Su santa voluntad, que está llena de una bienaventuranza inefable. “Padre, aquellos que me has dado, quiero que donde yo estoy, ellos estén también conmigo; para que vean mi gloria que me has dado: por cuanto me has amado desde antes de la constitución del mundo.” El cambio de ‘pedir como Sacerdote’ a ‘querer como Rey’ es muy notable, y arroja una luz llena de gracia sobre la naturaleza de la intercesión mediadora de Cristo a la diestra de Dios. Sobre la base de Sus compromisos del pacto, de Su sacrificio expiatorio y de Su obra consumada, así como de la perfecta igualdad de Su naturaleza divina con la del Padre y la del Espíritu Santo, Él expresa aquella voluntad soberana que era y es idénticamente la misma que la voluntad eterna y los decretos fijos de Su Padre celestial.
¡Y oh, cuán plena y abarcadora, cuán llena de gracia y condescendencia es la voluntad de Cristo así expresada! ¡Cómo abarca en su firme y soberano asimiento a todos los miembros de Su cuerpo místico, a todas las ovejas de Su prado y el rebaño de Su mano, a todos los que el Padre le dio para que fuesen eternamente Suyos! Sí; todos los innumerables millones que antes de la fundación del mundo le fueron dados —como Su gozo y corona, como Su herencia eterna, como el deleite de Su corazón y la recompensa prometida de Su encarnación, Sus sufrimientos y Su muerte— quedaron incluidos en esta expresión de Su santa e inmutable voluntad. Cualquiera que sea su estado y condición aquí abajo, cualesquiera que sean los pecados y pesares bajo los cuales tengan que suspirar y gemir, cualquiera que sea la oposición que encuentren de la tierra o del infierno, esta voluntad de Cristo los sostiene de tal modo que no pueden caer de Su mano ni ser privados de su gloriosa herencia.
Al lector…
¿Suspira usted, querido lector, bajo pecados y pesares, y teme que un día caerá de la mano del Señor? ¿Mira la oposición de la tierra y del infierno, y luego su propia debilidad, y se le hunde el ánimo? Oiga entonces lo que el gran Sumo Sacerdote dijo a Su Padre, no solo como petición, sino como la voluntad de un Rey: “Padre, aquellos que me has dado, quiero que donde yo estoy, ellos estén también conmigo.”
Ahí está su seguridad: no en la fuerza con que usted se aferra a Él, sino en el firme y soberano asimiento con que Él sostiene a los Suyos. Nadie los arrebatará de la mano de Su Padre. Si usted es una pobre oveja que conoce Su voz y mira a Él, cualquiera que sea su estado aquí abajo, esta voluntad de Cristo le guarda. Aparte, pues, la vista de sí mismo y mire a Él, que derramó Su preciosa sangre por aquellos que el Padre le dio.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl