2 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
9 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
3 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Maar wij hebben deze schat in aarden vaten, opdat de uitnemendheid der kracht zij van God, en niet uit ons.
2 Korinthe 4:7
Wees niet verwonderd als u voelt dat u in uzelf niets meer bent dan een aarden vat; als u diep en dagelijks voelt aan welk een broos lichaam God licht en leven geschonken heeft. Wees niet verwonderd als uw lemen huis dikwijls waggelt; als ziekte soms uw sterfelijke tabernakel aantast; als in uw vlees niets goeds woont; als uw ziel dikwijls aan het stof kleeft en als u niet in staat bent een zoet gevoel van Gods goedheid en liefde op te merken. Wees niet verwonderd, niet ontsteld over de verdorvenheid van uw bedorven natuur: over de diepte der zonde in uw vleselijk hart; over de verfoeiselen, die loeren en werken in uw bedrieglijk en zeer bedorven hart. Bedenk, dat het de wil van God is, dat u die hemelse schat, die u verrijkt voor de eeuwigheid, dragen moet in een aarden vat.
Wij moeten een dagelijks gevoel van onze lage afkomst in ons omdragen, om de trotsheid voor onze ogen te verbergen. Wij moeten van anderen verfoeid worden, en door niemand zozeer als door onszelf. Wij moeten steeds onze aangeboren zwakheid voelen en ook dat wij zonder Christus niets kunnen doen; dat wij met nederigheid bekleed moeten zijn, en ons de grootste der zondaars voelen, en minder dan de minste aller heiligen. Zo leren wij de hoogte, breedte en diepte kennen van de liefde van Christus, Die Zich zo diep neerboog om ons zo hoog te verheffen.
Zend, Heer, Uw licht en waarheid neder
en breng mij, door die glans geleid,
tot Uw gewijde tente weder.
Dan klimt mijn bange ziel gereder
ten berge van Uw heiligheid,
waar mij Uw gunst verbeidt.
Ps. 43:3
Aan de lezer…
Misschien bent u ontsteld over uzelf: over de zwakheid van uw lichaam, over de verdorvenheid die u in uw hart ontdekt, over een ziel die zo dikwijls aan het stof kleeft. U had gedacht dat genade u sterker en beter zou doen voelen, en in plaats daarvan ziet u steeds meer hoe arm en broos u bent. Wees daarover niet verwonderd. Het is de wil van God dat Zijn hemelse schat gedragen wordt in een aarden vat.
Dat aarden vat is geen bewijs dat de schat er niet in is; het is de plaats die God er Zelf voor gekozen heeft, opdat de uitnemendheid der kracht zou zijn van Hem, en niet uit ons. Hoe kleiner u in uw eigen ogen wordt, hoe meer ruimte er is voor Christus. Zonder Hem kunt u niets doen, maar Hij boog Zich zo diep neer om zulke aarden vaten zo hoog te verheffen. Laat uw armoede u dan niet van Hem wegdrijven, maar juist naar Hem toe.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Maar wij hebben deze schat in aarden vaten, opdat de uitnemendheid der kracht zij van God, en niet uit ons.
2 Korinthe 4:7
Verwonder u er niet over als u voelt dat u in uzelf niets meer bent dan een aarden vat, en als u diep en dagelijks voelt aan wat voor een broos lichaam God licht en leven geschonken heeft. Verwonder u er niet over als uw lemen huis vaak wankelt, als ziekte soms uw sterfelijke tabernakel aantast, als in uw vlees niets goeds woont, als uw ziel vaak aan het stof kleeft en als u niet in staat bent een zoet besef van Gods goedheid en liefde te ervaren. Verwonder u niet en schrik niet van de verdorvenheid van uw bedorven natuur: van de diepte van de zonde in uw vleselijk hart en van de gruwelen die loeren en werken in uw bedrieglijk en zeer bedorven hart. Bedenk dat het de wil van God is dat u die hemelse schat, die u verrijkt voor de eeuwigheid, in een aarden vat moet dragen.
Wij moeten een dagelijks besef van onze lage afkomst met ons meedragen, om de hoogmoed voor onze ogen te verbergen. Wij moeten door anderen verfoeid worden, en door niemand zozeer als door onszelf. Wij moeten steeds onze aangeboren zwakheid voelen, en ook dat wij zonder Christus niets kunnen doen. Wij moeten met nederigheid bekleed zijn, en ons de grootste van de zondaars voelen, en minder dan de minste van alle heiligen. Zo leren wij de hoogte, breedte en diepte kennen van de liefde van Christus, Die Zich zo diep neerboog om ons zo hoog te verheffen.
Zend, Heer, Uw licht en waarheid neder
en breng mij, door die glans geleid,
tot Uw gewijde tente weder.
Dan klimt mijn bange ziel gereder
ten berge van Uw heiligheid,
waar mij Uw gunst verbeidt.
Ps. 43:3
Aan de lezer…
Misschien bent u ontsteld over uzelf: over de zwakheid van uw lichaam, over de verdorvenheid die u in uw hart ontdekt, over een ziel die zo vaak aan het stof kleeft. U had gedacht dat genade u sterker en beter zou laten voelen, en in plaats daarvan ziet u steeds meer hoe arm en broos u bent. Verwonder u daar niet over. Het is de wil van God dat Zijn hemelse schat gedragen wordt in een aarden vat.
Dat aarden vat is geen bewijs dat de schat er niet in is. Het is de plaats die God er Zelf voor gekozen heeft, opdat de uitnemendheid van de kracht van Hem zou zijn, en niet uit ons. Hoe kleiner u in uw eigen ogen wordt, hoe meer ruimte er is voor Christus. Zonder Hem kunt u niets doen, maar Hij boog Zich zo diep neer om zulke aarden vaten zo hoog te verheffen. Laat uw armoede u dan niet van Hem wegdrijven, maar juist naar Hem toe.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
But we have this treasure in earthen vessels, that the excellency of the power may be of God, and not of us.
2 Corinthians 4:7
Be not surprised if you feel that in yourself you are but an earthen vessel; if you are made deeply and daily sensible unto what a frail body God has communicated light and life. Be not surprised if your clay house is often tottering; if sickness sometimes assails your mortal tabernacle; if in your flesh there dwells no good thing; if your soul often cleaves to the dust; and if you are unable to retain a sweet sense of God’s goodness and love.
Be not surprised nor startled at the corruptions of your depraved nature; at the depth of sin in your carnal mind; at the vile abominations which lurk and work in your deceitful and desperately wicked heart. Bear in mind that it is the will of God that this heavenly treasure which makes you rich for eternity should be lodged in an earthen vessel.
We are to carry about a daily sense of our base original to hide pride from our eyes. We are to be despised by others; and by none so much as by our own selves. We have ever to feel our native weakness, and that without Christ we can do nothing; that we may be clothed with humility, and feel ourselves the chief of sinners, and less than the least of all saints. We thus learn to prize the heights, breadths, lengths, and depths of the love of Christ, Who stooped so low to raise us up so high.
To the reader…
Perhaps you are dismayed at yourself: at the weakness of your body, at the corruption you discover in your heart, at a soul that so often cleaves to the dust. You had thought grace would make you feel stronger and better, and instead you see more and more how poor and frail you are. Do not be surprised at that. It is the will of God that His heavenly treasure should be carried in an earthen vessel.
That earthen vessel is no proof that the treasure is not in it. It is the very place God Himself has chosen for it, that the excellency of the power may be of Him, and not of us. The smaller you become in your own eyes, the more room there is for Christ. Without Him you can do nothing, but He stooped so low to raise such earthen vessels so high. So do not let your poverty drive you away from Him, but rather towards Him.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Tenemos empero este tesoro en vasos de barro, para que la alteza del poder sea de Dios, y no de nosotros.
2 Corintios 4:7
No se sorprenda si siente que en sí mismo no es más que un vaso de barro; si se le hace sentir profunda y diariamente a qué cuerpo tan frágil ha comunicado Dios luz y vida. No se sorprenda si su casa de barro se tambalea a menudo; si la enfermedad asalta a veces su tabernáculo mortal; si en su carne no mora el bien; si su alma se apega a menudo al polvo; y si no puede retener un dulce sentir de la bondad y el amor de Dios.
No se sorprenda ni se sobresalte ante las corrupciones de su naturaleza depravada; ante la profundidad del pecado en su mente carnal; ante las viles abominaciones que acechan y obran en su corazón engañoso y perverso más que todas las cosas. Tenga presente que es voluntad de Dios que este tesoro celestial que le hace rico para la eternidad sea depositado en un vaso de barro.
Hemos de llevar con nosotros un sentir diario de nuestro bajo origen para esconder de nuestros ojos el orgullo. Hemos de ser menospreciados por otros, y por nadie tanto como por nosotros mismos. Hemos de sentir siempre nuestra debilidad natural, y que sin Cristo nada podemos hacer; para que seamos revestidos de humildad y nos sintamos el primero de los pecadores y menos que el más pequeño de todos los santos. Así aprendemos a apreciar la altura, la anchura, la longitud y la profundidad del amor de Cristo, que se rebajó tanto para levantarnos tan alto.
Al lector…
Quizá está usted consternado consigo mismo: por la debilidad de su cuerpo, por la corrupción que descubre en su corazón, por un alma que tan a menudo se apega al polvo. Había pensado que la gracia le haría sentirse más fuerte y mejor, y en cambio ve cada vez más cuán pobre y frágil es. No se sorprenda de ello. Es voluntad de Dios que Su tesoro celestial sea llevado en un vaso de barro.
Ese vaso de barro no es prueba de que el tesoro no esté en él. Es precisamente el lugar que Dios mismo ha escogido para él, para que la alteza del poder sea de Él, y no de nosotros. Cuanto más pequeño se hace usted a sus propios ojos, tanto más lugar hay para Cristo. Sin Él nada puede hacer, pero Él se rebajó tanto para levantar tan alto a tales vasos de barro. No deje, pues, que su pobreza le aleje de Él, sino más bien que le acerque a Él.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Alle dingen ten goede
En wij weten dat degenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede.
Romeinen 8:28
Hoe kunnen wij weten of bezoekingen ons wel van nut zijn? We vergissen ons soms in deze zaak. We stellen ons voor dat bezoekingen noodzakelijkerwijs op hetzelfde tijdstip verbonden zijn met zichtbare zegening. Als de openbaringen en vertroostingen van goddelijke liefde niet op precies hetzelfde moment komen als de bezoeking, zijn we vaak geneigd te geloven dat de bezoeking zonder nut aan ons is voorbijgegaan. Maar zo moeten we bezoekingen niet beoordelen. Bezoeking en troost zijn verschillende dingen. Bezoekingen zijn bestemd om het hart op troost voor te bereiden; maar wanneer en hoe de troost zal komen, hierover heeft God geen enkele regel vastgelegd in Zijn Woord.
Maken de bezoekingen die we doormaken ons nederig? Dan doen ze ons goed. Doven ze de liefde voor de wereld in ons hart? Dan doen ze ons goed. Zuiveren ze schijnheiligheid uit? Dan doen ze ons goed. Brengen ze ons vuriger aan de genadetroon? Dan doen ze ons goed. Openbaren ze zonden aan ons die we niet eerder hebben gezien? Dan doen ze ons goed. Dringen ze binnen in ons hart? Leggen ze de verdorven bron bloot die we in ons dragen? Doorzoeken ze en beproeven ze ons tegenover een God Die het geweten onderzoekt? Maken ze onze geest volgzamer en zachter? Gaan ze gepaard met een uitstorting van het hart voor het aangezicht van God? Dan doen ze ons goed.
Het is noodzakelijk dat dit voorbereidende werk wordt gedaan voordat de vertroosting komt. Het is te vergelijken met een chirurg die een zieke plek behandelt. Hoe pijnlijk is de operatie! Wat snijdt het mes diep! Wat kan het lang duren voor de wond heelt! Toch is elke haal van het mes onvermijdelijk. Hij zou zijn plicht als vaardig en betrouwbaar chirurg niet doen als hij de wond niet tot de bodem uitsneed. Zoals pijn voor genezing noodzakelijk is, en door het mes teweeg moet worden gebracht, zo moeten we geestelijk gezien in onze ziel verwond worden en moet erin gesneden worden, zo lang en zo diep als God noodzakelijk acht, opdat we, wanneer het Hem goeddunkt, de vertroosting mogen ontvangen.
Lezen: Klaagliederen 3:27-40
Aan de lezer…
Hier is een woord voor wie denkt dat de bezoeking vergeefs is geweest, omdat de troost niet meteen kwam. U hebt gezucht en gewacht, maar de vertroostingen van goddelijke liefde bleven uit. Laat u daardoor niet ontmoedigen. Bezoeking en troost zijn twee verschillende dingen, en wanneer de troost komt, heeft God aan Zichzelf gehouden. Vraag u liever af: maakt deze weg mij nederig? Dooft hij mijn liefde tot de wereld? Brengt hij mij vuriger aan de genadetroon?
Als het mes van de Meesterchirurg diep snijdt, is dat geen wreedheid, maar trouw. Hij snijdt de wond tot de bodem uit, omdat Hij u wil genezen en niet slechts verzachten. Het doet pijn, het duurt lang, en soms weet u niet hoe het verder moet. Maar elke haal is noodzakelijk en wordt door een liefhebbende hand gedaan. Wacht dan op Hem; wanneer het Hem goeddunkt, zal de vertroosting komen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En wij weten dat degenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede.
Romeinen 8:28
Hoe kunnen wij weten of bezoekingen ons werkelijk tot nut zijn? Soms vergissen we ons hierin. We denken dat bezoekingen noodzakelijk op hetzelfde moment gepaard gaan met zichtbare zegen. Als de openbaringen en vertroostingen van goddelijke liefde niet precies tegelijk met de bezoeking komen, zijn we vaak geneigd te geloven dat de bezoeking zonder nut aan ons voorbij is gegaan. Maar zo moeten we bezoekingen niet beoordelen. Bezoeking en troost zijn verschillende dingen. Bezoekingen zijn bedoeld om het hart op troost voor te bereiden; maar wanneer en hoe de troost zal komen, daarover heeft God in Zijn Woord geen enkele regel vastgelegd.
Maken de bezoekingen die we doormaken ons nederig? Dan doen ze ons goed. Doven ze de liefde tot de wereld in ons hart? Dan doen ze ons goed. Zuiveren ze ons van schijnheiligheid? Dan doen ze ons goed. Brengen ze ons vuriger aan de troon der genade? Dan doen ze ons goed. Openbaren ze ons zonden die we eerder niet hebben gezien? Dan doen ze ons goed. Dringen ze door in ons hart? Leggen ze de verdorven bron bloot die we in ons dragen? Doorzoeken en beproeven ze ons voor een God Die het geweten doorzoekt? Maken ze onze geest buigzamer en zachter? Gaan ze gepaard met een uitstorten van het hart voor het aangezicht van God? Dan doen ze ons goed.
Dit voorbereidende werk moet gedaan worden voordat de vertroosting komt. Het is te vergelijken met een chirurg die een zieke plek behandelt. Hoe pijnlijk is de operatie! Wat snijdt het mes diep! Hoe lang kan het duren voordat de wond geneest! Toch is elke snede van het mes onvermijdelijk. Hij zou zijn plicht als bekwaam en betrouwbaar chirurg niet doen als hij de wond niet tot op de bodem uitsneed. Zoals pijn nodig is voor genezing en door het mes moet worden teweeggebracht, zo moeten wij geestelijk in onze ziel gewond worden en moet erin gesneden worden, zo lang en zo diep als God nodig acht, zodat we de vertroosting mogen ontvangen wanneer het Hem goeddunkt.
Lezen: Klaagliederen 3:27-40
Aan de lezer…
Hier is een woord voor wie denkt dat de bezoeking vergeefs is geweest, omdat de troost niet meteen kwam. U hebt gezucht en gewacht, maar de vertroostingen van goddelijke liefde bleven uit. Laat u daardoor niet ontmoedigen. Bezoeking en troost zijn twee verschillende dingen, en wanneer de troost komt, heeft God aan Zichzelf gehouden. Vraag u liever af: maakt deze weg mij nederig? Dooft hij mijn liefde tot de wereld? Brengt hij mij vuriger aan de troon der genade?
Als het mes van de Meesterchirurg diep snijdt, is dat geen wreedheid, maar trouw. Hij snijdt de wond tot op de bodem uit, omdat Hij u wil genezen en niet alleen verzachten. Het doet pijn, het duurt lang, en soms weet u niet hoe het verder moet. Maar elke snede is nodig en wordt door een liefhebbende hand gedaan. Wacht dan op Hem; wanneer het Hem goeddunkt, zal de vertroosting komen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And we know that all things work together for good to them that love God.
Romans 8:28
How can we know whether afflictions are really profitable to us? Sometimes we are mistaken in this. We think that afflictions must necessarily be attended at the same moment with visible blessing. If the manifestations and consolations of Divine love do not come at exactly the same time as the affliction, we are often inclined to believe that the affliction has passed over us without profit. But that is not how we should judge afflictions. Affliction and consolation are different things. Afflictions are meant to prepare the heart for consolation; but when and how the consolation will come, God has laid down no rule whatever in His Word.
Do the afflictions we pass through humble us? Then they are doing us good. Do they quench the love of the world in our hearts? Then they are doing us good. Do they purge us from hypocrisy? Then they are doing us good. Do they bring us more fervently to the throne of grace? Then they are doing us good. Do they reveal to us sins we did not see before? Then they are doing us good. Do they penetrate into our heart? Do they lay bare the corrupt fountain we carry within us? Do they search and try us before a heart-searching God? Do they make our spirit more pliable and tender? Are they attended with a pouring out of the heart before the face of God? Then they are doing us good.
This preparatory work must be done before the consolation comes. It may be compared to a surgeon dealing with a diseased part. How painful the operation is! How deep the knife cuts! How long it may be before the wound heals! Yet every cut of the knife is unavoidable. He would not do his duty as a skilful and faithful surgeon if he did not cut the wound out to the very bottom. As pain is necessary for healing and must be brought about by the knife, so we must spiritually be wounded in our soul, and the knife must cut into it, as long and as deep as God sees needful, that we may receive the consolation when it seems good to Him.
Reading: Lamentations 3:27-40
To the reader…
Here is a word for anyone who thinks the affliction has been in vain because the comfort did not come at once. You have sighed and waited, but the consolations of Divine love stayed away. Do not let that discourage you. Affliction and consolation are two different things, and when the comfort comes God has kept in His own hand. Ask yourself rather: does this way humble me? Does it quench my love of the world? Does it bring me more fervently to the throne of grace?
When the knife of the Master Surgeon cuts deep, that is not cruelty, but faithfulness. He cuts the wound out to the very bottom, because He means to heal you and not merely to soothe you. It hurts, it takes long, and sometimes you do not know how to go on. But every cut is needful and is made by a loving hand. Wait then for Him; when it seems good to Him, the consolation will come.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y sabemos que a los que a Dios aman, todas las cosas les ayudan a bien.
Romanos 8:28
¿Cómo podemos saber si las aflicciones nos son realmente provechosas? A veces nos equivocamos en esto. Pensamos que las aflicciones deben ir acompañadas necesariamente, en el mismo momento, de una bendición visible. Si las manifestaciones y consolaciones del amor divino no llegan exactamente al mismo tiempo que la aflicción, a menudo nos inclinamos a creer que la aflicción ha pasado sobre nosotros sin provecho. Pero no es así como debemos juzgar las aflicciones. La aflicción y la consolación son cosas distintas. Las aflicciones tienen por fin preparar el corazón para la consolación; pero cuándo y cómo vendrá la consolación, Dios no ha establecido regla alguna en Su Palabra.
¿Nos humillan las aflicciones que atravesamos? Entonces nos hacen bien. ¿Apagan el amor al mundo en nuestros corazones? Entonces nos hacen bien. ¿Nos purgan de la hipocresía? Entonces nos hacen bien. ¿Nos llevan con más fervor al trono de la gracia? Entonces nos hacen bien. ¿Nos revelan pecados que antes no veíamos? Entonces nos hacen bien. ¿Penetran en nuestro corazón? ¿Ponen al descubierto la fuente corrompida que llevamos dentro? ¿Nos escudriñan y prueban delante de un Dios que escudriña los corazones? ¿Hacen nuestro espíritu más dócil y tierno? ¿Van acompañadas de un derramar el corazón delante del rostro de Dios? Entonces nos hacen bien.
Esta obra preparatoria debe hacerse antes de que venga la consolación. Puede compararse con un cirujano que trata una parte enferma. ¡Qué dolorosa es la operación! ¡Qué hondo corta el bisturí! ¡Cuánto tiempo puede pasar antes de que sane la herida! Sin embargo, cada corte del bisturí es inevitable. No cumpliría con su deber como cirujano hábil y fiel si no extirpara la herida hasta el fondo. Así como el dolor es necesario para la curación y debe ser producido por el bisturí, así también hemos de ser heridos espiritualmente en nuestra alma, y el bisturí ha de cortar en ella, tanto tiempo y tan hondo como Dios lo vea necesario, para que recibamos la consolación cuando a Él le parezca bien.
Lectura: Lamentaciones 3:27-40
Al lector…
He aquí una palabra para quien piensa que la aflicción ha sido en vano porque el consuelo no llegó enseguida. Usted ha suspirado y esperado, pero las consolaciones del amor divino no llegaron. No deje que eso le desanime. La aflicción y la consolación son dos cosas distintas, y cuándo llega el consuelo, Dios lo ha guardado en Su propia mano. Pregúntese más bien: ¿me humilla este camino? ¿Apaga mi amor al mundo? ¿Me lleva con más fervor al trono de la gracia?
Cuando el bisturí del gran Cirujano corta hondo, no es crueldad, sino fidelidad. Él extirpa la herida hasta el fondo, porque se propone sanarle y no solo aliviarle. Duele, tarda mucho, y a veces usted no sabe cómo seguir. Pero cada corte es necesario y lo hace una mano amorosa. Espere, pues, en Él; cuando a Él le parezca bien, la consolación vendrá.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
De Heere doe Zijn aangezicht over u lichten.
Numeri 6:25
Naar mijn gedachten schijnt hier een zinspeling op de zon te zijn. Als de zon niet is opgegaan, dus beneden de horizon is, moet het vanzelf donker zijn. Zo is het ook met menige begenadigde ziel; het is bij haar donker, een middernachtelijke, Egyptische duisternis; tastbare duisternis, omdat voor het ogenblik de Morgenster nog niet verschenen is, noch de Zon der gerechtigheid is opgegaan, die genezing heeft onder haar vleugelen. Het zal en moet donker zijn met haar totdat de Zon is opgegaan.
Maar nadat de zon is opgegaan, zien wij haar somtijds niet, want wolken, zwarte wolken, kunnen dit heldere licht soms de gehele dag verduisteren, zodat er geen enkele straal door komt, de gehele tijd dat zij boven de horizon staat. Zo wedervaart het menig kind des Heeren. Nadat de Zon voor hen is opgegaan in de morgen van het geestelijk leven, moeten zij misschien wel voor hun volgend leven in een duistere wolk verkeren, totdat mogelijk ten tijde des avonds het licht verschijnt en een scheidende zonnestraal de stervenspeluw verguldt. Maar soms ook komen er dagen dat de mistwolken zich snel over de heldere dag uitspreiden, en toch blikt de zon nu en dan door de brekende wolken heen.
Is dit niet enigermate een zinnebeeld van de weg waarin de Zon der gerechtigheid voortdurend verduisterd wordt door de mistwolken en dampen, die uit ons ongelovig hart opstijgen? Verborgen voor het gezicht door twijfel en vrees, evenals de mistbanken in de dalen de schoonheid van het landschap kunnen verbergen. En toch zijn er tijden dat de Zon der gerechtigheid door de wolken heen blikt en de mist verdrijft. Wanneer het de Heere behaagt de ziel te zegenen en Hij komt met een enigszins zoete openbaring, dan breekt de Zon door de donkere wolken heen, doch zij sluiten zich daarna bij vernieuwing toe.
Het is niet de bevinding van de christen, dat het de gehele dag zomer is. Wij leven namelijk niet in Australië of Peru, waar zelden wolken of mistdampen het licht van de zon verduisteren. Ons geestelijk klimaat is vochtig en onze inwendige ligging op de Noorderbreedte.
„De Heere doe Zijn aangezicht over u lichten.” Is de Heere dan souverein in deze zaken? Kunnen wij niet onze hand opheffen en de wolk doen verdwijnen? Wij hebben net zo min vermogen onze hand uit te strekken om de dampen te doen verdwijnen, als wij vermogen hebben om de Londense mist te doen opklaren. En dit juist zet het schepsel op zijn rechte plaats! En het schepsel is dan eerst op zijn rechte plaats, als het niets is en God alles.
Hoe dierbaar is het, het aangezicht van de Vader te zien, en dat in de betoning van Zijn gunst; niet bedekt met dreigende wolken van rechtvaardig ongenoegen, zoals wij somtijds in de natuur een dreigende zon waarnemen, die boos nederblikt en wind en storm voorspelt. Wij hebben ons Zijn rechtvaardig ongenoegen op de hals gehaald, en hoewel Hij niet boos is op een ieder van Zijn kinderen, toch is Hij rechtmatig vertoornd over hun zonden. En wij voelen het in onze ziel, dat dit daarom Zijn aangezicht voor ons doet bedekken. „Gij hebt U met een wolk bedekt, zodat er geen gebed door kwam” (Klaagl. 3:44).
„De Heere doe Zijn aangezicht over u lichten.” En als Hij Zijn aangezicht over u laat schijnen, dan zal ook uw aangezicht lichten. Zo was het met Mozes, toen hij op de berg was en een zoete gemeenschap met God oefende. Toen hij onder het volk wederkeerde, blonk zijn aangezicht. De heerlijkheid Gods weerspiegelde erop. En als de Heere Zijn aangezicht over u laat lichten, dan zal uw aangezicht niet anders dan dat van Mozes zijn, wanneer u zich begeeft onder het volk van God.
Aan de lezer…
Merkt u dat het donker is in uw ziel? Hangen er zware wolken van twijfel en vrees tussen u en de Heere, zodat u nauwelijks een straal van Zijn licht ontwaart? Weet dan dat dit niet vreemd is voor Gods kinderen. Ons geestelijk klimaat is vochtig; het is niet de gehele dag zomer. En u kunt de wolken niet met eigen hand wegschuiven. Dat zet het schepsel op zijn rechte plaats: niets te zijn, opdat God alles zij.
Maar achter de wolken schijnt de Zon der gerechtigheid nog. Wanneer het de Heere behaagt, breekt Hij erdoorheen, al is het maar voor een ogenblik. Leg uw schuld en uw zonden eerlijk voor Hem neer en wacht op Hem. Bid dan voor uzelf wat het oude zegenwoord vraagt: „De Heere doe Zijn aangezicht over u lichten.” En als Hij dat doet, zal ook uw aangezicht ervan stralen onder Zijn volk.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De Heere doe Zijn aangezicht over u lichten.
Numeri 6:25
Naar mijn gedachten wordt hier gezinspeeld op de zon. Als de zon niet is opgegaan en dus onder de horizon staat, moet het vanzelf donker zijn. Zo is het ook met menige begenadigde ziel: het is bij haar donker, een middernachtelijke, Egyptische duisternis, een tastbare duisternis, omdat op dat ogenblik de Morgenster nog niet verschenen is en de Zon der gerechtigheid, die genezing heeft onder haar vleugelen, nog niet is opgegaan. Het zal en moet donker bij haar zijn totdat de Zon is opgegaan.
Maar ook nadat de zon is opgegaan, zien wij haar soms niet, want wolken, zwarte wolken, kunnen dit heldere licht soms de hele dag verduisteren, zodat er geen enkele straal doorkomt, de hele tijd dat zij boven de horizon staat. Zo vergaat het menig kind van de Heere. Nadat de Zon voor hen is opgegaan in de morgen van het geestelijk leven, moeten zij misschien wel de rest van hun leven onder een donkere wolk doorbrengen, totdat misschien tegen de avond het licht verschijnt en een laatste zonnestraal het sterfbed verguldt. Maar soms komen er ook dagen waarop de mistwolken zich snel over de heldere dag uitspreiden, en toch kijkt de zon zo nu en dan door de brekende wolken heen.
Is dit niet in zekere mate een beeld van de manier waarop de Zon der gerechtigheid steeds weer verduisterd wordt door de mistwolken en dampen die uit ons ongelovig hart opstijgen? Hij wordt aan het oog onttrokken door twijfel en vrees, zoals de mistbanken in de dalen de schoonheid van het landschap kunnen verbergen. En toch zijn er tijden waarin de Zon der gerechtigheid door de wolken heen kijkt en de mist verdrijft. Wanneer het de Heere behaagt de ziel te zegenen en Hij komt met een enigszins zoete openbaring, dan breekt de Zon door de donkere wolken heen, maar daarna sluiten zij zich opnieuw.
Het is niet de ervaring van de christen dat het de hele dag zomer is. Wij leven namelijk niet in Australië of Peru, waar zelden wolken of mistdampen het licht van de zon verduisteren. Ons geestelijk klimaat is vochtig en onze innerlijke ligging is op de noorderbreedte.
„De Heere doe Zijn aangezicht over u lichten.” Is de Heere dan soeverein in deze zaken? Kunnen wij niet onze hand opheffen en de wolk laten verdwijnen? Wij hebben net zo min de macht onze hand uit te steken om de dampen te laten verdwijnen, als wij de macht hebben om de Londense mist te laten optrekken. En juist dit zet het schepsel op zijn rechte plaats! En het schepsel staat pas op zijn rechte plaats wanneer het niets is en God alles.
Hoe dierbaar is het om het aangezicht van de Vader te zien, en dat in het bewijs van Zijn gunst; niet bedekt met dreigende wolken van rechtvaardig ongenoegen, zoals wij in de natuur soms een dreigende zon zien die boos neerkijkt en wind en storm voorspelt. Wij hebben ons Zijn rechtvaardig ongenoegen op de hals gehaald, en hoewel Hij op geen van Zijn kinderen boos is, is Hij toch terecht vertoornd over hun zonden. En wij voelen in onze ziel dat Hij daarom Zijn aangezicht voor ons bedekt. „Gij hebt U met een wolk bedekt, zodat er geen gebed door kwam” (Klaagl. 3:44).
„De Heere doe Zijn aangezicht over u lichten.” En als Hij Zijn aangezicht over u laat schijnen, dan zal ook uw aangezicht stralen. Zo was het met Mozes, toen hij op de berg was en zoete gemeenschap met God had. Toen hij bij het volk terugkwam, glansde zijn aangezicht. De heerlijkheid van God weerspiegelde erop. En als de Heere Zijn aangezicht over u laat lichten, dan zal uw aangezicht niet anders zijn dan dat van Mozes, wanneer u onder het volk van God komt.
Aan de lezer…
Merkt u dat het donker is in uw ziel? Hangen er zware wolken van twijfel en vrees tussen u en de Heere, zodat u nauwelijks een straal van Zijn licht ziet? Weet dan dat dit niet vreemd is voor Gods kinderen. Ons geestelijk klimaat is vochtig; het is niet de hele dag zomer. En u kunt de wolken niet met eigen hand wegschuiven. Dat zet het schepsel op zijn rechte plaats: niets te zijn, zodat God alles is.
Maar achter de wolken schijnt de Zon der gerechtigheid nog. Wanneer het de Heere behaagt, breekt Hij erdoorheen, al is het maar voor een ogenblik. Leg uw schuld en uw zonden eerlijk voor Hem neer en wacht op Hem. Bid dan voor uzelf wat het oude zegenwoord vraagt: „De Heere doe Zijn aangezicht over u lichten.” En als Hij dat doet, zal ook uw aangezicht ervan stralen onder Zijn volk.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
The LORD make his face shine upon thee.
Numbers 6:25
The allusion here seems, to my mind, to be to the sun. Sometimes the natural sun has not risen; and the world must need be dark if the sun be still beneath the horizon. So with many gracious souls; it is darkness with them, midnight darkness, Egyptian darkness, darkness to be felt, because at present neither the Day-star has appeared, nor the Sun of righteousness risen upon them with healing in His wings. It will and must be dark with them until the Sun rises.
But sometimes after the sun has risen we see not his face—clouds—deep, dark clouds, may obscure the face of that bright luminary throughout the whole day, and we may not get a single ray from him through the whole period that he is above the visible horizon. So, many of the Lord’s family, after the Sun has risen upon them in the morning of their spiritual life, may pass, perhaps, much of their subsequent time in the dark shadow, until perhaps at evening tide there is light, and a departing ray gilds the dying pillow.
But again, there are sometimes days when mists drive rapidly across the face of the bright orb of day, and yet occasionally he peeps through the breaking clouds. And is not this, in some measure, an emblem of the way in which the Sun of righteousness is continually obscured by the mists and fogs which spring up out of our unbelieving heart, hidden from view by the doubts and fears that, like the vapors of the valley, spread themselves, to our view, over His beauteous face?
Yet there are times when He gleams through the clouds and disperses the mists. When the Lord is pleased to bless the soul and shine upon it with any sweet manifestation, then He breaks in through the dark clouds, but they gather again. It is not in Christian experience one bright summer day. We do not live in Australia or Peru, where clouds and mists rarely obscure the face of the sun. Our spiritual climate is humid, our inward latitude is the chilling north.
“The Lord make His face shine upon you.” Is the Lord, then, sovereign in these matters? Can we not lift up our hand and remove the cloud? We have as much power to stretch forth our hand and sweep away the mists that obscure the Sun of righteousness, as we have power with the same hand to sweep away a London fog. How this puts the creature into his right place! And the creature is only in his right place when he is nothing, and God is all in all.
How blessed to see the face of the Father; and to see it shine! not covered with lowering clouds of justly-merited displeasure, as sometimes we see in the natural sky an obscured sun looking angrily down, presaging wind and storm. It is indeed true that, when we have brought guilt into our consciences, the face of God is seen to lower with anger. We have brought His just displeasure upon our heads; though not angry with the persons of His people, yet is He justly angry with their sins; and a sense of this in the soul covers His face with clouds—“You have covered yourself with a cloud, that our prayer should not pass through” (Lam. 3:44).
“The Lord make His face shine upon you.” And if He makes His face shine upon you, He will make your face shine too. It was so with Moses, when he was in the mount and was holding sweet communion with God. When he came down among the people, the skin of his face shone; the glory of God was reflected upon it. And if the Lord makes His face shine upon you, it will make your face not unlike the face of Moses when you go among the people of God.
To the reader…
Do you find that it is dark in your soul? Do heavy clouds of doubt and fear hang between you and the Lord, so that you scarcely see a ray of His light? Know, then, that this is not strange for God’s children. Our spiritual climate is humid; it is not summer all day long. And you cannot push the clouds away with your own hand. That puts the creature in its right place: to be nothing, so that God is all.
But behind the clouds the Sun of righteousness still shines. When it pleases the Lord, He breaks through, even if only for a moment. Lay your guilt and your sins honestly before Him and wait for Him. Then pray for yourself what the ancient blessing asks: “The LORD make His face shine upon thee.” And when He does, your face too will shine with it among His people.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Haga resplandecer Jehová Su rostro sobre ti.
Números 6:25
La alusión aquí parece ser, a mi parecer, al sol. A veces el sol natural no ha salido; y el mundo tiene que estar oscuro si el sol está todavía bajo el horizonte. Así sucede con muchas almas llenas de gracia; hay oscuridad en ellas, oscuridad de medianoche, oscuridad de Egipto, tinieblas que se pueden palpar, porque por ahora ni ha aparecido el Lucero de la mañana, ni ha nacido sobre ellas el Sol de justicia trayendo salud en Sus alas. Estará y tiene que estar oscuro para ellas hasta que nazca el Sol.
Pero a veces, después de haber salido el sol, no vemos su rostro: nubes, nubes densas y oscuras, pueden ocultar el rostro de esa brillante lumbrera durante todo el día, y puede que no recibamos ni un solo rayo de él en todo el tiempo que está sobre el horizonte visible. Así, muchos de la familia del Señor, después de que el Sol ha nacido sobre ellos en la mañana de su vida espiritual, pueden pasar quizá gran parte de su tiempo posterior en la sombra oscura, hasta que tal vez al tiempo de la tarde hay luz, y un rayo que se despide dora la almohada del moribundo.
Pero también hay a veces días en que las brumas cruzan rápidamente la faz del resplandeciente astro del día, y sin embargo de vez en cuando él asoma entre las nubes que se abren. ¿Y no es esto, en cierta medida, una imagen de la manera en que el Sol de justicia es continuamente oscurecido por las brumas y nieblas que brotan de nuestro corazón incrédulo, ocultado a la vista por las dudas y temores que, como los vapores del valle, se extienden, a nuestros ojos, sobre Su hermoso rostro?
Sin embargo, hay momentos en que Él brilla a través de las nubes y disipa las brumas. Cuando al Señor le place bendecir el alma y resplandecer sobre ella con alguna dulce manifestación, entonces irrumpe a través de las nubes oscuras; pero estas se juntan de nuevo. La experiencia cristiana no es un solo día luminoso de verano. No vivimos en Australia ni en el Perú, donde las nubes y las brumas rara vez ocultan el rostro del sol. Nuestro clima espiritual es húmedo; nuestra latitud interior es el frío norte.
“Haga resplandecer Jehová Su rostro sobre ti.” ¿Es, pues, el Señor soberano en estas cosas? ¿No podemos levantar la mano y quitar la nube? Tenemos tanto poder para extender la mano y barrer las brumas que oscurecen al Sol de justicia como lo tenemos para barrer con la misma mano una niebla de Londres. ¡Cómo pone esto a la criatura en su debido lugar! Y la criatura solo está en su debido lugar cuando es nada, y Dios es todo en todos.
¡Qué bendito es ver el rostro del Padre, y verlo resplandecer! No cubierto de nubes amenazadoras de un desagrado justamente merecido, como a veces vemos en el cielo natural un sol oscurecido que mira airado hacia abajo, presagiando viento y tormenta. Es en verdad cierto que, cuando hemos traído culpa a nuestra conciencia, el rostro de Dios se ve sombrío de ira. Hemos atraído Su justo desagrado sobre nuestras cabezas; aunque no está airado con las personas de Su pueblo, sí está justamente airado con sus pecados; y el sentir de esto en el alma cubre Su rostro de nubes: “Te cubriste de nube, porque no pasase la oración nuestra” (Lamentaciones 3:44).
“Haga resplandecer Jehová Su rostro sobre ti.” Y si Él hace resplandecer Su rostro sobre usted, hará resplandecer también el rostro de usted. Así fue con Moisés, cuando estaba en el monte y tenía dulce comunión con Dios. Cuando descendió entre el pueblo, la tez de su rostro resplandecía; la gloria de Dios se reflejaba en él. Y si el Señor hace resplandecer Su rostro sobre usted, hará que su rostro no sea muy distinto del rostro de Moisés cuando usted vaya entre el pueblo de Dios.
Al lector…
¿Halla usted que está oscuro en su alma? ¿Penden densas nubes de duda y temor entre usted y el Señor, de modo que apenas ve un rayo de Su luz? Sepa entonces que esto no es extraño para los hijos de Dios. Nuestro clima espiritual es húmedo; no es verano todo el día. Y usted no puede apartar las nubes con su propia mano. Eso pone a la criatura en su debido lugar: ser nada, para que Dios sea todo.
Pero detrás de las nubes el Sol de justicia sigue brillando. Cuando al Señor le place, irrumpe, aunque sea solo por un momento. Ponga su culpa y sus pecados con sinceridad delante de Él y espérele. Luego pida para usted lo que pide la antigua bendición: “Haga resplandecer Jehová Su rostro sobre ti.” Y cuando lo haga, también el rostro de usted resplandecerá con ello entre Su pueblo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl