2 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
9 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
3 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Daarom gaat uit het midden van hen, en scheidt u af, zegt de Heere, en raakt niet aan hetgeen onrein is, en Ik zal ulieden aannemen.
2 Korinthe 6:17
Als we verstrikt zijn in de liefde van de wereld, en door wereldse bekommernissen zijn gebonden en gekluisterd, en als de geest van de wereld heerschappij voert in onze ziel, dan is elke belijdenis krachteloos, zo niet zonder waarde. Wij mogen de taal van het gebed gebruiken, maar het hart heeft er geen deel aan; wij mogen het hoofd opwaarts heffen bij de belijdenis van de Waarheid, maar haar kracht en zegen worden noch gekend, noch gevoeld. Om enige gemeenschap met de Heere te genieten, hetzij bij het kruis of bij de troon, moeten wij uit het midden van die wereld gaan, die in vijandschap is tegen Hem. Wij moeten ook uit onszelf uitgaan, want ons eigen ik te verloochenen, te verzaken en het te verlaten leidt tot de ware grondslag van levende godzaligheid. Er moet een „doden zijn van de daden des lichaams door de Geest”; een „voortdurende overgave tot de dood, om Jezus’ wil; opdat ook het leven van Jezus geopenbaard worde in ons sterfelijk vlees”; en zo er geen afscheiding is van onszelf door eigen kruisiging, zo is er ook geen wandelen aan de hand van Christus, geen ware vereniging, geen hemelse gemeenschap met Hem; want er kan evenmin deelgenootschap zijn tussen Christus, de ziel en het eigen ik, als er deelgenootschap zijn kan tussen Christus, de ziel en de zonde.
De Heer bewaart de ziel die Hem bemint,
maar Hij verdelgt, die Hij godd’loos bevindt.
Mijn blijde tong zal roemen in de Heer
en alle vlees zal juichen tot Gods eer.
Elks juichend hart zal Uw geducht vermogen,
de grote sterkte van Uw arm verhogen.
Ik zal mijn stem met aller lofzang paren
en overal Uw grootheid openbaren.
Ps. 145:7 en 2b
Aan de lezer…
Waarom, lezer, is uw gebed soms zo krachteloos en de Waarheid zo zonder smaak? Zou het kunnen zijn dat de liefde tot de wereld en haar bekommernissen uw hart gebonden houden, zodat de woorden er wel zijn, maar het hart er geen deel aan heeft? Dit woord is scherp, maar het komt uit de mond van Hem Die belooft: „Ik zal ulieden aannemen.” De Heere roept u niet weg om u arm te laten, maar om u gemeenschap met Hemzelf te schenken.
En de moeilijkste afscheiding is niet die van de wereld rondom ons, maar die van ons eigen ik. Daar schieten wij allen tekort, en daar valt niet over te spotten. Maar de Geest kan doen wat wij niet kunnen: de daden des lichaams doden, opdat het leven van Jezus in ons sterfelijk vlees geopenbaard wordt. Vraag Hem dan om die genade. Wie zichzelf leert verliezen, vindt bij het kruis en bij de troon de hemelse gemeenschap die de wereld nooit geven kan.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Daarom gaat uit het midden van hen, en scheidt u af, zegt de Heere, en raakt niet aan hetgeen onrein is, en Ik zal ulieden aannemen.
2 Korinthe 6:17
Als we verstrikt zijn in de liefde tot de wereld, door wereldse zorgen gebonden en geketend zijn, en de geest van de wereld in onze ziel heerst, dan is elke belijdenis krachteloos, zo niet waardeloos. Wij kunnen de taal van het gebed gebruiken, maar het hart heeft er geen deel aan. Wij kunnen het hoofd omhoog heffen bij de belijdenis van de Waarheid, maar haar kracht en zegen worden niet gekend en niet gevoeld. Om enige gemeenschap met de Heere te genieten, bij het kruis of bij de troon, moeten wij uitgaan uit het midden van die wereld die in vijandschap tegen Hem leeft. Wij moeten ook uit onszelf uitgaan, want ons eigen ik verloochenen, verzaken en verlaten leidt tot de ware grondslag van levende godzaligheid.
Er moet een „doden zijn van de daden des lichaams door de Geest”, een „voortdurende overgave tot de dood, om Jezus’ wil; opdat ook het leven van Jezus geopenbaard worde in ons sterfelijk vlees”. Als er geen afscheiding is van onszelf door de kruisiging van het eigen ik, dan is er ook geen wandelen aan de hand van Christus, geen ware vereniging en geen hemelse gemeenschap met Hem. Want er kan evenmin gemeenschap zijn tussen Christus, de ziel en het eigen ik, als er gemeenschap kan zijn tussen Christus, de ziel en de zonde.
De Heer bewaart de ziel die Hem bemint,
maar Hij verdelgt, die Hij godd’loos bevindt.
Mijn blijde tong zal roemen in de Heer
en alle vlees zal juichen tot Gods eer.
Elks juichend hart zal Uw geducht vermogen,
de grote sterkte van Uw arm verhogen.
Ik zal mijn stem met aller lofzang paren
en overal Uw grootheid openbaren.
Ps. 145:7 en 2b
Aan de lezer…
Waarom is uw gebed soms zo krachteloos en de Waarheid zo zonder smaak? Zou het kunnen zijn dat de liefde tot de wereld en haar zorgen uw hart gebonden houden, zodat de woorden er wel zijn, maar het hart er geen deel aan heeft? Dit woord is scherp, maar het komt uit de mond van Hem Die belooft: „Ik zal ulieden aannemen.” De Heere roept u niet weg om u arm achter te laten, maar om u gemeenschap met Hemzelf te schenken.
En de moeilijkste afscheiding is niet die van de wereld om ons heen, maar die van ons eigen ik. Daar schieten wij allemaal tekort, en daar valt niet mee te spotten. Maar de Geest kan doen wat wij niet kunnen: de daden van het lichaam doden, zodat het leven van Jezus in ons sterfelijk vlees openbaar wordt. Vraag Hem dan om die genade. Wie zichzelf leert verliezen, vindt bij het kruis en bij de troon de hemelse gemeenschap die de wereld nooit kan geven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Come out from among them, and be ye separate, saith the Lord, and touch not the unclean thing; and I will receive you.
2 Corinthians 6:17
If we are entangled in the love of the world, or fast bound and fettered with worldly anxieties, and the spirit of the world is rife in our bosom, all our profession will be vapid, if not worthless. We may use the language of prayer, but the heart is not in earnest; we may still manage to hold our head high in a profession of the truth, but its power and blessedness are neither known nor felt.
To enjoy any measure of communion with the Lord, whether on the cross or on the throne, we must go forth from a world which is at enmity against Him. We must also go forth out of SELF, for to deny it, renounce it, and go forth out of it lies at the very foundation of vital godliness.
There must be “a mortifying, through the Spirit, of the deeds of the body;” a being “always delivered unto death for Jesus’ sake, that the life also of Jesus might be made manifest in our mortal flesh;” and unless there is a going forth out of self by this self-crucifixion, there is no walking hand in hand with Christ, no manifest union, no heavenly communion with Him; for there can no more be a partnership between Christ, the soul, and self than there can be a partnership between Christ, the soul, and sin.
To the reader…
Why is your prayer sometimes so powerless and the truth so tasteless? Could it be that the love of the world and its cares keep your heart bound, so that the words are there, but the heart has no part in them? This word is sharp, but it comes from the mouth of Him Who promises, “I will receive you.” The Lord does not call you away to leave you poor, but to give you fellowship with Himself.
And the hardest separation is not from the world around us, but from our own self. There we all fall short, and that is no light matter. But the Spirit can do what we cannot: put to death the deeds of the body, so that the life of Jesus is made manifest in our mortal flesh. Ask Him, then, for that grace. Whoever learns to lose himself finds at the cross and at the throne the heavenly fellowship the world can never give.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Salid de en medio de ellos, y apartaos, dice el Señor, y no toquéis lo inmundo; y Yo os recibiré.
2 Corintios 6:17
Si estamos enredados en el amor del mundo, o firmemente atados y encadenados por afanes mundanos, y el espíritu del mundo abunda en nuestro pecho, toda nuestra profesión será insípida, si no sin valor. Podemos usar el lenguaje de la oración, pero el corazón no está en ello de veras; podemos todavía arreglárnoslas para mantener la cabeza alta en una profesión de la verdad, pero su poder y su bienaventuranza ni se conocen ni se sienten.
Para gozar de alguna medida de comunión con el Señor, ya sea en la cruz o en el trono, debemos salir de un mundo que está en enemistad contra Él. Debemos también salir del YO, porque negarlo, renunciar a él y salir de él está en el fundamento mismo de la piedad vital.
Ha de haber un “mortificar por el Espíritu las obras de la carne”; un estar “siempre entregados a muerte por Jesús, para que también la vida de Jesús sea manifestada en nuestra carne mortal”; y a menos que haya un salir del yo por esta crucifixión de uno mismo, no hay andar de la mano con Cristo, no hay unión manifiesta, no hay comunión celestial con Él; porque no puede haber sociedad entre Cristo, el alma y el yo, como tampoco puede haber sociedad entre Cristo, el alma y el pecado.
Al lector…
¿Por qué su oración es a veces tan impotente y la verdad tan insípida? ¿Podría ser que el amor del mundo y sus afanes mantengan atado su corazón, de modo que las palabras están ahí, pero el corazón no tiene parte en ellas? Esta palabra es aguda, pero viene de la boca de Aquel que promete: “Yo os recibiré”. El Señor no le llama a apartarse para dejarle pobre, sino para darle comunión consigo mismo.
Y la separación más difícil no es la del mundo que nos rodea, sino la de nuestro propio yo. Ahí todos nos quedamos cortos, y eso no es poca cosa. Pero el Espíritu puede hacer lo que nosotros no podemos: mortificar las obras de la carne, para que la vida de Jesús sea manifestada en nuestra carne mortal. Pídale, pues, esa gracia. Quien aprende a perderse a sí mismo halla en la cruz y en el trono la comunión celestial que el mundo nunca puede dar.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Alle dingen ten goede
En wij weten dat degenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede.
Romeinen 8:28
Waarvoor werkt alles mee? „Ten goede.” Maar wat noemen we goed? We moeten niet van óns idee van goed uitgaan, maar vanuit Gods idee ervan. We moeten niet uitgaan van wat we graag zouden willen dat goed is, maar van wat werkelijk en waarlijk goed is in Zijn ogen.
Bijvoorbeeld, iemand kan zeggen dat het erg goed is om gezond te zijn; dat kan het in zijn ogen zijn, maar niet in Gods ogen. Iemand anders kan zeggen dat het erg goed is om vooruit te komen in de wereld, een bloeiende zaak te hebben, een welvarend bedrijf; dat kan in zijn ogen goed zijn, maar niet in Gods ogen. Iemand anders zegt wellicht: „Het is goed voor me om een opgroeiend gezin te hebben dat gezond en sterk is en goed wordt onderhouden.” Dat kan zo zijn in zijn ogen, maar daaruit volgt niet dat het goed is in de ogen van de Heere. Iemand anders kan zeggen dat het goed is om geen problemen te hebben, geen verzoekingen, geen verdorven hart, geen duivel die hem bedriegt of kwelt; dat kan erg goed in zijn ogen zijn, maar daaruit volgt niet dat het goed is in Gods ogen. Hij is de Kenner in deze aangelegenheden.
Wat moeten we dan zeggen dat „goed” is? Alles wat geestelijk voordeel en een zegen voortbrengt; dat wat echt goed is in de ogen van een God Die het geweten onderzoekt. Laten we nu eens kijken of alle dingen in deze betekenis niet meewerken ten goede van degenen die God liefhebben, en die de geroepenen zijn volgens Zijn voornemen.
U hebt lichamelijk leed gekend. Dat heeft u op zich geen goed gedaan, want het heeft u voor arbeid ongeschikt gemaakt, het heeft uw geest in beroering gebracht, het heeft u tot een last voor uzelf gemaakt en tot een last voor allen om u heen. Daarin zat geen goeds. Maar veronderstel dat het u van de wereld heeft gespeend; veronderstel dat het u met de dood heeft geconfronteerd, dat het u dagelijks deed sterven, dat het een stemming van smeken en bidden in uw hart heeft opgewekt; veronderstel dat het die beloften van God heeft onthuld die geschikt zijn voor Zijn bezochte kinderen; veronderstel dat het de manier was om uw ziel te zegenen met een zoete openbaring van uw recht op de liefde en het bloed van het Lam – is het dan aan u om te zeggen dat uw ziekte, uw leed niet ten goede is geweest, toen dit met Gods genade in uw ziel meewerkte om een echte zegen voort te brengen?
Lezen: 2 Korinthe 7
Aan de lezer…
Hebt u weleens tegen de Heere gezegd dat het goed voor u zou zijn om gezond te blijven, voorspoed te hebben, of van strijd en verzoeking verschoond te worden? Wie heeft dat niet? Maar Hij is de Kenner in deze dingen, en Zijn gedachten over wat goed is, zijn niet de onze. Misschien ligt u nu ziek, of bent u ongeschikt voor uw werk en een last voor uzelf en voor anderen, en ziet u er niets goeds in.
Kijk dan nog eens, met een eerlijk oog. Heeft dit leed u van de wereld gespeend? Heeft het u leren smeken en bidden? Heeft het beloften voor u geopend die alleen Zijn bezochte kinderen verstaan? Heeft het u misschien de liefde en het bloed van het Lam dichterbij gebracht? Dan is het geen verloren tijd geweest. Wat in zichzelf bitter is, heeft God door Zijn genade doen medewerken tot een echte zegen voor uw ziel.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En wij weten dat degenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede.
Romeinen 8:28
Waartoe werkt alles mee? „Ten goede.” Maar wat noemen we goed? We moeten niet uitgaan van óns idee van goed, maar van Gods idee ervan. We moeten niet uitgaan van wat we graag goed zouden willen noemen, maar van wat werkelijk en waarachtig goed is in Zijn ogen.
Iemand kan bijvoorbeeld zeggen dat het heel goed is om gezond te zijn; dat kan het in zijn ogen zijn, maar niet in Gods ogen. Iemand anders kan zeggen dat het heel goed is om vooruit te komen in de wereld, een bloeiende zaak te hebben, een welvarend bedrijf; dat kan in zijn ogen goed zijn, maar niet in Gods ogen. Weer een ander zegt misschien: „Het is goed voor me om een opgroeiend gezin te hebben dat gezond en sterk is en goed wordt onderhouden.” Dat kan in zijn ogen zo zijn, maar daaruit volgt niet dat het goed is in de ogen van de Heere. Nog een ander kan zeggen dat het goed is om geen problemen te hebben, geen verzoekingen, geen verdorven hart, geen duivel die hem bedriegt of kwelt; dat kan in zijn ogen heel goed zijn, maar daaruit volgt niet dat het goed is in Gods ogen. Hij is in deze zaken de Kenner.
Wat moeten we dan „goed” noemen? Alles wat geestelijk voordeel en zegen voortbrengt; wat werkelijk goed is in de ogen van een God Die het geweten doorzoekt. Laten we nu eens kijken of alle dingen in deze betekenis niet meewerken ten goede voor hen die God liefhebben en die naar Zijn voornemen geroepen zijn.
U hebt lichamelijk lijden gekend. Op zichzelf heeft dat u geen goed gedaan, want het heeft u ongeschikt gemaakt voor uw werk, het heeft uw geest in onrust gebracht, het heeft u tot een last gemaakt voor uzelf en voor allen om u heen. Daarin zat niets goeds. Maar stel dat het u van de wereld heeft gespeend; stel dat het u met de dood heeft geconfronteerd, dat het u dagelijks deed sterven, dat het een gestalte van smeken en bidden in uw hart heeft gewekt. Stel dat het die beloften van God voor u heeft geopend die bestemd zijn voor Zijn bezochte kinderen; stel dat het de weg was waarlangs uw ziel gezegend werd met een zoete openbaring van uw deel aan de liefde en het bloed van het Lam. Is het dan aan u om te zeggen dat uw ziekte, uw lijden niet ten goede is geweest, terwijl het met Gods genade in uw ziel meewerkte om een echte zegen voort te brengen?
Lezen: 2 Korinthe 7
Aan de lezer…
Hebt u weleens tegen de Heere gezegd dat het goed voor u zou zijn om gezond te blijven, voorspoed te hebben, of van strijd en verzoeking verschoond te worden? Wie heeft dat niet? Maar Hij is de Kenner in deze dingen, en Zijn gedachten over wat goed is, zijn niet de onze. Misschien ligt u nu ziek, of bent u ongeschikt voor uw werk en een last voor uzelf en voor anderen, en ziet u er niets goeds in.
Kijk dan nog eens, met een eerlijk oog. Heeft dit lijden u van de wereld gespeend? Heeft het u leren smeken en bidden? Heeft het beloften voor u geopend die alleen Zijn bezochte kinderen verstaan? Heeft het u misschien de liefde en het bloed van het Lam dichterbij gebracht? Dan is het geen verloren tijd geweest. Wat in zichzelf bitter is, heeft God door Zijn genade laten meewerken tot een echte zegen voor uw ziel.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And we know that all things work together for good to them that love God.
Romans 8:28
To what do all things work together? “For good.” But what do we call good? We must not start from our idea of good, but from God’s idea of it. We must not start from what we would like to call good, but from what is really and truly good in His sight.
A man may say, for instance, that it is very good to be in health; that may be so in his eyes, but not in God’s eyes. Another may say that it is very good to get on in the world, to have a flourishing trade, a prosperous business; that may be good in his eyes, but not in God’s eyes. Yet another may say, “It is good for me to have a growing family that is healthy and strong and well provided for.” That may be so in his eyes, but it does not follow that it is good in the eyes of the Lord. Still another may say that it is good to have no troubles, no temptations, no corrupt heart, no devil to deceive or harass him; that may be very good in his eyes, but it does not follow that it is good in God’s eyes. He is the Judge in these matters.
What, then, are we to call “good”? Everything that produces spiritual profit and blessing; what is really good in the eyes of a heart-searching God. Let us now see whether in this sense all things do not work together for good to them that love God and are the called according to His purpose.
You have known bodily affliction. In itself it did you no good, for it unfitted you for your work, it put your mind into a turmoil, it made you a burden to yourself and to all around you. There was nothing good in that. But suppose it weaned you from the world; suppose it brought you face to face with death, made you die daily and raised up a spirit of supplication and prayer in your heart. Suppose it opened up to you those promises of God that are meant for His afflicted children; suppose it was the way by which your soul was blessed with a sweet manifestation of your interest in the love and blood of the Lamb. Is it then for you to say that your illness, your affliction, has not been for good, when it worked together with God’s grace in your soul to bring forth a real blessing?
Reading: 2 Corinthians 7
To the reader…
Have you ever told the Lord that it would be good for you to stay in health, to prosper, or to be spared conflict and temptation? Who has not? But He is the Judge in these things, and His thoughts about what is good are not ours. Perhaps you are ill now, or unfit for your work and a burden to yourself and to others, and you see nothing good in it.
Then look again, with an honest eye. Has this affliction weaned you from the world? Has it taught you to pray and plead? Has it opened promises to you that only His afflicted children understand? Has it perhaps brought the love and blood of the Lamb nearer to you? Then it has been no time lost. What is bitter in itself God has, by His grace, made to work together for a real blessing to your soul.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y sabemos que a los que a Dios aman, todas las cosas les ayudan a bien.
Romanos 8:28
¿A qué ayudan todas las cosas? “A bien”. Pero ¿qué llamamos bien? No debemos partir de nuestra idea del bien, sino de la idea que Dios tiene de él. No debemos partir de lo que nos gustaría llamar bien, sino de lo que es real y verdaderamente bueno a Sus ojos.
Un hombre puede decir, por ejemplo, que es muy bueno tener salud; puede que lo sea a sus ojos, pero no a los ojos de Dios. Otro puede decir que es muy bueno prosperar en el mundo, tener un comercio floreciente, un negocio próspero; eso puede ser bueno a sus ojos, pero no a los ojos de Dios. Otro más puede decir: “Es bueno para mí tener una familia que crece, sana y fuerte y bien provista”. Puede que lo sea a sus ojos, pero no se sigue que sea bueno a los ojos del Señor. Y otro todavía puede decir que es bueno no tener aflicciones, ni tentaciones, ni corazón corrompido, ni diablo que le engañe o le acose; eso puede ser muy bueno a sus ojos, pero no se sigue que sea bueno a los ojos de Dios. Él es el Juez en estos asuntos.
¿Qué hemos de llamar, pues, “bien”? Todo lo que produce provecho y bendición espiritual; lo que es realmente bueno a los ojos de un Dios que escudriña los corazones. Veamos ahora si en este sentido todas las cosas no ayudan a bien a los que aman a Dios y son llamados conforme a Su propósito.
Usted ha conocido la aflicción corporal. En sí misma no le hizo ningún bien, porque le incapacitó para su trabajo, puso su mente en confusión, le hizo una carga para sí mismo y para todos los que le rodeaban. No había nada bueno en ello. Pero supongamos que le desprendió del mundo; supongamos que le puso cara a cara con la muerte, le hizo morir cada día y levantó un espíritu de súplica y oración en su corazón. Supongamos que le abrió aquellas promesas de Dios que están destinadas a Sus hijos afligidos; supongamos que fue el camino por el cual su alma fue bendecida con una dulce manifestación de su parte en el amor y la sangre del Cordero. ¿Le toca a usted entonces decir que su enfermedad, su aflicción, no ha sido para bien, cuando ayudó juntamente con la gracia de Dios en su alma a producir una verdadera bendición?
Lectura: 2 Corintios 7
Al lector…
¿Le ha dicho alguna vez al Señor que sería bueno para usted conservar la salud, prosperar, o verse libre de lucha y tentación? ¿Quién no lo ha hecho? Pero Él es el Juez en estas cosas, y Sus pensamientos sobre lo que es bueno no son los nuestros. Quizá está ahora enfermo, o incapacitado para su trabajo y es una carga para sí mismo y para otros, y no ve nada bueno en ello.
Entonces mire otra vez, con ojo sincero. ¿Le ha desprendido esta aflicción del mundo? ¿Le ha enseñado a orar y suplicar? ¿Le ha abierto promesas que solo entienden Sus hijos afligidos? ¿Le ha acercado quizá el amor y la sangre del Cordero? Entonces no ha sido tiempo perdido. Lo que en sí mismo es amargo, Dios, por Su gracia, lo ha hecho ayudar a una verdadera bendición para su alma.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
De Heere behoede u.
Numeri 6:24
Wat hebben wij nodig, dat de Heere ons behoedt! Wij staan op gladde plaatsen. Strikken en vallen legt men ons in elke richting. Ieder ambt en beroep in het leven, van het hoogste tot het laagste, heeft zijn bijzondere verzoeking. Netten worden uitgespreid voor de voeten der onkundigsten, zowel als voor de meest ontwikkelden. Ook is er niet één, wat ook zijn positie in het leven zijn moge, voor wie geen strik gespannen wordt; en wel zulk een strik, die hem zeker ten val zal brengen zo God hem niet bewaart.
Toen Elisa op de berg zat en zijn dienaar vreesde dat zijn meester met geweld zou worden weggevoerd, bad de profeet de Heere om de ogen van de jongen te openen. Wat zag hij toen? Vurige wagens en paarden rond de berg om de profeet te beschermen. Mogelijk zouden wij, zo de Heere onze ogen wilde openen gelijk Hij de ogen van Elisa’s dienaar opende, duivels zien, waar hij engelen zag; wij zouden ons omringd zien door Beëlzebul en zijn trawanten, waar de ogen van de knecht Michaël zagen met de vurige heirscharen des hemels. Wel mogen dan de begeerten onzer ziel zijn: „De Heere behoede mij.”
Behoede mij in Zijn voorzienigheid, behoede mij door Zijn genade, behoede mij door Zijn vrees diep in mijn hart te planten; behoede mij als ik waak, behoede mij als ik slaap; behoede mij bij dag en nacht, behoede mij als ik thuis ben of buitenshuis; behoede mij met mijn gezin en als ik bij mijn vrienden ben; behoede mij in de wereld en in de kerk. De Heere behoede mij overeenkomstig Zijn belofte elk ogenblik; behoede mij door Zijn Geest en genade met al de tederheid, in Zijn Woord vervat: „Bewaar mij als de appel van Uw oog!” Mijn vrienden, gij kent weinig van uw eigen hart, weinig van satans oogmerken, weinig van de strikken, die voor uw voet gespannen zijn, tenzij gij een diep gevoel hebt van de noodzakelijkheid en het belang van deze zegen: „De Heere behoede u.” En dit zal Hij doen, want wij lezen van de rechtvaardigen, dat zij door de kracht Gods bewaard worden tot de zaligheid en dat Hij de voeten Zijner gunstgenoten zal bewaren.
Aan de lezer…
Weet u, lezer, hoe glad de plaatsen zijn waarop u staat? Strikken en netten liggen in elke richting, in uw werk, in uw huis, in de wereld en zelfs in de kerk. Wie meent dat hij sterk genoeg is om zichzelf te bewaren, kent weinig van zijn eigen hart en van de oogmerken van de vijand. Misschien hebt u dat al pijnlijk ondervonden.
Laat het u dan tot gebed drijven: „De Heere behoede mij.” Behoede mij als ik waak en als ik slaap, thuis en buitenshuis, bij dag en bij nacht. U kunt het niet, maar Hij kan het wel. En Hij heeft het beloofd: de Zijnen worden door de kracht Gods bewaard tot de zaligheid, en Hij zal de voeten Zijner gunstgenoten bewaren. Bid dan met de psalmdichter: „Bewaar mij als de appel van Uw oog!”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De Heere behoede u.
Numeri 6:24
Wat hebben wij het nodig dat de Heere ons behoedt! Wij staan op gladde plaatsen. In elke richting worden ons strikken en vallen gelegd. Ieder ambt en beroep in het leven, van het hoogste tot het laagste, heeft zijn eigen verzoeking. Netten worden uitgespreid voor de voeten van de meest onkundigen, maar ook voor die van de meest ontwikkelden. Er is ook niet één mens, wat zijn positie in het leven ook mag zijn, voor wie geen strik gespannen wordt; en wel zo’n strik die hem zeker ten val zal brengen als God hem niet bewaart.
Toen Elisa op de berg zat en zijn dienaar vreesde dat zijn meester met geweld weggevoerd zou worden, bad de profeet de Heere om de ogen van de jongen te openen. Wat zag hij toen? Vurige wagens en paarden rondom de berg om de profeet te beschermen. Als de Heere onze ogen zou willen openen zoals Hij de ogen van Elisa’s dienaar opende, zouden wij misschien duivels zien waar hij engelen zag. Wij zouden ons omringd zien door Beëlzebul en zijn handlangers, waar de ogen van de knecht Michaël zagen met de vurige legermachten van de hemel. Dan mag het wel de begeerte van onze ziel zijn: „De Heere behoede mij.”
Behoede mij in Zijn voorzienigheid, behoede mij door Zijn genade, behoede mij door Zijn vreze diep in mijn hart te planten; behoede mij als ik waak, behoede mij als ik slaap; behoede mij bij dag en bij nacht, behoede mij als ik thuis ben of buitenshuis; behoede mij met mijn gezin en als ik bij mijn vrienden ben; behoede mij in de wereld en in de kerk. De Heere behoede mij overeenkomstig Zijn belofte elk ogenblik; Hij behoede mij door Zijn Geest en genade met al de tederheid die in Zijn Woord ligt: „Bewaar mij als de appel van Uw oog!” Mijn vrienden, u kent weinig van uw eigen hart, weinig van de bedoelingen van satan, weinig van de strikken die voor uw voet gespannen zijn, tenzij u diep voelt hoe nodig en hoe belangrijk deze zegen is: „De Heere behoede u.” En dat zal Hij doen, want wij lezen van de rechtvaardigen dat zij door de kracht van God bewaard worden tot de zaligheid, en dat Hij de voeten van Zijn gunstgenoten zal bewaren.
Aan de lezer…
Weet u, lezer, hoe glad de plaatsen zijn waarop u staat? Strikken en netten liggen in elke richting, in uw werk, in uw huis, in de wereld en zelfs in de kerk. Wie meent dat hij sterk genoeg is om zichzelf te bewaren, kent weinig van zijn eigen hart en van de bedoelingen van de vijand. Misschien hebt u dat al pijnlijk ervaren.
Laat het u dan tot gebed drijven: „De Heere behoede mij.” Behoede mij als ik waak en als ik slaap, thuis en buitenshuis, bij dag en bij nacht. U kunt het niet, maar Hij kan het wel. En Hij heeft het beloofd: de Zijnen worden door de kracht van God bewaard tot de zaligheid, en Hij zal de voeten van Zijn gunstgenoten bewaren. Bid dan met de psalmdichter: „Bewaar mij als de appel van Uw oog!”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
The LORD bless thee, and keep thee.
Numbers 6:24
How we need the Lord to keep us! We stand upon slippery places. Snares and traps are laid for us in every direction. Every employment, every profession in life, from the highest to the lowest, has its special temptations. Snares are spread for the feet of the most illiterate as well as the most highly cultivated minds; nor is there anyone, whatever his position in life may be, who has not a snare laid for him, and such a snare as will surely prove his downfall if God does not keep him.
When Elisha sat upon the mountain and his servant was distressed lest his master should be taken away by violence, the prophet prayed the Lord to open his servant’s eyes. What did he then see? Chariots and horses of fire all around about the mountain guarding the prophet. Perhaps if the Lord were to open our eyes as He opened the eyes of Elisha’s servant, we might see devils where he saw angels, see ourselves surrounded by Beelzebub and his legions, as the eyes of the servant saw Michael with the flaming hosts of heaven.
Well, then, may it be the desire of our soul, “The Lord keep me”—keep me in His providence, keep me by His grace; keep me by planting His fear deep in my soul, and maintaining that fear alive and effectual in my heart; keep me waking, keep me sleeping; keep me by night, keep me by day; keep me at home, keep me abroad; keep me with my family, and keep me with my friends; keep me in the world, and keep me in the Church; the Lord keep me, according to His promise, every moment; keep me by His Spirit and grace with all the tenderness implied in His words, “O keep me as the apple of your eye!”
My friends, you can know little of your own heart, little of Satan’s devices, little of the snares spread for your feet, unless you feel how deeply you need this blessing—“The Lord keep you.” And He will, for we read of the righteous, that they are kept “by the power of God through faith unto salvation;” and that “He will keep the feet of His saints.”
To the reader…
Do you know, dear reader, how slippery the places are on which you stand? Snares and traps lie in every direction, in your work, in your home, in the world and even in the church. Whoever thinks he is strong enough to keep himself knows little of his own heart and of the designs of the enemy. Perhaps you have already found this out painfully.
Let it drive you, then, to prayer: “The Lord keep me.” Keep me waking and sleeping, at home and abroad, by day and by night. You cannot do it, but He can. And He has promised it: His own are kept by the power of God unto salvation, and He will keep the feet of His saints. Pray, then, with the psalmist, “Keep me as the apple of the eye!”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Jehová te bendiga, y te guarde.
Números 6:24
¡Cuánto necesitamos que el Señor nos guarde! Estamos sobre lugares resbaladizos. Por todas partes se nos tienden lazos y trampas. Toda ocupación, toda profesión en la vida, desde la más alta hasta la más baja, tiene sus tentaciones particulares. Se tienden lazos para los pies de las mentes más incultas así como de las más cultivadas; y no hay nadie, cualquiera que sea su posición en la vida, para quien no se haya tendido un lazo, y un lazo tal que con seguridad será su caída si Dios no le guarda.
Cuando Eliseo estaba sentado en el monte y su criado estaba angustiado temiendo que su señor fuera llevado por la violencia, el profeta oró al Señor que abriera los ojos de su criado. ¿Qué vio entonces? Carros y caballos de fuego alrededor de todo el monte, guardando al profeta. Quizá, si el Señor abriera nuestros ojos como abrió los ojos del criado de Eliseo, veríamos demonios donde él vio ángeles; nos veríamos rodeados por Beelzebú y sus legiones, así como los ojos del criado vieron a Miguel con las huestes llameantes del cielo.
Bien puede, pues, ser el deseo de nuestra alma: “El Señor me guarde”; me guarde en Su providencia, me guarde por Su gracia; me guarde plantando Su temor hondo en mi alma y manteniendo ese temor vivo y eficaz en mi corazón; me guarde despierto, me guarde dormido; me guarde de noche, me guarde de día; me guarde en casa, me guarde fuera; me guarde con mi familia y me guarde con mis amigos; me guarde en el mundo y me guarde en la iglesia; el Señor me guarde, conforme a Su promesa, en todo momento; me guarde por Su Espíritu y Su gracia con toda la ternura implícita en Sus palabras: “¡Guárdame como lo negro de la niña del ojo!”
Amigos míos, poco pueden conocer de su propio corazón, poco de las maquinaciones de Satanás, poco de los lazos tendidos para sus pies, a menos que sientan cuán profundamente necesitan esta bendición: “El Señor te guarde.” Y Él lo hará, porque leemos de los justos que son “guardados en la virtud de Dios por fe, para alcanzar la salud”; y que “Él guarda los pies de Sus santos”.
Al lector…
¿Sabe usted, querido lector, cuán resbaladizos son los lugares sobre los que está? Hay lazos y trampas por todas partes, en su trabajo, en su hogar, en el mundo y aun en la iglesia. Quien piensa que es lo bastante fuerte para guardarse a sí mismo sabe poco de su propio corazón y de los designios del enemigo. Quizá ya lo ha descubierto dolorosamente.
Deje, pues, que esto le lleve a la oración: “El Señor me guarde.” Guárdame despierto y dormido, en casa y fuera, de día y de noche. Usted no puede hacerlo, pero Él sí. Y lo ha prometido: los Suyos son guardados en la virtud de Dios para salud, y Él guarda los pies de Sus santos. Ore, pues, con el salmista: “¡Guárdame como lo negro de la niña del ojo!”
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl