5 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Een onverderfelijke, en onbevlekkelijke, en onverwelkelijke erfenis.
1 Petrus 1:4
Wat u in de wereld ook bezitten mag, hetzij veel, hetzij weinig, u moet het achterlaten. En als u geen andere erfenis hebt dan die de aarde geeft, waar zal dan uw erfdeel zijn in de dood en in alle eeuwigheid? Maar als u wedergeboren bent tot een levende hoop, al geniet u dan de volle verzekerdheid des geloofs niet, hebt u toch voor u een onverwelkelijke erfenis.
Wij verbeelden ons soms gelukkig te zullen zijn als wij de goederen bezaten, of de rijkdommen van dit of dat; hoeveel beter zouden wij ze niet gebruiken dan hij, en welk goed zouden wij ermee doen! Denkt u echt dat zij gelukkig zijn met al hun bezittingen, en dat u gelukkiger of beter zou zijn dan zij? Het ligt niet in de menselijke natuur gelukkig te zijn. De rijken hebben een kanker die hun geluk verslindt. En al zijn ze zelfs bevrijd van de zwaardere lasten des levens, alle genietingen van het vlees verwelken, want het bezit ervan doet alle bloesem afvallen, en met het bezit komen alle moeiten en zorgen die eraan verbonden zijn.
Maar die eeuwige erfenis „verwelkt niet”. De liefelijkste bloemen verwelken en worden weggeworpen zodra zij walgelijk worden voor het gezicht of de reuk. Maar er is een blijvende frisheid, een voortdurend groen, een eeuwigdurende bloesem, een oneindige geur, een blijvende liefelijkheid in deze eeuwige erfenis, zodat zij nooit verflenst of verdort, zodat het nooit verwelkt of verdort, maar steeds dezelfde blijft, maar eerder steeds toeneemt in schoonheid en gelukzaligheid, al meer gekend, meer geloofd, meer verwacht en meer bemind.
Wie ver van U de weelde zoekt,
vergaat eerlang en wordt vervloekt:
Gij roeit hen uit die afhoereren
en U de trotse nek toekeren.
Maar ’t is mij goed, mijn zaligst lot,
nabij te wezen bij mijn God!
’k Vertrouw op Hem geheel en al,
de Heer, Wiens werk ik roemen zal.
Psalm 73:14
Aan de lezer…
Hoe gemakkelijk denkt ook u wellicht dat u gelukkiger zou zijn met wat anderen bezitten! Laat mij die gedachte eerlijk ontmaskeren: het ligt niet in de menselijke natuur om in aardse goederen gelukkig te zijn. Alle genietingen van het vlees verwelken, en met het bezit komen de zorgen. En wat u ook hebt, veel of weinig, u moet het achterlaten. Waar zal dan uw erfdeel zijn in de dood en in de eeuwigheid?
Maar wie wedergeboren is tot een levende hoop, heeft een onverderfelijke, onbevlekkelijke en onverwelkelijke erfenis, ook al geniet hij de volle verzekerdheid des geloofs nog niet. De mooiste bloemen verwelken, maar deze erfenis blijft fris en wordt eerder schoner, hoe meer zij gekend, geloofd en verwacht wordt. Laat uw hart dan niet hangen aan wat verwelkt. Vraag of de Heere u dat betere deel wil geven, en zeg met de psalmist: „Maar ’t is mij goed, mijn zaligst lot, nabij te wezen bij mijn God.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Een onverderfelijke, en onbevlekkelijke, en onverwelkelijke erfenis.
1 Petrus 1:4
Wat u in de wereld ook mag bezitten, veel of weinig, u moet het achterlaten. En als u geen andere erfenis hebt dan wat de aarde geeft, waar zal dan uw erfdeel zijn in de dood en in alle eeuwigheid? Maar als u wedergeboren bent tot een levende hoop, dan ligt er een onverwelkelijke erfenis voor u klaar, ook al geniet u de volle verzekerdheid van het geloof niet.
Soms verbeelden wij ons dat wij gelukkig zouden zijn als wij de goederen of de rijkdom van deze of gene bezaten. Hoeveel beter zouden wij die gebruiken dan hij, en hoeveel goed zouden wij ermee doen! Denkt u echt dat zulke mensen gelukkig zijn met al hun bezittingen, en dat u gelukkiger of beter zou zijn dan zij? Het ligt niet in de menselijke natuur om gelukkig te zijn. De rijken dragen een kanker in zich die hun geluk verslindt. En ook al zijn zij bevrijd van de zwaarste lasten van het leven, alle genietingen van het vlees verwelken. Het bezit ervan doet alle bloesem afvallen, en met het bezit komen alle moeiten en zorgen die eraan verbonden zijn.
Maar die eeuwige erfenis „verwelkt niet”. De lieflijkste bloemen verwelken en worden weggegooid zodra zij voor oog of neus onaangenaam worden. Maar in deze eeuwige erfenis is een blijvende frisheid, een voortdurend groen, een eeuwigdurende bloesem, een onuitputtelijke geur en een blijvende lieflijkheid. Daardoor verflenst of verdort zij nooit, verwelkt of verdort zij nooit, maar blijft zij altijd dezelfde. Ja, zij neemt eerder steeds toe in schoonheid en gelukzaligheid, doordat zij steeds meer gekend, meer geloofd, meer verwacht en meer bemind wordt.
Wie ver van U de weelde zoekt,
vergaat eerlang en wordt vervloekt:
Gij roeit hen uit die afhoereren
en U de trotse nek toekeren.
Maar ’t is mij goed, mijn zaligst lot,
nabij te wezen bij mijn God!
’k Vertrouw op Hem geheel en al,
de Heer, Wiens werk ik roemen zal.
Psalm 73:14
Aan de lezer…
Hoe gemakkelijk denkt ook u misschien dat u gelukkiger zou zijn met wat anderen bezitten! Laat mij die gedachte eerlijk ontmaskeren: het ligt niet in de menselijke natuur om in aardse goederen gelukkig te zijn. Alle genietingen van het vlees verwelken, en met het bezit komen de zorgen. En wat u ook hebt, veel of weinig, u moet het achterlaten. Waar zal dan uw erfdeel zijn in de dood en in de eeuwigheid?
Maar wie wedergeboren is tot een levende hoop, heeft een onverderfelijke, onbevlekkelijke en onverwelkelijke erfenis, ook al geniet hij de volle verzekerdheid van het geloof nog niet. De mooiste bloemen verwelken, maar deze erfenis blijft fris en wordt eerder mooier, naarmate zij meer gekend, geloofd en verwacht wordt. Laat uw hart dan niet hangen aan wat verwelkt. Vraag of de Heere u dat betere deel wil geven, en zeg met de psalmist: „Maar ’t is mij goed, mijn zaligst lot, nabij te wezen bij mijn God.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
To an inheritance incorruptible, and undefiled, and that fadeth not away.
1 Peter 1:4
Whatever you may have in this world, be it much or little, you must leave. And if you have no other inheritance than earth gives, where will be your portion in death and to all eternity? But if you are begotten again unto a lively hope, even if you do not enjoy the full assurance of faith, you have before you an inheritance which fades not away.
We imagine sometimes how happy we would be if we had this man’s fine estate, or that man’s large property; how much better we would spend it than he does, and what good we would do with it. And do you think that these men are happy with all their possessions, and that you would be happier or better if you had them? It is not in nature to be happy. These rich men have a canker which eats up all their happiness. And even if free from the heavier troubles of life, all satisfaction of the flesh fades away, for possession of itself rubs off all the bloom, and with possession come all the anxieties and cares connected with it.
But this eternal inheritance “fades not away.” The sweetest flowers fade and are thrown away as they become nauseous to sight and smell. But there is an abiding freshness, a constant verdure, a perpetual bloom, an unceasing fragrance, a permanent sweetness in this eternal inheritance, so that it is never flat or stale, but remains ever the same, or rather is ever increasing in beauty and blessedness, as more known, believed in, hoped unto, and loved.
To the reader…
How easily you too may think that you would be happier with what others possess! Let me honestly unmask that thought: it is not in human nature to be happy in earthly goods. All the pleasures of the flesh fade, and with possessions come cares. And whatever you have, much or little, you must leave it behind. Where then will your portion be in death and in eternity?
But whoever is begotten again unto a lively hope has an inheritance incorruptible, undefiled, and that fadeth not away, even if he does not yet enjoy the full assurance of faith. The loveliest flowers fade, but this inheritance stays fresh and rather grows more beautiful, the more it is known, believed and hoped for. So do not let your heart hang on what fades. Ask the Lord to give you that better part, and say with the psalmist: “But it is good for me to draw near to God.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Para una herencia incorruptible, y que no puede contaminarse, ni marchitarse.
1 Pedro 1:4
Lo que usted tenga en este mundo, sea mucho o poco, tendrá que dejarlo. Y si no tiene otra herencia que la que da la tierra, ¿dónde estará su porción en la muerte y por toda la eternidad? Pero si ha sido regenerado en esperanza viva, aunque no goce de la plena certidumbre de la fe, tiene delante de sí una herencia que no se marchita.
A veces imaginamos cuán felices seríamos si tuviéramos la hermosa finca de este hombre o la gran propiedad de aquel; cuánto mejor la emplearíamos que él, y cuánto bien haríamos con ella. ¿Y piensa usted que esos hombres son felices con todas sus posesiones, y que usted sería más feliz o mejor si las tuviera? No está en la naturaleza ser feliz. Esos ricos tienen un cáncer que les devora toda su felicidad. Y aun libres de las aflicciones más pesadas de la vida, toda satisfacción de la carne se marchita, porque la posesión misma quita todo el lustre, y con la posesión vienen todas las inquietudes y los afanes que la acompañan.
Pero esta herencia eterna “no puede marchitarse”. Las flores más dulces se marchitan y se tiran cuando se vuelven repugnantes a la vista y al olfato. Pero en esta herencia eterna hay una frescura que permanece, un verdor constante, una lozanía perpetua, una fragancia incesante, una dulzura duradera, de modo que nunca es insípida ni rancia, sino que permanece siempre la misma, o más bien crece siempre en belleza y bienaventuranza a medida que es más conocida, creída, esperada y amada.
Al lector…
¡Con qué facilidad también usted puede pensar que sería más feliz con lo que otros poseen! Permítame desenmascarar con sinceridad ese pensamiento: no está en la naturaleza humana ser feliz con los bienes terrenales. Todos los placeres de la carne se marchitan, y con las posesiones vienen los afanes. Y tenga lo que tenga, mucho o poco, tendrá que dejarlo. ¿Dónde estará entonces su porción en la muerte y en la eternidad?
Pero quien ha sido regenerado en esperanza viva tiene una herencia incorruptible, que no puede contaminarse ni marchitarse, aunque todavía no goce de la plena certidumbre de la fe. Las flores más hermosas se marchitan, pero esta herencia permanece fresca y más bien se vuelve más hermosa cuanto más es conocida, creída y esperada. No deje, pues, que su corazón se apegue a lo que se marchita. Pida al Señor que le dé esa mejor parte, y diga con el salmista: “Y yo, el acercarme a Dios es el bien”.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Het gebed van Salomo
Wanneer zij gezondigd zullen hebben tegen U (want geen mens is er, die niet zondigt), en Gij tegen hen vertoornd zult zijn, (…) en zij zich tot U bekeren met hun ganse hart en met hun ganse ziel (…), hoor dan uit de hemel.
2 Kron. 6:36-39
Nu kom ik bij een zaak waarvan Salomo spreekt, die naar mijn mening overeenkomt met wat bij velen van Gods kinderen het geval is. Want de schoonheid van dit gebed is dat het bijna op iedereen van toepassing is: „Wanneer zij gezondigd zullen hebben tegen U (want geen mens is er, die niet zondigt), en Gij tegen hen vertoornd zult zijn, en hen leveren zult voor het aangezicht des vijands, dat degenen, die hen gevangen hebben, hen gevankelijk wegvoeren in een land, dat verre of nabij is” (v. 36). Dit is het geval bij een arme ziel die gevangen wordt genomen door de zonde.
Hoe gaan u en de zonde met elkaar om? Bent u vrij van zonde? Als u dat bent, heeft Salomo hier een grote fout gemaakt, want hij zegt: „Geen mens is er, die niet zondigt.” Als er dus geen mens vrij van zonde is, wie kan dan beweren ervan gevrijwaard te zijn? Dit is waar het om draait. Mensen weten voor het merendeel niet wat zonde is; ze zien het licht niet in Gods licht; ze kennen het kwaad in hun hart niet; ze ervaren niet wat de apostel noemt „de zonde die in hen woont”; ze kennen haar bewegingen en werkingen in hun hart niet.
Maar iedereen, zonder uitzondering, die van God geleerd is, weet wat de zonde is en voelt dit ook; en sommigen ervaren ook dat ze door de zonde gevangen worden genomen, dat hun vijanden het van hen winnen en hen wegvoeren in knechtschap en gevangenschap. Laat mij deze zaak eens aan u voorleggen. Zondigt u nooit? „Ik moet bekennen,” antwoordt u, „dat ik wel zondig. Ja, er gaat geen dag voorbij, geen uur in mijn leven, waarin ik vrij van zonde ben.”
Welnu, laat mij naar aanleiding hiervan een vraag stellen. Hoe voelt u zich nu, als de zonde u heeft verstrikt en overwonnen? Geen schuld? Geen angst? Geen dienstbaarheid? Geen duisternis? Geen gevangenschap? Geen gekerm? Geen gezucht? Als dit zo is, waar, waar is dan het leven Gods in uw ziel? Waar, waar is de vreze Gods in uw hart? Waar, waar is de gevoeligheid in uw geweten?
Dus, als niemand ervan vrijgesteld kan zijn, moet u wel min of meer tot knechtschap zijn gebracht. Dit staat mij zo helder voor de geest als twee en twee vier is. Welnu, ze worden gevankelijk weggevoerd in een land, dat verre of nabij is.
Lezen: Psalm 14
Aan de lezer…
Deze woorden stellen u een ernstige vraag: hoe gaan u en de zonde met elkaar om? Salomo zegt het zonder omwegen: „Geen mens is er, die niet zondigt.” Dat geldt ook voor u en voor mij. Maar de vraag is niet alleen óf u zondigt, maar wat u voelt wanneer de zonde u verstrikt en overwonnen heeft. Kent u de schuld, de angst, het gekerm en het gezucht van een gevangen ziel?
Als dat zo is, wees dan niet geheel ontmoedigd. Die smart is geen teken dat het leven Gods ontbreekt, maar juist dat het er is; de vreze Gods in het hart en de gevoeligheid van het geweten maken dat u de gevangenschap voelt. Laat haar u dan doen roepen tot Hem van Wie Salomo bad: „Hoor dan uit de hemel.” Wie zich met het ganse hart en de ganse ziel tot de Heere bekeert, vindt bij Hem een oor dat hoort en een hand die bevrijdt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Wanneer zij gezondigd zullen hebben tegen U (want geen mens is er, die niet zondigt), en Gij tegen hen vertoornd zult zijn, (…) en zij zich tot U bekeren met hun ganse hart en met hun ganse ziel (…), hoor dan uit de hemel.
2 Kron. 6:36-39
Nu kom ik bij een geval waarover Salomo spreekt, dat naar mijn mening overeenkomt met wat velen van Gods kinderen meemaken. Want de schoonheid van dit gebed is dat het op bijna iedereen van toepassing is: „Wanneer zij gezondigd zullen hebben tegen U (want geen mens is er, die niet zondigt), en Gij tegen hen vertoornd zult zijn, en hen leveren zult voor het aangezicht des vijands, dat degenen, die hen gevangen hebben, hen gevankelijk wegvoeren in een land, dat verre of nabij is” (v. 36). Dit is het geval van een arme ziel die door de zonde gevangengenomen wordt.
Hoe staat het tussen u en de zonde? Bent u vrij van zonde? Als dat zo is, dan heeft Salomo zich hier ernstig vergist, want hij zegt: „Geen mens is er, die niet zondigt.” Als er dus geen mens vrij is van zonde, wie kan dan beweren dat hij ervan gevrijwaard is? Daar draait het om. De meeste mensen weten niet wat zonde is. Ze zien haar niet in Gods licht; ze kennen het kwaad van hun hart niet; ze ervaren niet wat de apostel noemt „de zonde die in hen woont”; ze kennen haar bewegingen en werkingen in hun hart niet.
Maar iedereen die door God onderwezen is, zonder uitzondering, weet wat de zonde is en voelt het ook. En sommigen ervaren ook dat ze door de zonde gevangengenomen worden, dat hun vijanden de overhand krijgen en hen wegvoeren in slavernij en gevangenschap. Laat mij u deze zaak eens voorleggen. Zondigt u nooit? „Ik moet bekennen,” antwoordt u, „dat ik wel zondig. Ja, er gaat geen dag voorbij, geen uur in mijn leven, waarin ik vrij van zonde ben.”
Welnu, laat mij u dan een vraag stellen. Hoe voelt u zich wanneer de zonde u verstrikt en overwonnen heeft? Geen schuld? Geen angst? Geen slavernij? Geen duisternis? Geen gevangenschap? Geen gekerm? Geen gezucht? Als dat zo is, waar, waar is dan het leven van God in uw ziel? Waar, waar is de vreze van God in uw hart? Waar, waar is de gevoeligheid van uw geweten?
Dus als niemand ervan vrij kan zijn, moet u wel in meerdere of mindere mate in slavernij gebracht zijn. Dat is mij zo helder als twee en twee vier is. Welnu, zij worden gevankelijk weggevoerd in een land, dat ver of nabij is.
Lezen: Psalm 14
Aan de lezer…
Deze woorden stellen u een ernstige vraag: hoe staat het tussen u en de zonde? Salomo zegt het zonder omwegen: „Geen mens is er, die niet zondigt.” Dat geldt ook voor u en voor mij. Maar de vraag is niet alleen óf u zondigt, maar wat u voelt wanneer de zonde u verstrikt en overwonnen heeft. Kent u de schuld, de angst, het gekerm en het gezucht van een gevangen ziel?
Als dat zo is, wees dan niet helemaal ontmoedigd. Die smart is geen teken dat het leven van God ontbreekt, maar juist dat het er is; de vreze van God in het hart en de gevoeligheid van het geweten maken dat u de gevangenschap voelt. Laat haar u dan doen roepen tot Hem tot Wie Salomo bad: „Hoor dan uit de hemel.” Wie zich met heel zijn hart en heel zijn ziel tot de Heere bekeert, vindt bij Hem een oor dat hoort en een hand die bevrijdt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
If they sin against Thee, (for there is no man which sinneth not,) and Thou be angry with them, (…) if they return to Thee with all their heart and with all their soul (…), then hear Thou from the heavens.
2 Chronicles 6:36-39
Now I come to a case of which Solomon speaks which, in my judgment, corresponds with what many of God’s children pass through. For the beauty of this prayer is that it applies to almost everyone: “If they sin against Thee, (for there is no man which sinneth not,) and Thou be angry with them, and deliver them over before their enemies, and they carry them away captives unto a land far off or near” (verse 36). This is the case of a poor soul taken captive by sin.
How do matters stand between you and sin? Are you free from sin? If so, then Solomon has made a grave mistake here, for he says, “There is no man which sinneth not.” If, then, there is no man free from sin, who can claim to be exempt from it? That is the point. Most people do not know what sin is. They do not see it in God’s light; they do not know the evil of their hearts; they do not experience what the apostle calls “sin that dwelleth in me”; they do not know its movements and workings in their hearts.
But everyone who is taught of God, without exception, knows what sin is and feels it too. And some also experience being taken captive by sin, their enemies gaining the upper hand and carrying them away into bondage and captivity. Let me put this matter to you. Do you never sin? “I must confess,” you answer, “that I do sin. Yes, there is not a day, not an hour of my life, in which I am free from sin.”
Well, then let me ask you a question. How do you feel when sin has entangled and overcome you? No guilt? No fear? No bondage? No darkness? No captivity? No groaning? No sighing? If so, where, where is the life of God in your soul? Where, where is the fear of God in your heart? Where, where is the tenderness of your conscience?
So if no one can be free from it, you must in a greater or lesser degree have been brought into bondage. That is as clear to me as that two and two make four. Well then, they are carried away captives unto a land far off or near.
Reading: Psalm 14
To the reader…
These words put a serious question to you: how do matters stand between you and sin? Solomon says it plainly: “There is no man which sinneth not.” That is true of you and of me. But the question is not only whether you sin, but what you feel when sin has entangled and overcome you. Do you know the guilt, the fear, the groaning and the sighing of a captive soul?
If so, do not be altogether discouraged. That sorrow is no sign that the life of God is lacking, but rather that it is there; the fear of God in the heart and the tenderness of conscience are what make you feel the captivity. Let it make you cry, then, to Him to Whom Solomon prayed: “Then hear Thou from the heavens.” Whoever returns to the Lord with all his heart and all his soul finds in Him an ear that hears and a hand that sets free.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Si pecaren contra Ti, (pues no hay hombre que no peque,) y Te airares contra ellos, (…) si se convirtieren a Ti de todo su corazón y de toda su alma (…), Tú oirás desde los cielos.
2 Crónicas 6:36-39
Llego ahora a un caso del que habla Salomón que, a mi juicio, corresponde a lo que pasan muchos de los hijos de Dios. Porque la hermosura de esta oración es que se aplica a casi todos: “Si pecaren contra Ti, (pues no hay hombre que no peque,) y Te airares contra ellos, y los entregares delante de sus enemigos, para que los que los tomaren los lleven cautivos a tierra de enemigos, lejos o cerca” (versículo 36). Este es el caso de una pobre alma llevada cautiva por el pecado.
¿Cómo están las cosas entre usted y el pecado? ¿Está libre de pecado? Si es así, entonces Salomón ha cometido aquí un grave error, porque dice: “No hay hombre que no peque.” Si, pues, no hay hombre libre de pecado, ¿quién puede pretender estar exento de él? Ese es el punto. La mayoría de la gente no sabe lo que es el pecado. No lo ve a la luz de Dios; no conoce el mal de su corazón; no experimenta lo que el apóstol llama “el pecado que mora en mí”; no conoce sus movimientos y operaciones en su corazón.
Pero todo el que es enseñado por Dios, sin excepción, sabe lo que es el pecado y también lo siente. Y algunos experimentan además ser llevados cautivos por el pecado, al imponerse sus enemigos y llevarlos a la servidumbre y al cautiverio. Permítame plantearle este asunto. ¿Nunca peca usted? “Tengo que confesar”, responde usted, “que sí peco. Sí, no hay un día, ni una hora de mi vida, en que esté libre de pecado.”
Pues bien, entonces permítame hacerle una pregunta. ¿Cómo se siente cuando el pecado le ha enredado y vencido? ¿Ninguna culpa? ¿Ningún temor? ¿Ninguna servidumbre? ¿Ninguna oscuridad? ¿Ningún cautiverio? ¿Ningún gemido? ¿Ningún suspiro? Si es así, ¿dónde, dónde está la vida de Dios en su alma? ¿Dónde, dónde está el temor de Dios en su corazón? ¿Dónde, dónde está la ternura de su conciencia?
Así que, si nadie puede estar libre de él, usted ha tenido que ser llevado en mayor o menor grado a la servidumbre. Eso es tan claro para mí como que dos y dos son cuatro. Pues bien, son llevados cautivos a tierra lejos o cerca.
Lectura: Salmo 14
Al lector…
Estas palabras le hacen una pregunta seria: ¿cómo están las cosas entre usted y el pecado? Salomón lo dice claramente: “No hay hombre que no peque.” Eso es verdad de usted y de mí. Pero la pregunta no es solo si usted peca, sino qué siente cuando el pecado le ha enredado y vencido. ¿Conoce la culpa, el temor, el gemido y el suspiro de un alma cautiva?
Si es así, no se desanime del todo. Esa tristeza no es señal de que falte la vida de Dios, sino más bien de que está ahí; el temor de Dios en el corazón y la ternura de la conciencia son lo que le hace sentir el cautiverio. Deje, pues, que eso le haga clamar a Aquel a Quien oró Salomón: “Tú oirás desde los cielos.” Quien se convierte al Señor de todo su corazón y de toda su alma halla en Él un oído que oye y una mano que libera.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Is er geen balsem in Gilead; is er geen heelmeester aldaar?
Jeremia 8:22
Er is balsem in Gilead en een heelmeester aldaar. Dat is en moet altijd onze enige hoop zijn. Indien er geen balsem in Gilead ware, wij konden niet anders dan neerliggen in twijfelmoedigheid en zo sterven. Want onze zonden zijn zó groot, onze afkeringen zó menigvuldig, ons gemoed zó duister, ons hart zó hard, onze genegenheden zó koud, onze ziel zó zwervende en omdolende, dat, zo er geen balsem in Gilead ware, geen dierbaar bloed, geen zoete beloften, geen herrezen Jezus, geen grote Hogepriester over het huis Gods, welke welgegronde hoop zouden wij kunnen voeden? Geen straaltje. Onze eigen gehoorzaamheid en standvastigheid? Doch dit bed is te kort en het deksel te smal.
Maar is er enige toepassing van de balsem in Gilead, dan vertedert, smelt en vernedert het ons hart en terzelfder tijd geneest hij ons geheel en al. Deze balsem sterkt iedere spier en zenuw, geneest blindheid, herstelt doofheid en beroerte, doet de tong der stommen vrolijk zingen en de kreupele springen als een hert, en zo brengt hij voort een evangelisch gezicht, een evangelisch gehoor, een evangelische kracht en een evangelische wandel.
Wanneer de ziel is vernederd en het hart is aangeraakt door een gevoel van Gods gunst, barmhartigheid en liefde, onder het besef van eigen nietigheid en onwaardigheid, dan verwekt dit evangelische gehoorzaamheid, ja een nederige gehoorzaamheid. Niet die trotse gehoorzaamheid die dezulken kenmerkt die op hun goedheid vertrouwen stellen en die zoeken de ladder des hemels te beklimmen door hun eigen gerechtigheid; maar een gehoorzaamheid uit dankbaarheid, liefde en onderwerping, met een gewillig en blijmoedig overgeven van zichzelf. En dit is Gode aangenaam, omdat het Zijn eigen werk is, door Zijn Geest en genade gewrocht.
Het is door de toepassing van deze Goddelijke balsem dat het hart gereinigd wordt, dat het de zonde doet haten, Jezus dierbaar maakt en niet alleen de ziel doet smelten in een zoete dankerkentenis, maar haar tevens vervult met een innige lust om te leven tot Gods eer en heerlijkheid. Dit is de verborgen weg of wijze die de Heere met Zijn volk houdt tot Zijn eigen eer en heerlijkheid. Wanneer Hij de diepte van de val ontdekt, de last der zonden doet gevoelen, de zondaar doet zien hoe zijn ongerechtigheden de overhand over hem genomen hebben, dan doet Hij het hoogmoedig hart bukken en brengt het laag in het stof.
En wanneer Hij hem doet klagen en kermen, zuchten en uitroepen, dan past Hij Zijn soevereine balsem aan de ziel toe, brengt het bloed der besprenging in de consciëntie, stort Zijn genade en liefde uit en dwingt de voeten om te wandelen in een blijmoedige en gewillige gehoorzaamheid. Dit is het gebod te gehoorzamen uit de rechte beginselen, uit een recht gezicht, uit rechte invloeden, onder een rechte bevatting en tot een recht einde. Dit is de ware, christelijke gehoorzaamheid; gehoorzaamheid in de geest en in de letter. Een gehoorzaamheid die God verheerlijkt en die vergezeld gaat van iedere vrucht en genade van de Geest.
Aan de lezer…
Misschien zucht u vandaag onder een hart zo hard, genegenheden zo koud en een ziel zo omdolend, dat u niet weet waar u nog hoop vandaan moet halen. Waarde lezer, zie dan niet op uw eigen gehoorzaamheid en standvastigheid; dat bed is te kort en het deksel te smal. Maar er is balsem in Gilead en een Heelmeester aldaar: er is dierbaar bloed, er zijn zoete beloften, er is een herrezen Jezus, een grote Hogepriester over het huis Gods.
Wanneer de Heere u laag in het stof brengt en u doet klagen en kermen, dan is dat niet om u te laten liggen, maar om Zijn soevereine balsem op uw ziel te leggen. Die balsem vertedert, smelt en vernedert het hart, en geneest het tegelijk. Dan wordt de zonde gehaat en Jezus dierbaar, en ontstaat er een gehoorzaamheid uit dankbaarheid en liefde, niet uit trots. Zulk een gehoorzaamheid is Gode aangenaam, want zij is Zijn eigen werk in u.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Is er geen balsem in Gilead; is er geen heelmeester aldaar?
Jeremia 8:22
Er is balsem in Gilead en er is daar een Heelmeester. Dat is en moet altijd onze enige hoop zijn. Als er geen balsem in Gilead was, zouden wij niet anders kunnen dan in moedeloosheid neerliggen en zo sterven. Want onze zonden zijn zo groot, ons afdwalen zo veelvuldig, ons gemoed zo duister, ons hart zo hard, onze genegenheden zo koud en onze ziel zo zwervend en ronddolend: als er geen balsem in Gilead was, geen dierbaar bloed, geen zoete beloften, geen opgestane Jezus, geen grote Hogepriester over het huis van God, welke welgegronde hoop zouden wij dan kunnen koesteren? Geen sprankje. Onze eigen gehoorzaamheid en standvastigheid? Maar dat bed is te kort en het deksel te smal.
Maar wordt de balsem van Gilead in enige mate toegepast, dan vertedert, smelt en vernedert die ons hart, en tegelijk geneest hij ons helemaal. Deze balsem versterkt iedere spier en zenuw, geneest blindheid, herstelt doofheid en verlamming, doet de tong van de stomme vrolijk zingen en de kreupele springen als een hert. Zo brengt hij een evangelisch gezicht voort, een evangelisch gehoor, een evangelische kracht en een evangelische wandel.
Wanneer de ziel vernederd is en het hart aangeraakt is door een besef van Gods gunst, barmhartigheid en liefde, onder het besef van eigen nietigheid en onwaardigheid, dan wekt dat evangelische gehoorzaamheid op, ja een nederige gehoorzaamheid. Niet die trotse gehoorzaamheid die kenmerkend is voor hen die op hun eigen goedheid vertrouwen en die de ladder naar de hemel proberen te beklimmen door hun eigen gerechtigheid. Nee, het is een gehoorzaamheid uit dankbaarheid, liefde en onderwerping, waarin men zichzelf gewillig en blijmoedig overgeeft. En dat is God aangenaam, omdat het Zijn eigen werk is, door Zijn Geest en genade gewerkt.
Het is door de toepassing van deze goddelijke balsem dat het hart gereinigd wordt, dat de zonde gehaat wordt en Jezus dierbaar wordt. Zij doet de ziel niet alleen wegsmelten in zoete dankbaarheid, maar vervult haar ook met een innig verlangen om te leven tot Gods eer en heerlijkheid. Dit is de verborgen weg die de Heere met Zijn volk houdt, tot Zijn eigen eer en heerlijkheid. Wanneer Hij de diepte van de val ontdekt, de last van de zonden laat voelen en de zondaar laat zien hoe zijn ongerechtigheden de overhand over hem hebben gekregen, dan doet Hij het hoogmoedige hart buigen en brengt Hij het laag in het stof.
En wanneer Hij hem doet klagen en kermen, zuchten en uitroepen, dan past Hij Zijn soevereine balsem op de ziel toe, brengt Hij het bloed der besprenging in het geweten, stort Hij Zijn genade en liefde uit en dringt Hij de voeten om te wandelen in een blijmoedige en gewillige gehoorzaamheid. Dit is het gebod gehoorzamen vanuit de rechte beginselen, vanuit een recht zicht, onder rechte invloeden, met een recht begrip en tot een recht doel. Dit is de ware, christelijke gehoorzaamheid: gehoorzaamheid naar de geest en naar de letter. Het is een gehoorzaamheid die God verheerlijkt en die vergezeld gaat van iedere vrucht en genade van de Geest.
Aan de lezer…
Misschien zucht u vandaag onder een hart dat zo hard is, genegenheden die zo koud zijn en een ziel die zo ronddoolt, dat u niet weet waar u nog hoop vandaan moet halen. Lezer, kijk dan niet naar uw eigen gehoorzaamheid en standvastigheid; dat bed is te kort en het deksel te smal. Maar er is balsem in Gilead en daar is een Heelmeester: er is dierbaar bloed, er zijn zoete beloften, er is een opgestane Jezus, een grote Hogepriester over het huis van God.
Wanneer de Heere u laag in het stof brengt en u doet klagen en kermen, dan is dat niet om u te laten liggen, maar om Zijn soevereine balsem op uw ziel te leggen. Die balsem vertedert, smelt en vernedert het hart, en geneest het tegelijk. Dan wordt de zonde gehaat en Jezus dierbaar, en ontstaat er een gehoorzaamheid uit dankbaarheid en liefde, niet uit trots. Zo’n gehoorzaamheid is God aangenaam, want zij is Zijn eigen werk in u.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Is there no balm in Gilead; is there no physician there?”
Jeremiah 8:22
There is balm in Gilead, and there is a physician there. This is, and must ever be, our only hope. If there were no balm in Gilead, what could we do but lie down in despair and die? For our sins are so great, our backslidings so repeated, our minds so dark, our hearts so hard, our affections so cold, our souls so wavering and wandering, that if there were no balm in Gilead, no precious blood, no sweet promises, no sovereign grace, and if there were no physician there, no risen Jesus, no great High Priest over the house of God, what well-grounded hope could we entertain? Not a ray. Our own obedience and consistency? These are a bed too short and a covering too narrow.
But when there is some application of the balm in Gilead, it softens, melts, humbles, and at the same time thoroughly heals. No, this balm strengthens every nerve and sinew, heals blindness, remedies deafness, cures paralysis, makes the lame man leap as a deer and the tongue of the dumb to sing, and thus produces gospel sight, gospel hearing, gospel strength, and a gospel walk.
When the spirit is melted, and the heart touched by a sense of God’s goodness, mercy, and love to such base, undeserving wretches, it produces gospel obedience, aye, a humble obedience; not that proud obedience which those manifest who are trusting to their own goodness and seeking to scale the battlements of heaven by the ladder of self-righteousness, but an obedience of gratitude, love, and submission—willingly, cheerfully rendered, and therefore acceptable to God, because flowing from His own Spirit and grace. It is the application of this divine balm which purifies the heart, makes sin hateful, and Jesus precious, and not only dissolves the soul in sweet gratitude, but fills it with earnest desires to live to God’s honor and glory.
This is the mysterious way the Lord takes to get honor to Himself. As He opens up the depth of the fall, makes the burden of sin felt, and shows the sinner how his iniquities have abounded, He brings the proud heart down, and lays the head low in the dust; and as He makes him sigh and cry, grieve and groan, He applies His sovereign balm to the soul, brings the blood of sprinkling into the conscience, sheds abroad His mercy and love, and thus constrains the feet to walk in cheerful and willing obedience. This is obeying the precept from right motives, right views, right influences, under right feelings, and to right ends. This is the true Christian obedience, obedience “in the spirit and not in the letter,” an obedience which glorifies God, and is attended by every fruit and grace of the Spirit.
To the reader…
Perhaps today you are sighing under a heart so hard, affections so cold and a soul so prone to wander, that you do not know where to find any hope. Dear reader, do not look then to your own obedience and consistency; that bed is too short and the covering too narrow. But there is balm in Gilead and there is a Physician there: there is precious blood, there are sweet promises, there is a risen Jesus, a great High Priest over the house of God.
When the Lord brings you low in the dust and makes you sigh and groan, it is not to leave you lying there, but to lay His sovereign balm upon your soul. That balm softens, melts and humbles the heart, and heals it at the same time. Then sin becomes hateful and Jesus precious, and an obedience springs up out of gratitude and love, not out of pride. Such obedience is pleasing to God, for it is His own work in you.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“¿No hay bálsamo en Galaad? ¿No hay allí médico?”
Jeremías 8:22
Hay bálsamo en Galaad, y hay allí médico. Esta es, y siempre ha de ser, nuestra única esperanza. Si no hubiera bálsamo en Galaad, ¿qué podríamos hacer sino echarnos en la desesperación y morir? Porque nuestros pecados son tan grandes, nuestras rebeliones tan repetidas, nuestra mente tan oscura, nuestro corazón tan duro, nuestros afectos tan fríos, nuestra alma tan vacilante y errante, que si no hubiera bálsamo en Galaad, ni sangre preciosa, ni dulces promesas, ni gracia soberana, y si no hubiera allí médico, ni Jesús resucitado, ni gran Sumo Sacerdote sobre la casa de Dios, ¿qué esperanza bien fundada podríamos abrigar? Ni un rayo. ¿Nuestra propia obediencia y constancia? Esa es una cama demasiado angosta y una cubierta demasiado estrecha.
Pero cuando hay alguna aplicación del bálsamo de Galaad, ablanda, derrite, humilla y, al mismo tiempo, sana por completo. Sí, este bálsamo fortalece cada nervio y tendón, sana la ceguera, remedia la sordera, cura la parálisis, hace que el cojo salte como un ciervo y que cante la lengua del mudo, y así produce vista del evangelio, oído del evangelio, fuerza del evangelio y un andar conforme al evangelio.
Cuando el espíritu se derrite y el corazón es tocado por un sentir de la bondad, la misericordia y el amor de Dios para con tan viles e indignos miserables, se produce una obediencia evangélica, sí, una obediencia humilde; no esa obediencia orgullosa que muestran los que confían en su propia bondad y procuran escalar las almenas del cielo por la escalera de la justicia propia, sino una obediencia de gratitud, amor y sumisión, rendida de buena voluntad y con alegría, y por eso aceptable a Dios, porque fluye de Su propio Espíritu y de Su gracia. Es la aplicación de este bálsamo divino la que purifica el corazón, hace aborrecible el pecado y precioso a Jesús, y no solo deshace el alma en dulce gratitud, sino que la llena de fervientes deseos de vivir para la honra y la gloria de Dios.
Este es el misterioso camino que toma el Señor para obtener honra para Sí mismo. A medida que descubre la hondura de la caída, hace sentir la carga del pecado y muestra al pecador cómo han abundado sus iniquidades, abate el corazón orgulloso y pone la cabeza en el polvo; y a medida que le hace suspirar y clamar, afligirse y gemir, aplica Su bálsamo soberano al alma, trae la sangre del rociamiento a la conciencia, derrama Su misericordia y Su amor, y así constriñe los pies a andar en una obediencia alegre y voluntaria. Esto es obedecer el precepto por motivos rectos, con miras rectas, bajo influencias rectas, con sentimientos rectos y para fines rectos. Esta es la verdadera obediencia cristiana, obediencia “en espíritu, no en letra”, una obediencia que glorifica a Dios y va acompañada de todo fruto y gracia del Espíritu.
Al lector…
Quizá hoy suspire usted bajo un corazón tan duro, unos afectos tan fríos y un alma tan inclinada a extraviarse, que no sabe dónde hallar esperanza alguna. Querido lector, no mire entonces a su propia obediencia y constancia; esa cama es demasiado angosta y la cubierta demasiado estrecha. Pero hay bálsamo en Galaad y hay allí un Médico: hay sangre preciosa, hay dulces promesas, hay un Jesús resucitado, un gran Sumo Sacerdote sobre la casa de Dios.
Cuando el Señor le abate hasta el polvo y le hace suspirar y gemir, no es para dejarle allí tendido, sino para poner Su bálsamo soberano sobre su alma. Ese bálsamo ablanda, derrite y humilla el corazón, y al mismo tiempo lo sana. Entonces el pecado se hace aborrecible y Jesús precioso, y brota una obediencia que nace de la gratitud y del amor, no del orgullo. Tal obediencia agrada a Dios, porque es Su propia obra en usted.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl